de linde

De linde


Wanneer in de kerkdienst de verhalen van Abraham worden voorgelezen, kun je horen dat hij ging wonen bij de terebinten van Mamre. Het is zo’n plaatsaanduiding waar je niet meteen een duidelijke voorstelling van hebt, maar die wel tot de verbeelding spreekt. Dat komt door de mysterieuze combinatie van onbekende bomen met een oudtestamentische plaats. Mamre ligt trouwens in de buurt van Hebron, op 32 kilometer ten zuiden van Jeruzalem. Het is nu Palestijns gebied.  

Vlakbij deze stad staan terpentijnbomen, de Nederlandse naam voor terebinten. Het zijn halfhoge, struikachtige bomen met een dicht bladerdak die groeien op de ruige bodem in tamelijk droge streken. Ze zorgen voor koele schaduw waaronder het goed toeven is. Daarom werden er ook wel erediensten onder deze roodbloeiende bomen gehouden. Zo is de terebint in het Middellandse Zeegebied een waardevolle boom.

Als het gaat om De Pijp en omgeving duurde het even voordat ook Amsterdam de waarde van bomen inzag. Stadsopzichter Van Niftrik had in 1867 een fraai en groen uitbreidingsplan ontworpen voor de bebouwing van het gebied tussen de oude stadswallen langs de huidige Stadshouderskade en de toenmalige stadsgrens ter hoogte van de Tolstraat. In 1868 vond de gemeenteraad dit plan met onder meer een flink groter Sarphatipark te groen. De raad koos in 1877 voor het plan van Kalff, destijds directeur Publieke Werken. Met dit plan zou het particulier initiatief van de huizenbouwers niet geschaad worden en bovendien sloot het aan bij de ‘laissez faire, laissez aller’-politiek van de gemeente. Gevolg: speculatiebouw langs lange smalle straten met amper ruimte voor bomen.

De bewoners van de nieuwe huizen misten het groen. Vandaar dat in het ‘Plan Zuid’ van Berlage veel meer aandacht werd gegeven aan voldoende groenareaal per bewoner. In de woonwijken die na 1917 ontstonden namen bomen een prominente plaats in, zoals onder andere de Churchilllaan laat zien. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in Zuid en de Rivierenbuurt bijzondere bomen staan. Als we ons tot de bomen bij kerken beperken valt de katzuraboom van de Willem de Zwijgerkerk op. Deze van oorsprong Japanse boom is niet vorstbestendig en kan daarom eigenlijk niet goed in ons land gedijen. Kennelijk wel op de binnenplaats van een kerk. Het verhaal achter boom is bijzonder. Begin jaren ’70 was dhr. Mos als hoofd-tuinarchitect bij de voorbereiding van de Floriade-1972 te Amsterdam betrokken. Hij was destijds tevens ouderling-kerkvoogd van de toen nog hervormde Willem de Zwijger. Die kerk had plek voor een nieuwe boom, nadat in 1968 een iep gerooid had moeten worden. Zo kwam het dat de Willem een katzuraboom cadeau kreeg. De boom staat er nog steeds. Niet helemaal in volle glorie overigens.

Ook de Oranjekerk heeft een bijzondere boom, zeg maar gerust een monumentale linde. Het gekke is dat veel bezoekers van de Oranjehof alwaar de boom staat, de boom ‘over het hoofd zien’. Dat komt door de geweldige inspanningen van de tuingroep. Deze groenliefhebbers hebben ervoor gezorgd dat onder de lindeboom en rond de kerk zulke fraaie planten groeien en bloeien dat de aandacht van de bezoekers vooral daarnaar uitgaat. Het volgende gedicht is op de linde van toepassing:



Vandaag de tuin van de Oranjekerk bewonderd.
En gek, hoewel ik daar al jaren kom
was deze linde mij nooit zo opgevallen

Ik voelde me ineens een beetje dom.
Hoe had mijn blik zich zo kunnen versmallen?
Wat heb ik hier toch al die tijd gedaan?

