4 november 2018

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Openbaring 4

 
Kinderverhaal
Iedereen in de klas van juf Ayse mag een doos uitzoeken. Een kleine doos of een grote, mag je zelf weten als het maar een goede doos is om je geheime schat in te verpakken, zegt juf Ayse.
Je geheime schat? De kinderen snappen niet meteen wat de juffrouw bedoelt.
‘Mijn geheime schat ligt thuis’, zegt Jolein. Ik weet niet of ik wel een geheime schat heb, zegt Mo. Mijne past echt niet in een doos, zegt Corné.
Maar juffrouw Ayse zegt: dat geeft allemaal niets. Het gaat erom dat ik wil dat jullie bedenken hoe jullie je geheime schat zouden willen inpakken. Het allerkostbaarste wat je hebt. Het allermooiste, of het allergeheimste. Weten jullie dat?
Nou, iedereen heeft al snel een idee. En gelukkig ligt er heel veel materiaal in de knutselhoek. Jolein pakt een pluizig stuk paarse stof en pakt daar de schoenendoos in. Mo wikkelt zilveren aluminiumfolie om zijn doos. En Corné plakt drie dozen boven op elkaar, schildert ze zwart en tekent er allemaal zwaarden op want ‘anders komen dieven het misschien stelen, juf’. Lisa heeft allemaal regenbogen op een klein doosje getekend en ook nog een unicorn. En Saar heeft een bewakingscamera geknutseld voor op haar doos.
 
Aan het eind van de les staat de klas vol met dozen waaraan je goed kunt zien dat ze voor bijzondere schatten zijn bedoeld.
Gaan we nog raden wat er in de dozen hoort?, vraagt Lisa.
Nee, zegt juf Ayse, dat doen we niet, dat blijft geheim.
Ah, zeggen de kinderen, iedereen is zo nieuwsgierig, maar stiekem is dit ook wel fijn.
 
Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag start het leesrooster met een alternatieve route door het Bijbelboek Openbaring.
Dat is niet zo’n bekend boek en daarom wil ik eerst toelichten waar het over gaat.
Voluit heet het boek de Openbaring van Johannes, waarbij het niet bekend is welke Johannes het is die de schrijver is.
Het boek is het laatste geschrift van de Bijbel. (…). Het is een apocalyptisch geschrift. Wat betekent een onthullend, openbarend geschrift en dan gaat het om een geschrift waarin God via visioenen aan mensen zijn geheimen onthult. Via visioenen geheimen over God onthullen, dat klinkt omslachtig en dat is het ook mét reden.
 
Want de openbaring van Johannes is geschreven in de 1e eeuw na Christus toen de vroege christenen in Klein-Azie vervolgd werden. Het Romeinse Rijk is een uitgebreid imperium waarbinnen iedereen zich moet voegen naar het Romeinse gezag. Wie niet buigt voor de Romeinse keizer en de beelden van keizer in de tempel niet wil vereren omdat hij alleen voor God wilde buigen, die wordt onderdrukt.
 
Aan de vervolgde christenen schrijft Johannes over het visioen dat hij heeft gehad van God. En hij schrijft dat in beeldtaal die zij wel meteen zullen begrijpen omdat het allerlei beelden bevat uit de Bijbel, maar die voor buitenstaanders niet meteen te begrijpen is.
 
Dat maakt dat de Openbaring voor ons als hedendaagse lezers best moeilijk te vatten is, omdat ook wij die beeldtaal niet goed kennen.
Er is getallensymboliek. Bijvoorbeeld het getal zeven, getal van de volheid, komt telkens naar voren. En ook het getal 4 van alle windstreken.
De duivel komt erin voor, symbool van de kwade macht.
Het lam, symbool voor Christus en voor élk slachtoffer in de wereld.
En het hele visioen gaat om een strijd die er is - niet zal komen, maar er is - tussen goddelijke en antigoddelijke krachten, waarbij uiteindelijk God oordeelt en overwint.
 
Al met al is Openbaring een heftig geschrift dat is bedoeld om de gelovigen te bemoedigen en op te roepen om stand te houden ondanks de vervolging want: de werkelijke macht over de wereld is in handen van God en Christus, die spoedig zal terugkeren.
 
Vandaag horen we het eerste stukje uit het visioen. Fatima zal voor ons lezen.
 
