13 sept

Startzondag, ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteus 18: (1) 15-20


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag uit het evangelie van Matteüs een gedeelte uit de zogenaamde gemeentetoespraak van Jezus. Die toespraak begint met de leerlingen die aan Jezus vragen wie het belangrijkste is in het Koninkrijk van God. Jezus stelt als antwoord een kind in hun midden en legt uit dat wie niet klein en kwetsbaar wil worden, zoals een kind dat is, het Koninkrijk van God niet zal binnengaan.

Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van het verloren schaap. Als een mens honderd schapen heeft en er raakt er één verdwaald, dan laat hij de negenennegentig achter om die ene te zoeken. Zo, zegt Jezus, is het met God, die wil niet dat er ook maar één mens verloren gaat.

En dan volgt onze lezing van vandaag, die gaat over de situatie waarin het misgaat in de gemeente, wanneer iemand ruzie met jou maakt of afhaakt. Jezus geeft een belangrijke leidraad voor wat je dan moet doen en dat heeft alles te maken met jezelf niet groter willen maken dan de ander, maar de ander ruimte bieden om zich weer te kunnen verbinden, zodat die niet afdwaalt.

Het is geen eenvoudige tekst en daarom heb ik twee luistertips vooraf:

De eerste: in de lezing gaat het over hoe je moet omgaan met iemand die zondigt. Nu heeft het woord ‘zonde’ in de Bijbel een andere betekenis dan hoe wij het meestal verstaan. Ik leg dat even uit.

Als je een beker melk omstoot dan zeg je ‘o, wat zonde’ en dat is het ook. Want er gaat iets mis, er is iets verstoord. De melk die was bedoeld om op te drinken, ligt nu op de grond.

Precies zo is de betekenis van ‘zonde’ in de Bijbel. Zonde dat is niet dat één iemand een morele misstap begaat en daarvoor gestraft moet worden, nee het is dat er iets misgaat, iets verstoord raakt in hoe de mens bedoeld is en in de verbondenheid tussen mens en God. Als een mens de verbondenheid met God verbreekt en een andere macht dient, zoals de macht van het geld of van de overheersing, dan komt er iets tussen de gemeenschap en God in te staan. Dan loopt het goede leven van mensen met elkaar gevaar. Dan verwaarloos je de vrijheid die God aan mensen gaf. En daarom is het van groot belang dat we mensen die het leven in de gemeente verstoren, die zondigen, er weer bij proberen te halen. Ten alle tijde moeten we willen voorkomen dat we mensen verliezen. 

En dat is meteen de 2e luistertip: bedenk bij het horen van de lezing dat de achtergrond is: dat God niet wil dat iemand verloren gaat, oftewel buiten het goede leven valt.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Het ene moment hebben we een kind in ons midden, klein en kwetsbaar, gedragen door haar ouders, door ons als gemeente en door God bovenal – het andere moment lezen we een complexe tekst over omgaan met iemand die zondigt in de gemeente en hoe het de hemel aangaat hoe wij daarmee omgaan.

Je kunt bedenken dat je die twee beter niet op startzondag probeert te combineren, maar dat is precies wat in het Bijbelverhaal wel gebeurt. Jezus begint met het in het midden zetten van een kind.

Een kind dat aantoonbaar onmondig is, afhankelijk, kwetsbaar, zonder status.

Bij alles wat Jezus tegen de gemeente gaat zeggen kunnen ze niet hier omheen: een klein en kwetsbaar mens. Wil je een rol spelen in Gods nieuwe wereld, dan zul je moeten worden als een kind, niet groter willen zijn dan een ander, maar het wagen je klein te maken.

Oftewel: Jezus volgen betekent afstand doen van macht en het afleggen van een gevoel van superioriteit. Als er ruzie is in de gemeente, als de ander jou wat heeft misdaan, dan is het eerste wat je moet doen de ander daar onder vier ogen op aan spreken. Help die ander die tegen jou gezondigd heeft om tot inkeer te komen en dan zonder gezichtsverlies. Ga niet óver de ander praten, maar mét diegene zelf.

(Dankbaar was ik, twee weken geleden, toen een gemeentelid mij belde over iets wat ik had nagelaten en wat niet goed was gevallen. Het gaf mij de gelegenheid om sorry te zeggen).

Als die ander niet wil luisteren, probeer het dan nog eens met twee getuigen. Die kunnen helpen om de ander te overtuigen van de verkeerde stap die hij of zij heeft gezet. Als dat niet helpt, schakel dan ook de rest van de gemeente in. En als de zondaar dan nog weigert terug te keren van zijn misstap – behandel hem dan als de heiden of de tollenaar.

Dat is een goede hersenkraker! Hoe behandelt Jezus ook al weer de heiden en de tollenaar?

Jezus sluit die niet buiten, maar haalt ze juist binnen. Dus Jezus’ woorden benadrukken nogmaals dat we de ander niet moeten uitsluiten maar insluiten, ondanks zijn zonde. Want ‘niemand mag verloren gaan’.

2. Zo kunnen we nu ook het volgende stuk van Matteüs lezen: Hoe wij hier in de gemeente, op aarde omgaan met iemand die zondigt, dat heeft betekenis voor hoe het met iemand verder gaat. Daar moeten we ons bewust van zijn. Als wij iemand afschrijven, vastpinnen op wat diegene ons misdeed, dan blijft dat tot in lengte van jaren aan hem of haar kleven. Tot in eeuwigheid, tot in de hemel.

Betekent dit dat God dit afschrijven nog eens opnieuw zal bevestigen? Dat lijkt me niet.

Het is eerder andersom, wij moeten het niet zover laten komen. Sterker nog, als we met elkaar alles op alles zetten om de boel bij elkaar te houden in de gemeente, dan weerspiegelen we wat God van ons vraagt. Dan zal dat zo gebeuren. Daar rust zegen op, dat is die hemel die bevestigt.

‘Want’, staat er dan, en dan komt de beroemde Bijbelse zin waar deze tekst mee eindigt: ‘waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden.’ Deze zin wordt te pas, maar vooral te onpas op zichzelf gebruikt, als zou het hier gaan over dat hoe klein het groepje gelovigen ook is dat bij elkaar komt, we toch ervan verzekerd mogen zijn dat God erbij is. Dat zal zo zijn, maar met de voorafgaande tekst erbij is duidelijk dat wat hier gezegd wordt veel dieper gaat. Eensgezind zoeken naar een manier om verder te gaan is heilzaam. Matteus verwijst hier naar een oude rabbijnse uitspraak die zegt: ‘Wanneer twee mensen bij elkaar zitten en de woorden van de Thora/Bijbel zijn hun woorden, dan is de Eeuwige in hun midden’.

Oftewel wanneer we met twee of drie mensen in de Geest van Jezus leven, doen wat Gods Woord ons zegt, dan is daarmee God in ons samenzijn tegenwoordig. 

3. En zo hebben we hier een handleiding voor hoe we met elkaar om dienen te gaan in de gemeente. De tekst biedt openheid: schrijf niemand af, zoek de gemeenschap, laat je niet weerhouden door je eigen gelijk of pijn, wees groots door niet je ego te laten gelden, vermijd ten alle tijde dat je de ander dan maar afschrijft.

In de praktijk is dat nog een hele opgave, want dit vraagt nogal wat van onze houding naar anderen toe.

Petrus bevraagt Jezus meteen hierna daarover als volgt (Matt 18: 21-22) ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’.

En Jezus antwoordt: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’

Het is oneindig dat wij ons best moeten doen om de ander te bekeren van een verkeerd ingeslagen weg.

En het is onze opdracht de ander te willen blijven zien als de naaste die is als wij, die God liefheeft.

4. Nu hebben wij in deze maanden waarin we om moeten gaan met de coronacrisis ook te maken met een verstoring in de gemeente, mensen die afhaken. ‘Zonde’ is het, in de Bijbelse zin van het woord, dat begrijpt u. Niemand is er op uit, maar door de omstandigheden is er sprake van minder verbondenheid. Tenminste zo ervaar ik het. (Misschien bent u het niet met me eens, dan mag u me daar om te beginnen onder 4 ogen op aan spreken.) Maar ik ervaar dat ik minder vaak in de kerk ben, u minder zie en spreek, dat ik minder aandacht heb voor de buurt, voor anderen, voor God misschien.

In een bijeenkomst vorige week hier in de Oranjekerk met 20’ers en 30’ers kwam ter sprake dat ook de verbondenheid met familie of vrienden te lijden heeft in deze coronatijd doordat het veel voorkomt dat naasten heel anders omgaan met de maatregelen die ze nodig vinden zoals afstand houden.

Hoe houden we de boel bij elkaar in deze tijd? Kan de gemeentetoespraak van Jezus ook daarin een weg wijzen? Ik zie drie dingen oplichten.

Het eerste is dat Jezus zegt ‘bespreek het’. In kleine kring of groter, als er iets is verstoord, zoek elkaar op, breng het ter sprake. De lijst met vragen die we vandaag rond delen heeft daarmee te maken.