De fiets gestald, de zijdeur ingegaan,
heel zelden slechts heb ik even stilgestaan
bij deze klassieke linde: hij lijkt wel honderd.

Het deed mij tot dit diepe inzicht komen:
Bij al het schoons ontgaan je soms de bomen.


(vrij naar het gedicht ‘Onachtzaamheid’ van Hendrik Jan Bosman)

Jip

zondagsrust

‘Was de zondagsrust er nog maar’! Deze verzuchting komt vooral in het voorjaar tijdens de Dag des Heren in mij op. Voor menigeen is de lente nog steeds het signaal om de grote schoonmaak ter hand te nemen, tegenwoordig regelmatig gepaard gaand met een kleine of grote verbouwing. Ook de Oranjekerk lijkt door dit vroegjaarlijkse verbouwingsvirus te zijn bevangen. Gelukkig staan zoals in vroeger dagen de kerkelijke bouwactiviteiten op zondag stil.

In ‘die goede ouwe tijd’ werden de bouwactiviteiten overal nog beperkt tot de vijf doordeweekse dagen, tot 1961 aangevuld met een halve zaterdag. Toen al werd van kerkelijke zijde gewaarschuwd voor de zogenoemde glijdende werkweek, omdat daarmee het werken op zondag een normaal verschijnsel dreigde te worden. Deze situatie is inmiddels realiteit geworden met als gevolg dat de zondagsrust wordt verstoord. Zoals voor degene die op zondag rustig in zijn tuin van de lentezon wil genieten. Hij of zij wordt tegenwoordig ook op deze rustdag opgeschrikt door het luide geklop en geboor van nijvere, veelal Oost-Europese arbeidskrachten.

Toch heeft ook de kerk zelf bijgedragen aan de glijdende schaal wat betreft de zondagsrust. Zo heeft de Oranjekerk een -weliswaar kleine- fietsenstalling ingericht. Voor een Amsterdamse kerk en zeker voor een kerk uit het begin van de 20ste eeuw is dat bijzonder. Een fietsenstalling was helemaal niet nodig want de kerkgangers liepen naar de kerk. In het boek ‘Het beeld der vaderen’ met als ondertitel ‘een documentaire over het leven van het protestants-christelijk volksdeel in de twintiger en dertiger jaren’ wordt gesteld dat het rijtuig en de fiets voor de kerkgang slechts waren toegestaan als het om langere afstanden ging. In het Amsterdam van die jaren waren de afstanden niet lang genoeg om het gebruik van de fiets te rechtvaardigen. In elke buurt bevond zich wel een hervormde of gereformeerde kerk, die te voet bereikbaar was. Toen de Oranjekerk werd gebouwd was er dan ook geen fietsenstalling. De ruimte waar deze zich nu bevindt was destijds direct naast één van de vier kerkingangen gelegen. Ook de Gereformeerde Buiten-Amstelkerk aan de Albert Cuypstraat was niet voorzien van fietsenstalling. Daar was niet eens plaats voor.

