3 nov

Overweging 3 november 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 19: 1-10

 

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag verder in het evangelie van Lucas en horen het verhaal over Zacheus, een verhaal dat Lucas als enige evangelist vertelt.

De Tsjechische priester en hoogleraar Tomás Halík schreef een boek ‘Geduld met God’, waarin hij uitgebreid ingaat op het verhaal van Zacheus. Hij ziet in Zacheus een buitenstaander die nieuwsgierig en welwillend wil onderzoeken wie Jezus is. En hij zegt: er zijn heel veel zacheussen in onze samenleving en daar moeten we als kerk wat mee. Bovendien gunt hij ons de zoekende houding en de open blik van Zacheus. Laten we voor we lezen daarom zingend bidden: 'Kom Geest van God, maak onze harten open, dat Christus bij ons woning vindt'. 

 

Overweging

1.  Gemeente van Jezus Christus,

 

De bladeren op de liturgie staan er niet voor niets. Ze zijn bedoeld als hint. Ik wil u vandaag namelijk de boom in krijgen met mijn overweging en mijzelf ook. De boom van Zacheus. Zodat we vanuit zijn perspectief kunnen kijken naar de boodschap van dit verhaal.

 

Zacheus zit in een boom en hij kijkt van een afstandje naar Jezus.

Waarom zit hij in een boom en waarom kijkt hij naar Jezus? Hoe is dat zo gekomen?

Jezus komt op weg naar Jeruzalem door Jericho en Zacheus heeft over hem gehoord. Misschien heeft hij wel gehoord wat vlak hiervoor is gebeurd, nl. dat Jezus een andere tollenaar een rechtvaardig mens noemde omdat hij eerlijk voor God bekende een zondig mens te zijn. De tollenaar Zacheus weet dat hij zijn rijkdom niet eerlijk verkregen heeft, misschien heeft hij hoop gekregen dat hij ook gerechtvaardigd kan worden?

Of is hij gewoon nieuwsgierig?

De reden dat Zacheus in een vijgenboom klimt staat wel in de tekst, hij is klein van stuk. Toch zal dat niet de enige reden zijn waarom hij niet tussen de mensen gaat staan. Zacheus hoort niet bij die mensen, zij beschouwen hem niet als één van hen, gewild of ongewild is hij een buitenstaander. En hij heeft ook wel wat te verbergen daar achter die vijgenbladeren.

 

Nog één ding is belangrijk om te weten over hoe Zacheus in die boom zit.

Letterlijk staat er dat Zacheus ‘Jezus zoekt te zien’. Zacheus is een zoeker, hij heeft een open vraag en een open blik: hij is afwachtend, nieuwsgierig, verlangend. 

Net als Jezus, die is ook een zoeker. Dit verhaal laat zien dat Jezus ‘De ​Mensenzoon​ is die is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’

Van de mensen in de menigte krijg je niet de indruk dat ze Jezus zoeken. Zij hebben Hem al gevonden. Zij beschouwen Jezus min of meer als hún bezit.

 

2. Vanuit onze boom zien we een morrende menigte.

Tomás Halík is er erg op gebrand om in die groep mensen de kerk te zien en hij roept met zijn boek de kerk op om naar zacheussen toe te gaan. Hij zegt: ‘in de kerk zitten we als de morrende menigte te denken dat we hét geloof bezitten en hebben we een mening over mensen die niet gelovig zijn, of die twijfelen en zoeken, en we geven die mensen geen kans, we spreken ze niet aan’.

Ik snap waar Halik het over heeft en die morrende menigte herken ik en dan niet alleen in de kerk. Ook op andere plaatsen in de samenleving kan een menigte morren als iemand het niet doet zoals het hoort en toch, zo lijkt het, een voorkeursbehandeling krijgt.

Toch denk ik dat het beeld van Halik van een kerk als morrende massa die geen plek wil gunnen aan wie anders denkt of doet, dat dat beeld niet passend is voor onze situatie in de Oranjekerk. Als ik voor mezelf spreek dan is de plek die Zacheus inneemt, mij minstens zo vertrouwd.

Misschien herkent u dat ook, dat je zelf ook wel eens van een afstandje kijkt naar een groep mensen die zich gelovig noemen en dat je je afvraagt of je wel bij hen hoort en bij hen wil horen. Dat je voelt dat hun zekerheid niet jouw zekerheid is, dat je je niet herkent in wat zij zeggen, maar dat je wel iets hebt met Jezus, of iets met Jezus wil.

 

Iets in de verhalen over Jezus heeft Zacheus geraakt en hij gaat op onderzoek uit om te ontdekken wat dat is.

Jezus ontdekt Zacheus meteen.

Hij noemt hem bij zijn naam en daarmee is veel gezegd. Zacheus, die naam, betekent ‘zuiver, rein’. Jezus spreekt Zacheus aan op de zuivere mens die hij ten diepste is, hij is ook een zoon van Abraham immers, verbonden met God.

Als Jezus Zacheus bij zijn naam noemt, gebeurt er iets. Iets wat volgens mij raak verwoord is in dat lied:

Neem mij aan zoals ik ben,

zuiver uit wie ik zal zijn,

druk uw zegel op mijn hart en leef in mij.

 

Leef in mij, ‘dat Christus bij ons woning vindt’, hebben we net gezongen. En precies dat is wat Jezus gaat doen bij Zacheus. Hij nodigt zichzelf bij Zacheus uit: ‘vandaag moet ik in jouw huis verblijven’. En waar de menigte denkt dat Jezus gaat logeren bij een zondig mens, gaat  chillen bij Zacheus op de sofa’, blijkt dat het daar helemaal niet om gaat.

Misschien is Jezus zelfs wel nooit aangekomen in het fysieke huis van Zacheus. Want het eerste wat we lezen dat Zacheus doet, is dat hij gaat staan. Niet gek als je bedenkt dat hij op Jezus’ woorden eerst uit de boom moet gekomen. Zacheus staat met beide benen op de grond en zegt wat hij gaat doen. Hij gaat de helft van zijn bezit geven aan de armen en hij zal  ruimschoots vergoeden waar hij mensen heeft afgeperst.

Staan is hier opstaan, Zacheus begint een nieuw leven als een zuiver mens.

 

3. Daarop noemt Jezus Zacheus veelzeggend een ‘zoon van Abraham’. God beloofde Abraham dat Hij zou omzien naar zijn nakomelingen. Met Jezus wordt zichtbaar hoe God zoekt en redt wie verloren was.

 

In nog een ander opzicht is Zacheus verwant aan Abraham. Beiden zijn zoekers. Abraham heeft ooit net als Zacheus de zekerheid van zijn huis en zijn bezit verlaten om op weg te gaan. Beiden hebben God op hun weg ontmoet. En God heeft hen en allen die bij hen horen gezegend en zij zijn anderen tot een zegen geworden.

 

De openheid waarmee Zacheus op weg gaat naar Jezus, staat in een sterk contrast met de houding van de morrende menigte. De zoekende houding van Zacheus getuigt ervan dat hij een verlangen heeft en dat hij iets van Jezus verwacht. Hij waagt het voor gek te staan in zijn poging Jezus te zien. Hij laat zich kennen en aanspreken en staat open voor een andere manier van doen. Hij overbrugt de afstand tussen hem en de ander.

