2 jan 2022

Epifanie, ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen Jesaja 11: 1-10 en Matteüs 2: 1-12


1. Gemeente van Jezus Christus,
Polarisatie. Ik wil er niet graag aan, maar daar moet het vandaag over gaan.
Want de lezingen vandaag gaan over uitersten.
Van de wolf tot het lam en de slang tot het mensenkind,
en van koning Herodes in zijn paleis in Jeruzalem, tot de pasgeboren koning van de Joden in een huis in Bethlehem.
En de vraag is: wie heeft er nu eigenlijk van wie wat te vrezen?

Koning Herodes schrikt hevig en heel Jeruzalem met hem als hij van de magiërs hoort over de pasgeboren koning van de Joden die ze zoeken. Hij voelt zich bedreigd er is immers sprake van een concurrent voor zijn positie en ook al betreft het een baby, koning Herodes kan niet anders dan deze willen uitschakelen.
Hij liegt tegen de magiërs als hij zegt dat hij het kind eer wil bewijzen. In het vervolg van deze lezing zal Herodes de opdracht geven alle jongetje in Bethlehem en omgeving om te brengen. Jezus en zijn ouders zijn dan al gevlucht naar Egypte.

Van Jezus weten we dat Hij in zijn hele leven wanneer Hij rondtrekt om te vertellen over God zijn Vader telkens tegenstand ontmoet, mensen die Hem naar het leven staan, wat uiteindelijk zal leiden tot zijn dood.
Jezus wordt bedreigd vanaf zijn prille geboorte. En dat omdat de machthebbers van zijn tijd zich in hun bestaan bedreigd voelen door Hem.
Je kunt je afvragen, kan dat? Kun je je bedreigd voelen door een pasgeboren baby waarin sommige mensen de koning van de Joden denken te hebben gevonden?
Jazeker. Want Jezus brengt met zijn geboorte en met zijn verdere leven, met zijn woorden en daden, zijn hele manier van doen in herinnering wat de mensen al eeuwenlang van God, van de Messias verwachten. En dan gaat het om een wereld die omgekeerd wordt, waarin het recht van de sterkste niet langer geldt.  

Als het zover komt dat vreemde vorsten willen knielen voor een kindje in een kribbe, dat een lamme weer lopen kan en een tollenaar z’n fout geinde geld dubbel en dwars wil terugbetalen, dan is er alle reden voor machthebbers om niet langer zeker te zijn van hun macht. Dan is niets meer zoals altijd. Dan gelden ineens andere krachten.

Met de komst van Jezus wordt koningschap van een heel andere orde zichtbaar.
Deze koning komt niet met een vuist, maar met een open hand.
En wil niet overwinnen, maar dienen.
En daar kan een koning als Herodes niet tegen. Sterker nog: daar kan geen enkele heerser, die het niet om de ander maar om zichzelf te doen is, tegen.
Zulke heersers voelen feilloos aan wat over Jezus en de vijandelijke koning staat geschreven in couplet 3 van lied 506 - dat we niet zongen -:
Al gaat de vijand in het rond, de koning van het kwaad,
al dreigt hij met zijn grote mond dat hij U eens verslaat,
straks ligt hij dodelijk gewond wanneer zijn rijk vergaat!
U loven wij koning en Heer!
 
2. De koning die God dient en zijn naaste zal de langste adem hebben. Daarvoor gaan alle volkeren uiteindelijk op de knieën. Dat lezen we in de profetie van Jesaja en in het evangelie van Matteüs dat daarop aansluit.

De uitersten die bij elkaar komen bij Jesaja, de wolf en het lam en de adder met de baby, verbeelden hoe anders de werkelijkheid zal zijn als er een leider opstaat die handelt in de Geest van God, die van God en dus van de ander gediend is en die vrede en recht hoog in het vaandel draagt. Van een totaal andere orde zal de wereld dan zijn.

Van een totaal andere orde dan ten tijde van de geboorte van Jezus het geval is. Want Herodes is een leider die op macht belust is en over lijken gaat om zijn macht te behouden. Op geen enkele manier dient zijn macht mensen, laat staan God. Ze zijn voor hem niet van belang, zijn eigen positie is het enige dat telt.

3. De magiërs uit het Oosten, die om goede redenen ook wel wijzen of koningen worden genoemd, laten zien hoe een voorname positie en een dienende houding elkaar niet hoeven uit te sluiten. Deze magiërs komen God op het spoor juist omdat ze hun thuis willen verlaten en God in het kleine en kwetsbare willen ontmoeten.
Zij voelen zich niet bedreigd door wat hun positie veranderen kan. Want hun verlangen is niet om hun positie te behouden, maar om dit koningskind te ontmoeten. En die ontmoeting, die hen grote vreugde brengt, zal hun leven veranderen, want langs een andere weg gaan ze terug.

Polarisatie is het hete hangijzer van deze tijd en misschien wel van elke tijd. Uitersten in meningen, in groepen in onze maatschappij, mensen die zich bedreigd voelen, bedreigd weten. Ook daarbij kun je de vraag stellen: wie heeft er nu van wie wat te vrezen?

Deze spanning van deze tijd, voel ik bij de lezingen vandaag.
De magiërs uit het Oosten wijzen in mijn ogen deze weg om te gaan:

- Blijf bewegen! Durf je post, je positie te verlaten en weg te gaan van wat je vertrouwd is of bekend, als je daarmee tekens van God kan ontdekken, of God of je naaste kan ontmoeten.  
- Laat je niet regeren door angst voor wie kwaad wil. Maar onderscheid wat ware vreugde geeft, waar je je bestemming vindt, waar het mogelijk wordt op een toekomst voor heel de wereld te vertrouwen.

De magiërs weten uitersten te overbruggen: Oost en West, kennis van de sterren met wijsheid uit de Schrift, een voorname positie met knielen voor God in een kwetsbaar kind.

Of is het de Messias die dat doet?

Want het is dat licht van God in de wereld dat nóg mensen in beweging brengt.
En het is dat licht dat vreugde geeft aan wie daarin zijn of haar bestemming vindt.
 
God dank, dat het licht bestaat en dat het met me doet en praat. (Hans Andreus)
Amen.

25 dec 2021

Een goed verhaal ‘Tel je mee?’
ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Lucas 2: 1-20


‘Tel je mee?!’
De vraag ‘Tel je mee?’, kan twee dingen betekenen.
Het kan de vraag zijn of je mee mag doen, of je erbij hoort, bij een groep mensen. Tel je mee op school als anderen een plan maken om samen te spelen, tel je mee in de kerk, houden mensen rekening met jou?
Tel je mee als je niet groot bent, niet beroemd, niet superknap of superslim, of supergrappig? Tel je mee als je niet alles kan wat een ander kan? Als je niet alles hebt, wat een ander heeft?  