Het mag opvallend worden genoemd dat juist in De Pijp het gebruik van de fiets onderbelicht bleef. Want al in 1895 werd in het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein de eerste Rijwiel-Industrie-tentoonstelling georganiseerd. In dit imposante gebouw dat in 1929 door brand werd verwoest, werden toen 499 Britse, 83 Nederlandse, 33 Amerikaanse, 19 Franse en 19 Duitse fietsen tentoongesteld. De Nederlandse fabrikanten vonden het zakelijk succes van deze eerste RI-tentoonstelling te mager. In 1901 sloten zich daarom de automobielfabrikanten tot de Rijwiel-Automobiel-Industrie aan. Onder de naam RAI trokken vanaf dat jaar steeds meer de auto’s de aandacht van de tentoonstellingsbezoekers. De belangstelling daarvoor groeide zo dat het RAI-bestuur besloot om een eigen gebouw te openen. De nieuwe locatie aan de Ferdinand Bolstraat werd op 31 maart 1922 door prins Hendrik officieel geopend. Misschien dat de toenmalige hervormden en gereformeerden op zaterdagmiddag de RAI mochten bezoeken, op zondag was dat uitgesloten. Een mooie auto om mee naar de kerk te rijden hoefden zij niet uit te zoeken, want voor de kerkgang stond ook de auto ter discussie. Alleen de dominee die in landelijke streken op verschillende plaatsen moesten preken, mocht gebruik maken van de eigen auto. Zo hij die al bezat. Des zondags per tram of trein reizen was in sommige kerkelijke kringen al wat lastiger, want daardoor werden anderen gedwongen om op de rustdag voor jou te werken. De voorganger moest erop rekenen dat hem een te ruime interpretatie van de zondagsviering kon worden verweten.

Over het kerkelijk vermaan dat ook een theologisch hoogleraar aan de VU ten deel kon vallen, doet de volgende anekdote de ronde. In een strenge winter koos de professor ervoor om per schaats ter kerke te gaan. Dit kwam hem op een schrobbering te staan. De Bijbelvaste hoogleraar zou daarop de met volgende psalmregels hebben geantwoord:

Ik zal mij buigen op Uw eis
naar Uw paleis
  


De Oude RAI aan de Ferdinand Bolstraat verhuisde in 1961 naar de Nieuwe RAI aan het Europaplein.

puzzel

Het geloof is een puzzel. Die gedachte drong zich op toen mw. Verhoeven uit haar archief mij het boekje ‘Geloven in De Pijp’ toevertrouwde. Het werkje is de neerslag van een speurtocht die ds. Riemer Roukema vanaf voorjaar 1988 tot voorjaar 1991 ondernam. Riemer was vanaf september 1987 tot maart 1996 predikant van onze kerk. Aangespoord door zijn onderzoekende geest nam hij zich voor om alle religieuze gemeenschappen in De Pijp op te sporen en te bezoeken. In maart/april 1988 schreef hij in De Kerk in De Pijp over zijn eerste bezoek. Dat was aan de Sikhs. Deze Indiase geloofsgemeenschap kwam destijds samen in hun tempel aan de Gerard Doustraat. Daarna ontdekte Riemer twee andere Hindoetempels, de Bhagwan-gemeenschap, zes moskeeën, twee boeddhistische groepen, theosofen, spiritisten, getuigen van Jehova, een Joodse synagoge, een baptistengemeente, een Volle Evangelie-gemeente en twee rooms-katholieke parochies. Allemaal in De Pijp!

De gang langs al deze groeperingen is voor de inmiddels hooggeleerde predikant al een speurtocht geweest. Hoe raadselachtig moet een bezoek aan een geloofsgemeenschap in De Pijp voor de argeloze gelovige dan wel niet zijn. De zinzoekende relishopper stapt een geloofsruimte binnen en meteen ontvouwt zich de puzzel langs welke lijnen deze zin wordt gevonden. 

Maar ook voor de ervaren gelovige is het geloof soms een puzzel. Neem nu de figuur van Melchizedek die als uit het niets opeens in Genesis 14 opduikt. De bijbelgeleerden vertalen zijn Hebreeuwse naam tot ‘koning der gerechtigheid’. Tegelijk is Melchizedek ook koning van Salem, waarmee volgens de kenners Jeruzalem wordt bedoeld. Hij is tevens priester. Ten tijde van het Oude Testament was de combinatie koning-priester overigens niet bijzonder. Wel is het opvallend dat Melchizedek in Psalm 110 een eeuwige priester blijkt te zijn: ‘Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek’. Die eeuwigheid verklaart een beetje waarom in hoofdstuk 7 van de brief aan de Hebreeën vol mysterie over hem staat geschreven: ‘Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en lijkt op de Zoon van God – hij is priester voor altijd’.