Het tweede is de oproep van Jezus om ‘te worden als een kind’, je niet groot te willen maken, maar juist de aandacht te richten op kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Ik moet denken aan collegapredikant Otto Grevink die over gemeentezijn in coronatijd schreef: ‘pas je tempo aan, aan wie niet mee kan komen’. Nu we niet alles kunnen doen zoals we het voorheen deden in de kerk, en zolang velen niet kunnen komen, zullen we tijd moeten nemen om te bedenken hoe we wel verbonden met elkaar kunnen blijven, en zullen we open moeten staan voor nieuwe vormen van kerk zijn zodat iedereen aan kan haken.

Het derde wat ons kan helpen is de bemoediging in die laatste woorden ‘waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’. Als we elkaar weten te vinden in het verlangen om in Gods naam te zoeken naar een oplossing voor wat verstoord is, dan zijn we een eind op weg. Als mensen het verlangen delen om God hoog te houden en stappen durven zetten om de ander erbij te houden, dan is God aanwezig.

En bedenk: Jezus spreekt in zijn toespraak niet degene aan die zondigt, die verstoort. Hij spreekt ons allemaal aan als degenen die een ander erbij kunnen houden, die het samen met anderen waar kunnen waarmaken: dat God in ons midden is. Amen.   

 

23 aug

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Matteüs 16: 21-27

 

Opmaatverhaal ‘Ga weg’

‘Ik ga het niet doen hoor, opa’, zegt Peter, ‘jou hier alleen laten. Mooi niet. Ik ga gewoon niet meer naar school, maar ik blijf hier bij jou. Dat gedoe met die mondkapjes en dat afstand houden gaat mij niet gebeuren. Mij krijgen ze niet bij jou weg’.

Tranen staan in Peters ogen. Wat was dat erg om opa al die maanden niet te mogen bezoeken. Opa nog langer zonder bezoek in het verzorgingshuis, het idee is onverdraaglijk. ‘Dat gaat niet gebeuren, daar ga ik voorliggen!’ zegt Peter fel.

‘Ga weg’, zegt opa. ‘Wat?’, vraagt Peter.

‘Ga weg’, zegt opa nu wat harder terwijl hij zich omdraait. ‘Ga terug naar huis, je moet niet hier zijn bij mij, doe je best op school, dat is belangrijker, dat is je basis voor je toekomst. Ik ben trots op jou, dat weet je toch. Ga terug, doe wat je moet doen, ook als het niet leuk is. Doe dat voor mij, leef je leven, ook al kost het moeite, echt, ik weet waar ik het over heb’.

Ga terug en hou vol, ik red mij wel, echt, het komt goed.

 

Inleiding op de Schriftlezing

Het gedeelte uit het evangelie volgens Matteüs dat we vandaag lezen hangt nauw samen met het tekstgedeelte dat eraan voorafgaat, de zogenaamde ‘belijdenis van Petrus’ (Matt 16: 13-20).

Jezus is met zijn leerlingen onderweg en wordt regelmatig op de proef gesteld door Farizeeën en andere Schriftgeleerden. Dan komt het moment dat Jezus zijn leerlingen de vraag stelt ‘Wie ben ik volgens jullie?’. En Petrus antwoordt: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’. Daarop zegt Jezus tegen Petrus: ‘Petrus, zalig ben jij, jij bent zoals je naam zegt een rots, op jou kan ik bouwen!’.

Wat daarna gebeurt, lezen we vandaag als Jezus zijn leerlingen vertelt wat het betékent om Messias te zijn. Hij zegt dat Hij veel te verduren zal krijgen tot de dood toe. Nu protestéért Petrus: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’

Jezus zegt daarop tegen Petrus ‘Ga weg achter mij, duivels is het wat je doet, je vormt een obstakel op de weg die ik moet gaan’.

Het ene moment heeft Petrus het dus helemaal begrepen, God heeft hem als het ware aangeraakt, en het andere moment begrijpt hij het totaal niet, dan spreekt de duivel via hem.

Matteüs maakt met zijn beschrijving van beide gebeurtenissen duidelijk wat het betekent om een leerling van Jezus te zijn. Dat betekent dus niet dat je alles altijd goed weet en goed doet, maar wel dat je bereid bent om telkens weer van Jezus te leren.  

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’, dat is wat Jezus Petrus verwijt. En Jezus wijst Petrus op zijn plek, namelijk niet voor Jezus, in de weg, maar achter hem, als volgeling.

Petrus heeft zijn hart laten spreken en het is zo begrijpelijk dat hij zegt ‘God verhoede dat dat gebeurt!’. Je wilt niet dat iemand die je liefhebt een lijdensweg moet ondergaan. Maar het is een reactie die Jezus niet kan gebruiken en zeker niet van Petrus. Zo volmondig als Petrus Jezus genoemd heeft: ‘Messias, Zoon van de levende God’ zo volledig wil Jezus dat ook zijn, Hij kan niet anders. Zonder water bij de wijn, zonder voorbehoud zal Jezus spreken over God en de vinger op de zere plek leggen. Het onrecht benoemen. Ook, zeker, als dat niet politiek correct is. Niet tactisch. En dus gevaarlijk.

Petrus kijkt niet verder dan naar dat gevaar voor lijf en leden. Petrus dacht dat Jezus daar als Messias wel boven zou kunnen staan. En nu voelt hij die angst voor wat hij te verliezen heeft. Petrus hoort dus ook niet wat Jezus nog meer zegt, namelijk dat Hij op de derde dag zal worden opgewekt. Jezus zal zijn leven niet alleen géven voor de zaak van God, maar daarmee het leven ook vínden. Een leven met God.

2. Om zó te kijken naar de weg die Jezus zal gaan en ieder die Hem volgen wil, dat is een hele opgave. Want het vereist dat Petrus, en ook wij, uitstijgen boven de angst om lijf en goed te verliezen.

Er is iets, er is Iemand, belangrijker en kostbaarder dan dat.

Jezus zegt het zo: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet?’.

Zo’n zin is vragen om misverstanden. Je zou haast kunnen denken dat Jezus zijn volgelingen opdraagt om zich te onthechten. Om hun eigen leven te relativeren en zichzelf weg te cijferen en om alle pijn die dat kost dan maar gewoon te incasseren. Alsof pijn je dichter bij God brengt.

Het lijkt mij niet de bedoeling van deze tekst. Het woordje ‘moeten’ in de Bijbel leidt vaak tot misverstanden. Zoals Jezus niet ‘moet’ lijden in de zin van ‘dat is de enige manier waarop je Zoon van God kan zijn’, zo ‘moet’ een volgeling van Jezus ook niet ‘zijn kruis opnemen en dus lijden’ om een goede volgeling te zijn.

Het is andersom. Doordat Jezus vasthoudt aan wie Hij is, Zoon van God, Messias, en dus de woorden van God spreekt, daardoor weet je zeker dat Hij op weerstand zal stuiten. ‘Dat moet wel misgaan’, kun je zeggen. Niet omdat het van iemand moet, maar omdat dat de consequentie is in deze wereld, als je je zo laat kennen.

Zo is het ook voor volgelingen van Jezus. Die ‘moeten’ wel lijden, niet van iemand, maar door de wereld waarin we leven. Want daar kom je eens mee in conflict, als je niet weg wilt kijken, maar je geroepen voelt op te staan en op te komen voor wat recht is, vast wilt houden aan het woord van God. Jezus niet verloochenen, is de pijn voelen bij alles wat in deze wereld zo tegengesteld is aan wat God ons belooft. Jezus volgen kan betekenen dat je tegen de orde en het goede fatsoen in moet gaan en jezelf op het spel zet, je status, je veiligheid. (…)

3. In deze week moet ik hierbij denken aan de situatie in Wit-Rusland waar mensen zoals u en ik over hun angst heen stappen en de straat opgaan, ook al weten ze dat ze niet zachtzinnig bejegend zullen worden door de zittende macht. Alles voor hun ziel, de ziel van het land, de vrijheid van mensen, de toekomst van hun kinderen. 

Zoveel meer mensen op andere plekken in de wereld steken hun nek evenzeer uit voor recht en vrijheid, om waar ze in geloven, terwijl ze weten dat ze dat met de dood kunnen bekopen. Maar wat zal het hen anders kosten als ze zwijgen en niets doen?

In de Stille Week van Pasen volgen we het lijden van Jezus op de voet, het hele jaar door zien we dat lijden terug in mensen in Wit-Rusland, bij vluchtelingen op Lesbos, bij mensen die opkomen voor homorechten, onderzoeksjournalisten die onthullen wat het daglicht niet kan verdragen en zo meer. Elke keer grijpt het me aan als ik zie dat mensen die opkomen voor een menswaardig leven van zichzelf of anderen zo gewelddadig worden bejegend, zelfs worden gedood. Waarom moet dat nou zo ongenadig hard gaan?

Nee het moét niet, maar het gaat wel zo.

Kan God dat niet verhoeden?

Of behoeden en bewaren die mensen die daaronder lijden juist God?