 

4. En daarom wilde ik u en mijzelf graag in die boom hebben vandaag. In de hoop dat het op een afstandje kijken naar wie die Jezus is, ons ook aanmoedigt om te zoeken en te blijven zoeken naar wie God is. Wie weet worden we dan ineens als nieuw aangesproken bij onze naam. Krijgen we opeens een onverwachte gast binnen.

 

Als wij het avondmaal vieren, dan gedenken we dat de tafel, die maaltijd, niet van de kerk is, maar van God. Daarom is ook iedereen welkom. Wie vast gelooft is geen betere gast aan die tafel dan wie zoekt of twijfelt.

Verwachting, verlangen, nieuwsgierigheid of sympathie kunnen ons in beweging zetten om dichterbij te willen komen, en ondanks schroom te willen ontdekken wie onze gastheer is.

Jezus, iemand bij wie je thuis kan komen. 

Amen.


20 okt

Lezingen: Genesis 32:23-32 en Lucas 18:1-8

Ds. Wielie Elhorst


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Ik kon er niet echt onderuit bij de lezing en bestudering van de tekst uit het Lucasevangelie van vandaag. Bij het beeld van de weduwe kwam bij mij steeds het beeld op van Greta Thunberg en van de jonge klimaatactivisten van wie wij de afgelopen weken zoveel hebben gehoord en gezien, zij het de afgelopen week enigszins overschaduwd door de protestacties van de Nederlandse agrariërs. Ik wil er ook niet onderuit, want als er iets dichtbij een actuele betekenis van ons verhaal komt, dan is het de inzet van deze jongeren wel. Het ‘bewijs’ daarvoor wordt geleverd met het etiket dat hen wordt opgespeld, en dat erg veel zegt over de wijze waarop hun protest wordt ontvangen: klimaatdrammers zijn het, zeggen ze, zeggen we. Hun boodschap, hun protest, komt niet gelegen, we worden er ongemakkelijk van, het is ons onwelgevallig. En dus reduceren we hun protest tot ‘gedram’, alsof het kleine kinderen zijn die vooral hun zin willen. Drammers, mensen die van geen ophouden weten, die aanhoudend aan je jasje trekken met hun vragen, hun appèl op jou: nu eindelijk eens op te houden steeds weer om de hete brei heen te draaien, steeds maar weer voor je uit te schuiven wat je eigenlijk nu zou moeten doen. Drammers, mensen die onvermoeibaar zijn in hun roep om eerlijkheid en om recht, en die niet ophouden tot ze een echt antwoord krijgen. Lastig zijn ze. Drammers, naar mijn beste indruk net als de weduwe dus in de gelijkenis van Jezus uit het Evangelie naar Lucas van vanmorgen – die weduwe die in die gelijkenis door Jezus aan zijn leerlingen als voorbeeld wordt voorgehouden, die de evangelist Lucas zijn gemeente ten voorbeeld houdt. Drammen als kwaliteit van de navolgers van Jezus Christus, drammen als kwaliteit van de gemeente? Jezus’ woorden zijn: altijd bidden en nooit opgeven.

Goed, laten we het verhaal eens van wat naderbij bekijken. Het begint dus met de oproep altijd te bidden en nooit te op te houden – daar kom ik zo weer op –, maar het eindigt met een niet minder indringende vraag, van Jezus, in vers 8: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden?’ Een grote vraag, de vraag naar geloof. De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter, zoals we het verhaal van vandaag kennen, staat in het Lucasevangelie in het teken van een doorlopend gesprek over de definitieve doorbraak van het koninkrijk van God met de komst van de Mensenzoon. Het begint al eerder in het Lucasevangelie en de vraag naar geloof van Jezus aan het einde van de gelijkenis heeft daar alles mee te maken. De Farizeeën, de vrome broeders van die tijd, vragen aan Jezus wanneer het langverwachte koninkrijk van God zal komen en hoe dat dan te merken zal zijn en waar dat dan te zien zal zijn – dat langverwachte rijk van vrede en gerechtigheid dat met de komst van de Mensenzoon ook een oordeel uitspreekt over al wat die vrede en die gerechtigheid heeft weersproken, wat het daglicht niet kon verdragen. Ook al zo’n grote vraag, zeker voor de mensen van toen die dag in dag uit gebukt gingen onder bezetting, oorlog en onderdrukking. Die willen eindelijk bevrijding. Die willen dat de beul wordt gestraft. Niet dat de Farizeeën het zo bedoelen. Die snijden een thema aan, stellen Jezus een vraag in de hoop dat ze Hem daarmee klem kunnen zetten, zoals wel vaker gebeurt. Minder groot wordt de vraag daarmee niet. Jezus gaat er dan ook uitgebreid op in. Jezus zegt: als je een simpel antwoord wilt op deze vraag, dan kun je het wel vergeten. Dat antwoord krijg je niet. Je kunt speculeren over dat koninkrijk, over die nieuwe tijd, en zeggen ‘kijk hier’ of ‘kijk daar’, maar zo eenvoudig ligt het niet. Het heeft geen zin je druk te maken over een toekomst die je niet kent en die niet te berekenen valt. Het heeft geen zin je druk te maken over de tijd of het uur. De toekomst, zeker dat Godsrijk van vrede en gerechtigheid dat komt, is niet maakbaar, het is niet af te dwingen, niet naar menselijke maatstaven. Tegelijkertijd zegt Jezus: het koninkrijk ligt binnen uw bereik, het is heel dichtbij. Op de grote vraag naar het wat, het wanneer en het hoe van het koninkrijk van God, het rijk van vrede en gerechtigheid, is dan misschien geen simpel antwoord te geven, maar dat maakt het niet minder concreet. Het is onder handbereik. In het verhaal van vandaag concentreert Jezus zich op de waarde van het verlangen; niet het verlangen van het ‘stil maar wacht maar alles wordt nieuw’ maar het verlangen dat weet van onophoudelijk bidden en nooit opgeven. En in de gelijkenis die Jezus vertelt krijgt dit onophoudelijk bidden, dit nooit opgeven de kleur van het protest, de eis om recht gedaan te worden, het krijgt, met de woorden van vandaag, de kleur van gedram. We zien een weduwe, dat is een vrouw die geen man meer heeft, dat is in die tijd zo’n mens van dubbel niets: onbeschermd, onrein, uitgeleverd, overgeleverd, aan de grillen van haar mannelijke omgeving. Deze vrouw, deze weduwe, deze aangevochtene, deze mens die niet kan terugvallen op macht, status of autoriteit, stapt zonder blikken of blozen naar de rechter van haar stad om haar recht op te eisen in een geschil waarvan we de toedracht niet kennen. Die toedracht doet er ook niet toe. Het gaat hier om haar houding van protest en om de onophoudelijkheid, de aanhoudendheid ervan. Het gaat hier om het verlangen dat van geen ophouden weet, zelfs tegenover een gezag dat niet wijken wil, sterker nog: dat onrechtvaardig is. De weduwe gaat steeds weer naar de rechter, zo lezen we, en steeds weer verzoekt ze: doe mij recht! Ten langen leste kiest de rechter eieren voor zijn geld en wordt de weduwe recht verschaft, niet omdat de rechter opeens rechtvaardig is geworden, maar omdat hij bang is dat de vrouw hem aanvliegt. Zo’n man. Kille berekenaar. Angsthaas. Jezus zegt: als deze slechte rechter al zwicht voor het onophoudelijke gerammel aan zijn deur, het nooit opgegeven verlangen naar leven dat recht wordt gedaan, hoeveel te meer zal God zelf dan ons onophoudelijke verlangen naar die tijd waarin alles anders is, dat leven waarin alles goed is, vervullen. We hoeven geen genoegen te nemen met minder. Bid onophoudelijk en geef niet op. Roep, dag en nacht. Bezet alle kruispunten. Laat niemand meer door, totdat iedereen van die roep, dat appèl doordrongen is.