Overweging
Gemeente van Jezus Christus,
 
Hoe leg je aan kinderen uit wat het verschil is tussen een Bijbelverhaal en een verhaal uit
een ander boek? Die vraag kwam naar voren in het gesprek dat ik had met de doopouders. Trouwens: hoe leg je aan volwassenen uit wat het verschil is?
Ik denk zo: een Bijbelverhaal zegt altijd iets over God en mensen. Én taal kan iets verpakken om zo iets te onthullen over God, wat je op een andere manier niet zeggen kan.
 
Onze lezing uit Openbaring is als een verpakking om het geheim van wie God is in deze wereld. Alles trekt Johannes uit de kast: de hemel, een troon, kostbare edelstenen (jaspis en sarder), de leiders van het volk, gekroond en in het wit gekleed, donder en bliksem, de regenboog, zeven fakkels, zeven geesten enzovoort.
Er kan geen twijfel over bestaan, Johannes wil duidelijk maken dat diegene op de troon de enige te vereren God is. Én het komt zover dat werkelijk iedereen uit alle vier windstreken van voren en van achter scherp ziet - door al die ogen - dat deze God geëerd moet worden. Dit is de allerhoogste Heer en niet een wereldlijke leider dus. 
En zo vereert dan de hele wereld Hem: ‘heilig, heilig, heilig’ klinkt het dag en nacht en nog meer aanbiddende woorden zoals ‘U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.’
Nu zal pas in het volgende hoofdstuk van Openbaring blijken dat temidden van al deze pracht en praal en lof hét ware symbool voor deze allerhoogste God een geslachtofferd lam is, het toonbeeld van kwetsbaarheid. Niet een overwinnaar maar de zondebok waarin we Jezus herkennen heeft het hoogste gezag in de hemel.
 
Hoe is deze tekst nou bemoedigend en troostend voor mensen in tijden van nood? Of om dichter bij onszelf te blijven: wat onthult deze tekst over God, wat voor ons relevant is?
 
We kunnen helaas in de actualiteit heel wat situaties aanwijzen die doen denken aan dat principe van stikken of slikken van het Romeinse Rijk. Nogal wat regeringsleiders in deze tijd, zoals de net verkozen president Bolsonaro in Brazilië, maar ook anderen in de wereld en ook in Nederland willen minderheden in de samenleving minder rechten toekennen dan ‘gewone burgers’. Zij dwingen mensen te buigen voor hun macht, of vervolgen mensen om wie ze zijn.
Dit visioen van Johannes waarin alles en iedereen, ook de wereldse macht, buigt voor God, en dus voor kwetsbaarheid, voor slachtoffers, is dan wel een omkering om naar uit te zien. Dit geheim van wie God is als hoogste of diepste grond van het bestaan waar alles voor moet buigen, is de kern van Openbaring.
 
Toch ligt de relevantie van deze lezing voor mij niet in het kennen van deze kern van de tekst, maar in het gebruik maken van de verpakking. En met die verpakking bedoel ik de taal die gebruikt wordt in deze tekst. Deze taal van het aanroepen van God, komt terug in de liturgie en in de rituelen van onze viering. Het is de verpakking waar God in mee komt.
God ‘heilig’ noemen en daarvan zingen bijvoorbeeld, als we dat doen in de viering dan geven we een weerwoord aan elke leider die denkt dat hij boven de wet verheven is.
Als we hardop zeggen dat God ‘Liefde is en grond van ons bestaan’, dan is dat een aanmoediging aan ieder mens om zich niet neer te leggen bij een achtergestelde positie.
Als wij deel willen uitmaken van een gemeenschap van gelovigen, dan erkennen wij dat we niet zonder de ander kunnen, dat anderen ons nodig hebben zoals wij hen om voor ons op te komen als we in de verdrukking zitten.
‘God danken’, zoals bij deze oogstdienst, dat is inzien dat het niet onze verdienste wat ons aan goede dingen toevalt in dit leven.
 
Net als de Openbaring van Johannes kan een viering ons brengen dat we ons niet blindstaren op ons eigen leven als centrum van de wereld, maar dat we oog krijgen voor waar het voor de toekomst van ons mensen op aan komt – namelijk om eer te geven aan God, die we in de kwetsbare ander ontmoeten.
Als we aan kinderen de Bijbelverhalen vertellen, of zelf met de Bijbel aan de gang gaan, dan hebben we te maken met de buitenkant, de plaatjes, de taal, én met de binnenkant, dat geheim wie God is.
 