4. En hoe zit het met onszelf? Wat zeggen ons Jezus’ woorden over lijden dat we wel moeten ondergaan als we Hem willen volgen? Dat lijden dat een consequentie is van opkomen voor het kostbare en wezenlijke van ons leven?

Dat lijden is geen eenvoudig onderwerp om over te spreken. Bij Jezus en Petrus zorgt het zelfs voor afstand tussen hen beiden. Het is een onderwerp dat je naar de keel kan vliegen. Maar het lijden is er elke dag, in de wereld ver weg en in ons dagelijks leven.

Wat is het leven dat we willen behouden? En waarin verschilt dat van eigen lijfsbehoud?

Jezus stelt ons voor vragen. Vragen waarop we gaandeweg de antwoorden zullen vinden, achter Hem aan, met vallen én opstaan.

Amen


16 aug

Laatste zomerdienst

Lezing: Matteüs 15:21-38
ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

‘Sorry, er is geen complot.

In Amsterdam is een moord gepleegd. Een schokkende moord. Een groot verdriet voor alle betrokkenen. Het jonge slachtoffer, zijn familie, zijn vrienden.

Je zou denken: daar hebben we onze handen al vol aan.
Je zou denken: de enige reactie die hout snijdt is medeleven.
De naam van het slachtoffer in gedachten meedragen: Bas van Wijk.

Zoals we de naam van Meindert Tjoelker nog altijd in onszelf bewaren.

Omdat geweld zo gruwelijk is.

Maar nee.

Voor sommigen was het nog niet genoeg.
Er moest méér gezegd.

Medeleven is ook niet wat zij willen
Ze willen iets anders:
ze willen woede.

Woede tegen de dader?

Nee. Nog een grotere woede.

Roeren in de samenleving.
Uiteendrijven

Totdat de woede zich overál genesteld heeft

“In poep roeren”
zou mijn oma zeggen.

Dit is nu het verhaal: de dader is iemand met een Marokkaans-Nederlandse achtergrond.

Dit is het bijkomend verhaal[, met dank aan de Telegraaf]: Noord-Afrikanen [(kijk eens hoe keurig wij ons uitdrukken!)] terroriseren de Europese stranden!

Als je lang genoeg roert, lijkt het alsof “wij witten” bedreigd worden “door hen, de Noord-Afrikanen”

Lijkt.

“Wij witten” worden niet bedreigd. Dit is de werkelijkheid: witten bepalen. Zo’n beetje alles: de politiek, het management, de scholing, de normen en waarden, de financiële wereld, de IT - en niet alleen in Europa. De prijzen van grondstoffen worden op de westerse beurzen bepaald. Ook als ze uit Afrika komen, of Latijns-Amerika.

Er is geen dreiging.
Misschien zijn er schuivende panelen
- hoop ik, daar ben ik heel transparant in -

de meerderheid van de wereld (witten zijn de minderheid, wereldwijd) die haar plek opeist

Misschien is er een geboorte naar een wereld-voor-iedereen
dat kan zijn,

maar er is er is geen “wij witten worden bedreigd door horden”
Het is er niet.

En deze moord is geen enkel bewijs.

Hoe vreselijk ook,
dit zijn de feiten:

we hebben geen zekerheid over de huidskleur
of de achtergrond van de dader

en al hadden we die wel, dan nog.

Meindert Tjoelker is door leliewitte jongens vermoord.

eigenlijk hebben we slechts één zekerheid:
dat ons medeleven is gevraagd

en niets anders dan dat.’

Tot zover de column van Sybrand van Dijk, een collega, een hele welbespraakte, maar belangrijker: een heel betrokken collega, een collega die wel vaker de dingen tot zijn essentie weet terug te brengen: de moord op Bas van Wijk vraagt niet om uiteendrijven: zij tegen wij, maar om samenbrengen, samenbrengen in het delen van medeleven. Wat is het toch met ons mensen dat wij liever weten van scheiden, dan van verenigen, dat wij liever grenzen trekken, dan grenzen openen, dat wij liever terugvallen op eigen identiteit – zelfs al weten we nauwelijks wat dat is – dan anderen daarin toelaten, dat wij liever schijnveiligheid creëren in een eigen, hoog ommuurde groep dan ons laten uitdagen door een wereld die in beweging is.

De wereld is in beweging, meer dan ooit, corona of geen corona – en ja, dat is niet voor iedereen gemakkelijk. We moeten hier beslist ook barmhartig zijn. Ik kan me herinneren dat het nog overzichtelijk was: je had het kapitalistische Westen en het communistische Oosten en dan had je nog het zuidelijk halfrond, zo ongeveer de rest van de wereld en dat noemde je dan: de Derde Wereld. Met onder andere de val van De Muur in 1989 is daar langzaamaan een einde aan gekomen en gelukkig maar, want die overzichtelijkheid was voor miljoenen mensen geen leven. Maar dat einde luidde ook nieuwe beweging in, moeten nadenken over een nieuwe wereldorde en daar zitten we nu, denk ik, nog steeds midden in. De nieuwe vrijheid bracht niet zomaar een nieuwe wereldorde. In veel landen zien we dat men die nieuwe orde zoekt in een eigen orde die het eigen volk, of het eigen land, de eigen cultuur of de eigen religie vooropstelt – gevaarlijke identiteitspolitiek waar vooral minderheden in betreffende landen het slachtoffer van worden. En we zien dat helaas ook in ons eigen land, zoals het bijvoorbeeld in boosheid over een vreselijke moord zijn lelijke kop opsteekt. Begrijpelijk, maar toch zeer kritisch tegen het licht te houden.

Ik kwam de column van mijn collega tegen, toen ik aan het nadenken was over de twee verhalen uit Evangelie van Matteüs die we vanmorgen hebben gehoord: twee wat mij betreft geweldige verhalen, maar waar ik evenwel van dacht: wat moet ik daar nog over zeggen? Nou dit: dat voor een christen ‘eigen volk eerst’ een principiële onmogelijkheid is. Ik ben er niet zo van te zeggen wat een christen nu precies wel en niet is, maar in deze tijd wordt het wat mij betreft op bepaalde onderwerpen meer en meer een kwestie van belijden, een kwestie van onderscheiden in ’s hemels naam, in Jezus’ naam. In meer dan één Evangelie komen we de ontmoeting tegen van Jezus met een vrouw uit den vreemde, en Jezus’ eerste reactie op haar hulpvraag is: eigen volk eerst. Best wel schokkend. Een botte Jezus. Maar daar blijft het niet bij: de vrouw blijft op Jezus’ denkbeeldige deur kloppen en… Jezus geeft gehoor, omdat door haar geloof de etnische grenzen tussen haar en Jezus wegvallen. In de ontwikkeling van het jonge christendom zijn die grenzen ook inderdaad vervaagd, al was dat dan ook niet zonder slag of stoot; en na de spijziging van de vijfduizend in Matteüs in hoofdstuk 14 volgt dan na de ontmoeting van Jezus met de Kanaänitische vrouw niet voor niets nog een spijzigingsverhaal: van vierduizend, dat betekent van mensen uit alle windstreken, alle vier de windstreken van de wereld. Dit verhaal is niet bedoeld voor een mooi ‘Alle Menschen werden Brüder’-gevoel. Het gaat veel verder. Het is een principiële kwaliteit geworden van wat het betekent christen te zijn, dat is: de inwoner van een rijk dat onderscheid maakt op basis van het geloof dat in mensen wordt gevonden, niet het geloof dat een handtekening vraagt onder een set overtuigingen, - zo van: nu hoor je bij ons, ingelijfd, - maar een geloof dat weet waar, of, beter gezegd, bij wie we moeten zijn; voor de vraag op een antwoord wat het betekent mens te zijn, wat humaniteit werkelijk is, heelwording, voor een ander instaan, zoals de Kanaänitische vrouw voor haar dochter, al betekende dat dat ze het schier onmogelijke moest doen. Jezus ziet de mens. God zij dank. Dat is eigenlijk het hele adagium van het Evangelie naar Matteüs, te beginnen met de Bergrede.