Zelfs de meest doorgewinterde kerkbezoeker zal niet meteen kunnen duiden wat deze puzzelachtige tekst bedoelt. Leefde Melchizedek altijd al? En zou hij nooit doodgaan? Is er dan in Jeruzalem een stokoude heer die Abraham nog heeft gekend? Vragen waarop niet een-twee-drie een antwoord is te geven.

De afbeeldingen van Bijbelse taferelen zijn soms ook kwestieus. Een beroemde afbeelding is Het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci. Over de persoon rechts van Jezus (links op het schilderij) zijn boeken vol geschreven. Met als prikkelende kwestie of de schilder een man dan wel een vrouw heeft afgebeeld. Minder bekend is de legende over de veronderstelde gelijkenis van Jezus met Judas, de zittende, zwartharige figuur met een geldbuidel in zijn hand. Leonardo schilderde eerst Jezus. De legende zegt dat hij als model voor Jezus iemand uit een koor koos dat met Pasen in de kerk zong. Het duurde lang voordat Leonardo een geschikt model voor Judas wist te vinden. Drie jaar nadat hij Jezus had geschilderd, selecteerde hij een niet zo gangbaar model, namelijk een dakloze. Deze zou de gezichtskenmerken hebben die bij een persoon als Judas passen. Toen diens portret klaar was, verklapte de man dat hij drie jaar eerder ook model had gestaan voor Jezus. Hij was in de tussenliggende tijd door financiële problemen aan lager wal geraakt en dakloos geworden. De betekenis van deze legende zou zijn dat het niet altijd zo makkelijk is om goed van kwaad te onderscheiden.

Voor de lezer die de gezichten van Jezus en Judas eens goed in zich op wil nemen, is er een legpuzzel beschikbaar. Deze puzzel van 300-400 stukjes werd mij overhandigd door mw. Kerkhoven uit de Rivierenbuurt. Zij dacht dat er wel een Oranjekerker zal zijn die deze legpuzzel zou willen maken. De Stille Week is een geschikte tijd om in alle rust de puzzelstukjes tot Het Laatste Avondmaal om te vormen. Puzzelen kan zo een spirituele bezigheid zijn. Wie de puzzel wil maken, wende zich tot

Jip Kreijns

profetie

‘Ziener! Ga heen, vlucht naar het land van Juda; eet daar brood en profeteer daar’. Met deze smalende woorden wordt de profeet Amos weggestuurd, omdat zijn voorspellingen niet in de smaak vallen. Het Nederlands heeft aan deze passage de uitdrukking ‘broodetende profeet’ te danken. De uitdrukking betekent dat aan de voorspelling van zo’n profeet niet veel waarde kan worden toegekend.

Ongeveer 160 jaar geleden, halverwege de 19e eeuw, liep ook in De Pijp een profeet rond. Helemaal juist is dit niet, want De Pijp met zijn straten als pijpenladen bestond nog niet. De naam was Binnendijksche Buitenveldertsche Polder. In deze polder waren vooral boeren en tuinders aan het werk. Zij bewoonden eenvoudige optrekjes die bereikt konden worden via de paden die doorliepen van de Amstel aan de oostzijde tot de Boerenwetering aan de westzijde. Het Pijpse stratenpatroon volgt deels nog steeds de route van deze oude paden. Zoals de Van Ostadestraat die, voordat dit pad een bebouwde straat werd, Hoedemakerspad heette.

Het kerkje van de boeren en tuinders was niet veel beter dan hun woninkjes. Eigenlijk was de eerste kerk in De Pijp een flinke schuur ‘met veel en verscheijdenen banken beset’, aldus de Baljuw van Amstelland in 1644. Dit jaartal maakt meteen duidelijk waarom het eerste kerkje niet opviel. Het dateert van na de Alteratie van Amsterdam in 1578, toen ook in Amsterdam de katholieke godsdienst min of meer in de ban werd gedaan. Oogluikend werd de roomse mis echter wel gedoogd, als de kerk waarin deze werd opgedragen maar niet direct zichtbaar was. Het schuurkerkje stond dan ook wat achter bomen tussen het Kuipers- en Rustenburgerpad verscholen.