Vandaag dopen wij twee kleine kinderen. We verbinden met taal en ritueel hun leven met het geheim van wie God is. We noemen hun veelzeggende namen ‘ster van de zee’ en ‘godsgeschenk’ en we weten: in deze ruimte komt met het noemen van hun namen God mee.
Amen

28 okt

Ds. Henk Meulink

Bijbellezing: Psalm 13 + Marcus 10:46-52


Gemeente van Jezus Christus, geliefde mensen van God,

Zijn wij ziende blind? Laten wij de problemen waar onze wereld, onze samenleving voor  staat, voldoende tot ons doordringen? Nemen wij de zorgen om ons milieu, de veranderingen in het klimaat wel serieus? Zien wij wel in hoe die ontwikkelingen en de ongelijke inkomensverhoudingen de vluchtelingenstromen in gang houden en zijn wij bereid een deel van onze welvaart in te leveren om daar verandering in te brengen. Sluiten wij onze ogen niet te gemakkelijk voor de beelden van kinderen die honger lijden door de machtsstrijd die over hun hoofden wordt uitgevochten, met wapens die ook in onze naam worden geleverd? Hoe is het met onze inzet voor, zoals de Wereldraad van Kerken het ooit noemde, gerechtigheid, vrede en behoud van de schepping?  In hoeverre zijn wij bereid de weg te gaan die God ons wijst, die Jezus voor ons uit is gegaan? Als ik bij deze vragen “wij” zeg, bedoel ik dat ook persoonlijk: in hoeverre zie ik de problemen, neem ik ze serieus, ben ik bereid tot een verandering in gedrag? Laat ik maar eerlijk zijn: ik heb moeite mijn ogen niet dicht te houden, zelf de consequenties te trekken.

Ik kwam tot deze vragen bij, toen ik probeerde te doordenken, wat het verhaal over de blinde Bartimeüs, zijn schreeuw om ontferming, de reacties van de menigte en de wijze waarop Jezus met hem omgaat ons in onze situatie te zeggen heeft. De afgelopen weken hebben we in onze diensten het evangelie van Marcus stap voor stap gevolgd. Binnen dat evangelie heeft het verhaal van vandaag een bijzondere positie. Het is de afsluiting van het gedeelte uit het evangelie waarin Jezus met zijn leerlingen op weg is van Galilea naar Jeruzalem. Ze zijn nu in Jericho. Nog 30 kilometer scheiden hen van de stad, waar het laatste deel van Jezus´ leven zich zal afspelen. Direct na dit verhaal vertelt Marcus van de intocht in Jeruzalem. In dat middengedeelte kwam als een steeds herhaald refrein aan de orde in hoeverre de leerlingen van Jezus en de menigte die Hem volgt wel inzien wie Jezus is, waar het Hem om gaat, wat Hem te wachten staat en wat het betekent Hem te volgen. Tot drie keer toe vertelt Jezus dat de weg die Hij gaat, de weerstand die zijn woorden en daden oproepen, tot zijn arrestatie, veroordeling, marteling, vernedering en kruisiging zal leiden. Het zal geen triomftocht worden, maar een lijdensweg. Waaraan Jezus dan iets onbegrijpelijks toevoegt: drie dagen na zijn dood zal Hij worden opgewekt.  De leerlingen van Jezus, zo vertelt Marcus, willen wat Jezus hen voor ogen stelt, niet horen en verstaan. Ze weren het af –“dat zal niet gebeuren” – of ze gaan totaal niet passende gesprekken aan wie toch wel de belangrijkste onder hen is, of proberen al de plek naast Jezus in zijn glorie te bemachtigen. En Jezus – die steeds eenzamer lijkt te worden – roept hen op tot een verandering in mentaliteit en gedrag: het moet jullie niet om heersen, om macht – met zo vaak misbruik van macht  - gaan, Ik roep jullie op tot een houding van dienen,  van antwoord geven op het beroep dat het gelaat van de ander op je doet. En zelf laat Hij in zijn handelen zien wat dat betekent. Maar Jezus waarschuwt ook: de weg die Ik ga, zal consequenties hebben, voor Mijzelf, voor wie Mij wil volgen. Hebben de leerlingen van Jezus zijn woorden verstaan, zijn zij tot inzicht gekomen? En in hoeverre geldt dat voor ons? Daar ging het de afgelopen weken steeds om.