Het verhaal dat we vandaag horen, roept ons op tot verlangen, onophoudelijk verlangen. Nooit opgeven. Ja, drammen. Protest aantekenen, om recht vragen waar dat moet worden gedaan. De hemel naar de aarde toe bidden. Dat verlangen heeft een richting: het rijk van vrede en gerechtigheid, en het wordt gelokaliseerd: in een weduwe. Ik geloof dat Jezus zijn woorden en zijn beelden niet zomaar kiest. Hij kiest hier niet zomaar voor een weduwe: een machteloze, een aangevochtene, een overgeleverde. Juist in haar lokaliseert Hij het verlangen naar recht, in een omgeving waar niets te verwachten valt. Jezus doet dat voortdurend: het rijk van de vrede verbinden met het onaanzienlijke, in wat je figuurlijk en letterlijk over het hoofd ziet. In de perikoop na dit verhaal voert Jezus ten tonele wie volgens hem de erfgenamen zijn van dat koninkrijk waar Hij steeds over spreekt. In een van mijn favoriete verhalen voert Hij daar de kinderen op. Hij zegt: sta hen niet in de weg, want als je niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, dan zal je er zeker niet binnengaan. Hier gaat het niet over een fictieve weduwe in een gelijkenis, op zichzelf al concreet genoeg, maar over echte mensen die dicht bij Jezus worden gebracht, en nota bene door zijn eigen leerlingen worden tegengehouden. Ook hier worden weer mensen opgevoerd die niet meetellen, nog geen zonen (en dochters) van de joodse wet, niet volwaardig of gelijkwaardig, vindt men, en juist over hen zegt Jezus: wees zoals zij als je wilt weten wat het betekent om deelgenoot te worden van het koninkrijk van God.

Ik weet het, het klinkt wat akelig – altijd bidden en nooit opgeven, klinkt ons heel wat sympathieker in de oren, omdat het ons vertrouwde woorden zijn -, maar toch, ik zou wensen dat wij het zouden aandurven gehoor te geven aan Jezus’ oproep en in deze tijd zijn drammers te zijn. Het is toch ook niet het minste waar wij op aan mogen dringen, waarvoor wij lawaai mogen maken: het rijk van God, rijk van vrede en recht voor iedereen – en wij slaan daarbij niet op de deur van een onrechtvaardige rechter, maar op de deur van God zelf. En zou Hij geen gehoor geven? Ik wil niet al te gemakkelijk om deze vraag heen, maar als Jezus zegt dat het rijk van God steeds onder handbereik is, dan mogen wij dat aannemen, als wij het maar aandurven daar te drammen waar het nodig is, te onderscheiden waar vrede en recht moeten geschieden, waar het moet worden afgedwongen, en het aandurven dat, met het risico voor gek versleten te worden, dan ook concreet aan te wijzen; aanhoudend en voortdurend, zolang als het nodig, net zolang tot het onrecht waar we ons tegen verzetten, bezwijkt. Het lijkt misschien soms moeilijk Gods gehoor te onderscheiden, maar Hij hoort echt. In alle bescheidenheid wijs ik hier van harte op het wonder dat gebeurde na drie maanden onophoudelijk bidden in de Bethelkerk in Den Haag nog geen jaar geleden, aanhoudend en voortdurend, onafgebroken, om recht voor mensenkinderen, kinderen van asielzoekers, die zonder hun schuld onrecht aangedaan dreigden te worden. Ik krijg nog de rillingen, van pure vreugde, bij het bevrijdende applaus dat opklonk in de Bethelkerk, toen dat niet opgegeven gebed met gehoor beloond werd. God laat ons niet wachten, echt niet. Wat Hij van ons vraagt is altijd te bidden en nooit op te geven. Als de kinderen van onze tijd al drammen om het recht op een leefbare wereld, zonder de garantie dat er gehoor gegeven zal worden, hoe zouden wij dan niet naast hun, onze kinderen, kunnen gaan staan, wij die weten van onophoudelijk bidden en nooit opgeven, die leven in de hoop op en in de stellige verwachting van Gods bevrijdende zegen?

Amen

13 okt

Overweging 13 oktober 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: 2 Samuel 1

 

Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we voor de zesde en laatste keer uit de boeken van Samuel over David.

David is gezalfd als koning van Israël, als opvolger van Saul, die de eerste gezalfde koning van Israël is. Saul heeft in de loop van zijn koningschap de verkeerde keuzes gemaakt en naar eigen inzicht gehandeld in plaats van te luisteren naar God. Toen hij eens de Amalekieten, een vijandig volk, moest vernietigen, heeft hij dat niet gedaan zoals God hem opdroeg, want hij hield een deel van de buit voor zichzelf. (1 Samuel 15) Daarom verkiest God een andere koning, David. Saul is jaloers op David en op zijn successen waaruit duidelijk blijkt dat God David verkiest boven Saul. Saul wil David doden en jaagt op hem.

Vorige week lazen we het verhaal waarin Saul op zoek is naar David om hem te doden en ineens de situatie zich voordoet waarin David Saul kan doden. ‘Dit is je kans’, zeggen de mannen van David, ‘doodt Saul’. Maar David doet het niet. ‘Want’, zegt hij, ‘God verhoede dat ik de hand sla aan de Gezalfde van de Heer’. En daarna spreekt David tegen Saul: ‘Zie, ik had je kunnen doden, maar ik deed het niet. Geloof je nu dat ik niet uit ben op jouw ondergang? God zal mij recht verschaffen’. En Saul erkent dan volmondig: ‘Jij hebt kwaad met goed vergolden, jij zult koning over Israël zijn.’

Tussen deze lezing van vorige week en die van vandaag staan zeven hoofdstukken die we overslaan. Hoofdstukken waarin eerst David en zijn mannen nog steeds op de vlucht zijn voor Saul. Daarna trekken de Filistijnen opnieuw ten strijde tegen Saul en het volk Israël.

David gaat ondertussen achter de Amalekieten aan, die zijn woonplaats Siklag in de as hebben gelegd en alle vrouwen hebben weggevoerd.

Terwijl David in het zuiden slag levert met de Amalekieten en hen verslaat, vecht Saul met zijn zonen in het noorden in het gebergte van Gilboa tegen de Filistijnen. Daar komen velen van de Israëlieten om, waaronder Saul en zijn zoon Jonathan.    

 

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Kun je rouwen om de dood van iemand die je naar het leven stond?

Hoe is het te begrijpen dat David rouwt om Saul?