Als we de Maaltijd van de Heer vieren, dan ontmoeten ook wij, in brood en wijn, Jezus zelf. Wij, christenen uit de heidenen, zijn de erfgenamen van die Kanaänitische vrouw, en van de Romeinse hoofdman, in een ander verhaal, en van de Ethiopische eunuch, in nog weer een ander verhaal. Omdat Jezus geloof vond in de Kanaänitische vrouw, eten wij tweeduizend jaar later niet meer van de kruimels van de tafel, maar zitten wij aan. In brood en wijn delen wij Jezus zelf; déze Jezus die wij vandaag ontmoeten in de twee verhalen uit het Evangelie naar Matteüs. Deze verhalen en nog vele andere maken duidelijk dat de Maaltijd van de Heer veel meer is dan een symbolische handeling, en ook meer dan iets tussen ons en de Heer of een mooi ritueel dat plaatsvindt in de beslotenheid van onze christelijke kring. Als wij de dis delen met déze Heer, als wij deze Heer zelf delen, dan vinden en zien ook wij als deze Heer principieel geloof in mensen, in álle mensen, dan ontvangen we de gave van het onderscheid te zien dat geloof de enige grond is van het leven en van het samenleven, en geen enkel ander onderscheid dat mensen tussen elkaar willen maken. De Maaltijd van de Heer heeft dus ook een publieke, een openbare betekenis, een politieke betekenis, een betekenis die werkelijkheid wil worden in óns leven, in óns samenleven, buiten de muren van deze kerk. Ik zeg daarmee eigenlijk niets nieuws, - de Maaltijd van de Heer was nooit vrijblijvend - maar de publieke betekenis van die Maaltijd wordt wat mij betreft wel steeds urgenter. Delen in de Maaltijd van de Heer is delen in het leven van Jezus zelf: de keus om mee te leven en niet de keus om ‘in de poep te roeren’ om het met de oma van mijn collega Sybrand van Dijk te zeggen, de keuze om te horen als er geklopt wordt op onze deuren en dan geloof te vinden in mensen die bij ons zoeken naar heelwording en niet de keuze om te zeggen ‘eigen volk eerst’ of zelfs ‘alleen eigen volk’.

Wij hoeven niet bang te zijn, als wij aan tafel gaan, terughoudend. We mogen er van overtuigd zijn dat Jezus geloof in ons heeft gevonden, dat Hij zelf onze tafelheer wil zijn, ook vandaag. Als wij maar weten van wie wij de erfgenamen zijn: mensen uit de vier windstreken, mensen van deze aarde, uit alle volken, uit alle landen, in geloof aan elkaar gegeven om één gemeenschap te zijn, te willen weten van en geloven in mede-leven.


Amen

12 juli

Overweging 1e zomerdienst

ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Matteüs 13: 1-9, 18-23; Prediker 11: 4-6.

 

Inleiding op de Schriftlezing

‘Wat heb je nodig als je gaat zaaien?’ vraagt de juf.

De kinderen weten het meteen.

Je hebt een kuiltje nodig in de grond en daar stop je het zaadje in.

En je hebt water nodig, en licht en warmte, dan gaat het zaadje groeien.

En je moet de zaadjes niet te dicht bij elkaar planten, want dan hebben ze niet genoeg ruimte om te groeien.

De juf zucht. Alles wat de kinderen vertellen is waar, maar zij wilde graag het verhaal vertellen van de Zaaier, het verhaal dat Jezus de mensen vertelt, waarin het ook gaat om de goede grond die je nodig hebt en dat zaait niet ontkiemt als het op de weg terechtkomt, of op rotsachtige grond, of tussen de distels.

Jezus vertelt de gelijkenis om te laten zien hoe het gaat met het woord van God dat overal wordt gezaaid, maar alleen daar ontkiemt waar goede grond is, namelijk in mensen die het Woord horen én doen.

Dat verhaal over de zaaier en alle soorten grond, dat wil de juf vertellen.

Maar de kinderen hebben er geen oren naar.

Zij zijn vol van hun ervaringen met tuinkers en eigen gekweekte zonnebloemen.

En ja, ook daarmee doen zij het verhaal van de zaaier recht.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Bij het horen van de gelijkenis van de zaaier, komen gemakkelijk beelden op.

Bekende beelden van de zaaier, zoals geschilderd door Vincent van Gogh. 

Of beelden uit de praktijk, van de vreugde om zaadjes te zaaien in eigen grond, de schrik als de vogels erop afkomen, de afwachting of andere zaadjes wel tot bloei zullen komen en de verwondering als dat inderdaad zo gaat.

 

De gelijkenis van de zaaier is de eerste van wel 8 gelijkenissen in dit 13e hoofdstuk van Matteus dat als kopje heeft ‘Gelijkenissen over het Koninkrijk van de hemel’. Jezus spreekt in gelijkenissen tot de mensen. In beeldtaal dus.

Jezus doet dat vaker, maar dit is één van de weinige plekken waar Jezus de gelijkenis ook uitlegt. Helaas wordt de gelijkenis daarmee niet op slag helder. Het blijft beeldspraak. We horen dat met het zaad het woord van God wordt bedoeld en dat goede grond staat voor mensen die dat woord van God horen en begrijpen. Wat nu precies hun vruchten zijn, dat blijft onduidelijk. En is de zaaier nu God of Jezus?

Het ligt voor de hand om bij deze gelijkenis in te gaan op de vraag welk grondsoort u en ik zijn. Zijn we als de weg, begrijpen we niets van het woord van God en is het dus binnen de kortste keren weer weggepikt uit ons hart? Of zijn we als de rotsachtige grond, oppervlakkig, zonder diepgang en dus gevoelig voor de minste of geringste tegenstand die we zullen krijgen? Of zijn we als de grond vol distels, zijn we vol van andere dingen in het leven en krijgt het woord bij ons dus niet de ruimte? Of zijn we goede grond, geven we gehoor aan de oproep ‘Laat wie oren heeft goed luisteren!’ en dragen we dus vrucht?

Het is een leuk gespreksonderwerp om na te gaan wat voor grond we zijn, vandaag misschien wat rotsachtig, morgen weer vol distels, maar dat is niet waar de gelijkenis om gaat. Het is immers niet de gelijkenis van de grondsoorten, maar de gelijkenis van de zaaier en het Koninkrijk.

 

2. Wat opvalt in de gelijkenis is dat er zo rijkelijk gezaaid wordt én volop geoogst.

De zaaier is een royale zaaier. Hij heeft blijkbaar zaad genoeg, want hij zaait maar in het wilde weg. Slordig zou je het kunnen noemen, dat er zulke grote delen van het zaad neerkomen op plekken waar ze geen vrucht zullen dragen. Wij zouden dat misschien zelfs zonde willen noemen, zonde van het zaad, maar de zaaier houdt niet in.

En wat de zaaier doet heeft resultaat. Wat hij zaait in goede grond geeft een royale oogst. Honderdvoudig draagt dat zaad vrucht. En soms iets minder, zestig of dertigvoudig, maar in principe, het uitgangspunt is: honderdvoudig!

Deze gelijkenis van Jezus is een bemoediging voor de mensen in zijn tijd en in de tijd van de evangelist Matteus. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen door wat mislukt bij de verspreiding van het Woord van God. Want ondanks alle tegenstand zal het Woord van God wel zeker verder gaan, in goede aarde draagt het vrucht, hoe dan ook en meer dan je denkt.

Ook in onze tijd komt de vraag op hoe het moet met dat Woord van God, als je ziet dat zo weinig mensen er oren naar hebben. Als het toch tegen dovemans oren is gezegd, waarom zouden we er dan nog de boer mee op gaan? Is het dan niet zonde om telkens weer nieuwe wegen te zoeken? Kunnen we dat uitdragen van het Woord van God niet beter beperken tot die plekken, bijvoorbeeld in de kerk, waar het de meeste kans maakt om gehoor te vinden?

De gelijkenis van de zaaier én de uitleg die Jezus geeft laten twee kanten zien van de werkelijkheid, onze werkelijkheid. Enerzijds zaait de zaaier overvloedig en draagt het zaad in goede aarde overvloedig vrucht. Anderzijds ontkiemt het Woord op veel plekken niet, alleen maar in goede aarde. Beide staan naast elkaar: de reikwijdte en kracht van het Woord van God en de ervaring dat het zonder goede aarde geen vrucht draagt.

Nogmaals, het is de kunst ons niet blind te staren op de grond. Dat doet de zaaier immers ook niet. Gods woord is er voor alle mensen, ga niet selectief te werk.

3. Geloven wij dat er op heel veel plekken goede aarde is, meer dan we kunnen overzien?

En geloven wij dat de opbrengst van het zaaien van Gods woord honderdvoudig kan zijn?

Ik vertelde u over de kinderen die opgingen in hun verhaal over het zaaien en groeien van tuinkers en zonnebloemen en die graag die ervaring wilden delen.

Daarmee raken zij aan de kern van het verhaal: de verwondering dat het zaad tot enorme groei en overdadige opbrengst in staat is. Dat is de bemoediging die van de gelijkenis uitgaat: geloof dat het groeien gaat. Zoals we ons kunnen verwonderen over de opbrengst van een zaadje, zo ook over het Woord van God: kijk in de wereld om ons heen hoevelen het op de been houdt en op de been heeft gebracht voor de goede zaak. Al die mensen die opkomen voor hun naasten, voor verdraagzaamheid, voor het milieu, omdat ze geloven dat het anders kan en moet.

Eén voorbeeld wil ik u niet onthouden: afgelopen week deed Geeske Hovingh van het Wereldhuis een oproep via Facebook: ze vertelde over ongedocumenteerde families in deze stad die aan de rand van de financiële afgrond staan doordat zij door corona hun informele baantjes nog niet terug hebben. Lege koelkasten is het gevolg. Aan haar oproep om €35 te doneren aan het ‘Project gevulde koelkasten’ van de diaconie werd zo veel gehoor gegeven dat Geeske 5 dagen later ‘sprakeloos’ liet weten dat er inmiddels €13.385 was gedoneerd.