Als je het gevoel hebt dat je niet meetelt, wat kan dan helpen, wat zou een ander dan voor je kunnen doen? Of wat kunnen wij doen als we merken dat iemand niet echt mee kan doen? Daarover gaat de dans van Annigje en Febe waar we zodadelijk naar kijken.

Maar eerst nog dat andere meetellen.
‘Tel je mee’ kan ook de vraag zijn of je mee wilt tellen, zeg maar van 1, 2 , 3. Aan alle kinderen – grote mensen mogen ook-  wil ik vragen om te tellen, als Marja straks leest, hoeveel dieren er voorkomen in het kerstverhaal.  
Maar eerst nu kijken we naar Annigje en Febe.

Een goed verhaal
Kyra heeft goed opgelet en weet je hoeveel dieren ze telde? Nul. Geen één dier telde ze in het kerstverhaal. Geen ezel, geen schapen, geen os, geen vogel dat zijn lied zingt, niets. In het verhaal kwam alleen een kudde langs, maar ja, dat is moeilijk te tellen.

Hoe kan dat nou? Waar zijn de dieren gebleven? Tellen die soms niet mee?
Kyra weet dat dit niet zomaar een verhaal is en ze blijft erover nadenken…

Ondertussen luistert ze naar de dominee die vertelt over de eerste volkstelling. Keizer Augustus wil alle mensen van zijn rijk tellen, maar tegelijkertijd houdt hij met al die mensen geen enkele rekening. Je zult maar helemaal naar de andere kant van het land moeten reizen, terwijl je zwanger bent.
De mensen zijn voor de keizer een nummer, ze tellen alleen maar mee om de belastingwinst uit te rekenen.
Maar God houdt wel rekening met Maria en Jozef. Zij zijn maar gewone mensen, maar voor God zijn zij belangrijk omdat het kindje van Maria de Messias is, de lang beloofde Redder. En daarom wordt precies daar in Bethlehem het Kind geboren, in de stad van koning David. Dat belooft dus wat!
Hoewel… het kind wordt niet in een huis geboren, maar ergens waar een voederbak voor de dieren staat.

Hé denkt Kyra, zie je dat is dus opvallend, die voederbak, die staat er niet zomaar. Hooi en stro dat ligt daar voor de dieren. Dat is een aanwijzing, dit gaat ze goed onthouden.

En de dominee vertelt verder over de herders, dat die er in die tijd niet echt bij horen in de samenleving. Ze zijn er wel, maar ze tellen niet echt mee.
Totdat dus de engel bij hen komt en God de herders volop in het licht zet. Het is haast alsof er een speciale spotlight op hen wordt gezet, de herders zijn van groot belang voor God, God omstraalt hen. De herders horen het goede nieuws en ze krijgen een teken: ze zullen een pasgeboren kind vinden dat in doeken gewikkeld in een voederbak ligt.

Hé, denkt Kyra, weer die voederbak. En wat ze ook denkt: die herders waren niet alleen, ze waren met hun kudde, zonder die kudde waren ze nooit in het veld geweest onder die blote hemel waar de engelen vandaan kwamen.

Er begint Kyra iets te dagen. En opeens weet ze het. Ook wat je niet kan tellen, kan heel belangrijk zijn voor het verhaal van God. Zonder de dieren was er geen voederbak geweest voor het kindje Jezus om in te liggen en zonder de dieren waren er geen herders geweest die de boodschap van de engel konden horen.
Zo simpel is het. Hoe langer Kyra nadenkt over het verhaal, hoe meer ze ontdekt over hoe het werkt bij God. Het gaat niet om wat je kan tellen, maar om wat meetelt en om wie meedoet.
Dus het aantal schapen maakt niet uit, maar wel is het belangrijk dat de herders op weg gaan als ze het bericht van de engel hebben gehoord.
En het aantal mensen dat keizer Augustus telde is niet van belang, maar wel dat het kindje van Maria en Jozef in Bethlehem wordt geboren.
En het maakt niet uit hoeveel engelen er waren, maar wel is het heel belangrijk dat ze God in de hemel en de mensen op aarde met elkaar verbinden.

Ah, nu heeft Kyra de smaak te pakken. En ze denkt:
Dus niet met hoeveel mensen we in de kerk zitten, maakt uit, maar dat we weten dat iedereen meetelt in het verhaal van God.
En niet hoeveel lichtjes in de kerstboom branden is belangrijk, maar wel dat we het lichter kunnen maken voor elkaar en dat ook doen.

Kyra heeft het al wel in de gaten: in dat verhaal van God spelen veel meer dieren en mensen een rol dan je denkt, omdat je nooit over ze hoort.
Daarvoor moet je zoeken naar aanwijzingen.
Als er een voederbak is, dan zijn er dus ook dieren,
Als er engelen zijn, dan is God er dus bij.
En als wij dit verhaal nu nog horen, 2000 jaar nadat Jezus geboren is, dan hebben dus ontelbaar veel mensen dit verhaal doorverteld.
En als een kind in een voederbak en herders die niet echt meetelden kunnen bereiken dat zoveel mensen kerst vieren, dan kunnen wij ook maar beter rekening houden met kleine kinderen, kwetsbare mensen en met mensen die we vaak over het hoofd zien omdat ze anders zijn.
Of, denkt Kyra, we kunnen maar beter altijd rekening houden met God.
Want God is te vinden in gewone dingen en gewone mensen voor wie de tekens volgt.

Ik vind hier trouwens ineens een schaap…
Misschien is dat ook nog een goed idee: als we nou allemaal vandaag eens op zoek gaan naar wat je in huis hebt, dat een teken kan zijn van God, omdat het iets laat oplichten van God. Een schaap misschien hebben jullie wel knuffelschapen in huis, of een kaars die je kan aansteken voor jezelf of een ander, of dat je bedenkt wat je voor iemand kan doen, even bellen bijvoorbeeld, of iets waar je dankbaar voor bent.
Van alles wat wij gewoon in huis hebben kan een teken zijn waarin wij God vinden, of waarin God ons vindt.  
Amen.

19 sept

4e Advent

ds. Piet Kooiman

Lucas 1 : 57 - 80


Lieve mensen in de Oranjekerk en uiteraard u / jij die met ons verbonden bent via het wereldwijde web, gemeente van Christus,   

U hebt het vast ook wel opgemerkt: de geboorte van een nieuwe regering is aanstaande. En ze heeft al een levensdoel: ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst.’ Hoe dat vertaald wordt in de komende jaren moeten we natuurlijk afwachten, maar het motto klinkt sympathiek. Hoewel ik liever had gehoord: ‘Uitzien naar de toekomst.’ Dat past meer bij Advent. Omdat ergens naar uitzien het verlangen tot uitdrukking brengt. In de oppositie heb ik niemand letterlijk horen zeggen: hier moet je voor-uitkijken, maar het wantrouwen dat daarin klinkt is er wel. Misschien begrijpelijk maar ook wel jammer bij een geboorte… Dit alles speelt al vanaf woensdag.