 

Het doet mij denken aan de tijd dat ik als studentenpastor rouwgroepen begeleidde. Ik herinner me een studente van wie de vader was overleden. Ze had haar vader, op het moment dat hij stierf, al jaren niet gezien. In haar vroege jeugd mishandelde hij haar moeder, haar zus en haar zelf en had een verbod gekregen om contact met hen te zoeken. Jarenlang was ze bang voor hem geweest en nu was hij dood en had zij groot verdriet.

Waarom, vroeg ook zijzelf zich af. En we ontdekten dat het verdriet was omdat er nu geen kans meer was dat het ooit nog goed zou komen. Nooit zou ze een andere kant van haar vader meemaken. Ze verloor definitief de vader die er niet voor haar geweest was.

 

Dat David rouwt om Saul, lijkt vreemd, omdat Saul hem dood wenste, maar het past bij David zoals we hem in de verhalen tot nu toe hebben leren kennen: God is er ook nog. Alleen daarom al zal David Saul nooit kunnen haten. Saul is immers door God zelf aangewezen en gezalfd als eerste koning van Israël. Net als toen in de spelonk, toen David Saul kon doden, maar het niet deed, zegt hij ook hier ‘God verhoede dat iemand de Gezalfde van de Heer geweld aandoet’.

Wat toen gaande was en hier gaande is, stijgt boven een persoonlijke tweestrijd uit.  

Saul en David zijn geen vijanden, zij zijn als vader en zoon, verbonden in hun dienst aan God, die hen beiden heeft uitgekozen. Die vader en die held Saul te moeten missen, zo lang al en nu definitief, daarover heeft David verdriet.

 

En dus heeft die Amalekiet het helemaal verkeerd als hij denkt dat hij in een goed blaadje komt bij David, misschien zelfs wel rijkelijk beloond zal worden, als hij komt vertellen dat hij Saul heeft gedood. Er is bovendien alle reden te twijfelen aan wat hij vertelt over hoe het gegaan is en welke rol hij speelde. (Zie 1 Sam 31).

David hoort maar één ding en dat is dat Saul en Jonathan zijn gestorven. En hij hult zich in rouw. Pas in tweede instantie realiseert David zich nog iets: namelijk dat deze Amalekiet die voor hem staat zegt dat hij de hand geslagen heeft aan Saul, de Gezalfde van de Heer.

Hij is daarin typisch een Amalekiet, iemand van het volk Amalek, dat bekend staat om hun kwaadaardigheid en dat ze geen genade kennen voor wie zwak zijn.

Deze Amalekiet probeert Saul en David tegen elkaar uit te spelen, hij verwacht dat David blij is met zijn bericht. Maar zo is het niet, hij tekent juist zijn eigen doodvonnis.

 

2. Voor ons als lezers is deze gebeurtenis aanstootgevend. Dat David, over wie gezegd is dat hij kwaad met goed vergeldt, nu pardoes een jonge man laat doden, je schrikt ervan.

Ik hoop dat u alsnog het perspectief van David mee kan maken, dat deze Amalekiet in alle opzichten het kwade vertegenwoordigt, omdat hij God onteert door zijn gezalfde te doden én doordat hij verwacht dat David zal dansen op het lijk van Saul. David maakt korte metten met deze gedachte én met deze man die de koning van Israel heeft vermoord.

 

David rouwt om wie en om wat verloren is gegaan.

Saul is dood en zijn koningschap is mislukt. Nooit zal Saul meemaken dat David koning wordt. En Jonathan, die met al zijn liefde voor David heeft gezegd: ‘Jij zal koning zijn over Israël en ik zal je tweede man zijn’. Nooit zal het zover komen.

Wat is het verschrikkelijk misgegaan met alles wat God zo goed voor ogen had.

 

David rouwt. En hoewel de naam van God in het hele lied niet voorkomt, wordt in die rouw nu juist God zichtbaar. In het lied dat David zingt, klinkt door hoe het ooit bedoeld was en wat het niet is geworden. Niet een strijdlied leert David aan zijn mannen, maar een lied met verdriet om wat niet was en om wat zo jammerlijk is afgelopen.

Het lied heet het ‘lied van de boog’ en hoewel de strijdboog van Jonathan erin wordt beschreven, is het meer waarschijnlijk dat het lied zo heet vanwege de boog van het verbond, de regenboog. Dat is immers het symbool van het verbond dat God sloot met de mensen, dat de aarde leefbare aarde zou zijn en dat God de aarde nooit meer zou vernietigen.

 

Dit lied moeten alle Judeeërs leren, het lied waarin niet vijandschap, maar broederschap doorklinkt. Het lied waarin David met God mee rouwt over de helden die zijn gevallen, helden van Israël, uitverkoren door God, maar omgekomen in de al te menselijke strijd.

 

3. En zo sluiten we de lezingencyclus over David af met dit hoofdstuk dat geheel gewijd is aan rouw over Saul en Jonathan. Blijkbaar is het rouwen heel belangrijk voordat het verhaal van God met David verder kan gaan.

David zet bovendien met zijn lied de toon van hoe hij koning van Israël wil zijn: hij verlangt naar wat goed is in Gods ogen: geen vijandschap, maar broederschap. Niet handelen naar eigen inzicht, maar constant open houden: God is er ook nog. David verlangt naar een leefbare aarde, waarin ieder tot z’n recht mag komen en niemand afgeschreven wordt.

 

In dit hoofdstuk is er alle ruimte voor verdriet, verdriet om wat niet goed gaat in deze wereld, verdriet om wat doodzonde is aan hoe het soms met en tussen mensen gaat, verdriet om wat ooit zo goed begon en toen fout liep, verdriet om een dierbare liefde die verloren ging.

 

Het verdriet van David maakt het perspectief van God zichtbaar: Het is niet goed gegaan.

Tegelijk overstijgt David het vijandsdenken en spreekt uit zijn lied verlangen naar wat er veel meer had kunnen zijn en zal moeten zijn. Zijn lied is een hartenkreet, die ik van harte wil beAMEN.

6 okt

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: 1 Samuel 24



Verhaal voor de kinderen

Poepen, daarover gaat het vandaag.

Er is in de Bijbel in ieder geval één verhaal waarin iemand nodig moet poepen. En dat is niet zomaar iemand, nee het is koning Saul. Dat verhaal dat horen we vandaag, jullie in de Kinderkerk en wij hier.

En van dat verhaal zijn heel veel schilderijen gemaakt en Rembrandt maakte er een tekening van en die zie je op de liturgie. Je ziet koning Saul die zit te poepen. Een soldaat staat op wacht. En er is nog iemand. Dat is David, David die al tijden voor zijn leven moet vrezen omdat Saul hem wil doden. Maar nu gebeurt dit. Saul is vlakbij David en heeft niets in de gaten. Wat zal er nu gebeuren?

Sven is een jongen bij Tim in de klas, geen aardige jongen. Hij zit Tim altijd te pesten, in de klas als de meester het niet zit, op het schoolplein en op straat na school, elke dag is het raak, gemene opmerkingen, slaan en schoppen. Sven is echt een rotjoch. Maar vandaag gebeurt er dit: Tim hoort de bel en ziet Sven voor de deur staan, met zn hand bij z’n billen. ‘Ik moet heel nodig, zegt Sven, ik haal het niet naar huis, mag het alsjeblieft hier?

Wat zal Tim doen?

Ha die Sven, laat hem maar lekker in z’n broek poepen, weet hij hoe het voelt.

Of hij zegt, dat mag, maar dan moet je me betalen.