Opkomen voor de mens in nood en ook het aandurven om anderen daarbij te betrekken en op te roepen om mee te helpen, het leverde ongelooflijk veel op.

Niet alleen aan gevulde koelkasten maar ook aan vertrouwen dat er veel goede grond is.

Jezus ziet dat wat Hij de mensen vertelt over het Koninkrijk van God, vaak niet gehoord wordt en niet begrepen. Maar dat weerhoudt Hem niet om door te gaan. Het royale gebaar van de zaaier blijft Hij maken, het Woord van God voor alle mensen, blijft Hij doorgeven. En telkens zijn er mensen die het wel verstaan en in wie het verhaal vruchtbaar wordt, ook dat gaat door.

4. De gelijkenis geeft ons oog voor de ruimharigheid van God en de kracht van het woord.

Een aanmoediging om die Woorden van God te blijven horen en volop door te willen geven, vind ik in deze tekst van Prediker waarmee ik wil afsluiten (11: 4-6):

‘Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe. Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. Zaai van de morgen tot de avond. Laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal.’

Moge het zo zijn. Amen.

 

 

28 juni

'Jaarsluiting'

ds. Jantine Heuvelink

 

Inleiding op de Schriftlezing Matteüs 28: 16-20

Onze Bijbellezing vandaag is het allerlaatste stukje uit het evangelie van Matteüs. Dat is na de dood van Jezus en het sluit aan bij het verhaal van Paasmorgen wanneer vrouwen bij het lege graf komen en te horen krijgen dat Jezus is opgestaan uit de dood. Een engel zegt dan tegen de vrouwen ‘Ga tegen de leerlingen zeggen dat Jezus is opgestaan uit de dood en dat Hij hen voorgaat naar Galilea en dat ze Hem daar zullen zien’.

En de leerlingen gaan naar Galilea, naar waar het allemaal ooit begon en ze ontmoeten Jezus. De plek waar dat gebeurt is bijzonder, het is namelijk op een berg. Hee, een berg.

Weet u thuis en weten jullie hier nog die berg die we begonnen zijn te bouwen in de kerk als project in de veertigdagentijd? Tot 16 dozen zijn we toen gekomen, van de 40. Elke zondag zouden er nieuwe dozen bijkomen. En we zouden steeds meer te weten komen over God. We zouden luisteren naar Jezus die vanaf een berg, in een bergtoespraak, de Bergrede, de mensen vertelde over God en over hoe het Koninkrijk van God, Gods nieuwe wereld, eruit ziet. Gods nieuwe wereld dat heeft alles te maken met hoe mensen voor elkaar zorgen, niemand buiten sluiten, en leven zoals God dat wil belangrijker vinden dan om zelf belangrijk te zijn. Heel veel mensen hebben toen en ook later naar die woorden van Jezus vanaf die berg geluisterd.

Precies naar die plek, die berg, gaan de leerlingen van Jezus na zijn dood terug om Jezus te ontmoeten. Het leek allemaal afgelopen en nu dit. Is dit nu het einde…, of?

Verhaal ‘Tussen hemel en aarde’

Hoi, ik ben een leerling van Jezus, ik was erbij aan het begin toen op die berg. Ik heb alles gehoord wat Jezus zei. Het waren echt prachtige verhalen. Ook wel ingewikkeld hoor, soms. Nou ja, als je de verhalen van Jezus kent, dan weet je wat ik bedoel.

Het mooist vond ik dat verhaal over die man die zijn huis bouwt op een rots. Of nee het gaat over één man die zijn huis bouwt op zand – en dat huis dat stort in elkaar als het gaat regenen. En een andere man, die bouwt zijn huis op een rots, en dat huis blijft bij een storm staan. (Matt 7:24-8:1)

Ik snap wel wat Jezus bedoelde. Ik houd van klussen, maar daar gaat het verhaal niet om. Het gaat om geloven. En dat je stevig staat als je doet wat God wil.

Ik voelde me met Jezus erbij altijd wel stevig staan. Ik bedoel, ik zag dat Jezus deed wat God vroeg en hoe dat werkte. Dat was echt bijzonder hoor. Ik zag een keer een man die door Jezus weer kon lopen terwijl hij eerst verlamd was. En ik maakte heel vaak mensen mee die het leven weer zagen zitten als ze Jezus hoorden vertellen over God.

Dus ik dacht dat ik ook best een stevig geloof had en dat ik dat niet zomaar zou kwijt raken. Dat mijn geloof wel tegen een stortbui zou kunnen. Maar dat viel toch tegen. Toen Jezus gevangen werd genomen door de Romeinse soldaten toen werd ik heel bang en toen ben ik weggevlucht. Ik heb Jezus in de steek gelaten. En toen hij gekruisigd werd, dacht ik dat ik Jezus nooit terug zou zien. Ik dacht dat het allemaal voorbij was.

Maar toen ineens zeiden de vrouwen dat we naar Galilea moesten gaan. En daar op de berg daar was Jezus. Kun je nagaan: ik sta daar en ik zie Hem en ik wil dat ik stevig sta en het zeker weet, maar ik sta te trillen op mijn benen. En ik twijfel aan wat ik zie.

Maar Jezus twijfelt niet – Hij spreekt ons allemaal aan als zijn leerlingen, zoals Hij dat altijd doet. En Hij zegt dat het met Hem niet afgelopen is. Dat we door moeten gaan met wat Hij ons leerde. Dat we de wereld in moeten gaan om andere mensen te vertellen over God en te laten zien hoe we zo kunnen samenleven als God het heeft bedoeld.

En Jezus zegt ook dat wat Hij zegt en doet dat dat de hemel en de aarde aangaat. Jezus haalde die twee al nooit uit elkaar. De hemel en de aarde die hoorden voor Jezus bij elkaar. Hij zei altijd dat Gods nieuwe wereld niet iets is van ver weg, maar van dichtbij. Wij, jij en ik, kunnen hier al iets merken van God en iets laten zien van God.

Grappig toch, dat Jezus nu weer op die berg stond. Dichterbij de hemel kan je op aarde niet komen dan op een berg. Of ja als je kijkt wat Jezus doet, dan komt de hemel ook dichtbij de aarde.

Maar goed, mij is nu wel duidelijk dat het dus nog niet afgelopen is. Dat het nu eigenlijk pas echt gaat beginnen met mij in deze wereld. Ik zal het gaan doen, ik zal de mensen vertellen wat ik geleerd heb van Jezus over Gods nieuwe wereld.

Ik hoop wel dat het niet te hard gaat stormen en regenen. Want mijn geloof is wel een beetje op zand gebouwd. Nou ja, Jezus heeft gezegd dat Hij altijd bij ons zal zijn, dus daar vertrouw ik dan maar op.

En Hij is de zoon van een timmerman, he, dus met mijn huis komt het sowieso wel goed…

21 juni

Roze Zondag

Lezing: Matteüs 10:16-33

ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Het is Jezus te doen om mensen. We hebben het niet gehoord vandaag, maar de inzet van de woorden van Jezus, die voor vandaag op het leesrooster staan, is de volgende: ‘Toen hij (dat is Jezus) de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder.’ Het zijn de woorden van vers 36 uit hoofdstuk 9 van het Matteüsevangelie. Bij alles wat Jezus zegt en doet is het hier om te doen: de mensen. Vandaag hoorden we heftige woorden uit het tweede deel van de rede uit het Evangelie naar Matteüs, de rede die de Uitzendingsrede is gaan heten. Er is bijna geen doorkomen aan: mensen, Jezus’ leerlingen, op pad gestuurd met de boodschap van het nabije koninkrijk van de hemel, wordt een lot voorgespiegeld dat weinig te verbeelden over laat: vervolging, haat, familieleden die tegen elkaar opstaan. Het stemt op z’n zachtst gezegd niet echt vrolijk. Wie deze woorden op waarde wil schatten, kan dat alleen door te begrijpen waarin ze geworteld zijn: in een diepe bewogenheid om mensen.

Een intensere inzet nog dan het net geciteerde vers is de eerste rede van Jezus uit het Evangelie naar Matteüs, bekend geworden als de Bergrede, in het vijfde en zesde hoofdstuk. Nog maar amper hebben we gelezen dat Jezus met zijn verkondiging begint – ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’ – of we vinden Jezus terug op een berg met een massa mensen aan zijn voeten; mensen die hebben gezien dat deze mens, deze rabbi woorden sprak die gelijk ook werkelijkheid werden, in mensen die weer mee konden doen, voorbij pijn, ziekte, kwelling, uitsluiting. Die gelegenheid, daar op de berg met al die mensen, grijpt Jezus niet aan om een systematisch betoog af te steken dat uit de doeken doet hoe het zit met dat nabije koninkrijk: wat is de visie, het mission statement, wat de strategie, wat de middelen? Nee, Hij ziet de mensen en over hen spreekt Hij een woord, in wat bekend is geworden als de zaligsprekingen. Hij ziet de mensen en zegt wie zij zijn: de nederigen, de treurenden, de zachtmoedigen, de hongerenden, de dorstenden, die naar gerechtigheid. Zij zijn de gelukkigen, in hen ligt het koninkrijk van de hemel besloten. Zij zijn gelukkig op de weg, omdat zij ménsen zijn, omdat het leven zich aan hen voltrekt, omdat zij weten wat dat leven waard is en hoe het tegemoet getreden moet worden, met wat er echt toe doet: gerechtigheid, barmhartigheid, zuiver van hart zijn, uit op vrede, niet als hoge abstracte idealen, maar aan dat leven ontstaan, aan dat leven werkelijkheid geworden. Dit is waar Jezus mee begint. Dit is zijn programma: de mensen.

Deze mensen hebben niemand. Ja, wel politieke leiders en religieuze voormannen, maar niemand die hen ziet voor wat zij zijn: kinderen van God. Jezus wil hun herder zijn, en wie Jezus’ leerlingen willen zijn, worden uitgezonden om ook herders te zijn. Zouden deze gezondenen nu zoveel weerstand ondervinden, omdat zij de boodschap van het nabije koninkrijk van de hemel verkondigen? Ik denk het niet. Er waren in die tijd talloos veel rabbi’s die rondgingen en in soortgelijke woorden een nieuwe tijd verkondigden. Nee, het aanstootgevende is dat die woorden anders dan bij veel anderen, ook werkelijkheid worden. Geen koninkrijk ver weg, ja ook, als een droom, maar één die tegelijk waar is, hier en nu, onder ons, steeds maar weer oplaaiend in mensen die niet langer op hun plek worden gehouden, - ook in het oordeel van de samenleving en van de religie over de hun toekomende plek -, maar die helen, opstaan, weer meedoen, elkaar zien, delen zonder dat het geschonken tegoed opraakt. Niets blijft verborgen, de werkelijkheid van het koninkrijk van de hemel komt aan het licht, in mensen. De woorden blijven geen woorden, maar slaan, omdat ze waar worden, materialiseren, werkelijkheid blijken te zijn, een bres in de muur van wat en wie alles graag op z’n plek houdt, met systemen, verklaringen, regels. De boodschap van Jezus is om déze reden op het scherpst van de snede, - omdat Jezus, Hij nu eindelijk, de mensen ziet, de massa, de menigte, de schare die niemand ziet – en dat zien we terug in de consequenties die het heeft voor wie zich als een leerling, als een gezondene tot deze boodschap wil verhouden; niet hoog van de toren, maar tussen de mensen, niet om een eigen of verborgen agenda, niet om een hoger doel waarin de mensen slechts functioneren als middel, maar om hen zelf, om hen alleen. Geen macht, geen belangen, maar een andere werkelijkheid die zichtbaar wordt in wie worden aangeraakt door dat onmiddellijk nabije koninkrijk van de hemel, deze wereld ondersteboven. Het zou uiteindelijk Jezus’ eigen dood betekenen. ‘Too much’ voor deze wereld, zo’n mens die ziet wie niemand ziet.

De eerste eeuwen van onze jaartelling hebben om dit geloof veel martelaren gekend. Wat de evangelist hier uit de mond van Jezus opschrijft, weerspiegelt de tijd waarin hij leeft, waarschijnlijk zo’n zeventig jaar na de dood van Jezus. Het geloof in de Levende, de liefde van God in de mens Jezus, die de dood tartte en overwon; dat geloof leeft, nog steeds, dwars tegen alle weerstand in. Toch is het niet om dat martelaarschap te doen. Jezus beschrijft en wil geen heroïek. Hij beschrijft de gevolgen van een boodschap die zijn tijd, de wereld niet wil horen. Jezus wil niet dat zijn leerlingen daaraan te gronde gaan. Zij zijn niet het middel dat zijn doel heiligt. Hij zegt: willen de mensen niet luisteren, en wordt het te heet onder je voeten, omdat zij je naar het leven staan, ga dan verder, trek verder, en spreek op een andere plek opnieuw dat woord, over dat rijk, dat in wil slaan hier en nu, waar niemand het verwacht in mensen die tegen alle verwachting in Gods kinderen blijken te zijn. Het is met Jezus wel alles of niets, dat wel. Als je de mensen blijft zien, de nabijheid van het koninkrijk in hun leven, hen dit aanzegt en aan hun leven zichtbaar maakt, dan ben ook jij zelf een kind van God, zoveel meer waard dan een mus, al de haren op je hoofd geteld, dan mag je rusten in het vertrouwen dat God je geeft wat je moet zeggen en doen. Maar als je het zicht daarop verliest, dan ga je niet langer achter Jezus aan. Dan verloochen je Hem, om de woorden van Matteüs te gebruiken. Wie verder leest, voorbij het tekstgedeelte van vandaag zal zich blijven verslikken in de heftigheid van de woorden van Jezus, als zodanig niet de woorden die wij vandaag zouden gebruiken, maar het gaat Jezus om dat scherpst van de snede, de urgentie van de keuze voor een woord dat onder de mensen wil zijn, dat daar werkelijkheid wil worden in liefde en leven, en nergens anders.

Lieve mensen, ik geloof stellig dat de woorden van Jezus, zijn goede boodschap, het Evangelie, niet het exclusieve eigendom zijn van de mensen die zich vandaag de dag naar Hem vernoemen. De verhalen, exclusieve verhalen dat wel, die wij ontvangen hebben, doorgegeven zijn door de generaties voor ons, twintig eeuwen lang, zijn voor en van iedereen. Jezus vroeg niet om lidmaatschap, of organisatie, om gebouwen en rotsvaste overtuigingen, muren en regels als pantsers. Ook vandaag zegt Hij niet meer dan dit: ‘Komt tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’. Die inkeer is geen bekering tot het christendom, en ook geen bekering tot Jezus, maar een bekering tot zijn weg, zijn weg naar dat koninkrijk van de hemel dat ondertussen ook vlak achter Hem aan gaat in een bonte stoet van mensen, beslist veel bonter dan de mensen die zich in onze tijd christen noemen. Ik spreek hier geen verwijt uit, dan zou ik ook mezelf en ons tekort doen, maar wel een appèl dat dringend wil verwijzen naar de inclusiviteit van Jezus’ boodschap, zoveel inclusiever is dan wij kunnen vermoeden. Wie zijn die mensen achter Jezus aan? Nog eens: de nederigen, de treurenden, de zachtmoedigen, de hongerenden, de dorstenden, die naar gerechtigheid. Zij zijn de gelukkigen.

Vandaag is het Roze Zondag, de zondag die het begin van de Roze Week markeert en die uitloopt op Roze Zaterdag, in veel landen ook wel Christopher Street Day genoemd, naar de straat in New York waar in 1969 rellen uitbraken tegen de politie die niet ophield bezoekers aan de gay cafés en bars te treiteren en te arresteren. Op 28 juni 1969 was het genoeg. Mensen, homo’s, drags, trans personen, stonden op en lieten zich niet langer dehumaniseren. Ze lieten zich niet langer ontmenselijken. Het was een van de startmomenten van een beweging die inmiddels wereldwijd is geworden en die om niets anders bestaat dan om mensen, om wie mensen zijn, hoe zij de rijke uitdrukking zijn van het leven in al z’n veelkleurigheid en dat dat waardering verdient in vrijheid en gelijkwaardigheid. Om deze mensen is deze zondag een Roze Zondag, heeft deze zondag een plek in de kerken gekregen, althans in veel kerken, al bijna dertig jaar, - omdat wij menen dat ook zij daar zitten, aan de voeten van Jezus, op de berg: tegenover een mens, iemand, die hen nu eindelijk eens, ziet, als mensen in wie het koninkrijk van de hemel nabij is, in hun verlangen naar vrijheid, hongerend naar recht. Deze zondag is niet Roze, omdat het zo goed of belangrijk is om het ook eens over LHBTI+’ers te hebben, maar omdat we in hen de werkelijkheid en de waarheid van de goede boodschap van Jezus herkennen, de onmiddellijkheid van zijn koninkrijk herkennen – niet alleen in hen, maar zeker ook in hen – en omdat wij hen zo willen erkennen als reisgenoten achter Jezus aan. Als wij zo gaan bidden, dan bidden we in de eerste plaats niet voor hen, dat ook, maar vooral mét hen, hand en hand met hen als onze reisgenoten. Er is helemaal geen wij en zij. Er is alleen een wij dat weet van het leven, van wat er waar is en oprecht, eerlijk, trouw en zuiver. Genade en vrijheid voor ons allen, voor iedereen; een hemel, déze wereld omgekeerd, onder handbereik.

Amen

14 juni

Ds. Jantine Heuvelink

Inleiding en Schriftlezing Matteus 9:35-10:15


Welkom      
Welkom aan u allen die vandaag bent gegaan naar kerkdienstgemist.nl of op een andere manier, nu of later, de dienst meeviert. 
Het gaat vandaag in deze online uitzending van onze kerkdienst vanuit de Oranjekerk om Jezus die zijn leerlingen uitzendt. Uitzending dat is: de wereld in sturen.
Dat we wat we in de Oranjekerk vieren ook willen uitzenden, dat is al meer dan 100 jaar zo. Het is waar het in kerk en geloof altijd om gaat, dat je het goede van God, wat hier ontdekt en beleefd wordt, niet voor jezelf wilt houden, maar dat je daar anderen over wilt vertellen. Zeker Pinksteren en de zondagen die daarop volgen, roepen daartoe op: blijf niet binnen, maar ga naar buiten. Laat heel de wereld weten wat Jezus vertelde over God en hoe we daar zelf met onze woorden en daden iets van kunnen doorvertellen en laten zien.
Uitzending van de kerk de wereld in, dat is altijd een kern van gemeente-zijn geweest. De dienst eindigt immers met ‘Uitzending en zegen’. Soms leidt de voorganger de zegen zelfs in met de woorden: ‘Uw dienst in de wereld begint nu’.
 
En vandaag de dag begint de uitzending van de dienst al om 10.00u.
Zijn we daarmee al een stapje dichter bij het begrijpen waarom Jezus zijn leerlingen uitzendt zoals Hij dat doet? Dat gaan we ontdekken. En dat niet alleen, dat niet alleen, maar samen.     
 
Inleiding op de Schriftlezing Matteus 9:35-10:15
Twee weken geleden was het Pinksteren. Toen lazen we uit het Bijbelboek Exodus hoe God een verbond sluit met het volk Israël. Zeventig oudsten van het volk gaan bij die verbondssluiting met Mozes mee de berg op. Zeventig, het getal van de volken, want voor heel de wereld is dat Woord van God bestemd.
Vorige week hoorden we hoe Jezus na zijn dood zijn leerlingen uitzendt met de woorden: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen’. (Matt 28: 19).
Vandaag lezen we uit een eerder hoofdstuk in het evangelie van Matteus hoe Jezus zijn leerlingen uitzendt. Jezus ziet dat er veel mensen zitten te wachten op de woorden van God en daden van genezing. Jezus is om de mensen bewogen en daarom zendt hij zijn twaalf leerlingen uit om te doen wat Hij doet: nl. de onreine geesten uitdrijven, mensen genezen van elke ziekte en kwaal en verkondigen dat het Koninkrijk van God onder handbereik ligt.
 
Precies daarover gaat lied 973 dat we na de lezing zullen zingen ‘Om voor elkaar te zijn uw oog en oor, daarom roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn’. 
Laten we nu biddend zingen om Gods Geest, dat we wat we horen ook verstaan.
 
Overweging
1. Lieve gemeente,
Gewoon maar gaan. Zonder voorbedachte rade, zonder bagage, met geen ander doel dan bij een ander te zijn en te zien wat het is dat je voor iemand betekenen kunt.
Dat is moeilijk… en tegelijkertijd: iedereen kan het!
 
2. Jezus zendt zijn leerlingen uit naar de verloren schapen van het huis Israël. Hoe kan dat nou, dat woord van God was toch voor de hele wereld bestemd? Ja, dat klopt en dat zullen we later ook lezen. Maar nu eerst zendt Jezus de leerlingen uit naar waar het beginnen moet, bij Israël. Daar zijn veel mensen die gebukt gaan onder ziekte en demonen en die wachten op een Woord, een Mens, dat hen verlicht en hoop geeft.
‘Jullie kunnen die mens zijn’, zegt Jezus.
Hij geeft de leerlingen gezag over de onreine geesten zodat ze mensen kunnen genezen. Twaalf leerlingen zijn het, zoveel als de stammen van Israël. En we horen aan hun naam en toenaam hoe zij een gemengd gezelschap vormen van broers, zonen, vrienden,  vreemdelingen, een tollenaar, een zeloot, een verrader en een twijfelaar. Het zijn niet volmaakte mensen, geen helden, en ook geen gelijkgezinden… Hun allemaal geeft Jezus de opdracht ‘Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit’.
De leerlingen moeten kortom precies datgene doen wat ze Jezus hebben horen en zien doen. 
 
Maar hoe werkt zoiets? Als we ervan uitgaan - en laten we dat maar doen -  dat Jezus ook ons aanspreekt met deze opdracht, hoe kunnen we dat dan voor elkaar krijgen?
Want wat Jezus doet en wat we in de Bijbel lezen, dat kunnen wij toch nooit doen?
 
Ja wel dus. Jezus maakt duidelijk dat wij voor een ander kunnen zijn wie Jezus voor mensen is.
Want dat gaat niet om iets kunnen, iets bezitten, of iets in handen hebben. Maar dat gaat om kunnen ontvangen, je toevertrouwen aan een ander en met lege handen durven staan. Meer nog: juist zonder geld en een reistas en extra kleren zul je ontdekken waar je wezen moet. Want waar de leerlingen gastvrij ontvangen worden en de mensen hun komst op waarde schatten, daar moeten ze zijn. Daar kunnen ze geven wat ze zelf ontvangen hebben.
Als die gastvrije ontvangst ontbreekt, dan valt er niets te delen. Dan moeten ze weggaan en het verder laten. Want op plaatsen waar geen ruimte is voor wie met lege handen komt, bij ongastvrijheid, zoals hét kenmerk was van Sodom en Gomorra, daar laat God zich niet vinden. 
Jezus zegt eigenlijk dit: ‘niet wat jij te bieden hebt, maar de ander die jou ontvangt, maakt dat je wat kostbaar is kan delen, namelijk nabijheid en hoop.
 
3. Een voorbeeld: mijn vriendin Heleen werkt als buurtpastor in een achterstandswijk in Utrecht. Zij doet presentiewerk, zij is aanwezig als gast in de buurt, waar ze op straat of in de speeltuin in contact komt met mensen. Zij laat weten dat ze open staat voor hun verhaal. Ze luistert als mensen hun zorgen delen en komt hen tegemoet als ze haar hulp vragen. Waar andere hulpverleners een deeltaak hebben, zoals helpen bij schulden, medische hulp, of jeugdzorg, daar is zij er voor de hele mens, wat de nood ook is. Zij komt met lege handen en dat is ook meteen het kostbaarste wat ze te bieden heeft: het gaat om die ander, die zij ziet, om wie ze zich bekommert, en die ze daarin laat zien dat het bestaat: een mens die verlichting geeft en hoop. Zo iets van God kunnen laten zien, staat of valt met dat een ander je ontvangen wil. En dat gebeurt pas als we op weg gaan naar een ander toe. Ons zo durven laten uitzenden.
 
4. Wat Heleen doet en wat zij op haar weg vindt, dat is vaak heftig, dat zult u begrijpen. Armoede, schulden, ziekte, stoornissen, discriminatie, uitbuiting en criminaliteit, het zijn de demonen van onze tijd. En ook zij moet soms het stof van haar schoenen slaan, als haar geen welkom wordt geboden.
Het lijkt niet velen gegeven om te kunnen, wat zij doet. En tegelijk is het ons allemaal gegeven.
‘Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!’, zegt Jezus. Want dat is toch wat het Woord van God ons te zeggen heeft, dat mensen heel kunnen worden als iemand naar hen luistert, dat mensen op kunnen staan uit mismoedigheid als we hen de hand reiken, dat mensen het als een wonder kunnen ervaren als iemand voor hen doet, wat niemand eerder voor hen deed. Dat is hoe Jezus waar maakte wie God is: Ik zal er zijn voor jou.
 
Maar wacht even, betekent dat dat wij dus zieken genezen, doden opwekken en demonen uitdrijven? We kunnen er allicht een begin mee maken, door niet weg te blijven, maar door op weg te gaan, en wie ons ontvangen wil niet in de steek te laten. Door de hele mens te zien.
Zoals velen in deze stad en in deze kerk ook doen. Door er te zijn voor een ander.
 
5. ‘De oogst is groot’ zegt Jezus doelend op al die mensen om wie Hij bewogen is, die wachten tot iemand hen binnenhaalt. Ik zeg binnenhalen ja, waarbij ik niet bedoel mensen binnenhalen als in zieltjes winnen, maar zoals ik ergens las, binnenhalen als ‘Iemand laten gebeuren in mij’.
 
Dat is wat ik hoop dat met onze uitzending gebeurt. Met onze uitzending na de zegen en met de uitzending van deze dienst. Dat we geven om niet en te gast durven zijn bij een ander en zo het goede van God kunnen delen.
 
Sinds de kerken alleen online kerkdiensten hebben, blijkt dat veel meer mensen afstemmen op een online kerkdienst, dan dat er voor corona naar de kerk kwamen. Je kunt zeggen: als mensen je in hun eigen huis kunnen ontvangen, dan word je op waarde geschat.
Ik hoop dat dit ook een aanmoediging is voor de kerk en kerkgangers om naar buiten te blijven gaan. Dat het ons het vertrouwen geeft dat we kunnen delen wat we hebben ontvangen. En dat we onthouden dat we ins ons onthand zijn, zoals in deze coronatijd nu we alle vaste gang van zaken moeten loslaten, dat we dan blijkbaar veel voor een ander kunnen betekenen.