Maar eerlijk gezegd werd ik meer geraakt door de persconferentie van de dag ervoor, over de nieuwe maatregelen i.v.m. de pandemie en de vrees voor een nieuwe besmettingsgolf. Het kwam eigenlijk wel hard bij mij binnen. En ik vroeg me af: hoe komt dat nu dat ik er zo ontdaan van ben? Misschien omdat het landelijke beleid zo’n directe invloed heeft op de persoonlijke levenssfeer: over de mogelijkheid op een ongedwongen manier mensen te ontmoeten, voor je kleinkinderen te zorgen, iemand een knuffel te geven. Het kwam ineens benauwend dichtbij. En gisteravond werd daar nog eens een schepje bovenop gedaan.

Dit vertel ik u dit vanwege de parallel met het verhaal van Lucas over de geboorte van Johannes. Want ook dat is iets uit de persoonlijke levenssfeer van twee mensen, een vader en een moeder, en de mensen die om hen heen staan. Maar in wat er gezégd wordt bij die geboorte en in de emoties van de omstanders gaat het om iets dat hen overstijgt. Om het met een groot woord te zeggen: Om het komen van God in onze wereld. Om zijn Rijk.
Behalve die parallel is er ook een tegenstelling met de persconferentie. Hier gaat het niet om iets dat benauwt maar om iets dat lucht geeft, toekomst opent, zelfs om vrede, de weg van de vrede.

Het besef dat daar iets groots gebeurt ontkiemt bij de naam die het kind krijgt. De buren en bekenden denken het wel te weten: die wordt naar zijn vader vernoemd. Zo halen ze hem in hun kring als een kind dat past in de lijn van het geslacht waaruit hij voortkomt. “Dag kleine Zacharias”, zegt een buurvrouw. Maar moeder Elisabeth gaat daar niet in mee. “Nee nee, hij gaat Johannes heten.”
Vader wordt erbij gehaald. Zegt ú het maar. Nu is Zacharias sinds hij heeft gehoord dat zij op hun al hoge leeftijd toch nog een kind zullen krijgen met stomheid geslagen. Hij brengt er al 9 maanden geen woord uit. Lucas vermeldt als oorzaak dat hij het woord van de engel Gabriel niet geloofde. En ja, neem het hem eens kwalijk. Wel is hij zo de tegenpool van Maria die dezelfde Gabriel antwoordt: Zie de dienares van de Eeuwige, mij geschiede naar uw woord. Wat een vertrouwen!

Zacharias kan wél schrijven en hij schrijft op zijn lei: Johannes is zijn naam. Pas dan, vertelt Lucas, ontstaat er verwondering onder de mensen. Niet omdat een vrouw op leeftijd nog een kind ter wereld brengt maar vanwege die naam: Johannes. Geen vernoeming in de familie. In de naam van dit nieuwgeboren kind klinkt de naam van de Ene door: Johannes, dat betekent de Eeuwige is genadig.

In dit particuliere gebeuren, de geboorte van een kind, licht ineens iets op dat de omstanders doet beseffen: hier is iets aan de hand dat ons persoonlijk raakt maar ook overstijgt. God is genadig. Hier wordt ruimte gemaakt voor een nieuw verhaal. Het is de ruimte waar de Eeuwige wil zijn. In ons midden. Misschien waren ze het een beetje vergeten maar het wordt hun nu weer duidelijk: God is er ook nog. Ook al is de wereld duister, Hij is het licht. Zijn wezen - je kunt ook zeggen Haar wezen -  is barmhartigheid. In dat woord ‘barmhartigheid’ klinkt het diepste innerlijk door van de Eeuwige waar haar/zijn goedheid ontspringt.  Oosterhuis dicht dan ook trefzeker: ‘Een schoot van ontferming is onze God.’

Mensen hebben verschillende voorstellingen van God. Te vaak heeft Hij iets angstaanjagends. Is streng, afstandelijk, straffend. Dit ene zinnetje van Oosterhuis haalt dat voorgoed omver. ‘Een schoot van ontferming is onze God.’

Zacharias kan na een spraak-lock down van 9 maanden weer spreken. Hij is nu een wél sprekende profeet en dichter ineen. Zijn profetie is een loflied op het komen van God in de wereld. Eigenlijk is dat het grootste wonder en ook het meest hoopvolle dat een mens kan bedenken. Het is veelzeggend dat er ruimte komt voor verwondering waar dit aan het licht komt.

Der lofzang van Zacharias lijkt een toelichting op de betekenis van de naam van Johannes. Dit kind zal de weg van de Heer voorbereiden. In de aanloop naar het kerstfeest klinkt die boodschap van hoop: God komt in ons midden.

Dát de Eeuwige komt is geen automatisme. Het is zijn initiatief, maar de Ene heeft mensen nodig in wie en door wie hij kan komen. Mensen als Elisabeth en Maria met hun kwetsbare geloof, hun grote vertrouwen. Maar ook iemand als Zacharias die eerst niet kan geloven dat bij God alles mogelijk is. En een man als Jozef die niet nadrukkelijk aan de weg timmert maar er gewoon is voor Maria en het kind, haar kind, hun kind. Gewone mensen, bijzondere mensen. Zoals wij.
 
De profetie van Zacharias staat bekend als ‘De lofzang van Zacharias.’ Een lied dat nog elke dag over heel de wereld wordt gezongen waar mensen bijeen komen voor het ochtendgebed. In de katholieke kerk wordt het ook gezongen bij doop en uitvaart. Het is een levenslied.

Iedereen die moeite heeft met geloof, ieder die haast niet durft uitzien naar de toekomst vanwege al het donker om ons heen zou ik willen uitnodigen te denken aan Zacharias. De priester die eerst niet kan geloven maar tenslotte zo’n prachtig lied zingt.

Lieve mensen, het bijzondere van dit verhaal over de geboorte van Johannes is misschien wel dat in dit menselijk gebeuren iets duidelijk wordt over de Eeuwige, over wie God is. Dat de Ene niet ver weg is, niet afstandelijk. Maar in ons midden wil zijn. Vol mededogen, ontferming. Als licht in het donker.

Licht, dat ook kan schijnen in en door iedereen die dit licht ziet. Licht dat schijnt ook, of misschien wel juist, wanneer er in het donker wordt gezongen van vrede op aarde.