Weet je wat Tim doet? Hij zegt, hier is de wc, ga maar.

En als Sven de wc uit komt zegt hij: dank je, ik had het begrepen als je de deur voor me dicht had gedaan. Jij bent echt aardig.

Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we verder in het Bijbelboek 1 Samuel in de verhalen over David.

Het begon zo: de profeet Samuel heeft de herdersjongen David gezalfd tot koning over Israël, als vervanger van de eerste gezalfde koning Saul. David heeft succes als legeraanvoerder van de koning, hij verslaat de reus Goliath en hij trouwt Michal, de dochter van Saul. Maar koning Saul staat David naar het leven en doet steeds opnieuw een poging hem om het leven te brengen, want de geest van God heeft Saul verlaten. En waar eerst David met zijn harp Saul kon kalmeren, drijft hij hem later tot woede, omdat de geest van God duidelijk wel bij David is. Saul is jaloers en angstig en wil er niet aan dat God hem heeft verworpen en David heeft verkozen tot nieuwe koning.

We lezen deze weken telkens delen uit 1 en 2 Samuel en slaan ook stukken over. In de voorafgaande hoofdstukken is Saul steeds op zoek geweest naar David die zich verschuilt in onherbergzaam gebied. Voorafgaand aan onze lezing heeft Saul David bijna te pakken gekregen, maar toen vielen de Filistijnen het land binnen en moest hij rechtsomkeert maken. Op dat punt begint ons verhaal.

Na de lezing zingen we psalm 142, een psalm van David, die aansluit bij dit verhaal.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Dit is het verhaal over dé confrontatie tussen Saul en David. Twee messiassen, letterlijk gezalfden van de Heer, komen tegenover elkaar te staan. En je voelt de spanning.

Gaan ze matten?

Wie zal het onderspit delven?

Wat blijkt: geen van beiden gaat ten onder in dit verhaal, maar beiden vinden ze het leven. David en Saul laten allebei in dit verhaal zien wie God is.

Allereerst David. ‘Dit is je kans, dit is de dag die de Heer je heeft gegeven’, zeggen zijn mannen. En ja, dat is zo, maar hoe, dat spreekt nog niet voor zich.

Zo zeker als de mannen zijn dat David nu het heft in handen kan nemen, en kan doen wat hem goeddunkt, zo terughoudend is David. Hij vertrouwt niet op zijn eigen inzicht. God is er ook nog. En zo zegt David: ‘God verhoede dat ik de hand sla aan een gezalfde van de Heer’.

Op het scherpst van de snede weerstaat David deze verzoeking in de woestijn.

Hij houdt God hoog en spaart het leven van Saul.

Wel snijdt hij een slip van de koningsmantel van Saul af en dat is allerminst een onschuldige daad. Letterlijk houdt David het koningschap nu in handen. Z’n hart bonst ervan. Dit is de dag.

En Saul? Hoorde u dat?

Saul spreekt de woorden van God.

David zegt ‘16De HEER zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mij recht verschaffen tegenover u.’ En Saul doet het, hij doet wat David zegt dat God moet doen, hij verschaft David recht door te zeggen: ‘Jij staat meer in je recht dan ik. (…) Moge de HEER je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan’. Nu weet ik zeker dat jij ​koning​ zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden’.

Saul die geen aandeel wilde hebben in de toekomst van God met David, maakt nu die toekomst mogelijk: hij grijpt David niet alsnog in de kraag, maar erkent op koninklijke wijze dat de toekomst van Israel ligt bij David. David is een rechtvaardige, hij heeft kwaad met goed vergolden, bij hem is de koningsmantel in goede handen.

Saul spreekt de woorden van God, David handelt in de Geest van God. En het gaat niet om kleine dingen! Groots is het wat beiden doen. Samen maken ze God zichtbaar.

In hun woorden geven ze aan wat hun bindt, David spreekt Saul aan als vader en Saul noemt David ‘mijn zoon’. Zij zijn aan elkaar verwant, beiden zijn zij gezalfden van de Heer en dat erkennen zij volmondig als zij tot elkaar spreken.

Beiden zijn verkozen om het volk Israël te leiden en er is dan ook meer in het geding dan hun eigen leven, het gaat om de toekomst van het hele volk.

2. Wat kan het ons nu zeggen, dit verhaal? Het is prachtig maar nog niet eenvoudig te doordenken.

Het is typisch een Bijbelverhaal, het overstijgt alle zwart wit denken. Er is geen sprake van een good guy en een bad guy. Je hoeft niet voor David te zijn, want op het moment van de waarheid, spreekt uitgerekend Saul recht, is hij ook voor David. 

Net als eerdere verhalen, maakt ook dit verhaal over David en Saul duidelijk dat God niet buiten mensen om rekent en ze niet afschrijft.

Mensen afschrijven, moeten wij ook niet doen.

God kan blijkbaar zichtbaar worden in de ander die je naar het leven staat.

Kunnen we ons dat voorstellen?

En het kan zijn dat je, net als Saul, woorden van God ingegeven krijgt, recht spreekt waar een ander dat niet van jou verwacht.

David en Saul spelen beiden een rol in het verhaal van God.

Welke rol dat precies is, ligt niet vast. David laat zich niet verleiden om het koningschap dat hem is toegezegd, zich ook toe te eigenen. Wat Gods wil is, kan David niet zeggen, dat houdt hij open. Dat zal blijken uit wat gebeurt.

3. Kwaad met goed vergelden, je vijand liefhebben, niet mijn wil maar Uw wil geschiede, hm, aan wie doet ons dit toch denken?

Niet toevallig hebben de evangelisten Jezus als zoon van David beschreven. 

Als Jezus aan één voorvader te spiegelen is dan is het aan deze Messias, deze gezalfde van de Heer, David.

Veelvuldig neemt Jezus ook de psalmen van David in de mond.

Psalmen waarin niet de triomferende, overwinnende koning David aan het woord is, maar de zoekende, in het nauw gedreven mens, die een beroep doet op God.

4. Gods wil kunnen wij niet vastleggen en onze rol in het verhaal van God staat ook niet vast.

Wel kunnen we kiezen te leven met hetzelfde perspectief als David: God is er ook nog.

Amen. 

 

 


22 step

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: 1 Samuel 18: 1-16, 28 - 19: 1-2a, 8-17


Inleiding op de Schriftlezing

Twee weken geleden begonnen we via het alternatieve leesrooster met het lezen van een serie verhalen over David uit de Bijbelboeken 1 en 2 Samuel. Die zondag ging het over Samuel die David zalft tot koning, tot opvolger van Saul (1 Sam 16: 1-13). David, die zo anders dan Saul, niet meteen bij Samuel in beeld kwam als achtste, jongste zoon van Isai.

Vorige week klonk het verhaal van de herdersjongen David, die het opneemt tegen de reus Goliath, één van de Filistijnen, die de God van Israel belachelijk maakt (1 Sam 17). David vertrouwt niet op het wapentuig van koning Saul dat hij mag lenen, maar hij vertrouwt op God en gaat de strijd met Goliath aan met wat hem als herdersjongen ter beschikking staat, zijn slinger en 5 stenen. David overwint.