Het godshuis deed ook in 1853 nog dienst. Voor katholiek Nederland was dit een belangrijk jaar omdat paus Pius IX de bisschoppelijke hiërarchie had hersteld. De grondwet van 1848 maakte het mogelijk dat de katholieken weer volop aan het openbare leven konden deelnemen. Sinds de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren zij stelselmatig achtergesteld ten opzichte van de protestanten, zodat het katholieke volksdeel de nieuwe verhoudingen aangreep om zich te emanciperen. Door dit enthousiasme aangestoken voorspelt de oude pastoor Deekens aan de boeren en tuinders dat het schuurkerkje zal worden vervangen door een grote kerk van wel 100 meter lengte en voorzien van zeven torens. Zorgwekkender voor zijn gehoor is dat hij tevens voorziet dat rond deze nieuwe kerk geen boeren en tuinders meer wonen. Nee, duizenden arbeiders en winkeliers zullen de straten gaan bewonen. Dat alles zal binnen 70 jaar geschieden.

Deze profetie valt de gelovigen koud op het dak. Ze vermoeden dat de oude pastoor niet meer geheel bij zijn verstand is. Per brief waarschuwen zij de Aartsbisschop van Haarlem. Kennelijk weten ze niet dat er heimelijk al besprekingen gaande zijn over de plaats van de nieuwe kerk. Het zogeheten land van Kolk zal worden aangekocht. Dat ligt aan de Amstel en is een mooie plek voor de nieuwe kerk die de Sint Willibrordus-buiten-de-Veste zal gaan heten. De befaamde katholieke bouwmeester Cuypers ontwerpt inderdaad een grootse kerk met zeven torens, maar zijn plan wordt niet helemaal uitgevoerd. Als de kerk in 1873 in gebruik wordt genomen zijn er vier kleinere torens, terwijl de geplande koepel nog ontbreekt. Toch is de kerk zo indrukwekkend dat de architect van de Oranjekerk aan zijn oorspronkelijke ontwerp later een forse toren toevoegt, want anders zou de lucht boven De Pijp vrijwel volledig door de katholieken geannexeerd worden. Op hun beurt voorzien de katholieken in 1924 de Willibrordus van een centrale, hoog oprijzende toren.


De visioenen van de oude pastoor zijn dus daadwerkelijk verwezenlijkt. In zijn profetie voorzag hij echter niet dat zijn gedroomde kerk ongeveer 100 jaar na de inwijding ervan aan de slopershamer ten prooi zou vallen. Misschien voorzag hij het wel, maar hield hij het toekomstbeeld van de sloop maar voor zichzelf. Want hij kende ook de woorden van Jezus over een profeet in zijn eigen vaderstad. Die wordt niet geëerd. Vandaar dat ik mij niet waag aan een profetie over de staat van de Oranjekerk in 2117. Wie durft het wel aan?

De afbeeldingen komen uit 'De geschiedenis van de Pijp – monument van een wijk’, Ton Heijdra (2002)

komt allen tezamen

Komt allen tezamen


Hoe krijg je het volk aan het zingen? In 1815 was het recept duidelijk: men kiese een gerespecteerd volksdichter, men neme de muziek van een veelgevraagd componist en daar is ‘Wien Neêrlandsch bloed’. Tollens maakte er een vaderlands lied van en Wilms zorgde voor de patriottische toonzetting. Van 1817 tot 1932 was dit ons volkslied totdat het werd vervangen door het Wilhelmus. Op Koninginnedag moesten wij als schoolkinderen ons verzamelen onder het balkon van het gemeentehuis om met z’n allen het Wilhelmus aan te heffen. Het balkon werd tot onze teleurstelling niet bemand door koningin Juliana, maar door een onbekende figuur met een ketting om zijn nek. De beleving van het samen zingen maakte de deceptie een beetje goed.