Moge dat zo zijn! In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

13 dec

Overweging 3e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Lucas 1: 39-56  


Inleiding op de Schriftlezing
Deze Adventstijd lezen we de voorgeschiedenis van Jezus, waarmee de evangelist Lucas zijn evangelie begint. Op 1e advent hoorden we over de priester Zacharias die van de engel Gabriel hoort dat zijn vrouw Elisabeth zwanger zal worden. Hij kan het niet geloven omdat zij beiden al op leeftijd zijn. De engel vertelt dat hun zoon Johannes zal moeten heten en dat hij de mensen zal voorbereiden op de komst van de Heer.
Op 2e advent lazen we hoe de engel Gabriel 6 maanden later bij een jong meisje, Maria, komt en haar zegt dat de Heilige Geest over haar zal komen en ze zwanger zal worden van een zoon die Jezus zal moeten heten en die Zoon van God zal worden genoemd.   
Vandaag, 3e Advent, komen die twee verhalen, die twee vrouwen en die twee ongeboren kinderen, samen. Maria bezoekt haar familielid Elisabeth en bij haar groet springt het kind op in de schoot van Elisabeth en raakt zij vervuld van de Heilige Geest. Elisabeth prijst Maria gelukkig en daarop barst Maria uit in een loflied.

Zoals Lucas het vertelt, vormt de ontmoeting van deze vrouwen de kern van de voorgeschiedenis van Jezus. Want het staat precies tussen de twee geboorteaankondigingen en de twee geboorteverhalen die zullen volgen in. Laten we luisteren naar de woorden en het
gezang.
 
Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

De lezing op 1e Advent eindigde zo (Lk 1: 24-25): ‘Korte tijd later werd [Zacharias’/zijn] vrouw Elisabeth zwanger. Ze leefde vijf maanden lang in afzondering en zei bij zichzelf: De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten.’

Terwijl wij dan eerst nog horen over de aankondiging van de engel aan Maria, is het deze situatie van afzondering waar het verhaal vandaag de draad van Elisabeth weer oppakt.  
Zoals de engel bij Maria binnenkwam, komt nu in diezelfde geest Maria bij Elisabeth binnen.
En zoals de engel Maria begroette, begroet nu Maria Elisabeth en bij het horen van die groet springt het kind in haar schoot op. Elisabeth wordt vervuld door de Heilige Geest en weet daardoor wat er is gebeurd. Ze weet van Maria’s zwangerschap, ze weet dat het kind in haar schoot de Heer zelf is en ze weet dat Maria dit weet en bereid is het kind in geloof te ontvangen.
Elisabeth haalt woorden uit ons Oude Testament aan als ze Maria en haar kind gezegend noemt en Maria gelukkig prijst om haar geloof. Elisabeth is als een profetes en ze doet zo precies wat haar kind, Johannes, later zal doen: namelijk de mensen wijzen op Jezus en hoe in Hem God nabij komt.
En wat doet Maria? Maria prijst God en zingt hoe God barmhartig is voor mensen. Zoals ook Jezus daarop zal wijzen.

2. Het eerste deel van de lezing vinden we terug in de afbeelding op de liturgie of nu in beeld. (Magnificat -- Brother Eric, Church of Reconciliation, Taize, France)


Het is een glas-in-loodraam uit de kerk van Taizé, een oecumenische kloostergemeenschap in Frankrijk. Het bijschrift is ‘Magnificat – Maak groot’, de eerste woorden van de lofzang van Maria.

We zien de ontmoeting van Maria, rechts in lichtrood met geel, met Elisabeth, links in rood.
Als je goed kijkt zie je bij beiden het ongeboren kind in hun schoot getekend als was het een röntgenfoto. Het kindje links, Johannes, knielt en heft zijn handen in de richting van Jezus.
Het kindje rechts, Jezus, staat met open armen richting Johannes, precies zoals zijn moeder staat.
Op de achtergrond staat het huis van Zacharias en Elisabeth met zo op het oog een kat in de deuropening en een duif in de dakgoot. Van de kat weet ik de verwijzing niet, maar de duif is het Bijbelse symbool van de Heilige Geest. Ook de rode kleur kan naar die Geest verwijzen.

Elisabeth ontvangt Maria met open armen en Maria strekt haar armen naar Elisabeth uit voor een omarming, verbinding. Het licht dat door dit raam valt, door de handen van deze vrouwen, doet het verhaal recht. Het licht van de wereld groeit door deze vrouwen die een ongekende rol hebben gekregen en deze kinderen in hun schoot ontvangen en dat heilzame gebeuren met elkaar delen.  

3. Mij valt op dat Elisabeth naar Maria kijkt, terwijl Maria naar boven kijkt. En dat brengt mij bij het 2e deel van dit verhaal. Het Magnificat, de lofzang van Maria.
Een verbazingwekkend lied waarover heel veel te zeggen valt. Drie dingen voor nu:

Het eerste wat opvalt is dat Maria zich in haar lofzang niet richt op het kind in haar schoot, of haar zwangerschap maar op de wereld om haar heen. Uit geloof in wat haar overkomt, zingt Maria van God. Nu zij op haar kwetsbaarst is, keert zij niet naar binnen maar naar buiten. Dit individuele gebeuren maakt voor haar iets groots zichtbaar: er is redding op komst. God zal de bestaande machtsverhoudingen in de wereld omkeren. Die verwachting draagt Maria letterlijk met zich mee en zingt zij uit. God heeft oog voor haar, op wie iedereen neerkijkt. Dat zij deze rol krijgt, is een voorteken van een nieuwe wereld. Er komt een wereld waarin niet het recht van de sterkste geldt, waarin niet de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer, maar waarin het anders zal zijn. Wie denkt op z’n hoge status beoordeeld te worden zal het nakijken hebben. Want God is trouw en barmhartig voor wie Hem dienen.    

Het tweede wat opvalt is dit: Maria’s lied hangt aan elkaar van citaten uit ons Oude Testament, uit  de Psalmen, uit de lofzang van Hanna en zo nog meer. * (zie onder) Het is alsof Maria ineens allerlei woorden uit haar traditie te binnen vallen, waarmee ze bezingen kan wat haar overkomt. Met die woorden krijgt haar lied een grote reikwijdte, wordt het een machtig lied van hoop. Maria’s lied is daarmee geen wiegelied, maar een strijdlied waarin de gevestigde orde er flink van langs krijgt. Maria moedigt ieder ‘gewoon’ mens aan niet te klein over jezelf te denken, omdat God dat ook niet doet. Het is een bevrijdende lofzang.

En toch, dat is mijn 3e punt, klinkt de lofzang van Maria in mijn ervaring altijd meer ingetogen dan opgetogen. Het wordt dagelijks in kloosters bij de dagsluiting gezongen. En alle versies die ik als lied ken, klinken niet stoer. Terwijl Maria’s woorden toch echt lijken op hoe Greta Thunberg regeringsleiders zei waar het op stond op de klimaattop.
Bij wijlen Kurt Marti, een Zwitsers theoloog en dichter vond ik wat ik zocht. Hij bewerkte het Magnificat tot een tekst waarin hij de klare taal van Maria niet verdoezelt onder een lieflijk uiterlijk. Marti laat Maria reageren op de rol die ze in de loop van de traditie heeft gekregen waarin haar woorden onschadelijk zijn gemaakt door haar juist weer nederig te laten buigen in plaats van haar voor te stellen met opgeheven hoofd. Terwijl Maria juist aan haar geloof de kracht ontleende om zichzelf niet langer klein te zien, maar als iemand die God groot kan maken. Dit is waar Maria voor staat:

En Maria zong tot haar ongeboren zoon:
mijn ziel verheft de Heer, ik juich tot God mijn redder
ik: een onbetekenende vrouw…..