Tussen deze beide lezingen staat nog een verhaal, dat we oversloegen, maar dat er wel toe doet. Het verhaal waarin Samuel David zalft, eindigt met de zin ‘van toen af aan was David doordrongen van de Geest van de Heer’ (1 Sam 16:13). Meteen daarna staat er dat de Geest van God Saul heeft verlaten en een kwade Geest van God hem kwelt. Vanwege die kwelling raden de dienaren van Saul aan om iemand te zoeken die muziek zou kunnen maken voor Saul. Zij vinden David, die op zijn lier tokkelt als Saul wordt overmand door een kwade geest, zodat hij dan weer even tot rust komt. (1 Sam 16:14-23­)

Dus na de zalving als koning, dat is een belofte voor de toekomst, komt David aan het hof om voor Saul te spelen op zijn lier als Saul gekweld wordt door een kwade Geest van God. En David verslaat de reus Goliath.

Vandaag begint onze lezing meteen nadat David Goliath op het veld verslagen heeft en hij bij koning Saul en zijn zoon Jonathan is geroepen. We lezen een paar gedeeltes uit hoofdstuk 18 en hoofdstuk 19. Aansluitend zingen we uit psalm 138, een psalm van David.

Overweging

1. Soms ben ik als Jonathan. Dan heb ik die Ene zo lief als mijn eigen leven. Dan zou ik alles willen geven om Hem, God, te dienen. Dan laat ik mij met liefde ontmantelen en ontwapenen, dan leg ik alle strijdvaardigheid neer.

Maar vaker ben ik als Saul. Dan voel ik mij bedreigd door iemand die is zoals ik ben, maar beter, succesvoller, beroemder. Dan voel ik jaloezie, dan zou ik willen dat die ander een toontje lager gaat zingen.

2. Gemeente van Jezus Christus,

Waarom kan Saul niet, net als het hele volk Israël, net als zijn zoon Jonathan en zijn dochter Michal, waarom kan Saul niet David op handen dragen en hem zien als een geschenk van God?

5Alle veldtochten die ​David​ in opdracht van ​Saul​ ondernam, bracht hij tot een goed einde. Alles wat David doet, komt het koninkrijk van Saul ten goede.

Maar Saul, als enige in Israël, barst niet uit in jubelzang, want hij wil er niet aan. Hij wil niet aan David. Saul​ versloeg ze bij duizenden, David​ bij tienduizenden’, zingen de vrouwen als ze nota bene koning Saul feestelijk binnen halen van de veldtocht.

Het is alsof Oranje heeft gewonnen, olé, olé, olé, olé, we are the champions… - maar voor Saul telt niet dat het volk Israel waarvan hij koning is als overwinnaar uit de strijd tegen de Filistijnen komt, Saul had zelf de topscoorder willen zijn. Saul ziet de overwinning van David als nederlaag voor zichzelf en vreest voor wat hij nog meer kan verliezen: Nog even en ze geven hem het koningschap!’.

9Vanaf die dag begon ​Saul​ ​David​ te wantrouwen. En de kwade geest van God speelt weer op, waarop David weer speelt op zijn lier. Saul heeft een speer in zijn hand, David de lier.

Nu is die kwade geest van God in het verhaal een ware kwelgeest. Want telkens weer wijst die Geest op waar Gods Geest te vinden is, nl. niet langer bij Saul, maar bij David.

En zolang Saul niet wil zien hoe God verder gaat met David, zolang zal Saul ook verstoken zijn van God en gekweld worden door een kwade geest die hem maar blijft confronteren met die ander.

Saul merkt dat God hem verlaten heeft en hij ziet dat God David bijstaat, maar in plaats van dat Saul in de buurt blijft bij David en dus bij God, wil hij van David af.

Angst drijft Saul, angst voor het succes van David.

Ik noemde het al aan het begin, die angst herken ik. De angst dat ik zelf minder word door het succes van een ander. Misschien herkent u die angst ook? Wat is dat toch?

Saul vreest voor zijn positie en terecht. Hem is al gezegd dat God een andere koning zal aanstellen. Maar in plaats van dat Saul vasthoudt aan zijn opdracht om het volk van God te leiden, houdt hij vast aan zijn troon. Het gaat Saul om macht hebben, het behouden van zijn positie. En daarmee verspeelt hij hem juist.

3. David is niet uit op de ondergang van Saul, die ondergang heeft Saul aan zichzelf te danken. Lang voordat David daadwerkelijk koning zal zijn, vernauwt de kring om Saul zich, zodat hij alleen komt te staan. Zelfs zijn zoon en dochter kiezen voor David, zien hem als hun toekomst. En zoals Saul redeneert, betekent dat niets anders dan dat ze tégen Saul zijn. Hun vertrouwen op de gezalfde van God, leidt bij Saul tot wantrouwen.

Jonathan waarschuwt David en Michal helpt David vluchten. Door het venster, wat ons herinnert aan een ander verhaal waarin verspieders van het beloofde land uit het venster worden gelaten door Rachab. En Michal gebruikt terafiem, afgodsbeelden die nog stammen uit een andere tijd, om de soldaten van Saul te misleiden. De truc met de slapende pop in bed werkt. Saul ontsteekt in woede en Michal liegt om zich het vege lijf te redden: als ik David niet had laten gaan, had hij me vermoord! Later zal Saul de speer die hij tot driemaal toe naar David gooide om hem te doden, ook naar zijn eigen zoon Jonathan gooien, hij lijkt wel op die Filistijn, Goliath.

Dat zelfs zijn eigen kinderen David verkiezen, dat kan Saul niet verkroppen.

4. Jonathan en Saul reageren tegengesteld op David.

Bij Jonathan is er geen spoor van jaloezie op de successen van David, geen spoor van angst dat hij door David zijn positie zal verliezen. Jonathan geeft zich graag gewonnen. Hij zegt hardop: ‘jij zult koning worden over Israel, ik zal bij jou tweede zijn’. (1 Samuel 23:17) Jonathan kiest voor de koning naar Gods hart en vindt daarnaast zijn plek. Hij wil zijn vader niet afvallen, maar is wel zijn broeders hoeder.

Saul verliest God en zichzelf in zijn woede. Hij is als Kain die niet wil weten dat God zijn broer verkiest en hem dus doodt. Saul wil God niet delen met David, Saul wil God voor zichzelf hebben. Om God en zijn volk te dienen moet hij van zichzelf afzien en kijken naar de ander, die God verkiest, maar dat wil hij niet.

En David, hoe zit het eigenlijk met David? David spreekt misschien nog het meest tot ons door de psalmen, waarvan er 73 in totaal aan hem worden toegeschreven. Psalmen waarin een mens in de benauwdheid zit, belaagd wordt door de vijand en tot God roept: red mij!

Zouden het zulke psalmen zijn, die David met zijn lier zong voor Saul?

Psalmen die troost bieden omdat ze verwoorden hoe eenzaam en wanhopig je kan zijn, maar die daarom ook woede kunnen opwekken, zoals bij Saul, omdat ze ook verwoorden dat je er niet alleen voor staat, iets wat Saul niet hebben kan.

Zijn wij als Jonathan of als Saul als we zien dat iemand het waar maakt om groots te zijn in het goede? Kunnen wij ons ondergeschikt maken aan de goede zaak, aan wat God dient en van onszelf afzien als anderen bereiken wat ook onze ambitie is?

