29 nov

1e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Marcus 13: 24- 37


Inleiding op de Schriftlezing
In de Oranjekerk volgen we een 3-jarig leesrooster. In het A-jaar lezen we uit het evangelie van Matteus, in het B-jaar Marcus en in het C-jaar Lucas. Het evangelie van Johannes klinkt op bepaalde zondagen tussen door. Dit oecumenisch leesrooster start op de eerste zondag van het kerkelijk jaar, op 1e Advent. Dat betekent dat we vandaag de overstap maken naar een ander evangelie. In dit B-jaar is dat het evangelie van Marcus.

Een nieuw kerkelijk jaar, dat belooft heel wat, maar zo nieuw is het niet, want we gaan gewoon verder waar we gebleven waren. We belanden bij Marcus vandaag opnieuw bij de afscheidsrede van Jezus, bij de laatste woorden die Jezus tot zijn leerlingen spreekt voor zijn dood. Uit die afscheidsrede lazen we de afgelopen weken ook bij Matteüs en een groot deel van de tekst overlapt. Ook Marcus schetst het beeld van een beslissende eindtijd waarin het erop aan komt. En dus horen we ook vandaag weer die oproep: ‘wees waakzaam, wees alert, op wanneer de Heer komt’.
Zoals eerder uitgelegd: we moeten die oproep tot waakzaamheid niet verstaan als een dreigement, maar als een oproep tot het aannemen van een bepaalde levenshouding, een bereidheid om God te ontmoeten en te ontvangen in dit leven.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Mijn eerste reactie op de lezing van vandaag was deze: ik word er moe van. Al weken horen we die oproep ‘wees waakzaam, wees alert, wees attent op die ander in wie je God kunt ontmoeten’. En ik doe mijn best, maar ik word er moe van om zo in het leven te staan én ook om telkens weer, al vier zondagen lang, jullie hiertoe op te roepen.

Gelukkig komt er in de tekst vandaag een lichtpuntje voor, een teken van een geheel andere kant, buiten mensen om. Een vijgenboom. Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.
Bij alle geweld van de tekst, bij alle actie en doenerigheid en menselijkheid is deze gelijkenis van de vijgenboom ineens als een weldadig stilleven. Leren van de vijgenboom vraagt om een andere attentheid dan tot nu toe werd gevraagd. Een houding die actief is, maar niet doenerig. Want die groei en die bloei van de vijgenboom, daar ben ik niet voor nodig. Die hoef ik alleen maar te zien en op te merken. (Zoals we de vijgen in het bloemstuk kunnen opmerken).

2. Marcus beschrijft met woorden uit de profeten een tijd waarin alles tot een einde komt, de zon wordt verduisterd en de maan geeft geen licht meer, hemel en aarde vergaan. Misschien voelt het voor ons wel als deze tijd. In ieder geval zal het beeld herkenbaar zijn geweest voor de vroegste gemeente in het jaar 70 na Christus waar Marcus voor schrijft. De eerste christenen hadden het zwaar te verduren en gingen gebukt onder vervolging. Hen bemoedigt Marcus door te wijzen op de heer des huizes die weliswaar buiten beeld is, Jezus, maar die terug zal komen. Richt je daarop, zegt Marcus, wees waakzaam, want dit is het einde niet!

Jezus zegt: ‘… want jullie weten niet wanneer de heer des huizes komt, ’s avonds, of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai, of ’s morgens vroeg. Laat hij jullie niet slapend aantreffen wanneer hij plotseling komt’.
Deze ene zin bevat alles wat in het evangelie meteen hierna komen zal in het lijdensverhaal. Want de leerlingen van Jezus zullen in slaap vallen als het erop aan komt, vlak voor Jezus gevangen wordt genomen in de hof van Getsemane. En de leerlingen zullen onverwachts overvallen worden door duisternis op het middaguur als Jezus sterft, door hanengekraai bij de verloochening, door een open graf ’s morgens vroeg.
Dus de evangelist Marcus schrijft hier hoe Jezus een oproep doet aan zijn leerlingen om waakzaam te zijn, die ze vervolgens een paar hoofdstukken later totaal niet blijken waar te maken.

Misschien is mijn moeheid niet eens zo gek?

3. Maar wat moet ik ermee?
Dit valt op: bij alles wat wankelbaar is en fout kan lopen, staan twee dingen vast. De vijgenboom die uit zal lopen én Jezus’ woorden, die nooit zullen verdwijnen. Die woorden heeft Jezus toevertrouwd aan zijn leerlingen en aan ons. En als Jezus de man des huizes is die op reis gaat en zijn woorden in beheer geeft aan zijn dienaren, dan is aan ons om met die woorden deurwachter te zijn en alert te zijn om open te doen als de Heer komt.

Opendoen. Dat is ook doen, maar toch anders.
De afgelopen zondagen lag de nadruk op dat we niet het risico moeten lopen buiten te blijven staan, zoals de dwaze meisjes. Maar nu verandert het accent. Wij moeten niet de kans lopen de Heer buiten te laten staan. Waakzaamheid wordt opmerkzaamheid. Let op het nieuwe dat komt, dat al is begonnen.

Dat is de boodschap van Advent. Bij alles wat wanhopig maakt en stuk gaat in deze wereld, keer je om en sta open voor wat blijft, voor wat niet stuk gaat. Stel je open voor wat je niet verwacht. Laat je verrassen – je zult niet voor niets zitten te wachten. Het gebeurt.

4. ‘Uitkijken’ is de dubbelzinnige titel die ik aan mijn overweging gaf en die past bij de lezing. Van uitkijken als waarschuwing of oproep tot alertheid, zou ik willen overgaan naar uitkijken, zoals je dat doet naar bezoek waar je je op verheugt.
Dat uitkijken dat gepaard gaat met verheugen, met voorpret, met kopjes klaarzetten, naar het raam toelopen, nog even iets opruimen, een hart dat opspringt.

Dat uitkijken past bij Advent, het zit in kleine dingen.
Dat uitkijken past bij het waken met Pasen, het verlangend uitzien naar het licht.
Ik moest denken aan dat lied: (Lied 601 ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen)
Licht, van mijn stad de stedehouder, aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder, draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.    
 

Nog even over die moeheid. Als het evangelie ons iets leert dan is het dat je, ook als je in slaapt valt, niet af bent. Ook voor de leerlingen van Jezus die in slaap vielen, werd het Pasen.
Alleen ze hebben een belangrijk moment gemist en dat is zonde.  

De theoloog Tom Naastepad vat de lezing van vandaag zo samen: het is niet duidelijk wanneer het einde komt, maar wel dat er iets nieuws is begonnen. Volgens hem gaat de waakzaamheid die Jezus ons opdraagt erom dat we in ons dagelijks leven bedacht zijn op deze twee vragen: Eén: waar ben ik mee bezig? En twee: waar is God mee bezig?