En Maria kon nauwelijks lezen en Maria kon nauwelijks schrijven
en Maria mocht niet zingen noch spreken
in het gebedshuis van de joden waar de mannen de toon aangeven.

En daarom zong zij tot haar oudste zoon
en daarom zong zij tot haar dochters, haar andere zonen
over de grote genade, de heilige omkeer...

Later, veel later blikte Maria radeloos neer van de altaren waarop zij geplaatst was
en het moest wel een vergissing zijn toen zij - de veelvoudige moeder – als maagd geprezen werd…

Het diepst griefde haar echter de godschennende knieval van potentaten en beulen
tegen wie ze toch ooit had gezongen vol hoop.

En Maria kwam uit haar schilderijen vandaan en klom van haar altaren af…
en herleefde in vrouwen die onrecht niet langer dulden
zij werd de ziel van het protest van kleine en grote vrouwen
naam van alle machtelozen
en zij was en zij is veelvoudig veelstemmig
de opstandige hoop van hun gezang.


Daarom, als wij vandaag instemmen met Maria en zo een kleine lofzang zingen,
laat het niet lieflijk zijn, maar waarachtig,
niet mooi, maar krachtig.
Ik hoop dat we de lofzang zo kunnen zingen dat het voor ieder van ons persoonlijk
en daarmee ook voor ieder die klein gehouden wordt in deze wereld
hoopvol, bemoedigend, vreugdevol en bevrijdend zal zijn.
Amen.


* 2 Samuel 2:1-10, Psalm 34:4, Psalm 35:9, Habakuk 3:18, Jesaja 61:10, 1 Samuel 1:11, 1 Samuel 9:16, Genesis 29:32, Gen 30:13, Psalm 71:17, Maleachi 3:12, Deut 10:21, Psalm 71:19, Psalm 44: 4, 6, Psalm 111:9, Psalm 103: 11, 17, 18, Psalm 100:5, Psalm 89: 2, 11 Spreuken 3:34, Sirach 10:14, Job 12: 19, Job 5: 11, Ez 21: 31, Psalm 107:9, Job 22:9, Jesaja 41:8-9, Psalm 113, Psalm 98:3, Micha 7:20, 2 Sam 22:51.

28 nov

Overweging 1e Advent
ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Lucas 1: 5-25


Inleiding op de schriftlezing
In deze adventstijd lezen we volgens het alternatieve rooster de eerste hoofdstukken van het evangelie van Lucas. Lucas is de enige evangelist die een uitgebreide voorgeschiedenis van Jezus vertelt. Daarbij komt allereerst de aankondiging van de geboorte van Johannes aan bod. Johannes die de weg van de Heer zal voorbereiden, dat horen we vandaag.
Het is een verhaal dat op veel manieren verwijst naar ons Oude Testament, de geschiedenis van God met het volk Israël. Zo stammen de hoofdpersonen Zacharias en Elisabeth af van oude geslachten. Beiden zijn dienstbaar aan God, maar ze hebben geen kinderen. Dat doet denken aan eerdere verhalen, zoals van Abraham en Sara. (Gen 18)
Letterlijk staat er ‘Elisabeth was onvruchtbaar’. Dat woord kan ons confronteren met verdriet van dichtbij, een persoonlijke ervaring. Dat is het in de Bijbelse verhalen ook zeker. Maar het is meer dan dat. Willem Barnard verwoordde het zo: ‘deze onvruchtbaarheid gaat niet om het niet in staat zijn van de vrouw om het gewenste kind voort te brengen, het gaat om het niet in staat zijn van de mens, om de door God gewenste toekomst voort te brengen’.
Om die toekomst gaat het, aan het begin van het Lucasevangelie en ook in deze tijd van Advent.
De verhalen over de aartsvaders en aartsmoeders en over de profeten zijn in de tijd van Lucas al eeuwen geleden gebeurd. Nog steeds wijden mensen zich aan die woorden, kijk maar naar Zacharias en Elisabeth. Zijn doe trouw wat zij moeten doen in hun dagelijks leven en in de tempel. Maar voor zichzelf zien ze geen toekomst. Ze hebben immers geen kind en ze zijn al oud.  
Met dit gegeven begint Lucas zijn evangelie. Een begin dat door alle verwijzingen naar eerdere verhalen bij ons als lezer verwachtingen schept. Menselijk gezien is er geen toekomst, kun je dan toch nog iets verwachten?

Overweging ‘Verandering verwachten’

1. Gemeente van Jezus Christus,
De priester Zacharias leeft net als zijn vrouw Elisabeth in verbondenheid met God. Hij bidt dagelijks de gebeden en houdt zich aan de wet. En als hij binnen zijn priesterorde uitverkoren wordt om in Jeruzalem de tempeldienst te vervullen, gaat hij het heiligdom binnen en brengt bij het altaar, dus voor het aangezicht van God, het reukoffer.  
Zacharias komt dus God heel nabij. Maar wat hij niet verwacht, gebeurt en dat is dat God hem nabij komt. Hij schrikt van de engel Gabriel.

Heel persoonlijk is het wat Gabriel hem zegt: ‘jouw gebed is verhoord, je vrouw Elisabeth zal je een zoon baren’. En heel grote woorden voegt Gabriel daaraan toe: ‘je moet hem Johannes noemen, God is genadig. Niet alleen jij persoonlijk maar velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. Hij zal vervuld worden van de Geest, hij zal met de kracht van Elia ouders met hun kinderen verzoenen, hij zal velen doen omkeren naar God.’

En Zacharias die al die woorden hoort en ze vast zal herkennen als woorden die eerder gesproken zijn door profeten, Zacharias kan alleen maar menselijk kijken en ziet het niet voor zich. Hij en Elisabeth zijn immers al op leeftijd. Zacharias vraagt: ‘Hoe kan ik weten of dit waar is?’ en hij krijgt dit teken: hij is met stomheid geslagen. Hij doet er vanaf dat moment het zwijgen toe.

In de vertelling van Lucas komen nu eerst anderen aan de beurt om te spreken. Anderen met niet zo’n voorname positie, vrouwen die tot dan toe niet in tel waren. Elisabeth horen we als eerste, zij die veracht wordt door anderen. Zij zegt bij zichzelf: ‘De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten.’
En na haar is Maria aan de beurt, een meisje uit Galilea. Ook zij krijgt een wonderlijke, niet natuurlijke geboorte aangezegd, maar in tegenstelling tot Zacharias vraagt zij niet om een teken. Net als Elisabeth zal zij het teken al snel bij zich dragen.
En net als Elisabeth eert Maria God. Zij zingt haar lofzang.
2. Al die maanden van Elisabeths zwangerschap zal Zacharias zwijgen.
Hij heeft geen tekst, geen verhaal, is geen dienaar van het woord.
Maar het verhaal van God krijgt wel vorm. Wordt zichtbaar en zet deze twee vrouwen tot geloven en God loven aan. Een volgende generatie komt eraan. Een generatie die mensen verder zal brengen op de weg van God. Een generatie waarin de Geest van God werkzaam is.