De oogst is groter dan we wellicht dachten. Genoeg mensen blijken te zitten wachten op de goede boodschap, verlangen ernaar iets te horen van God en genezen te worden van moedeloosheid. Dit is de tijd om te ontdekken wat de waarde is van wat wij ‘Om niet hebben ontvangen, en om niet moeten geven’.
Zelf denk ik aan het vermogen om nabij te kunnen zijn.
En ook aan de waarde van lege handen.
Lege handen, om te ontvangen en te geven, dat is eigenlijk het enige dat we nodig hebben als we Jezus’ weg volgen in deze wereld. Dat moet te doen zijn, toch?

Amen.

31 mei

Overweging Pinksterviering  Oranjekerk, Thomaskerk en Willem de Zwijgerkerk

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Exodus 24 en Johannes 14: 23 - 29

 

Inleiding met gezongen gebed lied 333 ‘Kom Geest van God’

Vijftig dagen na Pasen is het vandaag. Pentacosta, Pinksteren. Voor mij, en misschien ook voor u, voelt Pasen als heel lang geleden. Toen had corona nog maar net het leven plat gelegd. Ik herinner me het zoeken naar hoe nu verder en de vraag wat staat ons nog meer te wachten en hoe lang gaat dit nog duren? Vragen die ook aansloten op de lezingen.

Op Paasmorgen lazen we hoe Maria bij het lege graf staat en huilt, maar dan ineens bij haar naam geroepen wordt en later kan zeggen ‘Ik heb de Heer gezien!’.

Vergelijkbaar en ook heel anders lazen we hoe het bevrijde volk Israël doodsbenauwd bij de Schelfzee staat en dan ziet dat de zee in tweeën splijt en zij door de dood heen kan gaan.

Dat was Pasen, doorgang door de dood. Hoe ging het verder?

 

We volgden de afgelopen weken het volk Israël op de voet. En hoorden over die tocht door de woestijn, over leren vertrouwen op God die bevrijdt, en telkens weer die twijfel en angst die opkomt.

Vandaag horen we Exodus 24 waarin God met zijn volk een verbond sluit. Je zou kunnen zeggen: hier waren de Israëlieten al die tijd naar op weg en ook hier was God al die tijd op uit. Om te komen tot dit verbond waarin Gods woorden die bevrijden, ontvangen worden door het volk dat zegt: ‘al de woorden die de Ene heeft gesproken zullen we doen!’.

De berg Sinaï waar God die tien woorden geeft, is een heilige plaats, daar blijft het volk op gepaste afstand, zoals God gezegd heeft, want wie te dichtbij komt, zal sterven. (Ex 19)

Mozes bouwt onderaan de berg een altaar en bezegelt het verbond tussen God en mensen met bloed als teken van leven. 12 stenen richt hij daarbij op, als teken van verbondenheid tussen God en de 12 stammen van Israel, die daarmee ook onderling verbonden zijn in die Ene. Daarna gaan de 70 oudsten van het volk met Mozes en de zijnen de berg van God op en aanschouwen God en houden een maaltijd en zij besterven het niet.

Hoogtepunten zijn er te over in dit verhaal van die berg die Mozes steeds verder beklimt, waar de Eeuwige verschijnt zo geheel en al dat maar een stukje daarvan te overzien is en waar de woorden van God over en weer gegeven en ontvangen worden.

Met die woorden zal het verdergaan. In een ark, een verbondskist, komen de platen met die Tien Woorden te liggen, en zo zal God met het volk meegaan. 

We lezen vandaag ook uit het evangelie van Johannes en horen hoe Jezus vlak voor zijn dood tegen zijn leerlingen zegt: ‘als iemand mij liefheeft zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem maken’.

God Die woont op de berg in een wolk, verblijft evenzo in de heilige woorden en in mensen.

Laten we daarom voor het horen van deze woorden, biddend zingen: ‘Kom, Geest van God’.

Overweging

1. ‘Maar wat is dat dan ‘Pinksteren’?’, vraagt Maaike.

En haar moeder zucht, want ze heeft het al een paar keer uitgelegd.

Maaike zegt: ‘Met Kerst is er een stal met een baby Jezus, met Pasen is er een palmpaasstok, met een kruis en met paaseitjes. Maar wat is er nu met Pinksteren? Vroeger waren er wel eens ballonnen in de kerk, of gingen we bellen blazen, maar vandaag is dat er niet. Ik zie helemaal niet aan vandaag, dat het Pinksteren is!’.

Dan heeft de mama van Maaike een idee. ‘Dat is het precies’, zegt ze. ‘Pinksteren is er niet als je het niet zelf mee-maakt! Wil je het mee-maken?’

Maaike knikt ‘ja’. Jullie ook? Oké, daar gaan we:

Wapper met een blaadje – Ah, een lekker koel windje!

Wrijf in je handen - Ah, daar krijg ik het warm van!

Knip met je vingers – dat lijkt wel een knisperend vuurtje!

En wees nu eens heel stil…, wat hoor je? Alleen je eigen adem?

Dat is nou Pinksteren!

2. Maak Pinksteren mee.

Wat de zeventig daar meemaken boven op de berg, dat zij God zien, dat gaat ons voorstellingsvermogen te boven. En niet alleen dat van ons, want ook zij die het meemaken komen in hun beschrijving niet verder dan de glimp die ze opvingen van het plaveisel van onder de voeten van God.

Pinksteren is het feest van de Geest, van God die voor mensen verstaanbaar is en over Wie je tegelijk slechts bij benadering, in beelden en symbolen, kunt spreken. Gods verschijning op de Sinaï gaat gepaard met donder en bliksem, een wolk en vuur. En ook met een stem, een woord en eten. God is heilig en op afstand, maar ook dichtbij en benaderbaar.

Met het Pinksterverhaal uit Handelingen 2 in ons achterhoofd valt het vuur op de top van de berg op – u weet wellicht dat ook op de hoofden van de leerlingen van Jezus vuur verschijnt als zij 50 dagen na Pasen bij elkaar zitten in Jeruzalem om het Pinksterfeest te vieren, het feest van de ontvangst van de Torah, het woord van God. Dan gaat het waaien in huis en verschijnen er vlammen op ieder van hen.

En wat ook opvalt zijn die 70 oudsten die met Mozes mee de berg op mogen trekken. Zeventig is in de Bijbel het getal van de volken. Met deze zeventig die God ontmoeten is gezegd dat de woorden van God en het verbond dat de Eeuwige met het volk Israël sluit, alle volken op het oog heeft. Als de leerlingen van Jezus het Pinksterfeest vieren in Jeruzalem en vervuld worden van de Heilige Geest en spreken in vreemde talen dan staat er dat Joden uit ieder volk op aarde hun kunnen verstaan. De hele wereld gaat dit Godsgebeuren aan. Dat zegt Jezus ook tegen zijn leerlingen als Hij hen uitzendt: 

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb’. (Matt 28: 19-20)

3. Iedereen kan dus Pinksteren meemaken, iedereen kan iets bevatten van God. Maar hoe?

‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren, en dat woord is niet van mij maar van mijn Vader’, zegt Jezus. Dat woord dat zijn de verbondswoorden van God, de tien woorden, die God gegeven heeft op de Sinaï. Wat dat woord ‘bewaren’ inhoudt, dat is mooi af te lezen aan wat het volk antwoordt als Mozes hen de woorden voorleest. Zij antwoorden: ‘al wat de Ene heeft gesproken, zullen we doen en willen we horen!’ Dat is natuurlijk een aparte volgorde, eerst doen en dan horen, en u begrijpt, dat staat er niet zomaar. Uit die volgorde van doen en horen blijkt dat die beide elkaar moeten afwisselen. De woorden van God heb je te doen, maar in je daden blijft het van belang af te blijven stemmen op dat Woord. Pinksteren meemaken, de Geest laten waaien, dat betekent niet vastzitten aan het woord, of volledig opgaan in het doen en ervaren, maar het betekent heen en weer willen gaan tussen beide. Het is bij alles wat je doet telkens weer voor ogen houden wat God gezegd heeft hoe het zal zijn, en daarnaar willen leven.

4. Want om leven gaat het. Leven in vrede. Daar wijst Jezus op, daar is het God om te doen.

Daarom sterven diegenen die met Mozes de heilige berg van God opgaan en God zien níét, in tegenstelling tot wat God eerder heeft aangekondigd.

God is overweldigend en voor het volk Israël enkel te zien als een verterend vuur op de top van de berg. Maar de Eeuwige is niet uit op vernietiging. De Eeuwige is uit op leven.

Mozes klimt dan ook verder omhoog.

En wij, wat doen wij?

Misschien gaan we Pinksteren wel meemaken en iets verstaan van God.

In onze ontmoetingen met een ander vandaag, op afstand of nabij.

In wat ons te doen staat.

In woorden of beelden.

Of in zomaar een windvlaag.

Amen