5. Soms ben ik als Jonathan, vaker als Saul. Misschien kan een lied ons redden. Amen.


8 sept

‘Een goed verhaal’

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: 1 Samuel 16: 1-13

 
Inleiding op de Schriftlezing
Het oecumenisch leesrooster dat wij in deze kerk volgen, biedt vanaf vandaag zeven weken lang een alternatief rooster aan met lezingen uit de Bijbelboeken 1 en 2 Samuel waarin het gaat over David. David, de herdersjongen die koning werd van Israel en zetelde in Jeruzalem.
Eeuwen later spreekt David in Israel nog tot de verbeelding. Hij was de ware koning, hem worden zovele van de psalmen toegedicht. Van hem is Jezus een afstammeling, Jezus die in de stad van David wordt geboren, in Bethlehem.
Ook voor de meesten van ons zal David tot de verbeelding spreken. Misschien nog het meest als die kleine jongen die het opneemt tegen de reus Goliath. Maar dat komt volgende week. 
Vandaag horen we hoe het verhaal van God verder gaat met David, nadat God teleurgesteld is geraakt in het koningschap van Saul, de eerste koning van Israel.
Saul was groot van gestalte, hij stak met kop en schouders boven de andere mensen uit. Nogal logisch dat God hem aanwees als degene die de profeet Samuel tot koning moest zalven. Maar Saul vertrouwde niet genoeg op God. Toen hij het benauwd kreeg, nam hij het recht in eigen hand. En daarin gaf hij als koning zijn volk niet het goede voorbeeld.
God zoekt daarom een nieuwe koning, een koning naar zijn hart. Dat is een koning die vertrouwt op God en die het goede zoekt voor alle mensen. Samuel moet die koning zoeken en zalven.
 
Een goed verhaal – vanuit Samuel gesproken
 
1. Kijk, ik kan als excuus natuurlijk aanvoeren dat mijn ogen niet meer zo goed zijn, maar dat gaat niet op, ik zag het gewoon verkeerd, dat geef ik eerlijk toe.
God had mij gezegd dat Hij één van de zonen van Isai als koning had uitgekozen en toen ik Eliab zag, dacht ik meteen: dit is hem. Een man met een indrukwekkend gestalte stond voor me. Net als Saul, die stak ook met kop en schouders boven de mensen uit.
 
Maar ja, door Saul wist ik natuurlijk al, dat zo’n uiterlijk alleen niet zoveel zegt.
Saul, dat spijt me nog steeds, die maakte het niet waar om op God te vertrouwen.
Hij dacht dat hij beter op zichzelf kon vertrouwen en toen ging hij de mist in. Hij had wel spijt, maar voor God was het klaar. ‘Saul is niet meer de koning die ik verkies’, zei God. Maar tot mijn verbazing wilde God dus wel door met een nieuwe koning. En die moest ik zalven.
 
Het eerste wat ik deed toen Isai er aankwam, was zoeken naar een vervanger van Saul, iemand die op hem leek.
Ja, stom natuurlijk. Je vervalt blijkbaar al snel in je oude patroon. Terwijl ik kon weten dat God het dit keer op een andere manier zou willen doen.  
Maar wat zou u kiezen? Wat voor iemand voel je je veilig bij, als leider? Dat is toch iemand die overwicht heeft, die uitstraalt ‘hier ben ik’. Iemand om wie je niet heen kan?
 
2. ‘Ga niet af op zijn voorkomen.. de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ Dat fluisterde God mij in. Kijk, dat snap ik wel, ik loop al langer mee met God.
Maar als ik in mijn eigen hart kijk, dan wil ik graag een leider die me beschermt, die stevig staat. Misschien kijk ik daarom wel naar het uiterlijk.
 
Oh, schrik, zou het soms te maken hebben met dat ík te weinig vertrouw op God?
Hoe vaak heb ik mensen wel niet voorgehouden dat we moeten kijken met de ogen van God! God kijkt naar het hart van de mens, naar waar die op is gericht en naar de bron waaruit hij put.
Een goede leider kijkt met de ogen van God naar mensen en heeft oog voor iedereen.
Een goede leider heeft zijn oog op God gericht, stelt z’n vertrouwen op God.
 
3. Nou ja, ik heb nog veel te leren op mijn oude dag, dat blijkt, want ik schoot even in paniek, toen Isai al zijn zeven zonen had laten langskomen en er geen was die God verkoos.
Zie je wel, dit komt niet goed, dacht ik. Zeven zonen, dan heb je alles wel gehad, dacht ik.
Terwijl ik had kunnen weten dat God telt tot 7 + 1. Acht, dat is immers het getal van een nieuw begin. Op de 8e dag sloot God immers een verbond met Abraham, op de 8e dag worden de zonen van Israël besneden. Op de 8e dag begint het leven met God.
Dus, ja natuurlijk was er een 8e zoon. Maar waar dan?
 
Zonder hem konden we niet verder, zonder hem konden de oudsten niet verder met de maaltijd, zonder hem kon ik niet verder met de zalving, zonder hem kon God niet verder met het volk Israel.
Het wachten was op de kleinste. Pas als hij er zou zijn, zouden we verder kunnen.
 
4. Ja en toen moest ik wel even lachen, hoor.
‘De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart’.
Jaja, dat kan wel zijn, maar God is niet gek: wat een knapperd, die David! Echt een stuk. Met rood haar en van die sprekende ogen.
Ogen die alles zien, dat zag ik meteen.
Natuurlijk, als herder heeft hij getrainde ogen, om een kudde te leiden moet je oog hebben voor gevaar, zien wie kwetsbaar is en waar het gras groen is.
Deze David ziet wat hij moet zien, dat straalt hij uit. En hij zal doen wat hij moet doen.
 
Iedereen was erbij toen ik hem zalfde. Iedereen heeft gezien hoe God een nieuw begin met ons maakt in deze kleinste, de laatste, de herder die iedereen over het hoofd zag, maar zelf niemand over het hoofd ziet.
 
5. Er is maar één ding wat ik hoop: dat hij trouw blijft aan God.
Van zo iemand moeten wij het hebben. Iemand die zichzelf niet voorop stelt, maar God, omdat die weet dat hij het anders niet redt! Iemand die niemand afschrijft, net als God dat ook niet doet. Want het kan dan wel zijn dat God Saul niet langer verkiest en ook niet de zeven broers van David verkiest om koning te zijn, maar daarom horen ze er nog wel bij. Dat God voor David gaat, wil niet zeggen dat de anderen zijn afgeschreven. God schrijft niemand af, alleen hangt de toekomst van David af.
 
6. ‘Zucht’, ik kan wel zeggen dat ik hoop dat David trouw blijft aan God, maar misschien kan ik beter beginnen bij mezelf op te roepen trouw aan God te zijn.
Dat ik, zoals God zegt, vertrouwen stel in mensen met een goed hart, die niet gaan voor status, maar voor mensen. Mensen die imponeren door wat ze doen voor anderen en niet door hoe standvastig ze zijn in hun principes.
Leiders die durven twijfelen aan zichzelf en zich niet op de borst kloppen voor wat op hun pad komt. Die zich realiseren dat ze het niet alleen kunnen, maar andere mensen nodig hebben.
 