De engel Gabriel haalt in zijn grote woorden over de zoon die Elisabeth zal baren, woorden van de profeet Maleachi aan (Maleachi 3:24). Maleachi is het laatste boek in ons Oude Testament. Maleachi eindigt zijn profetie met de aankondiging ‘er zal iemand komen die ervoor zal zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders’.
Gabriel neemt deze profetische woorden maar half over. Hij zegt over Johannes wél dat van hem kracht zal uitgaan om ouders met hun kinderen te verzoenen, maar niet dat kinderen zich verzoenen met hun ouders.
En dat valt op, voor wie het bestudeert. Blijkbaar komt hier aan het begin van het Lucasevangelie alle aandacht te liggen op een oude generatie die zich verzoent met een volgende generatie.
Is dat misschien ook waarom Zacharias niet het hoogste woord voert hier, maar anderen eerst aan het woord komen? En als Zacharias dan eindelijk weer kan spreken wanneer Johannes geboren is, dan komt hij niet terug op wat er gebeurd is, hij gaat niet in gesprek met anderen, hij doet maar één ding: hij stemt in met de lofzang van Maria en zingt zijn eigen lied.

3. Zwijgen dus en afwachten en zien dat de woorden van God vorm krijgen buiten jouw macht om. Dat gebeurt Zacharias.
Zwijgen en afwachten… verwachten. Misschien is dat wat vandaag de dag ook het meest nodig is? Want wat valt er te zeggen in deze tijd waarin mensen elkaar eerder overstemmen dan horen, eerder 100 meningen geventileerd worden, dan dat één iemand zich gehoord voelt.

Mijn ervaring met een dag zwijgen in gezelschap is dat er dan ineens zoveel te horen valt. Als je eigen stem niet klinkt, spitst dat je aandacht.
Ik herinner mij een kloosterweekend waarbij het ontbijt in stilte plaatsvond. Ik hoorde ineens zo goed het smakken van de vrouw naast me, het mes op het bord aan de andere kant van de tafel. En ik vroeg me af hoe ik de pindakaas verderop zou kunnen bemachtigen.
Ik ontdekte: als ik geen stem heb, heb ik ook geen macht, kan ik de dingen niet naar mijn hand zetten. Dan heb ik heb anderen nodig, die me aandacht willen geven. Die me genegen zijn.

Mildheid is een woord dat in me opkwam. Als je ineens geen stem hebt in een gezelschap, zie je anderen anders, je luistert anders. Opeens vallen andere dingen op.
Graag wil ik daarom de woorden van Gabriel tot Zacharias nogmaals lezen: Omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’
Dit stom zijn van Zacharias dat is volgens mij allerminst als straf bedoeld. Ik zou het juist als genade willen zien. Zacharias die de woorden van God niet horen kon, niet geloven kon, krijgt de kans, de ruimte om vanuit de zwijgzaamheid alsnog attent te worden op die woorden van God. Ze in anderen, in een nieuwe generatie, te beluisteren.
Hoe de toekomst zo open gaat komt niet alleen voor Zacharias en Elisabeth onverwacht. Het zal ook anderen overkomen die met die nieuwe generatie, met Johannes en via hem met Jezus, te maken krijgen.  

4. Nu wij per vandaag in dit land met een soort van stomheid geslagen worden, zo duidelijk ons niet bij machte weten om een keer te brengen in de tijd, ben ik blij met deze lezing over Zacharias.
De onmacht die bij zwijgen hoort, kan ook de kans geven om attent te worden op wat ook gaande is, op wie verwachtingen schept, op een nieuwe generatie wellicht.
In de stilte kan verwachting groeien.
Ik gun het ons allemaal dat we ons in deze Adventstijd niet te buiten gaan aan commentaar leveren, vragen en klagen, maar dat we ons inhouden totdat een nieuwe tijd aanbreekt en we hoopvol spreken kunnen, of liever nog: lof zingen. Amen       

21 nov

ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing: psalm 121 en Lucas 2: 25-32


Inleiding op de schriftlezingen
Het fijne van een leesrooster zoals we dat in de Oranjekerk volgen, is dat je als predikant voor een dienst niet hoeft na te denken over welk gedeelte je uit de Bijbel zult lezen, Je hoeft alleen maar te studeren op de tekst die aangereikt is en te bedenken hoe die voor ons van betekenis kan zijn. Soms is er ook een alternatief leesrooster, met teksten die minder vaak voorkomen, waar je ook voor kunt kiezen.
Deze week stelden beide roosters mij voor een dilemma. Want kunt u nagaan: de lezing uit het evangelie van Marcus (13: 14- 32) gaat over Jezus die waarschuwt voor verschrikkingen die zullen plaatsvinden zoals nog nooit is voorgekomen sinds het begin van de schepping, voor valse profeten en voor de zon die zal verduisteren. En de alternatieve lezing uit het evangelie van Johannes (10: 31-42) gaat over Judeeërs die Jezus willen stenigen en hem beschuldigen van godslastering. Beide bijbelgedeeltes waar ik met flink studeren beslist een goede boodschap uit zou kunnen halen, maar die als lezingen op deze Eeuwigheidszondag meer in de weg staan denk ik, dan ons bemoedigen. Bij navraag blijk ik niet de enige predikant die op zoek ging naar een alternatief. Tientallen suggesties kreeg ik van collega’s over wat dan wel te lezen op deze zondag. En ik koos, nog weer iets anders. Ik wil u uitleggen wat ik koos en waarom.

Niet alleen Marcus en Johannes vertellen over verschrikkingen die komen en over mensen die anderen beschuldigen en kwaad willen doen. Dat zijn ook de verhalen die volop klinken in deze weken met klimaatprotest, overbelaste zorg, polarisatie, coronadebat, en zo nog meer.
Ik werd er de afgelopen weken regelmatig door lamgeslagen.
En toen zag ik begin deze week een herhaling van het programma de Verwondering met een interview met Margot van Schayk. Zij overleed afgelopen zondag aan kanker. In dat interview vertelde ze over twee soorten vertrouwen. Het dagelijkse vertrouwen, dat je weet hoe dingen werken en wat je kunt. Dat vertrouwen, zei ze, faalt als je ongeneeslijk ziek bent. Maar een ander vertrouwen, een dragende kracht, dat, ontdekte zij, faalde niet, dat gaf haar geborgenheid.