Bijna aan het einde van hun reis zijn Jezus en zijn volgelingen in Jericho gekomen. Marcus vertelt niet wat ze daar deden – zijn evangelie heeft altijd iets gehaast, is niet voor niets het kortste - , ze gaan de stad al weer uit. Daar worden zij geconfronteerd met het geschreeuw van een man: “Zoon van David, Jezus, Eleison! Ontferm U!”, roept hij. En als ze naar hem omzien, zien ze een man die langs de weg zit, blind is en bedelt. Met die paar woorden wordt zijn situatie kort maar krachtig aangeduid. De prachtige tekening van Kees de Kort op de liturgie geeft het treffend weer. Zijn handicap maakt dat hij niet meetelt, in armoede vervallen is, om een aalmoes – een woord afgeleid van eleison – moet vragen.

Wat bijzonder, uitzonderlijk, is dat hij van Marcus een naam krijgt: Bartimeüs.

Die naam intrigeert. Die naam wordt uitgelegd: die betekent zoon – Bar is het  Aramees voor zoon – zoon van Timeüs. Timeüs is een Grieks woord dat geëerd betekent. Maar als zijn vader een geëerde was, hoe kan het dan dat hij in zo´n ellendige situatie terecht gekomen is? Kijkt zelfs zijn familie niet meer naar hem om? Waarom is hij verstoten? Waarom wordt hij, zoals zo verteld wordt, zo vijandig bejegend? Betekent dat ook, zoals David het in Psalm 13 verwoordt, God hem vergeet? Tot ieder die zich maar enigszins herkent in de situatie waarin Bartimeüs zich bevindt,  zou ik allereerst willen zeggen: in de geschriften van de Bijbel is er aandacht voor je. Aan wie in ellende verkeert wordt niet voorbijgegaan, horen we ook vandaag weer, zowel in de Psalmen, als in het verhaal van Marcus. Maar daaraan mag ik toevoegen: schik jezelf niet in je ellende, houd je niet stil, maar laat je horen. Schreeuw je nood maar uit. Doe een beroep op anderen. Want bij Bartimeüs is dat de eerste stap naar zijn genezing, naar een ander leven. Zoals de roepende psalmist ook vertelt van zijn redding.

Maar er is meer over Bartimeüs te zeggen. Ook de woorden die hij gebruikt intrigeren. “Zoon van David, Jezus”, zo heeft nog nooit iemand in het evangelie van Marcus Jezus genoemd. “Zoon van David”, dat is de uitdrukking die in Israël wordt gebruikt voor de messias die wordt verwacht. Ziet, doorziet, deze blinde bedelaar wie Jezus is, van wie hij heeft gehoord, die hij daarom vol verwachting aanroept? Ja, moet je zeggen: hij, die gezien zijn naam misschien wel een Griek, een buitenstaander, een heiden is, hij ziet wie Jezus is. Hij ziet, waar van de volgelingen van Jezus steeds maar weer is gezegd: zij zien het niet, zij verstaan het niet werkelijk. Ja, wie is er blind in dit verhaal?



Ook dat intrigeert. Het roept bij mij de vraag op, meer nog, het doet mij erkennen dat de waarheid misschien wel vaker dan we denken van buiten de kerk wordt gesproken. Als we zien wie ons voor houden voor welke problemen onze samenleving staat, die benoemen, ja, uitschreeuwen, en wie ons voorgaan op de weg die problemen aan te pakken, tot een verandering in mentaliteit en gedrag, dan komt die roep vaak van buiten de kerk. Met de vraag aan ons, aan mij: horen we, hoor ik die stem voldoende. Willen wij ook tot inzicht komen?