Dat laatste is een kijktip.
Als het lijkt of de wereld vergaat, leer van de vijgenboom.
Verwacht het onverwachte, maak ruimte in jezelf en om je heen voor het ware, het goede en het schone – kijk uit je ogen of ergens al de wereld daagt waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.

Amen

22 nov

Ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Matteüs 25: 31-46


Inleiding op de Schriftlezing
We lezen uit het Evangelie van Matteüs het laatste gedeelte van de zogenaamde afscheidsrede van Jezus. Jezus bereidt zijn leerlingen voor op zijn dood en de tijd dat Hij er niet meer zal zijn. Jezus schetst aan de hand van gelijkenissen een beeld van wat de mensen dan te doen staat en waar het uiteindelijk op aan komt in dit leven.  
Het hoofdstuk begint met de gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze meisjes. Jezus verbeeldt hiermee een oproep tot waakzaamheid, tot alert blijven en gericht zijn op God. ‘Leef zo, dat je altijd voorbereid bent om God in een ander te ontmoeten’.
In de daarop volgende gelijkenis over de talenten verbeeldt Jezus hoe zijn leerlingen aan de slag moeten met de woorden en daden die ze van Jezus ontvangen. Jezus vertrouwt hun zijn levenswerk, zijn leven, toe. ‘Leef daaruit en deel daarvan’.
In het derde en laatste deel van dit hoofdstuk gebruikt Jezus opnieuw een beeld. Dit keer van een koning die op zijn troon zit en die scheiding maakt tussen mensen die wel deel hebben aan zijn koninkrijk van de hemel en die daar geen deel van uitmaken. Ook dat beeld is bedoeld als oproep om voorbereid te zijn op de ontmoeting met God in dít leven. ‘Leef zo dat je deel hebt aan dat koninkrijk, omdat je, net als Jezus, dienstbaar wil zijn aan wie je naaste is, aan de meest kwetsbaren onder de mensen’.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Ieder mens is breekbaar. Hoe kwetsbaar we werkelijk zijn, ervaren we het scherpst als we te maken hebben met ziekte, met ouderdom en in tijden van rouw. Onzekerheid en afhankelijkheid van anderen, pijn en verdriet maken dat je je kwetsbaar voélt.

Jezus spreekt aan het einde van zijn leven over mensen in de meest kwetsbare omstandigheden: mensen die honger hebben en dorst, mensen die vreemdeling zijn, die naakt zijn, mensen die ziek zijn of gevangen zitten. Hij noemt deze mensen de ‘onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters’. Mensen in zulke benarde omstandigheden zijn mensen zonder aanzien, of mensen ‘niet om aan te zien’. Deze mensen aanzien, confronteert ons met onze eigen kwetsbaarheid én wekt het verlangen naar een andere wereld.

Jezus spoort in zijn afscheidsrede aan tot bewust leven, tot leven uit vertrouwen en nu tot belangeloze liefde. Onze inzet voor de meest kwetsbaren in onze wereld, brengt ons bij God.

2. Hoe werkt dat dan? Waarom is dit zo belangrijk?
In het hele evangelie zien we hoe bij God en bij Jezus alles omgedraaid is. Wie macht heeft, staat aan de zijlijn. Wie weerloos is, staat in het midden. En hoewel sommige presidenten en anderen het tegenovergestelde beweren is het in de Bijbel toch echt zo dat God staat aan de kant van wie kwetsbaar is en dat Jezus juist is gekomen voor wie geen aanzien hebben.

Jezus wijst zijn leerlingen en ons daar telkens weer op. Kijk anders naar de ander, kijk niet op anderen neer, kijk niet tegen anderen op, zie de ander als je naaste die is als jij.

Van onze kwetsbaarheid kunnen we leren, dat we elkaar nodig hebben.
Van mensen in nood kunnen we leren, wat er nodig is, om deze aarde een goede aarde voor alle mensen te laten zijn.
Jezus verbeeldt met zijn opsomming niet alleen de kwetsbaarheid van onze naasten en daarmee ook van onszelf, maar geeft ook zicht op zijn eigen kwetsbaarheid. De woorden van Jezus zullen meteen hierna daden worden. Hij wordt de onaanzienlijkste van alle mensen. Geslagen, vernederd, verloochend, gedood. Deze kwetsbare mens wordt gebroken, kunnen we dat aanzien en inzien dat dat tot op vandaag gebeurt? 

Jezus is de koning én de kwetsbare mens tegelijk. Dát is wat we van zijn leven moeten begrijpen. Dat is het geheimvolle en hoopvolle tegelijk.

3. Even terug naar dat beeld dat Jezus schetst. Mensen krijgen daarin een oordeel over hun leven dat bij beide groepen vragen oproept waar dat op is gebaseerd. Beide groepen zijn zich niet bewust van wat ze goed of niet goed deden. Het is belangrijk om te bedenken dat Jezus met dit beeld niet mensen wil veroordelen, maar juist inzicht wil geven hoe het aankomt op wat we doén. Het zijn niet onze woorden, maar onze daden die iets van de hemel dichterbij kunnen brengen.

In ons dagelijkse doen kunnen we voorbijgaan aan wat mensen in al hun kwetsbaarheid nodig hebben. Het gebeurt me vaker dan me lief is.
Maar mijzelf of een ander daarvoor veroordelen, heeft geen zin. Mijzelf voornemen en de ander oproepen om de volgende keer meer alert te zijn, dat heeft wel zin.

Jezus schetst ons niet hoe het in de toekomst zal gaan, maar roept op waar het nu vandaag op aankomt. Dat we open staan voor de kwetsbaarheid van het bestaan en voor het beroep dat een ander op ons doet. En dat we daarmee onze plek innemen in de wereld die God voor ons heeft bestemd. Iedere dag opnieuw.  
Willen we die ander aanzien en het onrecht dat er is onder ogen zien?
Doen we wat we kunnen om mensen in een kwetsbare positie te helpen?

4. Jezus wijst ons op dit leven, waarin we goed doen en soms ook niet.
Waarin we verbonden zijn met elkaar, door onze afhankelijkheid én door wat we voor de ander kunnen doen. Dat doet ertoe. Want daarin komen we God op het spoor en krijgen we oog voor dat Koninkrijk.

De woorden van Jezus vragen om daden in ons leven. Niet omdat wij de wereld zouden moeten redden, maar zodat wij ontdekken Wie deze wereld redt.
Je komt er niet als je uitgaat van wie krachtig en machtig zijn in deze wereld. We komen er wel als we uitgaan van de kwetsbaarsten onder ons. Als het met hen goed gaat, komt het immers ook goed met ons. 

5. En zo stuurt Jezus zijn leerlingen en ons de wereld in met woorden die waar worden als we ze doen, en daden waardoor we zicht krijgen op waar het om gaat in een wereld zoals God die voor ons bestemt.

Afgelopen week las ik een nieuw boek van Claartje Kruijff over kwetsbaarheid. Het ontroerde mij omdat ze woorden gaf aan wat ik herken: dat je juist als je kwetsbaar bent, zo scherp kan zien wat van waarde is. Dat je juist als je een kwetsbare ander ontmoet, ontdekt wat er werkelijk toe doet: dat niemand verpletterd wordt in dit leven.
 