7. Ik hoop dat ik de volgende keer anders kijk: naar wat iemand doet, in plaats van hoe die eruit ziet. Dat ik God niet teveel hogerop zoek.
Toen ik naar beneden keek en David in beeld kreeg, zag ik wat God zag: een mooi mens en ik vraag me nu af: vond ik hem daarom zo mooi, omdat hij geliefd was door God?
Lieveling, betekent immers de naam David.
 
(…)
 
8. Hé, horen jullie dat ook, muziek? Iets van getokkel?
Het klinkt als David die zingt. Iets over een herder?

25 aug

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 13: 18-30


Inleiding op de Schriftlezing
Er is vandaag één lezing uit het evangelie van Lucas. Jezus is onderweg met zijn leerlingen naar de stad Jeruzalem. Onderweg spreekt Hij in synagogen, geneest Hij mensen en leert Hij zijn leerlingen en de mensen die naar hem toekomen over het Koninkrijk van God.
In de lezing van vandaag onderwijst Jezus door middel van twee gelijkenissen en door in te gaan op de vraag van iemand hoe dat zit met het Koninkrijk van God. En dan blijkt door de woorden van Jezus hoe anders mensen denken dan God. Er is meer mogelijk dan wij denken en tegelijkertijd zullen wij ons best moeten doen om deel uit te maken van dat Koninkrijk.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Niet later maar nu. En niet anderen maar jij.
Zo reageert Jezus op de vraag wie er ooit bij God mogen horen. Jezus wijst de vragensteller op waar het op aankomt: ‘Doe jij hier en nu maar gewoon je best’.
Geloof is niet iets voor later. En ook het Koninkrijk van God is dat niet. Dat Koninkrijk is er namelijk al waar het goed leven is voor alle mensen. En voor dat goede leven moet je je inzetten, onvoorwaardelijk.

Jezus vertelt over het Koninkrijk van God in twee minigelijkenissen dat het is als een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een boom waar hemelse vogels in nestelen en dat het is als zuurdesem dat als je het vermengt met drie zakken meel, alles zal doortrekken.
Oftewel: je houdt het niet voor mogelijk en je ziet het misschien niet, maar dat Koninkrijk van God, die wereld waarin het wel zo is dat er voor iedereen een plek is en dat iedereen tot zijn recht komt, die wereld waarin mensen met God leven, die wereld die is al gaande. Die wereld raakt de harten van mensen en uitlopers daarvan kun je tegenkomen waar je het niet verwacht.
De verrassende groei en de blijvende doorwerking van dat Koninkrijk van God maken ook duidelijk dat leven met God iets is wat handen en voeten krijgt hier en nu.

Die vraag: ‘Zijn er maar weinigen die worden gered?’ is een vraag, ingegeven door angst wellicht, maar hoe dan ook, gericht op later: komt het goed met mij? Waar kan ik op rekenen? Die overtuiging en de angst dat er maar weinigen behouden zullen worden in het leven na dit leven, is in veel orthodoxe kringen nog steeds gangbaar. Het hele leven hier en nu is zo van ondergeschikt belang aan die vraag naar de toekomst.

Maar Jezus gaat niet in op de vraag hoe het in de toekomst zit met wie wel of niet inbegrepen zijn in de genade van God. Jezus wijst op het hier en nu en maakt het persoonlijk door te zeggen: doe jij nu maar je best!
Vooruitgrijpen op een toekomstig oordeel, of dat nu is uit angst of uit zelfverzekerdheid, dat is niet heilzaam.
Wat wel heilzaam is, is het doen van gerechtigheid. Als je al weet dat dat van je gevraagd wordt, nl. dat je leeft als rechtvaardig mens: doe dat dan!
De deur is smal, oftewel: het zal niet vanzelf gaan om te leven zoals God het wil. Daar zul je je best voor moeten doen en dat zal moeite en doorzetting vragen. Maar dat kun je beter doen dan speculeren over je kansen en je bezighouden met de vraag wie God zal binnen- of buitensluiten.
Als je weet wat God van mensen wil, laat daar dan je leven hier en nú door bepalen en niet je toekomst.

Dat binnen- of buitensluiten, dat is sowieso meer iets van mensen dan van God.
Ook dat maken de woorden van Jezus duidelijk.
De deur die eenmaal gesloten wordt, daarbij gaat het niet om uitsluiting maar om insluiting, ook al lijkt dat misschien op het eerste gezicht niet het geval.
Kijk maar hoe het verhaal eindigt, overal vandaan, vanuit de hele wereld, oost en west, noord en zuid, horen mensen bij die wereld van God. Niemand is uitgesloten. Dat is voor de tijd van Jezus een revolutionaire boodschap: dat het niet alleen de Joden maar alle volken zijn tot wie God zich richt.
Wie er buitengesloten worden zijn degenen die buiten zijn blijven staan, toen van hen gevraagd werd te kiezen voor de rechtvaardige weg.

De keuze of je erbij hoort, bij hen die leven met God (‘gered worden’, staat in dit verhaal), die keuze maak je zelf, elke dag opnieuw, door hier en nu te gaan staan voor wat mensen bevrijdt en door op te komen voor de waardigheid van elk mens.
Het gaat niet om ons eigen lijfsbehoud, het gaat niet om zeker weten dat je binnen bent, het gaat erom zo met elkaar te leven dat niemand buitengesloten wordt.

2. Daarom is die boodschap zo belangrijk dat het Koninkrijk van God hier en nu al begonnen is. Stel niet uit wat je vandaag al kan doen om te leven naar Gods geboden en Gods belofte van een plaats voor iedereen.
En denk niet te klein van wat je zelf kan doen. Dat het niet gaat om grote woorden en daden, dat maken die gelijkenissen van het mosterdzaad en het zuurdesem wel duidelijk.

Weten we nog waar dat verhaal van God in onszelf ooit voet aan de grond kreeg?
Is dat zaadje geplant door onze ouders of grootouders in onze opvoeding, of was er ooit een ontmoeting of gebeurtenis waarmee dit verhaal in ons is gaan ontkiemen?

En hoe is het nu?
Hoe doortrekt dat Woord van God, dat Koninkrijk van vrede de manier waarop we in dit leven staan en hoe bepaalt het ons levensverhaal?
Gaat het zijn ongekende gang of hebben we daarin nog een keuze te maken? 

Als we nagaan welke sporen dit verhaal van God heeft nagelaten in ons leven en waar het ons leven nu verrijkt, dan zien we wellicht wat die man die de vraag stelde naar de weinigen die gered worden, nog moest ontdekken: namelijk dat het leven met God begint bij eraan meedoen hier en nu. Niet op afstand blijven staan, maar ontdekken dat wij zelf de mogelijkheid hebben om iets van Gods wereld zichtbaar te maken door dicht te blijven bij wat God van ons vraagt.

Dat mosterdzaadje en die zuurdesem, geen spectaculaire dingen, daar begint het Koninkrijk mee. Met veel verwachten van wat maar weinig lijkt, maar dat onstuitbaar de goede kant op gaat. Met ontdekken dat wat alleen bij God mogelijk is, al leeft in onszelf als verlangen en hoop die ons gaande houdt en die ons daarmee verder doen reiken dan we zelf voor mogelijk houden.

Ligt dat Koninkrijk van God binnen ons bereik? Jazeker, dat doet het, geloof dat nu maar. Met dat geloof kom je een heel eind.
Amen.

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur