24 juli

1e Zomerdienst

Thema: ‘Onkruid’

Tekst: Matteüs 13, 24-30.36-43

Ds. Christine van den End
 


Afbeelding: ‘Distels’, Vincent van Gogh (1888)

Kinderverhaal

Hanna was bij haar oma Els aan het logeren. En het aller, allerleukste was wel dat oma een tuin had!
Zodra Hanna uit bed kwam, deed ze haar slippers aan en liep ze de tuin in. Mmm, het rook er zo lekker. Hanna ging op zoek naar de spin in z’n web. En waar was de merel die altijd zo eigenwijs rond hipte. De slak, natuurlijk, in de buurt van de regenpijp. Wat Hanna allemaal niet zag bij oma Els in de tuin…?!

Toen ze hun boterham op hadden, zei oma: we moeten aan het werk Hannah! Kijk ’s hoe hard alles gegroeid is. ‘Dat komt toch door de zon oma?’ ‘En vergeet de regen niet!’, antwoordde oma. Ze liep naar de schuur en pakte de grasmaaier. ‘Maai jij het gras? Dan knip ik de lange slierten van de klimop.’ Grasmaaien kon Hannah supergoed, dus dat was zo gepiept. Ze harkte het gras bij elkaar en reed het met haar eigen kruiwagentje naar de groene afvalberg, helemaal achterin oma’s tuin. ‘Au, hè bah!’ dacht Hanna. Ze was met haar arm tegen die nare brandnetels aangekomen. Dat prikte! Lag er in de schuur ook niet zo’n scherp krom ding, een soort van reuzemes? Als Hanna die nou eens pakte om de brandnetels weg te krijgen…?

‘Tjonge, wat zwaar zeg’, dacht Hanna toen ze hem de schuur uit tilde. ‘Werken in oma’s tuin is niet niks!

‘Wat ga jij nou doen met die zeis Hanna?’ hoorde zo oma vragen.
‘Ik wil de brandnetels omhakken, iedere keer als ik in die hoek kom, wordt ik geprikt!’ en Hanna liet oma Els haar rood gespikkelde arm zien. ‘Nou, dat ziet er naar uit! Kom,’ zei oma, ‘ik weet daar wat op’. Ze plukte een paar kleine blaadjes uit de tuin en smeerde die uit op Hanna’s arm. Precies waar het zo prikte. ‘Wacht maar even, dan wordt de prik vanzelf minder’.

‘En die brandnetels… heb je gezien dat er ook hele mooie bloemen tussen staan?’ Nee, dat had Hanna nog niet. Nu keek ze eens goed en ja, er stonden hoge paarse en witte bloemen tussen, met mooie klokjes waar de bijen in en uit floepten. Wat een grappig gezicht! ‘Als we die zeis gebruiken, maaien we alles om. Dat vind ik zonde’, zei oma. ‘En het grappige is… sommige mensen willen die mooie bloemen echt niet in hun tuin, omdat ze giftig zijn’. Met haar tuinhandschoenen aan knipte oma een paar takken brandnetel af. ‘Zo, nu is er wat meer ruimte voor je kruiwagen en voor jou.’ Oma hield de takken voorzichtig omhoog. ‘Deze kunnen je niet meer prikken! En ik kook er straks een heerlijk soepje van voor tussen de middag. Dat hebben we na ons harde werken wel verdiend!’

=====================================================================

Overweging


Geliefde mensen van God, gemeenschap van Jezus Christus,

Waar zouden we aan kunnen denken bij ‘onkruid’? En dan bedoel ik onkruid als beeld voor dingen die ons leven kunnen verstikken. Want dat is wat Jezus zijn hoorders voorhoudt: op de akker van ons leven komen we ook onkruid tegen. En hoe moeten we daarmee dealen?

Vlak hiervoor heeft Jezus de gelijkenis van de zaaier verteld. Daarmee bepaalde hij de mensen bij wat er in hun leven te zien viel van het goede zaad dat gezaaid werd. Viel het in vruchtbare grond? Of wortelde het niet makkelijk, vanwege rotsen of een harde weg waarop het terecht kwam? Raakte het zaad verstrikt tussen de distels? Allemaal vragen die de hoorders prikkelden na te denken over het goede dat in hun leven gezaaid werd en waarom dat de ene keer wel en de andere keer niet tot bloei kwam.

In de gelijkenis van vandaag ligt de focus op onkruid.
Waarom is dat onkruid er eigenlijk?
Een waaromvraag die verwijst naar de oervraag naar het kwaad…
Als God de schepper is, waarom laat hij dan het kwaad toe?
Als God de zaaier is, waar komt dan het zaad van het onkruid vandaan?
In een gelijkenis moeten we het met beelden doen… maar wat ons hier wordt voorgehouden, is dat het onkruid er gewoon is, God kan daar blijkbaar niks aan doen. Er zijn ook andere zaaiers, andere krachten in het spel. Kwade krachten.

Bepaalde types onkruid zijn natuurlijk niet te missen.
Je zou maar moeten leven in oorlogsgebied, op de puinhopen van Mosul of Aleppo.
Wat als je huis ingestort is door een aardbeving, zoals in Kos en Bodrun.
En wie leeft er deze dagen niet mee met de familie van Nouri, de Ajax voetballer, hoe groot het drama van hun hersendode zoon, tot voor kort zó springlevend, veelbelovend en verbindend.
Het seksueel misbruik dat deze week naar buiten kwam rond een Rooms-katholiek knapenkoor in Duitsland, en vergelijkbare doofpotverhalen uit de kringen van Jehova’s getuigen.
Ja, dit soort onkruid verstikt en woekert maar door. Levenslang!

Overduidelijk kwaad zijn deze dingen, onkruid dat je het liefst gelijk met wortel en al uit zou willen roeien. Ander onkruid is niet altijd als onkruid te herkennen, het neemt sluipenderwijs ons leven over.

Helemaal opgaan in je werk, misschien herken je dat. Gewoon, omdat het nu eenmaal niet anders kan en je goed moet presteren om je baan te behouden. Het gaat je niet alleen om brood op de plank, je wil ook meetellen... je werk en je salaris geven je het gevoel dat je ertoe doet. Dat je werk onkruid wordt, waardoor mooie dingen in het leven die er ‘zomaar’ zijn, vriendschap, familie, vrije tijd, een beetje buiten beeld raken, het kan gebeuren zonder dat je er erg in hebt. Werk als onkruid dat het andere overwoekert.

Of onze gezondheid.  Kan die ons zo in beslag nemen dat het verstikkend wordt?
Natuurlijk, je zou maar plotseling in het ziekenhuis belanden. Te horen krijgen dat je ongeneeslijk ziek bent. Dan is dat alles bepalend in je leven. Het is een kwaad waartoe je je moet verhouden en hoe ongelofelijk ingewikkeld is dat! Maar op een meer sluipende manier kan gezond-zijn ons ook in beslag nemen. Het idee dat we zelf onze gezondheid in de hand hebben is een beeld dat ons vandaag de dag maar al te graag wordt voorgehouden. We moeten de regie pakken over ons eigen leven, zo horen we, zo denken we zelf vaak ook. Maar hoeveel ruimte blijft er dan voor dat wat niet maakbaar is? Voor het onverwachte waartoe we ons moeten verhouden? Onze focus op een gezond lijf en een gezond leven kan maken dat onze kwetsbaarheid buiten beeld raakt. Een kwetsbaarheid die we met elkaar delen en waarover we soms maar met moeite durven te praten.

Relaties kunnen ook verstikkend zijn. Laten we wie we zelf zijn overwoekeren door helemaal op te gaan in onze zorg voor anderen? Maar als we zelf tot bloei willen komen, wat voor ruimte hebben we dan nodig van anderen, in vriendschap, in liefde? Hoeveel ruimte gunnen wij de mensen met wie we het leven delen…? Onze kinderen, onze broers of zussen?

Het verhaal over onkruid in de akker bepaalt ons deze morgen bij het onkruid in de wereld en in ons eigen leven. Kwaad dat er is en dat God niet gewild heeft. Kwaad dat God veroordeelt.

De eerder vertelde gelijkenis van de zaaier doet ons beseffen dat de verschillende typen van zaad niet zozeer verschillende typen mensen zijn, maar eerder ervaringen die elkaar afwisselen in een mensenleven. In het verlengde daarvan kun je ook het beeld van het onkruid interpreteren: je bent niet het een òf het ander. Het kwaad heeft invloed op ieder van ons, van buitenaf en van binnenuit. In sommige tijden van leven lijken we meer onkruid te oogsten dan graan. Sterker nog, de wortels van het onkruid zijn verstrengeld met die van het graan. Soms weten we het kwade uit ons leven te bannen en prijzen we onszelf gelukkig. Soms hebben we niet in de hand dat ziekte, pijn, woede en verdriet de overhand krijgen. Maar er is altijd hoop op een nieuw seizoen, een nieuw begin, een nieuwe dag die wel vruchtbaar is. Als het zaaien doorgaat, dan ook het oogsten! Dankbaarheid voor het goede, en ruimte om wat niet goed is onder ogen te komen. Misschien pakken we wel de snoeischaar om te knippen: dode takken, rare uitschieters, uitgebloeide bloemen. Misschien durven we het onkruid dat ons sluipenderwijs verstikt aan te pakken. In ons werk. In hoe we omgaan met de mensen om ons heen. In hoe we zorgen voor onszelf.

Maar met wortel en tak het kwaad uitroeien… dat gaat ons niet lukken.
En wat kan dat moedeloos maken.

Het bijzondere is: de kern van deze gelijkenis is geduld. Jezus houdt de mensen bovenal voor geduld te hebben. Het onkruid is er nu eenmaal. Kwade dingen tekenen het leven van ieder mens. De Schepper heeft er weet van. Van de kwetsbare plantjes die we zelf zijn. Dat de wortels van wat vruchtbaar is in ons leven verstrengeld zijn met wortels van onkruid. En dat soms helemaal niet duidelijk is wat nu koren oplevert en wat kaf . Om te groeien als mens, zullen we rekening moeten houden met het kwaad. Het er soms mee uit moeten houden, omdat het is zoals het is.

Er is hoop op gerechtigheid aan het einde van de tijd… Iets wat we in het leven soms al zien gebeuren: dat kwaad uiteindelijk geen stand houdt. Ook nu al wordt er geoogst, kaf van koren gescheiden als voorafspiegeling van wat komt.

De parabels die tussen het verhaal en de uitleg in staan, twee korte gelijkenissen die we vandaag niet lazen, onderstrepen het geduld èn de hoop!

Over hoe het kleinste zaadje uit kan groeien tot een grote boom, waarin de vogels hun nesten bouwen. Over hoe een vrouw met een beetje zuurdesem uiteindelijk alle drie haar zakken meel doordesemt. Zo houdt Jezus de mensen toen en nu voor: heb geduld… houdt moed, voor de wereld, voor je eigen leven.

Dat werpt een bijzonder licht op hoe we hier deze morgen samen zijn.
Ook in onze kerkgemeenschap weten we van goed zaad en van onkruid. Er groeit en bloeit van alles in Zuid: de kerken bieden ruimte om te vieren, te eten, te delen, je te bezinnen en troost op het spoor te komen.
Maar het ervaren van verbondenheid en zin kan zomaar overwoekerd raken.
‘Zoek de stilte, vind de ruimte’, zo zongen we aan het begin van de dienst. Dat het verhaal van vanmorgen ons bepaalt bij de ruimte die er is, bij de hoop die ons gaande houdt en bij Gods geduld met alle mensen, want God maakt geen onderscheid. Laten we daarom groeien aan elkaar, binnen èn buiten onze kerkmuren.

De oogst zal ons verrassen!
Amen

16 juli

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Mattheus 13,1-9.18-23

 

Inleiding op de Schriftlezing

De lezing van vandaag, de gelijkenis van de zaaier, bestaat uit twee delen. Eerst vertelt Jezus de gelijkenis en daarna legt hij de gelijkenis uit. De gelijkenis zelf is een beeldverhaal over het koninkrijk van God, maar ook de uitleg bestaat uit beeldspraak. Daarin spreekt Jezus over het woord van God dat net als het zaad van de zaaier wel of niet in goede aarde valt.
 
De lezing van vandaag bestaat dus uit twee delen, wat ook praktisch te zien is aan de afdruk op de liturgie, het eerste deel op de voorkant, het tweede deel op de achterkant. Ook de delen zelf kun je zien als keerzijden van dezelfde medaille. Het zijn twee interpretaties van hoe het woord van God mensen bereikt. De ene vol hoop, de ander vol teleursteling. Voor beide is wat te zeggen.
 

Overweging

 
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
In de Schriftlezing van vandaag maken we Jezus op twee manieren mee: op het toneel te midden van het publiek en achter de schermen alleen met zijn leerlingen.
 
De gelijkenis van de zaaier vertelt Jezus te midden van het publiek. Jezus zit in een boot en de mensenmassa’s die hem gevolgd zijn staan op de oever.
Het is een beeldend verhaal dat Jezus vertelt, je kunt het voor je zien, met die weg en die vogels, de rotsen en de distels en uiteindelijk de goede aarde waar het zaad in valt. Het verhaal is optimistisch van toon. Het zaad van de zaaier komt niet overal goed terecht, maar het kleine deel dat wel goed terecht komt, daarvan is de opbrengst overweldigend groot.
Zo bevat deze gelijkenis een hoopvolle boodschap over het Koninkrijk van God dat ondanks verdrukking en gevaar, klein kan beginnen, maar enorme reikwijdte zal krijgen. Zo gaat het bij God.
 
Dat is het verhaal dat Jezus de mensen meegeeft.
 
Maar achter de schermen, alleen met zijn leerlingen, laat Jezus de andere kant van het verhaal zien.
 
Deels staat dat beschreven in de verzen die we vandaag niet lazen, vs. 10 t/m 17.
De leerlingen van Jezus vragen Hem waarom Hij in gelijkenissen tot de mensen spreekt. En Jezus antwoordt met een citaat van de profeet Jesaja (hfdst 6) en zegt: ‘Zij zullen de geheimen van het koninkrijk niet begrijpen. Wat ik daarover zou zeggen, is toch tegen dovemansoren gezegd’.
 
Als Jezus vervolgens aan zijn leerlingen de gelijkenis uitlegt, omdat zij het wel kunnen begrijpen, dan komen zijn woede en teleurstelling naar voren over alle mensen bij wie zijn woorden niets teweeg brengen.
De toon bij de uitleg van de gelijkenis is dan ook veel feller dan toen Jezus de gelijkenis zelf vertelde. Jezus legt bij de uitleg veel nadruk op alles waar het bij mensen aan ontbreekt om het woord verder te brengen in de wereld. Ze begrijpen het niet, ze zijn oppervlakkig, ze zijn bevangen door de waan van de dag. Nee, zo komt het woord niet verder. Dat gebeurt alleen bij die mensen die zijn woord horen en begrijpen – zij dragen rijkelijk vrucht.
 
2. Het ligt voor de hand om bij deze lezing te kijken naar wat wij met de woorden van Jezus doen en ons af te vragen in welk bodemsoort wij onszelf het meest herkennen, of wij rotsachtig of vol distels zijn.
Maar vandaag wil ik graag stil staan bij wat Jezus doet en wat de gelijkenis bij Hem teweegbrengt.
Te midden van een groot publiek én achter de schermen vertelt Jezus eenzelfde verhaal over hoe dat gaat met het Koninkrijk van God, maar Hij vertelt het verhaal van de zaaier op een geheel andere manier, met een andere toon en nadruk.
 
Jezus spreekt de massa’s aan met brede gebaren en een hoopvol woord voor de wereld: de oogst zal wonderbaarlijk groot zijn!
Maar bij de leerlingen is Hij een kwetsbaar mens, die doet wat Hij kan, maar ook teleurgesteld is over wat Hij niet met zijn woorden kan bereiken.
 
Beide kanten krijgen wij als lezer te zien.
 
En ja, dat doet wat met mij zo aan het eind van dit seizoen.
Want zo ervaar ik ook ons kerk-zijn, vol hoop maar soms ook met teleurstelling.
 
In en rondom de Oranjekerk zijn er in het afgelopen jaar zoveel ontkiemmomenten aan te wijzen, natuurlijk letterlijk in de tuin, en ook al die mensen voor wie een ontmoeting of inspirerend woord die zij hier hadden hen verder hielp, de kinderen die groeiden in de Kinderkerk, alle mensen die hier voor het eerst over de drempel kwamen en zich aangesproken voelen, een keuken en een kapel die nieuw vuur aanwakkeren.
 
Tegelijkertijd is er ook veel nog niet af, of blijven liggen. Niet iedereen heeft hier een plek weten te vinden of voelt zich aangesproken. Dat is teleurstellend.
 
3. Wat opvalt aan Jezus is dat Hij ondanks de teleurstelling doorgaat met vertellen over het Koninkrijk van God. Na deze gelijkenis volgen er nog velen.
Jezus is als de zaaier, hij zaait iedere keer opnieuw. Telkens gaat hij zijn huis uit om mensen te vertellen over God. Telkens weer een nieuw verhaal. En telkens zijn er mensen die het wel verstaan en in wie het verhaal vruchtbaar wordt, ook dat gaat door.
 
Zo dadelijk vieren we met elkaar de maaltijd. Teken van God die blijft zaaien in ons mensen.
 
Eén gebaar wil ik u daarbij alvast meegeven, dat u het voor zich ziet.
Als Jezus de mensen toespreekt vanuit een boot, dan ziet hij breed rondom hem de mensen staan. Zo breed rondom staan wij ook zodadelijk in de kring.
Zo breed rondom zaait ook de zaaier.
 
Ja, wil je wel geloven, één zaad, één woord in goede aarde, kan rijkelijk vrucht dragen. Ga maar uit van 100%, iets minder is ook goed.

Wie oren heeft, hore. Amen.


2 juli

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Jeremia 29: 1, 4-14

 

Inleiding op de Schriftlezing

Onze lezing vandaag is de vaste lezing voor deze zondag uit het Oude Testament. Het is een gedeelte uit het boek Jeremia. En ik leid dat kort in.
 
De profeet Jeremia leefde in de 6e eeuw voor Christus in Jeruzalem in Juda. Het kleine koninkrijk Juda zit klem tussen twee grootmachten die met elkaar strijden, Egypte en Babylonië. De eerste keer dat Juda slachtoffer wordt van die strijd (597 v Chr.), voeren de Babyloniërs, die gewonnen hebben, de elite van Jeruzalem af naar Babel, een belangrijke stad in Babylonië.
Ruim 10 jaar (586 v Chr.) later zal Juda in de strijd helemaal ondergaan en de tempel van Jeruzalem worden verwoest. Dan zal de hele bevolking worden weggevoerd in ballingschap.
 
Wat wij vandaag lezen is een brief die de profeet Jeremia stuurt vanuit Jeruzalem naar Babel na de eerste strijd, dus toen nog enkel de elite was afgevoerd. U moet bedenken, kunt het misschien ook een keer nazoeken, er is een enorme afstand tussen Jeruzalem en Babel (dat ligt ten zuiden van het huidige Irak), de ballingen zijn echt in een andere wereld, ver van huis, ver van de tempel.
In Babel leven ze te midden van de vijand die hen heeft afgevoerd.
Jeremia schrijft deze ballingen in een brief de boodschap van God die bemoedigend is en confronterend tegelijk. Andere profeten hebben gezegd dat de ballingschap over twee jaar wel weer voorbij zal zijn, maar Jeremia zegt dat het 70 jaar, een hele generatie, zal duren voor ze zullen terugkeren naar Jeruzalem.
 

Overweging


1.     Gemeente van Jezus Christus,
 
Wat moet je, als je bent waar je niet wezen wil.
Als alles op zijn kop staat en niets meer is, zoals het was.
Als het leven dat je kende, ophoudt en je er toch nog bent.
 
Mensen die moeten verhuizen naar een verpleeghuis overkomt het, de mensen in Babel overkomt het.
 
Wat moet je?
 
‘Bouw een nieuw leven op’, zegt God bij monde van de profeet Jeremia tegen de weggevoerde ballingen, die ver van huis in vijandelijk gebied leven.
‘Bouw een huis, een akker, een gezin’.
Het klinkt in onze oren te makkelijk gezegd, irreëel.
Maar het is een bloedserieuze boodschap aan de ballingen in Babel.
 
Makkelijk gezegd zijn juist de woorden van de valse profeten die (hfdst 28) de mensen naar de mond praten en verkondigen dat binnen 2 jaar alle ballingen wel weer thuis zullen zijn in Jeruzalem. Zij geven de mensen valse hoop. Zij stellen de mensen onterecht gerust dat ze niets op hoeven geven van zichzelf, dat het een kwestie is van uitzitten. Maar zo is het niet.
 
Jeremia houdt de mensen voor dat ze hun situatie onder ogen moeten zien en zich zullen moeten inzetten voor de nieuwe plek waar ze wonen. Ze moeten het hun thuis maken en zich inzetten voor de vrede van die vreemde stad. Want dat zal ook hen ten goede komen.
 
Hoe groot die opdracht is, laat zich illustreren door de verhalen van mensen die vanuit hun eigen huis komen te wonen in een verpleeghuis. Marjolein Kraaijeveld werkt als geestelijk verzorger binnen verschillende verpleeghuizen in Amsterdam en die ervaring van ballingschap, van weggevoerd zijn, van hopen tegen beter weten dat naar huis keren wellicht nog mogelijk zal zijn, kent zij van dichtbij, en wellicht kent u die ervaring ook.  
 
Loslaten wat er was en een leven opnieuw inrichten, dat is een hele opgave.
 
2. En waar is dan God?
 
De Israëlieten hadden de tempel in Jeruzalem als centrum van hun geloof. Ver weg in Babel moeten ze uitvinden hoe zij God kunnen dienen zonder tempeldienst. De woorden, de rituelen, ze moeten ze nu zelf gaan vormgeven temidden van een andere cultuur en ook, zo zegt God, loyaal aan die cultuur. Het gevaar is groot dat ze zichzelf daarin zullen kwijtraken.
 
Maar God belooft ‘12Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. 13Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken.14Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER.
 
God is ook daar op die andere plek, op een nieuwe manier te vinden. 
De toekomst ligt in verbinding zoeken met die plek en met de mensen daar.
 
Jeremia had gelijk, juist door de bloei van de gemeenschap in ballingschap kreeg zij een toekomst, maar tegenstrijdig klink het wel om in vrede met de vijand te gaan leven.
 
Een andere vertaling zegt het zo (vs 7) ‘Zoek de vrede voor de stad waarheen ik jullie in ballingschap heb gevoerd en bid ten gunste van haar tot de Heer want in haar vrede zal er [ook] voor jullie vrede zijn’.
Het vijanddenken wordt doorbroken. Als de ballingen de vrede blijven zoeken, zullen zij ook zelf in vrede kunnen leven.
 
3. Zo kan een brief van 2500 jaar geleden ook voor ons een boodschap hebben. Leef en zet je in voor de plek waar je bent ook als je er niet wilt zijn, verbind je met mensen en zoek God.
 
Prachtig.
En toch is weg willen gaan logischer. Terug naar je eigen mensen, je eigen huis, het leven zoals het was.
 
Wat nu als dat niet kan?
 
Laten er dan mensen zijn die bij je blijven. Die wel weg kunnen gaan, maar het niet doen, die de harde werkelijkheid niet ontkennen en die tegelijk getuigen van de hoop dat dit het einde niet is, maar dat God er zal zijn.
 
Marjolein vertelde mij: ‘wat ik te bieden heb als geestelijk verzorger is dat ik niet wegloop. Ik blijf bij de ander, hoe complex het ook is’.
 
God belooft de mensen ‘Ik zal naar jullie omzien’.
 
Deze week hebben velen van ons zich in een andere werkelijkheid getrokken gevoeld, door het overlijden van Jip. Het is een werkelijkheid waar niemand van ons wil zijn.
 
Laten we erbij blijven, elkaar erbij houden, God blijven zoeken, en de hoop niet verliezen.
‘God brengt ons thuis – maar niet vandaag’.
Daarmee zullen we het moeten uithouden, kunnen uithouden.
Samen, niet alleen.

Amen.


4 juni Pinksteren

Oranjekerk en Willem de Zwijgerkerk Amsterdam

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Hand 2: 1-4; Johannes 14: 23-31a

 
Inleiding op de Schriftlezing
We lezen vandaag een gedeelte van de afscheidsrede die Jezus houdt op de avond voor zijn dood. Het is de laatste avond dat Hij samen met zijn leerlingen is. Jezus bereidt zijn leerlingen voor op de tijd dat Hij er niet meer zal zijn en Hij spreekt hen moed in om het vol te houden in de moeilijke tijden die komen.
 
Johannes 14: 23-31a
Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen. Maar wie mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat ik zeg, en wat jullie mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader door wie ik gezonden ben. Dit alles zeg ik tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. Later zal de pleitbezorger, de heilige Geest die de Vader jullie namens mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat ik tegen jullie gezegd heb.
Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet. Jullie hebben toch gehoord dat ik zei dat ik wegga en bij jullie terug zal komen? Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Vader ga, want de Vader is meer dan ik. Ik vertel jullie dit nu, voordat het gebeurt, zodat jullie het geloven wanneer het zover is. Ik kan niet lang meer met jullie spreken, want de heerser van deze wereld is al onderweg. Hij heeft geen macht over mij, maar zo zal de wereld weten dat ik de Vader liefheb en doe wat de Vader me heeft opgedragen.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Pinksteren is iets geestigs. Ik heb me erop verheugd vandaag de dienst te beginnen zoals we deden, met koffie en lekkers, een stem, een windvlaag in muziek, vuur en taal.
 
Die begroeting in alle talen, het viel me dit jaar pas echt op, is elkaar groeten met vrede. We zullen er vandaag ook mee eindigen met elkaar groeten met vrede.
Vrede is een kernwoord in de lezing van vandaag, Jezus laat ons vrede na.
‘Vrede zij jullie’ is ook het eerste dat Jezus zegt tegen zijn leerlingen op de dag van de opstanding, wanneer Hij opeens in hun midden staat in dat huis waarvan ze de deuren uit angst hadden gesloten.  (Joh 20:21-22)
 
Vrede voor en na dus, maar wat voor vrede is dat nu die wij van Jezus ontvangen?
 
Is dat gemoedsrust ‘peace of mind’? Dat lijkt me niet, want Jezus geeft aan dat er nog moeilijke tijden zullen komen.
Is dat vrede als afwezigheid van geweld? Ook dat lijkt het niet te zijn, want als Jezus zijn leerlingen vrede wenst, laat hij zijn doorboorde handen zien en zijn zij.
Is het dan vrede als in een vredestichtend woord? Als het dat zou zijn, waarom werkt het dan niet zo? Waarom is de vrede dan zover te zoeken, in de wereld en in onszelf?
 
Het is een vrede, zegt Jezus, zoals de wereld die niet geven kan. Hoe bereikt die ons dan?
 
2. In Jezus’ woorden van vandaag is vrede nauw verbonden met de Heilige Geest. Beide zullen bij ons blijven wanneer Jezus er niet meer is, beide gaan van Jezus uit en beide hebben te maken met verstaan wat Jezus zegt en wie Hij is.
 
Dat verstaan wie Jezus is, kunnen de leerlingen pas na de opstanding van Jezus.
Dan vallen alle puzzelstukjes in elkaar met hulp van de Geest.
Dan is duidelijk dat de betekenis van Jezus, zijn ware menselijkheid, niet werkelijk geweld is aangedaan door die gaten in zijn handen.
Dan is duidelijk dat niet Jezus zelf maar zijn Geest ons direct verbindt met God.
Dan bestaat er vrede omdat duidelijk is ‘dat het goed is’, dat wat van God komt van een andere orde is, dat wij voor een ander leven zijn bestemd, en dat daar de wereldse macht niet over gaat.
 