Alles van waarde is weerloos.
Zie Jezus, die zegt: zie om naar elkaar. Amen.

1 nov

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Spreuken 9: 10; Matteüs 25: 1-13


Inleiding op de Schriftlezing
We naderen het einde van het kerkelijk jaar dat valt op 22 november, de zondag voor 1e Advent.
Deze laatste zondagen gaan de lezingen uit het Evangelie van Matteüs over het einde, over waar het op aankomt, over beslissende gebeurtenissen en keuzes. In zijn laatste toespraak aan zijn leerlingen schetst Jezus met gelijkenissen over het Koninkrijk van de Hemel een beeld van wat de mensen te doen staat. Vandaag roept dat beeld de mensen op tot waakzaamheid, tot alert blijven en gericht zijn op God.
Het gaat er niet om vooruit te kijken naar het moment dat de Mensenzoon terugkomt. Gericht zijn op God betekent om je heen kijken: zien of je nodig bent. Dat kan elk moment zo zijn. Daarom sluit de gelijkenis af met woorden die zeggen: leef daarom zo dat je altijd voorbereid bent om God te ontmoeten.

We lezen de gelijkenis over 5 dwaze en 5 wijze meisjes. Die woorden, dwaas en wijs, verwijzen in de Bijbel niet naar geleerdheid of intelligentie, maar ze verwijzen naar op God gericht zijn. De dwazen zijn niet gericht op God, de wijzen wel. In het Oudtestamentische boek Spreuken (9:10) staat deze tekst, die hoort bij vandaag: ‘Wijsheid begint met ontzag voor de Eeuwige, inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.’

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Hoe dom kun je zijn? Dat is niet de vraag waar het in de lezing om gaat.
Wat is wijs? Daar gaat het om.

Wijs is het om ontzag te hebben voor God.
Wijs is het te weten dat God altijd anders kan zijn dan we denken, zich anders kan aandienen dan we denken. Op een ander moment, vroeger of later dan we dachten. God kan zich aandienen in een ander mens, in wie we niet zagen aankomen. Wijs is het om niet de waarheid in pacht te denken te hebben over hoe dingen wel zullen gaan, maar om voorbereid te zijn op de ontmoeting met God wie weet waar.

Want anders mis je de boot. We kunnen te laat komen en de deur dicht vinden.
Wie kent niet dat gevoel van spijt om wat je achteraf gezien verkeerd had ingeschat, niet serieus genoeg had genomen. Dat je achteloos was en toen het erop aankwam niets te bieden had. Wie kent niet die ervaring dat je dacht ‘nog even dit afmaken’ en toen de ander in de kou hebt laten staan. Dat je zei ‘Het komt nu niet zo goed uit’ – maar achteraf gezien alles uit handen had moeten laten vallen. Dat kan, dat je te laat bent en de deur dicht vindt.

Is dan alles voorbij? Komt het dan nooit meer goed? Ben je dan niet meer welkom bij God?
Zo hard stelt de gelijkenis van de 5 dwaze en de 5 wijze meisjes het wel.
‘Ik ken jullie niet’ zegt de bruidegom.
Trouwens, over hard gesproken, de 5 wijze meisjes die niet van hun olie willen delen, dat is toch eigenlijk ook apart? Vijf broden en twee vissen bleken toch ook genoeg voor 5000 man?

De gelijkenis laat ons niet alleen kijken naar onszelf en naar hoe wij voorbereid zijn op de ontmoeting met God in onze naaste en zorg dragen voor brandstof in onszelf, geloof en moed.
De gelijkenis doet ons ook vragen stellen bij het beeld dat hier geschetst wordt van de wijze meisjes en van de bruidegom, en dan gaat het over God.
Niet delen en buitensluiten, klopt dat wel?

Nee, dat klopt niet. Dat zal blijken.
Na de laatste woorden van Jezus in deze afscheidsrede over hoe je te laat kan komen en de deur dicht kan vinden, hierna wordt het Pasen. (Matt 26:1-2)
En dan blijkt dat zelfs de doodlopende weg een doorgang heeft, dat we zelfs ondanks de onvergeeflijke fouten die we maken, niet afgeschreven worden. Dat de deur niet dichtgaat.

2. En voor ieder die denkt ‘Gelukkig maar, fieuw’ – is deze gelijkenis bedoeld. Want het doet ertoe hoe wij uitzien naar God, hoe wij ons voorbereiden in dit leven op de ontmoeting met God.
Wegkijken, of denken ‘het zal mijn tijd wel duren’ brengt geen lichtpunten in donkere tijden.
Met een voorraad aan wijsheid, trouw en geloof, hoop en liefde, ontvankelijkheid, aandacht, houdt je het uitzien naar het licht langer vol.

Laten we wel wezen, alle tien meisjes vielen in slaap. Voor iedereen kwam de bruidegom op een ander moment dan verwacht. Maar waar voor de wijze vijf het bruiloftsfeest meteen kon beginnen, waren de vijf dwaze meisjes niet van de partij. De feestvreugde ging aan hen voorbij.

En ook dat is belangrijk om even bij stil te staan – die vreugde.

Want dat is waar Jezus’ oproep tot waakzaamheid werkelijk over gaat. Dat gaat niet om waakzaamheid uit angst, het gaat in die waakzaamheid om een verlangen.
Die tien meisjes zijn met hun lampjes op weg naar een bruiloft, daar kijken ze naar uit. Vijf gaan er op weg zonder toewijding aan het licht. Zij zijn wel gericht op de bruidegom maar niet op hun taak om die bruidegom uit te lichten. Zij hebben niets bij te dragen aan het feest. Zij hebben niet rekening gehouden met een ander scenario, dat de bruidegom later komt.
De vijf wijze meisjes zijn wel toegewijd aan het licht. Zij zijn voorbereid om op het moment dat de bruidegom aankomt, hem in het licht te zetten zodat het feest kan beginnen.

Zo is het ook met de wereld waarin we God ontmoeten. Als wij God uitlichten, dan kan het feest beginnen. Verderop in deze toespraak van Jezus gaat het over dat uitlichten en ontvangen van God. Jezus zegt het zo “alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”
Wie de hongerige voedt en de naakte kleedt, dient God, zet God in het licht. (Matt 25: 35-40).
Daarom kan je naaste liefhebben niet wachten. God kan zich op elk moment en in ieder mens in nood aandienen. De ontmoeting met God in de ander brengt vreugde en laat je binnen in Gods nieuwe wereld.

3. We weten van Pasen en dat de deur niet gesloten blijft.
En we weten ook dat die ontmoeting met God hier en nu vraagt om waakzaamheid, om opletten op wie je nodig heeft. Want op een onverwacht moment kan God zelf je in de ander nabij komen.