Wordt de schreeuw van Bartimeüs gehoord? Dat zeker, maar de reactie van wie die schreeuw horen is wel verschillend. Veel mensen op de weg snauwen hem toe: Houd je mond. Je stoort ons. En dat willen wij niet. Hebben zij echt nog niets geleerd van wat Jezus hen over een houding van dienen heeft gezegd en voorgeleefd?   Maar Bartimeüs laat zich de mond niet snoeren. Hij schreeuwt nog harder: “Zoon van David, ontferm U over mij”. Jezus reageert anders. Hìj snauwt niet, loopt niet door, maar blijft staan. Hij weet zich aangesproken. Zoals we steeds van Hem horen: als mensen een beroep op Jezus doen, laat Hij zich storen. Op het beroep dat Bartimeüs op Hem doet, reageert Jezus door op zijn beurt hem te roepen. Het is eigenlijk heel humoristisch, maar ook betekenisvol, zoals Marcus dat vertelt: Jezus schakelt de omstanders die Bartimeüs afsnauwden zelf in om hem te roepen. Hij dwingt hen tot een andere houding: zie naar die man om, maak contact met hem, roep hem. Wordt zo ook ons niet voorgehouden hoe wij zouden moeten omgaan met een vreemde die een beroep op ons doet? Ja, zo ervaar ik het in ieder geval. Jezus zet ons tot een andere houding aan.
De mensen rond Jezus laten zich veranderen. Nu spreken ze Bartimeüs aan en bemoedigen hem: sta op,  ga naar Jezus toe. En hij staat op en gaat. Hij gooit zijn mantel af.  Waar dat voor staat is niet helemaal duidelijk. Laat Bartimeüs het laatste wat hij bezit, waar hij gehecht aan is, los om het avontuur van een nieuwe toekomst aan te gaan? Dan wordt het ook een vraag aan ons: kunnen, durven wij dat ook, loslaten waar wij aan gehecht zijn?

Het gesprek tussen Jezus en Bartimeüs dat dan plaatsvindt, vind ik in al zijn kortheid een leerschool voor pastoraat. Jezus stelt een open vraag: je doet een beroep op Mij, maar wàt kan Ik voor je doen? Hij heeft dat al niet ingevuld, maar wil dat horen van de ander. Als Bartimeüs dan vraagt: zorg dat ik weer kan zien, volgt er niet een of ander genezingsritueel. Nee, Jezus zegt alleen maar: je geloof heeft je gered. Dan merkt Bartimeüs dat hij weer kan zien. Geloven, dat is vertrouwen. In vertrouwen deed Bartimeüs een beroep op Jezus. In vertrouwen staat hij op als Jezus hem laat roepen. In vertrouwen laat hij alles wat hij bezit achter zich. En die houding van vertrouwen bekrachtigt Jezus. Hij bevestigt de eigen kracht van Bartimeüs. Prachtig. Het roept de vraag op: hoe blind was Bartimeüs eigenlijk? Ja, ik ga er vanuit dat hij blind was en weer gaat zien. Maar het is ook duidelijk dat Bartimeüs ook al ziende was, in zag wie Jezus is, dat verandering mogelijk is, en in vertrouwen op staat. Jezus beëindigt het gesprek door Bartimeüs vrij te laten in wat hij nu zal doen. Ga heen. Maar Bartimeüs kiest er voor Jezus te blijven volgen op zijn weg, die naar Jeruzalem leidt.

Bartimeüs maakt zo de beweging van zitten langs de weg, naar Jezus volgen op zijn weg. Hij weet zich geroepen. Hij staat op en gaat, in vertrouwen.  Daartoe roept zijn verhaal ook ons op. Het is Lucas die christenen aanduidt als mensen, als “aanhangers van de Weg”. Dat is een aanduiding van betekenis. Wie zich christen noemt, kiest er voor op weg te gaan. Dat betekent dat je durft los te laten, dat betekent dat je durft te vertrouwen op de weg die Jezus wijst. De Wereldraad van Kerken drukt dat mooi uit door te zeggen: wij zijn een beweging van mensen die als pelgrims op weg gaan op zoek naar een samenleving van gerechtigheid en vrede, in vertrouwen dat zo´n wereld mogelijk is. De Bijbel reikt ons geen handboek aan hoe we ten aanzien de problemen van klimaat, milieu, inkomensverschillen en zo moeten handelen. Maar wijst ons, vandaag opnieuw, wel een richting, roept ons op op weg te gaan, vraagt ons in te zien waar het om gaat als we deze wereld op een verantwoorde wijze willen nalaten aan de generaties na ons, wijst ons op mensen buiten de kerk, die misschien wel meer inzien en aangeven wat nodig is, vraagt ons om een houding van dienstbaarheid, waarbij we afzien van macht en eigen belang op de korte termijn, vraagt ons om een weg te gaan die niet altijd gemakkelijk zal zijn, maar sterkt ons ook in vertrouwen dat een goede toekomst voor deze wereld mogelijk is. Als we dat inzien, mogen we met Bartimeüs ons geroepen weten, opstaan en op weg gaan, als mensen die zien. Amen.