Jezus zegt in zijn ontmoeting met de leerlingen na zijn opstanding ‘vrede zij jullie’ en dan blaast Hij op hen en zegt ‘ontvang de Heilige Geest’. Dat is het moment waarop de leerlingen moeten opstaan en moeten verdergaan in zijn voetspoor. Dan is Pasen compleet.
 
3. Maar wat nu, als we er niet bij kunnen? Als wij de Bijbelwoorden moeilijk te vatten vinden, en de moed wél verliezen, wat nu als het geweld ons overmant en we niets merken van die Geest?
 
Wat moet je dan?
 
‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen’.
 
Volgens mij moeten we het daarvan hebben. Jezus liefhebben, betekent zijn woord bewaren in ons hart en daarmee zal er ruimte komen voor de Geest. Die Geest van God die ons de woorden ook zal helpen herinneren en helpen verstaan.
Jezus verschijnt dan in ons. Het Woord van God komt binnen, God zelf komt binnen.
We ademen op, de Geest maakt ons levend, vrede die alle verstand te boven gaat overkomt ons.
 
4. Geest van God lijkt wel het meest dichtbije én het meest ongrijpbare wat we van God kunnen meemaken.
 
Geest is als spiritus, het vervliegt heel snel.
Mij overkomt dat vaak op zondagmorgen als er een moment is dat het binnenkomt, dat ik opadem van woorden, dat ik het dan snel daarna al niet meer terug kan halen.

Zou dat het zijn, waarom Jezus zegt dat wie Hem liefheeft zijn woord zal bewaren?  Omdat we wéten dat we het telkens weer opnieuw zullen moeten overwegen om het dan soms te verstaan, soms het te pakken krijgen, zien wat Jezus laat zien van God?
 
5. Dat Jezus nou uitgerekend ons mensen aanwijst als plek waar God zal wonen. Dat is toch ook nog iets om bij stil te staan. Van boven ons, tot onder ons, tot in ons woont God.
                                                       
Het is niet te geloven.
En daarom is het iets om te doen. Om ruimte te scheppen voor God in ons.
Door te blijven studeren op die woorden uit de Bijbel, ze te vertalen naar vandaag, te wegen voor ons leven, ernaar te luisteren, ons erdoor te laten raken.
Om ze aan te doen, als een mantel om in te schuilen.
Om ze een aandoening te laten zijn misschien, de woorden deel te laten worden van wie wij zijn.
Om ze anderen aan te doen, als opeens blazen in iemands gezicht, een frisse wind.
Met die woorden in ons hart kunnen we anders in de wereld te staan – want wij staan niet alleen, ‘er is een woord dat eeuwiglijk zal duren’, het spreekt van God die voor ons is en achter ons staat, die in ons leeft en tot ons komt, die liefde is en die ons vrede geeft.
 
6. En soms kom je er niet bij met woorden.
Mama, waar begint de lucht?
De lucht begint hier, waar je bent.
Nee, ik bedoel de lucht, waar de vliegtuigen zijn.
O, je bedoelt de hemel? Die is hierboven, kijk maar, daar waar de wolken zijn.
Nee, ik bedoel de lucht…

 
Misschien is het wel net zo met vrede en Geest.
We moeten ze niet proberen aan te wijzen. Ze zijn er.
Ze bieden ons ruimte, ze laten ons leven. Godzijdank. Amen. 


21 mei

‘Rogate – bidt!’

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 16: 23-33

 
Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we het laatste gedeelte van de afscheidsrede die Jezus houdt op de avond voor zijn dood. Het is de laatste avond dat Hij samen met zijn leerlingen is. Die hele afscheidsrede duurt een paar hoofdstukken. En Jezus bereidt zijn leerlingen voor op de tijd dat Hij er niet meer zal zijn. Voor de leerlingen is het zo dat het nog Pasen moet worden. Wij lezen deze tekst in de aanloop naar Hemelvaart en Pinksteren.
Jezus spreekt de leerlingen moed in om het vol te houden in de moeilijke tijden die komen. Hij zegt tegen hen: ‘vraag’, of ‘bid’ God in mijn naam. 
 
Johannes 16: 23-33
23Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen. Maar ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven. 24Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.
25Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertel. 26Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, 27want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie mij liefhebben en geloven dat ik van God ben gekomen. 28Ik ben bij de Vader vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat ik de wereld weer en ga ik terug naar de Vader.’
29Toen zeiden de leerlingen: ‘Ja, nu spreekt u rechtstreeks en niet in beelden.30Nu begrijpen we dat u alles weet en dat niemand u iets hoeft te vragen, nu geloven we dat u van God bent gekomen.’ 31Jezus vroeg: ‘Nu geloven jullie? 32Er komt een tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengedreven worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en mij alleen achterlaat. Maar ik ben niet alleen, want de Vader is bij mij. 33Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: ik heb de wereld overwonnen.’
 
Overweging
Gemeente van Jezus Christus,
 
‘Bidt!’, zo heet deze zondag en dat zegt Jezus tegen zijn leerlingen vlak voor zijn dood.
Bidden. We doen het elke zondag, meerdere keren zelfs, en velen van u doen het vast nog vaker, maar wat is bidden eigenlijk? Wat bedoelt Jezus ermee?
De leerlingen van Jezus vroegen aan Hem ‘leer ons bidden’ en toen leerde Jezus hen het Onzevader.
 
In de tekst van vandaag heeft Jezus het over bidden in de zin van vragen aan God.
Hoe kunnen we ons dat voorstellen?
Welk beeld hebben we van iets vragen aan God? We kunnen God immers niet zien?
Wat kun je van zulk vragen verwachten? En wat mág je vragen?
 
Dat is precies waar Jezus op ingaat aan het einde van zijn afscheidsrede.
 