Oké, wie van u vindt deze preek nu wel erg lang duren?
Ik zie dat verschillende olielampjes uit zijn.
Heeft iemand extra olie bij zich misschien?
Niet? Oké en nu?
Ik kan toch moeilijk hier nu weggaan en olie gaan halen.
Straks ben ik te laat terug voor het feest.
Ik denk dat ik me de volgende keer iets beter moet voorbereiden.

Hee, er is wél olie, kijk eens hoeveel er is ingebracht voor de voedselbank!
Is dat niet precies de olie die onze lamp brandend houdt?

Amen.

25 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Nehemia 7:72b – 8:18


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we volgens het alternatieve leesrooster éénmalig uit het Bijbelboek Nehemia. Nehemia behoort tot het gedeelte van ons Oude Testament dat ‘de Geschriften’ heet. In de Geschriften lezen we hoe mensen reagéren op het Woord van God.

Het zijn zangers, denkers en doeners die aan het woord komen.

Aan de zangers hebben we de boeken met Psalmen, lofliederen en Klaagliederen te danken.

Van de denkers komen de Spreuken en de filosofische betogen zoals van Job en Prediker.

En de doeners zijn bestuurders en politici zoals Ezra en Nehemia.

Even iets over Nehemia. De Judeeër Nehemia heeft een vooraanstaande positie aan het hof van de Perzische koning. Via zijn familie in Jeruzalem hoort hij hoe het de ballingen die terugkeerden uit Babylonië vergaat. De stad en het godsdienstig leven zijn een puinhoop. Daarop vraagt en krijgt Nehemia toestemming van de Perzische koning om de stadsmuren van Jeruzalem te herbouwen. Als de stadsmuren staan leest de priester Ezra te midden van het volk voor het eerst weer de Wet van Mozes voor. De wet van Mozes, daarmee wordt de Thora bedoeld, de eerste 5 Bijbelboeken van ons Oude Testament: dat zijn de verhalen waarin God direct spreekt tot bijvoorbeeld Adam, Abraham, Mozes.

Bij Nehemia is die tijd voorbij. Dan is God meer op afstand en verborgen. God spreekt mensen niet meer rechtstreeks aan. Het ‘Woord van God’ is een boek geworden. Het boek dat de priester Ezra aan de mensen voorleest.

Maar dat betekent niet dat God buitenspel staat. God is in het boek Nehemia de God die aangeroepen wordt. Nehemia probeert in alles te ontdekken en te doen wat God wil. 

Net als Nehemia willen wij ook God betrekken bij ons leven.

Als gebed bij de opening van de Schrift zingen cantor en zanggroep in wisselzang Psalm 119.

Overweging 

1. Gemeente van Jezus Christus,

Wat de ballingen in Jeruzalem doen, is precies wat wij hier op zondag doen: we luisteren naar het Woord van God en naar de uitleg van die woorden en we ondernemen actie, zoals ze in Nehemia eten en drinken delen, zo hebben wij vandaag de inzameling voor de Voedselbank.

In de lezing uit Nehemia valt op dat het horen van het Woord van God van alles teweeg brengt.

Mensen gaan staan, beamen hardop de lovende woorden, heffen hun handen op, knielen neer, buigen diep voor God, barsten in tranen uit, maken een feestmaal klaar, eten en drinken en delen ervan uit aan wie niets heeft en maken er een groot en vrolijk feest van. De volgende dag gaat het verder: de mensen begrijpen de woorden en de voorschriften, ze maken een loofhut, wonen erin, ervaren een enorme feestvreugde en vieren zeven dagen feest.

Indrukwekkend, al die acties, al die directe reacties op het opengaan van het Woord van God. Het is aanstekelijk om te lezen. Zo intens en uitbundig, de woorden komen blijkbaar aan.

Dát is bij ons denk ik niet helemaal hetzelfde.

Wij horen vandaag dan ook andere woorden dan de ballingen. Zoals gezegd: in Jeruzalem horen ze woorden uit de Wet van Mozes. In die Bijbelboeken spreekt God rechtstreeks mensen aan.

Wij lezen in Nehemia niet hoe God tot mensen spreekt, maar hoe de mensen reagéren op het Woord van God. Hun reacties stemden mij tot nadenken. Drie reacties wil ik uitlichten.

Allereerst het verdriet. De Israëlieten barsten in tranen uit als ze het Woord van God horen.

Het zijn tranen van schrik, van schaamte, van rouw en van verdriet. Als ze de woorden van God horen, de voorschriften hoe ze moeten leven en de belofte dat het ze goed zal gaan als ze zich houden aan de geboden, dan weten ze ook hoezeer ze tekortgeschoten zijn. Ze hebben nagelaten te leven vanuit die bevrijdende woorden.

Die tranen herken ik, die ervaring van een enorm contrast tussen hoe het gaat in deze wereld en in onze samenleving en hoe het zou moeten gaan. Heel openbaar zijn de tranen meestal niet, ik denk dat we ze vaak voor onszelf houden, evenals de pijn en het schuldgevoel. Maar ook wij kunnen er denk ik niet omheen en willen dat ook niet. Als je luistert naar de woorden van God dan wéét je hoezeer we tekort schieten. Het kán toch niet dat er zoveel mensen in nood zijn, dat we dat weten en toch niets doen. Zoveel in onze samenleving, in ons doen en laten, weerspreekt Gods wil. Wat doen wij met ons verdriet?

Een tweede reactie op het horen van het Woord van God is de liturgie. Liturgie betekent dienst aan God, en dat is precies wat de Israëlieten in een spontane vorm en wij in een daarop geënte vastere vorm doen: het staan, knielen en buigen, de lovende woorden, de gedeelde maaltijd, de uitleg en het begrip van de woorden, de wisselspraak, de feestelijkheid van de eerste dag die heilig is. In alles bevestigen deze liturgische handelingen wie God is en hoe wij God erkennen als eerbiedwaardig. Daarom dienen we God met woorden én daden.

Als de ballingen het Loofhuttenfeest vieren, herinneren ze zich hun afhankelijkheid van God en de voorlopigheid van alles wat wij soms als zekerheid beschouwen. Precies dat vieren wij ook in de liturgie. ‘Dit ene weten wij en aan dit één houden we ons vast in de donkere uren: er is een woord, dat eeuwig’lijk zal duren’.

Hoe belangrijk is de liturgie in tijden van corona? Volgens sommigen is de dienst aan God onmisbaar, kan God niet zonder. Maar de vraag die Nehemia bij mij oproept is ‘Kunnen wij wel zonder liturgie?’. En ook is de dienst aan God niet op elke plek in dit leven uit te voeren?

De derde reactie van het volk is er één die ik het minst herken en die daarom het meest tot nadenken stemt: dat is de vreugde.

‘Vreugde is niet een oppervlakkig gevoel, of een individualistisch geluk dat ons afsnijdt van anderen, maar zij is het rustige weten dat het leven zin heeft’ woorden van Prior Alois uit Taizé.