Daarom koos ik als lezingen voor vandaag psalm 121, een pelgrimslied, een lied voor wie onderweg is. En voor het gedeelte uit het evangelie van Lucas waarin de oude Simeon in de tempel van Jeruzalem de pasgeboren Jezus ziet en herkent als de lang beloofde Redder en zegt ‘nu heb ik vrede gevonden, nu kan ik sterven’. Afwisselend zingen we een nieuw lied (‘Hier in de schaduw van de stilte’ Zangen van Zoeken en Zien 217, C. Fictoor) dat beide lezingen met elkaar verbindt en dat ook gaat over wat wij hier vandaag komen doen, namelijk zoeken naar wat van eeuwigheid is.

Overweging ‘Bemoediging’

1. Gemeente van Jezus Christus,

Bemoediging, dat is waar ik deze week naar zocht. Voor mezelf en voor deze viering. De moed om op te staan, om aan te gaan, om door te gaan.
Als het gaat om elkaar bemoedigen, dan is er in de kerk een tekst die letterlijk ‘de bemoediging’ heet en die in oude woorden zo klinkt:
Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft
die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet loslaat het werk van zijn handen.
Het zijn letterlijk woorden uit de psalmen (124:8, 146: 6, 138: 8). Duizenden jaren oud dus.
De naam van deze zondag, de eeuwigheidszondag, staat erin verwoord.
God valt niet binnen onze tijd, maar God omvat deze tijd en heel ons leven.

2. Psalm 121 is een pelgrimslied. Een lied voor wie onderweg is op de weg van geloof. Een lied ook voor samen op weg zijn. Want dat valt op, er zijn meerdere stemmen die spreken, twee, drie, misschien wel vier.
Iemand slaat zijn ogen op naar de bergen en verzucht: ‘wie komt mij te hulp?’.
Waarop een stem van een ander of misschien een stem van binnen zegt: ‘Mijn hulp komt van de Eeuwige, die hemel en aarde gemaakt heeft.’ Waarop weer een ander dat weet te duiden, met bemoedigende woorden over dat God je voet niet laat wankelen, dat God als een schaduw met je meegaat en waakt over je levensweg.

Misschien herkennen we ons wel in alle stemmen: de stem van degene die de vraag stelt en die  antwoord geeft, van binnen of hardop. Antwoord aan jezelf of aan een ander.
Als we deze psalm lezen of zingen hoeven we niet te kiezen voor een stem, alle stemmen, heel ons leven is erin vervat.
En als we deze woorden samen horen, dan kunnen we samen verder komen, elkaar ermee bemoedigen. Ik moet denken aan die dichtregel van Henriette Roland Holst ‘er is een woord, dat eeuwig’lijk zal duren en die ’t verstaat die is niet meer alleen’. Misschien ook is diegene die ’t een ander toezegt niet meer alleen.

3. De oude Simeon zal de psalmen vaak gezongen hebben, want hij was een vroom mens. Hij leefde met vertrouwen in God die redding beloofd heeft voor de hele mensheid. En toch, pas als hij met eigen ogen die redder ziet, kan hij in vrede sterven. Simeon, neemt het kind met de naam Jezus ‘God redt’ in zijn armen en looft God met wat de ‘lofzang van Simeon’ is gaan heten.

Wij zongen net: Langzaam verschijnen gouden lagen van Gods onzichtbaar stil Gelaat,
als een icoon gezien, gedragen, als teken van de eeuwigheid.

Mij ontroert dat grote vertrouwen waarmee Simeon zijn leven kan loslaten, omdat hij ziet dat God zijn volk zal vasthouden. Dat kleine beginnetje dat Simeon van de toekomst meemaakt, draagt de hoop in zich waarmee hij heeft geleefd. Die hoop zal blijven, ook als hij sterft.  

4. In de psalm en in deze tekst uit Lucas zie ik nabijheid over en weer tussen God en mens.
De psalmist slaat zijn ogen op naar de bergen – de plek waar hemel en aarde elkaar raken - en vindt God, die hemel en aarde schiep, en Die over hem waakt.
Simeon draagt in zijn armen het kind waarvan redding zal komen, het teken van God die mensen draagt, teken van eeuwigheid.

Net als de psalmist en als Simeon kunnen wij onszelf en wie ons dierbaar zijn, ook zien in het licht van de eeuwigheid. In het licht van God dat niet samenvalt met ons levenslicht, maar dat dat omvat.

5. Beide lezingen van vandaag zijn ook liederen. Het is een gelukkig toeval. Met een lied stem je gemakkelijker in, is mijn ervaring, dan met een lezing.
Hoe mooi is het als dat je overkomt. Dat woorden je toevallen die bemoedigen. Dat je ineens kan ervaren dat je gedragen wordt. Moge dat zo zijn. Amen.

7 nov

Ds. Wielie Elhorst
Schriftlezing Johannes 8:12-20


Gemeente van Jezus Christus,

Staat in het verhaal dat aan dat van deze zondag voorafgaat, een vrouw op overspel betrapt in het midden van de Farizeeën, nu is het Jezus zelf. Het juridisch steekspel dat de Farizeeën spelen, houdt niet op en neemt toe in heftigheid. Jezus zelf wordt in het middelpunt van de belangstelling geplaatst. De urgentie van wat we horen, neemt toe. Je zou kunnen zeggen: Jezus maakt het er ook wel naar. We hoorden: Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ – einde citaat. Dat zijn behoorlijk zelfverzekerde woorden, die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaten. Misschien gingen de gedachten van de Farizeeën bij het horen van Jezus’ woorden direct uit naar de woorden van de profeet Jesaja die onder andere zegt:

Het volk dat in duisternis ronddoolt
ziet een schitterend licht.
Zij die in het donker wonen
worden door een helder licht beschenen.


Hier had de Farizeeën een licht op kunnen gaan: wie is deze mens dat Hij dit bij ons oproept, deze woorden die over onszelf gaan en die ons leven letterlijk in een nieuw licht zetten. Misschien had in de schatkamer van de tempel waar Jezus zijn woorden spreekt, het spreekwoordelijke kwartje ook wel kunnen landen bij de betekenis die Jezus met zijn woorden geeft aan de lichtsymboliek van het Loofhuttenfeest dat op dat moment plaatsvond. Het was gebruik tijdens dat feest honderden lichtjes aan te steken in de voorhof van de vrouwen in de tempel. De tempel scheen daardoor als een baken van licht over de stad. In dat licht spreekt Jezus zijn woorden uit en wil Hij laten zien dat Hij dat baken is, dat het licht dat Hij is verwijst naar de Torah, het hart van het joodse leven, het hart dat zou moeten kloppen in de tempel en in de harten van de Farizeeën. Maar het is niet aan hen besteed. Het gaat aan hen voorbij. De woorden van Jezus zijn voor hen aanmatigend en ze vragen zich af op grond waarvan, waar Hij het recht vandaan haalt deze woorden uit te spreken. Het is begrijpelijk, vind ik, als je je even verplaatst in hun positie, maar het is evenzo goed triest dat ze terwijl ze in de tempel staan, op die plek die verschil zou moeten maken in hun leven, dat zij daar niet zien hoe Jezus naar de ook door hen geliefde Torah verwijst, dat zij juist daar niet zien hoe Jezus naar God zelf verwijst, hoe in het gebruik van de woorden ‘Ik ben’ zijn identiteit samenvalt met God en dat daarom zijn woorden betrouwbaar zijn, zijn getuigenis betrouwbaar is. De Farizeeën zeggen tegen Jezus in hun midden, over zijn woorden: jij bent niet waar, jouw woorden spreken geen waarheid.