Want bidden tot God heeft alles te maken met wie Jezus is.
Jezus heeft in zijn leven zichtbaar gemaakt hoe de relatie tussen God en mensen is.
Zoals Jezus zich keert tot mensen, zo kunnen we ons de liefde en trouw van God voorstellen.
Zoals Jezus zich laat raken door mensen, zo is God betrokken bij ons.
Zoals Jezus is, zo is God. God is nabij. Daarvan wil Jezus de mensen overtuigen.
Zo mogen mensen zich God inbeelden.
 
De leerlingen begint het te dagen.
Jezus is niet een omweg om bij God te komen, maar juist een binnendoor.
God en Jezus zijn één.
Alleen, voor de leerlingen is het dan wel de vraag wat ze moeten zonder Jezus.
Hoe kunnen ze God bereiken of begrijpen, als Jezus er niet meer is?
 
Jezus maakt duidelijk: jullie hebben mij niet langer nodig!
Alles wat jullie nodig hebben, is er al: ‘Bidt in mijn naam en je zult het ontvangen’.
 
Niet alleen Jezus zelf, maar ook Jezus’ naam brengt ons bij God.
Maar hoe werkt dat dan?
 
Bidden in Jezus’ naam, betekent bidden met Jezus voor ogen, met wat Hij liet zien van wie God is.
Bidden in Jezus’ naam is niet vrijblijvend, het gaat om bidden voor onszelf én anderen, om de hemel én de aarde.
Het is bidden te midden van de wereld én je daarvan niet willen afsluiten.
Het is bidden vóór de wereld, maar niet zonder te willen weten welke rol wij daarin hebben.
 
Zo bidden doet wat met wie bidt, het verandert je, het doet een beroep op je betere ik.
Want als we bidden in Jezus’ naam, dan kijken we met Gods ogen. En we zien wat niet zo kan blijven.
 
Zo bidden lijkt misschien een hele opgave.
Het is in alle rust de onrust onder ogen zien van wat in de wereld en in onszelf leeft.
 
Toch denk ik dat Jezus die aansporing ‘bidt’ niet als opgave aan zijn leerlingen heeft bedoeld, maar wel als uitnodiging en als aanmoediging: kom op, jullie kunnen het. Jullie hebben mij niet langer nodig, richt je voor alles tot God, je weet nu toch wie dat is!
 
En zo is bidden in Jezus’ naam ook je durven uitspreken voor God in het vertrouwen dat dat zin heeft en dat het niet op precies de goede woorden aankomt, dat het ook niet origineel hoeft te zijn, je mag mee in de stroom. Zoals de woorden van het Onzevader die Jezus aan zijn leerlingen leerde.
 
Jezus leert ons bidden – niet alleen met de woorden van het Onzevader, maar ook door ons aan te sporen het aangezicht van God te zoeken tegenover wie we ons uitspreken.
Waarom zouden we dat doen?
Ook dat liet Jezus ons zien.
Ten overstaan van God kunnen we ontdekken hoe we werkelijk mens kunnen zijn.
Jezus geeft ons zelfs het lef om meer te vragen dan we uit onszelf zouden durven.
 
‘The sky is the limit’ – kunnen we met het oog op Hemelvaart wel zeggen.
 
Iets vragen aan God, dat is een ruimte ingaan die we niet kunnen vatten.
Jezus zegt: ‘doe dat, bidt, want daarin leer je God kennen, daarin ontdek je wat leven is’.
 
Amen

7 mei

ds. Jantine Heuvelink

Johannes 16: 16-23a – Zondag Jubilate

 
Inleiding op de Schriftlezing
We lezen vandaag volgens het Luthers Leesrooster het tweede gedeelte van Johannes’ hoofdstuk 16. Ik licht toe in welke situatie deze woorden van Jezus en zijn leerlingen klinken.
 
Jezus is met zijn leerlingen in gesprek op de laatste avond dat ze bij elkaar zijn, dus voor zijn dood. Jezus heeft zijn leerlingen de voeten gewassen, ze hebben de maaltijd met elkaar gedeeld en Judas is net vertrokken om Jezus te gaan verraden. En dan, op de valreep van die laatste avond, - wij weten dat het vlak voor de dood en opstanding van Jezus is – dan houdt Jezus een hele lange afscheidsrede. Hij zegt tegen zijn leerlingen dat Hij nog maar een korte tijd bij hen zal zijn, dat Hij weg zal gaan én dat Hij terug zal komen.
En Jezus draagt zijn leerlingen op de moed niet te verliezen, ondanks alle verdriet en ellende die hen zal overkomen, want hun verdriet zal in vreugde veranderen.
 
Wat we vandaag lezen is een kort gedeelte van deze afscheidsrede van Jezus.
Die rede zal Jezus eindigen met de woorden: (Joh 16:33) Ik heb dit gezegd opdat jullie vrede vinden bij mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: ik heb de wereld overwonnen.’
 
Voor de leerlingen in het verhaal moet het nog Pasen worden. Dat is een verschil met ons, want wij leven in de tijd na Pasen, zowel qua tijd in het kerkelijk jaar, want Pasen vierden we drie weken geleden, als ook in deze wereldtijd, Jezus’ dood en opstanding zijn immers van 20 eeuwen geleden. Hoe kunnen deze woorden dan voor ons in deze tijd van betekenis zijn?
 
Het helpt om te bedenken dat de evangelist Johannes, die deze woorden opschreef, net als wij, leefde in de tijd na Pasen. Hij wist wat er was gebeurd. Johannes moest zich, net als wij, verhouden tot het hoopvolle verhaal van opstanding temidden van een werkelijkheid waarin het leed van mensen ongekend groot is. Waar blijf je dan met je Paasjubel?
 