Dat zie ik terug in de grote feestvreugde van de Israëlieten. Zij zijn blij omdat ze inzien dat hun leven van God afhangt en daarmee niet ophoudt bij hun eigen tekort schieten – ze weten dat ze opnieuw kunnen beginnen, dat die bevrijdende woorden voor hen bestemd zijn.

Er staat: ‘Weest niet bedroefd, want de vreugde, die de Heer u geeft, is uw kracht’. Vreugde als tegenhanger van de tranen. Het is vreugde die het verdriet niet wil overstemmen of relativeren, maar die het in een perspectief plaatst. Deze dag is heilig. Deze eerste dag vieren we de vreugde om wat God ons geeft. Juist omdat er nog zoveel dagen volgen. Van deze vreugde moeten we het hebben. De vreugde om het Woord geeft ons de kracht om weerwoord te geven, om ons te laten raken, ons in te zetten en te doen wat ons te doen staat.

Door onze reactie op de woorden van God, door onze tranen, onze liturgie én onze vreugde hoeft God niet op afstand en verborgen te blijven. Het is aan ons om God te betrekken bij ons leven.

Nog één reactie uit de lezing van Nehemia wil ik noemen, het is de reactie die klinkt als het Woord van God geklonken heeft, dan staat er: ‘heel het volk antwoordde ‘Amen, amen’.’

11 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Ezra 1 en 3:1-6


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het alternatieve leesrooster uit het Oude Testament uit het Bijbelboek Ezra. Ezra gaat over de terugkeer naar Jeruzalem van de ballingen uit Babel. Net als de uittocht uit Egypte is die Babylonische ballingschap een beslissend gebeuren in de geschiedenis van het volk Israël. Even een schets daarvan:

In de 6e eeuw voor Christus (587v Chr.) verovert de Babylonische koning Nebukadnessar Jeruzalem, hij verwoest die stad en de tempel en hij voert een deel van Judeeërs, namelijk de elite, weg naar Babylonië. Die ballingen wonen daar in Babel als vreemdeling temidden van een andere cultuur, waar zij wel hun Joodse identiteit mogen behouden. Bijna 50 jaar later (539v Chr.) komt er een einde aan die Babylonische ballingschap als Babel veroverd wordt door de Perzische koning Cyrus. Deze Cyrus geeft de Joodse ballingen de vrijheid om terug te keren naar Jeruzalem. En meer dan dat, hij geeft ze de opdracht van God door om de tempel van Jeruzalem te herbouwen. Daarover gaat de lezing van vandaag.

Deze week vierden Joden Soekot, het loofhuttenfeest, één van de grote Joodse feesten. Ook hier in Amsterdam zijn deze week hutten gebouwd, op balkons, dakterrassen of op binnenplaatsen, als voorlopige plek onder de blote hemel. Het loofhuttenfeest brengt in herinnering hoe het volk Israël na de uittocht uit Egypte in de woestijn in hutten woonde en hoe afhankelijk toen en nu we zijn van God. Hoe voorlopig alles is, waarvan we wel eens denken dat het zeker is. Dat dak boven ons hoofd bijvoorbeeld.

Het loofhuttenfeest vieren Joden aan het begin van de 7e maand – dat is deze tijd. Dat is ook de tijd dat de teruggekeerde Judese ballingen zich verzamelen in Jeruzalem.

Overweging

1. ‘Als je niet bestond, vond ik je uit’ las ik eens.

Als de kerk nou niet zou bestaan, dit gebouw en deze gemeente er niet zouden zijn, zouden we er dan aan beginnen? En hoé zouden we er aan beginnen?

De Judeeërs die na jaren ballingschap terugkomen in Israël, hebben de opdracht gekregen om de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Wat opvalt is dat ze niet beginnen met de bouw van tempel, maar met het oprichten van het altaar, de plek waar God zich met mensen verbindt en de mensen met God. Ze bouwen dat altaar op de oude fundamenten van de tempel en ze offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes.

Én ze vieren feest – het Loofhuttenfeest, volgens de voorschriften. Dat feest hoort van oudsher bij de inwijding van de tempel. Tegelijkertijd verbeeldt het feest met al die hutjes van bladeren, dat elke vaste plek van mensen maar tijdelijk is. Dat feest herinnert ons eraan dat het leven een levenstocht is en dat het daarin niet gaat om het vastléggen van een plek van God, maar om het vasthoúden aan een vermoeden van een andere werkelijkheid.

Zo komt het dat de liturgische handelingen van offeren én feestvieren voorafgaan aan het bouwen van de tempel.

2. Daarmee stelt Ezra ons voor de vraag: wat is eigenlijk het belang van een vaste plek en van een gebouw? In deze coronatijd kunnen we tot de ontdekking komen hoe belangrijk een kerkgebouw voor ons is. Het kan zijn dat we ervaren dat ons geloof prima zonder zo’n vaste plek kan. Dat thuis vieren, in ons eigen hutje, om in de beeldspraak te blijven, net zo goed kan. Of we ontdekken dat we juist hevig verlangen om in de kerk te zijn en dat we deze plek nodig hebben.

Als gemeente bij elkaar komen, elkaar horen en zien, delen in wat feestelijk is zoals een belijdenis vandaag, dat is wat een gebouw mogelijk maakt.

Afgelopen maandag spraken we in de kleine kerkenraad van de Oranjekerk over waarom de ambtsdragers, ouderlingen en diakenen, zich inzetten voor de Oranjekerk. Dit was wat het meeste werd genoemd: zo’n plek als deze Oranjekerk moet er zijn en blijven. Hier kun je voor levensvragen terecht, vragen die je elders niet kunt stellen. Hier mag je verdrietig zijn en kun je troost vinden. Hier kun je je bezinnen en lukt het met geloof bezig te zijn, omdat je het niet in je eentje hoeft te doen. Hier kunnen we ons als gemeenschap inzetten voor een ander.

3. Voor de Joodse ballingen is Jeruzalem de aangewezen plek om de geloofsgemeenschap en de geloofspraktijk weer op te bouwen. En ze gebruiken daarvoor de oude fundamenten: letterlijk de fundamenten van de tempel en figuurlijk, het fundament dat ligt in de voorschriften in de wet van Mozes, in de rituelen, de feesten en met de priesters. Al die elementen dienen om die plaats voor God in het hart van Juda weer op te richten.

Het klinkt zelfverzekerd maar er is ook angst, voor de bevolking van het land. Voor diegenen die niet naar Babel zijn weggevoerd, maar altijd in Juda zijn blijven wonen. Hoe kijken zij er tegenaan dat de ballingen de godsdienstige praktijk weer opbouwen? 

4. Naar ik begrijp zijn er in de kerk heel wat mensen, collega’s ook, die bang zijn dat de kerk door deze tijd van verminderde kerkgang zal gaan verdwijnen. Dat mensen ontdekken dat ze wel zonder kerk kunnen en de kerken dus hun bestaansrecht verliezen.

Ik ben er niet bang voor. Want nooit zal alles verdwijnen.  

Kijk naar de ballingen, ze beginnen na 50 jaar opnieuw met wat er nog is aan fundament van de tempel en met wat ze nog over hebben van vroeger tijden; een priestergeslacht, de gouden en zilveren voorwerpen uit de verwoeste tempel, de voorschriften van Mozes.

Ze beginnen opnieuw, maar niet uit het niets.

Sterker nog, misschien hebben ze dóór hun ballingschap wel scherper door wát het is dat ze weer op willen bouwen. En wat daarvoor nodig en voorhanden is, tastbaar, kostbaar, onverwoestbaar. Zo hoop ik dat we in deze tijd waarin we niet meer vanzelfsprekend bij elkaar komen in de kerk, ook kunnen ontdekken wat we in deze tijd van ontheemd en vervreemd zijn, thuis aan geloofsvormen in ere blijven houden, welke oude schatten we koesteren en wat we weer willen opbouwen als het kan.

5. De ballingen weten wat hen te doen staat: die tempel voor God weer opbouwen in Jeruzalem. Hun Joodse identiteit en geloof krijgen weer voet aan de grond op die plek. Tegelijk komt de zekerheid die deze plek hen verschaft door het Loofhuttenfeest meteen weer in het licht te staan van de voorlopigheid. Niets is vanzelfsprekend. Leven met God betekent dat je, of je nu in ballingschap leeft of bent op de plek waar God woning vindt, dat je leeft met de verwachting dat wij eens terecht zullen komen.

Nogmaals de vraag: als zo’n plek en gemeenschap als deze niet meer zou bestaan, zouden we er dan opnieuw aan beginnen?

Ik denk het wel. Deze plek heeft bestaansrecht.

Ineke Dunharden die vandaag belijdenis zal doen van haar geloof, verwoordde het als volgt.

‘Dit is de plek waar ik af kan maken wat mijn moeder begonnen is met mijn doop’, en ze zei:

‘de eerste keer in de Oranjekerk voelde als thuiskomen’ en ‘ik heb me altijd gedragen gevoeld door God’. Bij de teruggekeerde ballingen die samenkomen in Jeruzalem herken is al die drie elementen: afmaken wat ooit begonnen is, thuiskomen en je gedragen weten.

Er is een groter kader waarbinnen we ons leven kunnen verstaan en het zin kunnen geven. Een kader van God met mensen onderweg. Een kader dat vorm krijgt in woorden, rituelen, feesten, een gemeenschap en misschien wel een gebouw. Oude schatten zijn er genoeg. Voor Ineke is dat 1 Korinthe 13 in de bewerking van Karel Eykman. Ik wil ermee afsluiten:

Zonder liefde ben ik nergens, zonder jullie stel ik niets voor.
Had ik jullie niet bij me dan ging ik er aan onderdoor.
Want liefde is echt en liefde is aardig, is open, oprecht en eerlijk, rechtvaardig.
’t Is liefde die ziet hoe opnieuw te beginnen die ieder verdriet ook de dood kan overwinnen.

4 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Daniël 6


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we volgens het alternatieve leesrooster uit het boek Daniël. Dit boek is het jongste geschrift uit ons Oude Testament en het bestaat uit verhalen over Daniël (en zijn drie vrienden) en Daniëls visioenen. Hoewel het is opgezet als een historisch boek, is het boek Daniël het best te verstaan als een heldenverhaal, net als het verhaal over Esther.

Daniël leeft in de 6e eeuw voor Christus als Judese balling in Babylonië. Temidden van die niet-Joodse cultuur blijft Daniël trouw aan de Joodse wetten.

In het 6e hoofdstuk, dat wij vandaag horen, heeft Daniël inmiddels een hoge bestuursfunctie verkregen aan het hof van de koning. Daniël staat bekend om zijn betrouwbaarheid en zijn uitzonderlijke talenten, iets wat afgunst wekt bij de andere bestuurders. Zij zorgen dat hij in de leeuwenkuil terechtkomt, een doodstraf.

Daniël, de held van het verhaal, laat zien dat wie trouw is aan God, uiteindelijk zal overwinnen en dat zijn vijand verslagen zal worden. Zo iemand als Daniël, iemand die God dient en God hoger acht dan welke wet of machthebber dan ook, zo iemand maakt indruk, zo iemand maakt onze aarde tot een betere plek. Tot die conclusie komt zijn koning, de koning van de Meden en de Perzen.

We vertellen het verhaal zo met vier stemmen. Het is een lang verhaal, maar ik beloof u een korte preek. Nog één luistertip, er is in het verhaal sprake van 120 satrapen, dat zijn bestuurders.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Hij is overgeleverd aan de onveranderlijke wet van Meden en Perzen én aan de klauwen van zijn bestuurders, deze koning Darius kan geen kant op. Hij zit vast, klemgezet in de wet die hij zelf ondertekende. Was hij gevleid door het idee dat iedereen hem zou moeten aanbidden en deed hij dat vanuit grootheidswaan of was hij gewoon dom? Hoe dan ook, koning Darius tekende een wet waar hij zelf niet boven staat. Hij is niet bij machte zijn trouwe onderdaan Daniël te redden en te bevrijden. Dus wat doet die koning – de enige tot wie de mensen in zijn rijk een gebed mogen richten? Die koning bidt zelf tot de God van Daniël met het verzoek om Daniël te redden en te doen wat hij zelf, de koning van de Meden en Perzen, niet kan.

Daniël ondertussen, heeft zich overgeleverd aan een andere wet. Hij is trouw aan de wet van de God van Israel, die erop gericht is mensen te bevrijden van wat onderdrukt. Daniël kijkt driemaal per dag de kant op van Jeruzalem en knielt en bidt tot zijn God. Zijn trouw aan de wet van God maakt dat hij betrouwbaar is in zijn positie. Daniël houdt de koning hoog. En God nog hoger. De nieuwe wet van Meden en Perzen verhindert Daniël niet te doen wat hij altijd doet, hij blijft zich richten op God. En die God zal Daniël redden en daarmee ook de koning die geen moord zal begaan op zijn trouwe dienaar.

Eind goed, al goed. Mooi verhaal. Hoewel, die leeuwen die niet alleen de beschuldigende bestuurders, maar ook hun vrouwen en kinderen opvreten, zoiets is alleen maar te verteren als je het verhaal kunt horen als een heldenverhaal, vergelijkbaar met hoe ook veel kinderboeken in elkaar zitten, een verhaal waarin de bedriegers uiteindelijk bedrogen worden. 

Eind goed, al goed, dat kun je wel zeker zeggen over het bericht dat de koning schrijft aan alle volken op aarde. Volgens de Bijbel in Gewone Taal schrijft de koning:

‘Ik hoop dat het goed met u gaat. 27Vandaag geef ik het bevel dat de God van Daniël alle eer moet krijgen. Iedereen in mijn koninkrijk moet veel eerbied voor hem hebben. Want hij is de levende God, nu en altijd. Aan zijn macht komt geen einde. 28Hij redt mensen en bevrijdt hen. In de hemel en op aarde doet hij dingen die mensen niet kunnen begrijpen. Hij heeft Daniël gered van de leeuwen.’