Het tweede moment in het jaar dat er gezamenlijk gezongen werd, was met Kerst: de Volkskerstzang. Nog steeds worden in diverse plaatsen in Nederland vóór 25 december gezamenlijk kerstliederen gezongen. Voordat de radio, tv en het internet onze levens domineerden, was de Volkskerstzang gewoon nodig. Op de eerste plaats om de kerststemming er al in te brengen, op de tweede plaats om de kerstliederen te oefenen voordat ze op Kerst zelf ten gehore zouden worden gebracht. Met de komst van onze cantor Annemart Franken is de oude traditie van de volkskerstzang gerevitaliseerd. Ook in 2016 is er op de zondag vóór Kerst weer een kerstsamenzang. De aanduiding ‘volkskerstzang’ is op de achtergrond geraakt, omdat vanuit De Pijp en de Rivierenbuurt geen ontelbare mensenmassa’s meer naar de Oranjekerk toestromen. Desondanks is de samenzang altijd een inspirerend voorproefje voor de Kerst, ook omdat voor velen vertrouwde kerstliederen worden gezongen.

Natuurlijk klinkt ook het ‘Stille nacht, heilige nacht’. De geschiedenis van dit geliefde kerstlied heeft iets van een kerstwonder. In 1818 raakte in het Oostenrijkse dorpje Oberndorf vlak voor Kerstmis het orgel van het plaatselijke kerkje onklaar, vermoedelijk doordat muizen van de blaasbalg hadden gegeten. Er was geen tijd meer voor reparatie. Dorpsonderwijzer Joseph Mohr schoot te hulp (hoe kan het ook anders met zo’n naam). Hij had de tekst van Stille Nacht al klaar en schakelde componist Franz Gruber uit het buurdorp in om de tekst op muziek te zetten. Aangezien het orgel stuk was, koos Gruber ervoor om muziek voor gitaar met twee solostemmen te componeren. Eén van die stemmen was voor tenor Mohr die ook de gitaar bespeelde. Gruber zelf nam de baspartij voor zijn rekening en het kerkkoor zong de herhaling van de beide slotregels van elk couplet. Protestanten vonden het wel erg katholiek. Totdat tenor IJserinkhuijsen van het Amsterdamse, Lutherse kerkkoor rond 1900 de tekst verprotestantiseerde. Mede hierdoor staat ‘Stille nacht, heilige nacht’ op nummer één van de Nederlandse kerst-toptien. Populair bij het volk, afgekraakt door de kenners. De bekende protestantse tekstdichter Ad den Besten bijvoorbeeld noemde Stille nacht een afschuwelijk versje.



Dezelfde afkeuring zal ook wel ‘Eenzame Kerst’ van André Hazes ten deel zijn gevallen. Ietwat beledigend voor de ware Pijpbewoner want die weet dat in zijn buurt voor deze volkszanger een standbeeld is opgericht. Hazes’ kerstlied zou daarom niet misstaan in de kerstsamenzang van de Oranjekerk. Misschien dat het gezamenlijk zingen van deze smartlap de samenzang weer tot een Volkskerstzang zou maken. Ook omdat Hazes in zijn lied ‘Stille Nacht’ niet vergeet. Het lied gaat over een gevangene die in zijn eenzame cel kerstfeest zit te vieren, omdat:

‘Ik stal voor ons gezin
maar dat had toch geen zin,
want jij viert nu kerstfeest met een ander.
M’n kinderen die zingen ‘Stille Nacht’.
Ja, stil zal het voor mij zeer zeker wezen
met niets wat mijn verdriet verzacht’


Een lied over kerst-eenzaamheid tijdens de volkskerstzang. Is dat geen aangrijpende paradox?

Jip Kreijns, gemeentelid