Opvallend in het hele Johannesevangelie is het diepe onbegrip van de mensen om Jezus heen, of liever: het diepe niet kennen. Ook in het verhaal dat we vandaag hoorden, is dat weer het geval. Dat niet begrijpen, het niet weten, het niet kennen wordt zo consequent doorgezet dat de mensen met wie Jezus in gesprek is, vaak ook niet anders lijken te kunnen. Ze worden er muurvast in gezet. De diepe kloof die gaapt tussen Jezus en de mensen die met Hem in gesprek zijn, lijkt niet zomaar te kunnen worden overbrugd, in ieder geval zeker niet door de mensen om Jezus heen. En Jezus lijkt dat ook te bevestigen door hier te zeggen: U weet niet waar ik vandaan kom of waar ik naar toe ga. Op mij komt de houding van de gesprekspartners van Jezus, meestal de Farizeeën, vaak wat dommig over, gemaakt dommig zelfs: Nicodemus in Johannes 3, die niet begrijpt dat Jezus niet letterlijk over een tweede geboorte spreekt als Hij uitlegt dat mensen in God opnieuw van omhoog, door de Geest geboren moeten worden. De Joden, in Johannes 6, die niet snappen dat Jezus over zichzelf spreekt als brood dat uit de hemel is neergedaald. Hoezo, zeggen zij, hoe kan deze man van wie wij de vader en de moeder kennen, uit de hemel zijn neergedaald? En ook nu weer: hoe kan Jezus zijn eigen woorden betrouwbaar achten door een beroep te doen op God als zijn getuige? Zo’n getuige moet toch een ander mens zijn? Ik denk dat de diepte van het niet kennen de diepte van het niet vertrouwen moet tonen, moet laten zien hoe tragisch die diepte, die kloof is. En dat die tragiek, dat ook echt niet kúnnen begrijpen, niet anders kan dan uitlopen op de ondergang van Jezus, op zijn dood. Hoe zouden mensen, hoe zouden wij ook de betekenis van Jezus moeten begrijpen? Is die ook voor ons niet verborgen? Zeggen wij niet net zo goed: hoe kunnen die woorden die deze mens over zichzelf uitspreekt, betrouwbaar zijn, waar zijn? Hoe kan de identiteit van een mens ooit samenvallen met die van God? De woorden van het evangelie, van Jezus zijn ons misschien te vertrouwd geworden om de diepte van dat niet kennen, dat niet begrijpen van Jezus nog te herkennen, nog te kunnen peilen. Maar het geldt voor ons net zo goed en wij staan veel minder ver af van de Farizeeën dan we geneigd zijn te denken. Niet omdat wij ook on-mensen zijn, maar omdat wij ook mensen zijn, die de diepte en de reikwijdte van de betekenis van Jezus’ woorden niet zomaar kunnen vatten, kunnen begrijpen, kunnen kennen.

Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ Het oordeel van de Farizeeën is duidelijk: jouw woorden, Jezus, zijn onbetrouwbaar, ze zijn niet meer dan een slag in de lucht, omdat er niets en niemand is die de betrouwbaarheid van jouw woorden kan garanderen. De kloof wordt in het verhaal van vandaag niet overbrugt, sterker nog het eindigt met woorden over een doodswens. Jezus’ woorden zijn kennelijk zo onverdraaglijk dat de Farizeeën niet anders kunnen dan Hem dood wensen, Hem uit de weg ruimen. Hoe konden zij weten dat zij, door dat te doen uiteindelijk, de betekenis van Jezus voor de mensen, voor de hele wereld zouden bewerkstelligen, dat daarin de ultieme betrouwbaarheid van zijn getuigenis door zou breken: in leven ten koste van, in overwinning op de dood. Maar zover is het nu nog niet.

Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld’. En dat licht oordeelt niet. Het schijnt over de wereld en over de mensen, maar het oordeelt niet. Het hanteert niet de maatstaven van de mensen over wat betrouwbaar is, echt, waar, goed. Met die maatstaven kom je ook niet uit. Zoveel is wel duidelijk uit dit verhaal. De vraag is natuurlijk: waar kom je dan wel mee uit? Misschien moeten we daarvoor weer terug naar het verhaal dat aan de gebeurtenis in de lezing van deze zondag voorafgaat, dat intermezzo tussen al Jezus’ woorden over die vrouw die in het midden wordt gezet en die ook wordt belaagd met de maatstaven van mensen: beoordeeld en veroordeeld, fout, zondig. Het licht dat Jezus wil zijn voor de wereld, wordt werkelijkheid in deze vrouw. Deze vrouw begrijpt dat, omdat Jezus niet oordeelt. Jezus, zo geheel anders dan de autoriteiten waar zij normaal gesproken aan onderworpen zou zijn. De vrouw staat op en zij begrijpt dat het licht dat Jezus is, leven geeft. Het licht van Jezus is geen bliksemschicht die neerslaat, het is licht dat genadig en vol vergeving schijnt, over het leven van deze vrouw. Het is dus licht dat ruimte geeft, dat een mens in de ruimte zet, dat, zoals Jezus zegt, leven geeft. Jezus’ woorden zijn niet zomaar woorden. Ze zijn, geheel in de geest van de Torah, een oprecht handelen dat het alleen op toekomst heeft voorzien, op leven, op door kunnen gaan, op weer verbonden zijn, een nieuwe kans krijgen, niet zijn afgedaan.

Wij begrijpen Jezus’ woorden pas als ook wij Hem niet proberen te vangen in onze definities, in onze overtuigingen, als wij niet volharden in het niet begrijpen, het niet kennen, maar als wij dat loslaten en zijn licht toelaten als een licht dat genadig over ons schijnt; dat niet oordeelt over ons, dat niet ongenaakbaar is in zijn felheid, alles ongenadig aan het licht brengt, maar dat ons in het licht van zijn vergeving, zijn nieuwe kans voor ons, uitnodigt om op te staan, de ruimte te voelen waarin Hij ons bevrijdt, onszelf te zien in het licht van zijn acceptatie en zo mensen te worden die Hem volgen om zelf het licht te zijn dat leven geeft, getuige te zijn van de waarheid die Hij is in ons eigen leven.

Amen