Dat Daniël trouw is gebleven aan zijn God is indrukwekkend. Dat hij gered is van de leeuwen is ontzagwekkend. Maar dat koning Darius zich bekeert tot de God van Daniël en die God een redder en bevrijder noemt, dat lijkt in dit verhaal het grootste wonder te zijn. 

2. Daniël is de held in een spectaculair verhaal. Een verhaal waarvan veel elementen volgens mij behoorlijk aansluiten op onze wereld. Wetten van Meden en Perzen zijn er nog steeds. Wetten die niet gemaakt zijn om recht te doen. Wetten waarvan het lijkt of niemand bij machte is ze te veranderen, ook al zijn onschuldige mensen het slachtoffer.

Graag zoom ik nog even in op de rol van Daniël. Daniël houdt vast aan zijn geloof en zijn God temidden van een andere cultuur met wie hij zijn geloof niet deelt. Daniël deelt wél met hen datgene wat hij te bieden heeft aan talenten, wijsheid en betrouwbaarheid. Eigenschappen dit ook samenhangen met zijn geloof. Daniel is dienstbaar en op het goede uit. Dat hijGod hoog houdt daarmee bevrijdt en redt hij uiteindelijk ook anderen die niet geloven.

Daniël is voor ons een voorbeeld.

En, Fieke, ik heb het je deze week al gezegd, ik zie een verband tussen de rol van Daniël en de rol die jij bijvoorbeeld had bij Stichting ShivA, waarbij je geestelijke raadsvrouw was voor mensen met HIV en Aids. In een omgeving waarin jouw geloof niet vanzelfsprekend was of gedeeld werd, heb je hoog willen houden wat dat geloof voor jou betekent en daarmee ook wat jij (of God) voor anderen kon betekenen. Menswaardigheid en betrouwbaarheid voorop. Doorbreking van onmenselijke wetten. Bevrijding van wat belast. Jij en jouw geloof zijn door anderen als zegen ervaren.

In onze tijd en omgeving is geloven in God en daar tijd en aandacht aan besteden, misschien wel even onvanzelfsprekend als in de situatie van Daniël. Dat biedt een kans, nl. de kans om te ontdekken waar je  desondanks aan vast wilt houden. Zo wil ik toch ook deze tijd van nieuwe coronamaatregelen wel zien. Wat houden we hoog, wetten of mensen?

3. Koning Darius kan de slaap niet vatten en haast zich vroeg in de ochtend naar de leeuwenkuil en vraagt zich af of Daniël nog in leven is. Daniël, zijn naam betekent ‘God spreekt recht’, laat weten dat hij leeft doordat een engel van God de leeuwenmuilen sloot. Daniel is immers in Gods ogen onschuldig en hij heeft ook de koning niets misdaan. De steen waarmee de gegraven kuil was afgesloten, wordt weggeschoven en Daniël komt omhoog uit de kuil. Daniël leeft en ook de koning komt weer tot leven.

Het lijkt wel opstanding. Sterker nog, net als bij het opstandingsevangelie van Matteüs (Matt 28: 16-20) wil koning Darius dat alle volken weten: ‘De God van Daniel is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Hij redt en bevrijdt’.

Stel je voor dat een heidense koning of wie dan ook die verder niets heeft met jouw geloof, dit over jouw God zegt. Dat is dan toch gewoon een goed verhaal?             

Amen.

13 sept

Startzondag, ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteus 18: (1) 15-20


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag uit het evangelie van Matteüs een gedeelte uit de zogenaamde gemeentetoespraak van Jezus. Die toespraak begint met de leerlingen die aan Jezus vragen wie het belangrijkste is in het Koninkrijk van God. Jezus stelt als antwoord een kind in hun midden en legt uit dat wie niet klein en kwetsbaar wil worden, zoals een kind dat is, het Koninkrijk van God niet zal binnengaan.

Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van het verloren schaap. Als een mens honderd schapen heeft en er raakt er één verdwaald, dan laat hij de negenennegentig achter om die ene te zoeken. Zo, zegt Jezus, is het met God, die wil niet dat er ook maar één mens verloren gaat.

En dan volgt onze lezing van vandaag, die gaat over de situatie waarin het misgaat in de gemeente, wanneer iemand ruzie met jou maakt of afhaakt. Jezus geeft een belangrijke leidraad voor wat je dan moet doen en dat heeft alles te maken met jezelf niet groter willen maken dan de ander, maar de ander ruimte bieden om zich weer te kunnen verbinden, zodat die niet afdwaalt.

Het is geen eenvoudige tekst en daarom heb ik twee luistertips vooraf:

De eerste: in de lezing gaat het over hoe je moet omgaan met iemand die zondigt. Nu heeft het woord ‘zonde’ in de Bijbel een andere betekenis dan hoe wij het meestal verstaan. Ik leg dat even uit.

Als je een beker melk omstoot dan zeg je ‘o, wat zonde’ en dat is het ook. Want er gaat iets mis, er is iets verstoord. De melk die was bedoeld om op te drinken, ligt nu op de grond.

Precies zo is de betekenis van ‘zonde’ in de Bijbel. Zonde dat is niet dat één iemand een morele misstap begaat en daarvoor gestraft moet worden, nee het is dat er iets misgaat, iets verstoord raakt in hoe de mens bedoeld is en in de verbondenheid tussen mens en God. Als een mens de verbondenheid met God verbreekt en een andere macht dient, zoals de macht van het geld of van de overheersing, dan komt er iets tussen de gemeenschap en God in te staan. Dan loopt het goede leven van mensen met elkaar gevaar. Dan verwaarloos je de vrijheid die God aan mensen gaf. En daarom is het van groot belang dat we mensen die het leven in de gemeente verstoren, die zondigen, er weer bij proberen te halen. Ten alle tijde moeten we willen voorkomen dat we mensen verliezen. 

En dat is meteen de 2e luistertip: bedenk bij het horen van de lezing dat de achtergrond is: dat God niet wil dat iemand verloren gaat, oftewel buiten het goede leven valt.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Het ene moment hebben we een kind in ons midden, klein en kwetsbaar, gedragen door haar ouders, door ons als gemeente en door God bovenal – het andere moment lezen we een complexe tekst over omgaan met iemand die zondigt in de gemeente en hoe het de hemel aangaat hoe wij daarmee omgaan.

Je kunt bedenken dat je die twee beter niet op startzondag probeert te combineren, maar dat is precies wat in het Bijbelverhaal wel gebeurt. Jezus begint met het in het midden zetten van een kind.

Een kind dat aantoonbaar onmondig is, afhankelijk, kwetsbaar, zonder status.