Laten we met elkaar zingend bidden om Gods Geest, dat we wat we horen ook mogen verstaan en daaruit zullen leven.
 
 
Overweging
1.    Gemeente van Jezus Christus,
 
De leerlingen snappen niet wat Jezus bedoelt. Ze vragen zich hardop af hoe dat zit, met die korte tijd en dat Jezus weggaat en terugkomt.
Kennelijk vindt de evangelist Johannes het belangrijk dat wij weten dat de leerlingen allerlei vragen hebben en dat die vragen van hen evenveel aandacht verdienen als het antwoord van Jezus. Want wat Jezus zegt is niet vanzelfsprekend. Voor niemand. Toen niet en nu niet.
 
Misschien is dat ook wel waarom de afscheidsrede van Jezus zo lang is, een paar hoofdstukken. (Joh 13:31-14:31 en Joh 15:9 – 16:33) In telkens weer andere bewoordingen legt Jezus uit wat er gaat gebeuren en praat Hij de leerlingen moed in.
Hij zegt: ‘Ik kom terug’, en: ‘je vreugde zal groter zijn dan je verdriet’.
En Jezus gebruikt het beeld van een barende vrouw om aan te geven hoe vreugde door de benauwdheid heen gaat. Pijn is geen reden om op te geven, want het goede is er ook al.
 
2.    Toch, ondanks al die woorden en beelden die Jezus gebruikt, snappen de leerlingen niet wat
er gaat gebeuren met Jezus, zijn dood en opstanding. En Jezus wéét dat ze het nog niet begrijpen, nog niet kunnen begrijpen. Maar toch is het nodig dat ze wat Jezus vertelt, horen en goed onthouden, want, zegt Jezus ‘Ik vertel jullie dit nu, voordat het gebeurt, zodat jullie het geloven wanneer het zover is’. (Joh 14: 29, zie ook: Joh 14: 26, Joh 16:4)
 
Jezus bouwt een voorraad op aan vertrouwen en beelden waar ze uit kunnen putten.
Het zijn als veelbetekenende woorden uitgesproken op een sterfbed.
Woorden als houvast voor het verdere leven. Als belofte voor het verdere leven.
In tijd van benauwdheid moeten de leerlingen zich dus dit herinneren: de vreugde is niet ver.
 
En vertaald naar onze tijd kunnen we zeggen: door Pasen weten we van de vreugde, van hoop die niet sterft, van dood die overwonnen is. Dus bij alles wat er niet te begrijpen is aan leed en verdriet in deze wereld, moeten wij de vreugde van Pasen hooghouden.
 
3.    Maar werkt dat wel zo? Als verdriet je overkomt, als al je houvast wordt weggeslagen, is
dan weet hebben van Pasen een antwoord?
 
Het lijkt mij eerlijk om te zeggen dat dat niet, niet voor iedereen, of niet in elk geval, zo is.
Het is juist een last en vaak ook een schaamte voor mensen om te ervaren dat ze op een dieptepunt in hun leven aan hun geloof niets hebben. Dat ze al het verdriet niet kunnen zien tegen het licht van God.
Is dat een gebrek aan geloofsvertrouwen?
Als het dat al is, dan is dat iets om je niet voor te hoeven schamen.
Het is een ervaring die de leerlingen van Jezus veelvuldig hebben, we horen het aan hun reacties die uitgebreid beschreven staan in de Bijbel.
 
4.    Niet geloven, niet zeker weten, niet begrijpen, niet kunnen uitkijken boven het eigen verdriet,
dat is het verband waarin het verhaal van Opstanding klinkt.
En een wereld met oorlog, met leed en onzekerheid, is het verband waarin wij samenkomen in de kerk, op de zondag, de 1e Paasdag.
 
En dat heeft alles met elkaar te maken. Zo zit de Bijbel in elkaar, zo ziet de kerkdienst in elkaar. Het is en-en. We bidden voor de nood in de wereld én we zingen God lof.
We delen brood en wijn van het Koninkrijk en gaan straks de wereld weer in.
Die twee horen bij elkaar, doen samen recht aan ons mens-zijn.
 
5.    Ik moest hier de afgelopen dagen aan denken, bij de Herdenking van de slachtoffers van de
Tweede Wereldoorlog op 4 mei en het vieren van Bevrijdingsdag op 5 mei.
Zoals het mij vergaat, krijgt 4 mei veel meer aandacht dan 5 mei. Op 4 mei sta ik stil, herdenk ik met anderen. Op 5 mei, doe ik mijn dagelijkse dingen, de feesten zijn mij te lawaaiig.
 
En misschien is die eenzijdige aandacht toch niet goed.
Deze zondag Jubilate spoort ons in ieder geval aan om te jubelen. Om de vreugde kenbaar te maken. Niet ondanks alle leed dat geleden wordt, maar juist daarom!
Die vreugde bestaat niet zonder te weten van de benauwdheid en de dood.
We zingen het uit omdat we geloven dat er geen toekomst is als we ons neerleggen bij dat leed.
 
Graag citeer ik Willem Barnard die zo treffend zei: ‘Zingen is niet het uiten maar het innen van geloof. We zingen ons het geloof te binnen’.
Elk jubelend zingen is willen uitstijgen boven wat gedoemd is, wat ons teneer drukt, wat ons de adem beneemt. En ons openen voor de toekomst, voor een ander perspectief .
Elk zingen is daarmee een belijden van Pasen, een aanboren van de hoop die in ons is met het oog op de wereld om ons heen. En ook de maaltijd samen delen, elkaar moed inspreken en de vreugde voorhouden is zo’n teken van Pasen.
 
‘Doet dit tot mijn gedachtenis’, zegt Jezus, én ‘niemand zal je je vreugde afnemen’.
Moge het zo zijn. Amen.