Bij alles wat Jezus tegen de gemeente gaat zeggen kunnen ze niet hier omheen: een klein en kwetsbaar mens. Wil je een rol spelen in Gods nieuwe wereld, dan zul je moeten worden als een kind, niet groter willen zijn dan een ander, maar het wagen je klein te maken.

Oftewel: Jezus volgen betekent afstand doen van macht en het afleggen van een gevoel van superioriteit. Als er ruzie is in de gemeente, als de ander jou wat heeft misdaan, dan is het eerste wat je moet doen de ander daar onder vier ogen op aan spreken. Help die ander die tegen jou gezondigd heeft om tot inkeer te komen en dan zonder gezichtsverlies. Ga niet óver de ander praten, maar mét diegene zelf.

(Dankbaar was ik, twee weken geleden, toen een gemeentelid mij belde over iets wat ik had nagelaten en wat niet goed was gevallen. Het gaf mij de gelegenheid om sorry te zeggen).

Als die ander niet wil luisteren, probeer het dan nog eens met twee getuigen. Die kunnen helpen om de ander te overtuigen van de verkeerde stap die hij of zij heeft gezet. Als dat niet helpt, schakel dan ook de rest van de gemeente in. En als de zondaar dan nog weigert terug te keren van zijn misstap – behandel hem dan als de heiden of de tollenaar.

Dat is een goede hersenkraker! Hoe behandelt Jezus ook al weer de heiden en de tollenaar?

Jezus sluit die niet buiten, maar haalt ze juist binnen. Dus Jezus’ woorden benadrukken nogmaals dat we de ander niet moeten uitsluiten maar insluiten, ondanks zijn zonde. Want ‘niemand mag verloren gaan’.

2. Zo kunnen we nu ook het volgende stuk van Matteüs lezen: Hoe wij hier in de gemeente, op aarde omgaan met iemand die zondigt, dat heeft betekenis voor hoe het met iemand verder gaat. Daar moeten we ons bewust van zijn. Als wij iemand afschrijven, vastpinnen op wat diegene ons misdeed, dan blijft dat tot in lengte van jaren aan hem of haar kleven. Tot in eeuwigheid, tot in de hemel.

Betekent dit dat God dit afschrijven nog eens opnieuw zal bevestigen? Dat lijkt me niet.

Het is eerder andersom, wij moeten het niet zover laten komen. Sterker nog, als we met elkaar alles op alles zetten om de boel bij elkaar te houden in de gemeente, dan weerspiegelen we wat God van ons vraagt. Dan zal dat zo gebeuren. Daar rust zegen op, dat is die hemel die bevestigt.

‘Want’, staat er dan, en dan komt de beroemde Bijbelse zin waar deze tekst mee eindigt: ‘waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden.’ Deze zin wordt te pas, maar vooral te onpas op zichzelf gebruikt, als zou het hier gaan over dat hoe klein het groepje gelovigen ook is dat bij elkaar komt, we toch ervan verzekerd mogen zijn dat God erbij is. Dat zal zo zijn, maar met de voorafgaande tekst erbij is duidelijk dat wat hier gezegd wordt veel dieper gaat. Eensgezind zoeken naar een manier om verder te gaan is heilzaam. Matteus verwijst hier naar een oude rabbijnse uitspraak die zegt: ‘Wanneer twee mensen bij elkaar zitten en de woorden van de Thora/Bijbel zijn hun woorden, dan is de Eeuwige in hun midden’.

Oftewel wanneer we met twee of drie mensen in de Geest van Jezus leven, doen wat Gods Woord ons zegt, dan is daarmee God in ons samenzijn tegenwoordig. 

3. En zo hebben we hier een handleiding voor hoe we met elkaar om dienen te gaan in de gemeente. De tekst biedt openheid: schrijf niemand af, zoek de gemeenschap, laat je niet weerhouden door je eigen gelijk of pijn, wees groots door niet je ego te laten gelden, vermijd ten alle tijde dat je de ander dan maar afschrijft.

In de praktijk is dat nog een hele opgave, want dit vraagt nogal wat van onze houding naar anderen toe.

Petrus bevraagt Jezus meteen hierna daarover als volgt (Matt 18: 21-22) ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’.

En Jezus antwoordt: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’

Het is oneindig dat wij ons best moeten doen om de ander te bekeren van een verkeerd ingeslagen weg.

En het is onze opdracht de ander te willen blijven zien als de naaste die is als wij, die God liefheeft.

4. Nu hebben wij in deze maanden waarin we om moeten gaan met de coronacrisis ook te maken met een verstoring in de gemeente, mensen die afhaken. ‘Zonde’ is het, in de Bijbelse zin van het woord, dat begrijpt u. Niemand is er op uit, maar door de omstandigheden is er sprake van minder verbondenheid. Tenminste zo ervaar ik het. (Misschien bent u het niet met me eens, dan mag u me daar om te beginnen onder 4 ogen op aan spreken.) Maar ik ervaar dat ik minder vaak in de kerk ben, u minder zie en spreek, dat ik minder aandacht heb voor de buurt, voor anderen, voor God misschien.

In een bijeenkomst vorige week hier in de Oranjekerk met 20’ers en 30’ers kwam ter sprake dat ook de verbondenheid met familie of vrienden te lijden heeft in deze coronatijd doordat het veel voorkomt dat naasten heel anders omgaan met de maatregelen die ze nodig vinden zoals afstand houden.

Hoe houden we de boel bij elkaar in deze tijd? Kan de gemeentetoespraak van Jezus ook daarin een weg wijzen? Ik zie drie dingen oplichten.

Het eerste is dat Jezus zegt ‘bespreek het’. In kleine kring of groter, als er iets is verstoord, zoek elkaar op, breng het ter sprake. De lijst met vragen die we vandaag rond delen heeft daarmee te maken.

Het tweede is de oproep van Jezus om ‘te worden als een kind’, je niet groot te willen maken, maar juist de aandacht te richten op kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Ik moet denken aan collegapredikant Otto Grevink die over gemeentezijn in coronatijd schreef: ‘pas je tempo aan, aan wie niet mee kan komen’. Nu we niet alles kunnen doen zoals we het voorheen deden in de kerk, en zolang velen niet kunnen komen, zullen we tijd moeten nemen om te bedenken hoe we wel verbonden met elkaar kunnen blijven, en zullen we open moeten staan voor nieuwe vormen van kerk zijn zodat iedereen aan kan haken.

Het derde wat ons kan helpen is de bemoediging in die laatste woorden ‘waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’. Als we elkaar weten te vinden in het verlangen om in Gods naam te zoeken naar een oplossing voor wat verstoord is, dan zijn we een eind op weg. Als mensen het verlangen delen om God hoog te houden en stappen durven zetten om de ander erbij te houden, dan is God aanwezig.

En bedenk: Jezus spreekt in zijn toespraak niet degene aan die zondigt, die verstoort. Hij spreekt ons allemaal aan als degenen die een ander erbij kunnen houden, die het samen met anderen waar kunnen waarmaken: dat God in ons midden is. Amen.