ds Henk Meulink

9 sept

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Marcus 8:27-9:1

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus een tekst waarin het er nogal heftig aan toe gaat. Jezus stelt zijn leerlingen eerst confronterende vragen over wat ze nu werkelijk van Hem denken. Dan kondigt Hij aan dat Hij moet lijden en sterven (en zal opstaan), waarop een confrontatie volgt tussen Jezus en Petrus. En daarna zegt Jezus ook nog dingen als ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen’.

Voer voor theologen is het. Een tekst om daadwerkelijk uit te leggen als predikant in een preek. En dat heb ik ook gedaan. Vorig jaar rond deze tijd preekte ik over vrijwel dezelfde tekst, want toen was de parallelle lezing uit het evangelie van Mattheüs aan de beurt. En in die preek ben ik ingegaan op moeilijkheden in deze tekst. Die preek ligt voor u klaar bij de uitgang, u kunt hem vandaag meenemen en thuis lezen. (preek is op te vragen via )

Vandaag wil ik wat anders doen met deze Bijbellezing en dat heeft alles te maken met ons jaarthema ‘Een goed gesprek’ en het thema van vandaag ‘Goede vraag!’.

Het horen van de Schriftlezing is vandaag voor ieder van ons een opmaat en een aanmoediging om te bedenken welke vraag over geloof ons het meest op het hart ligt. Want ook daar gaat het in de Schriftlezing om, om het hardop stellen van de meest wezenlijke vragen rond geloof.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Een rijke schat van wijsheid’ – ‘Gods woord gordt mensen aan (…) stil het kruis te dragen achter hun Heiland aan’.

Twee zinnen uit dat ene lied dat we net zongen, met nogal een verschillende nadruk op hoe je aan kunt kijken en om kan gaan met de woorden uit de Bijbel.

En wat voor een woorden! Sommige misschien maar al te bekend, maar wat betekenen ze voor ons, vandaag, in de praktijk?

Daarover gaan preken over het algemeen. Maar wat kunnen we leren van elkaar?

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’. Jezus brengt alle vragen die er zijn rond zijn verschijning nu eens concreet ter sprake. Wat wordt er zoal gedacht over Hem?

En, nog belangrijker, ‘Wie ben ik volgens jullie?’. Al een lange tijd trekken de leerlingen met Jezus op en ze hebben al van alles gehoord en gezien, van genezingen en hoe Jezus spreekt over God. Nu wil Jezus weten hoe zijn leerlingen tegenover hem staan.

De vraag van Jezus ‘Wie ben ik volgens jullie?’ is geen vrijblijvende vraag. Het is geen vraag naar kennis, het is geen vraag van het hoofd, maar een vraag naar het hart.

Waar staan jullie, leerlingen, ten opzichte van mij? Kunnen jullie me volgen?

Petrus zegt van wel, hij geeft het goede antwoord, ‘U bent de Messias’, maar trekt daar conclusies uit, over niet hoeven lijden, die niet kloppen bij wat Jezus duidelijk wil maken over wat dat betekent. En dus staat Petrus Jezus totaal in de weg. ‘Ga achter mij aan’, zegt Jezus.

De vragen die gesteld worden in de Bijbeltekst helpen ons om te begrijpen wie Jezus is. En in plaats van dat we ons de antwoorden op die vragen inprenten, is het beter om ons de vragen eigen te maken.

Bijvoorbeeld die vraag ‘Wie ben ik volgens jullie?’.

We kunnen repeteren ‘messias’, maar dat is een antwoord uit het hoofd. Als we aan onszelf of een ander die vraag stellen ‘Wie is Jezus volgens jou?’ dan gaat het hierom: ‘Hoe staan wij in ons leven tegenover Jezus, hoe leven wij met geloof?’

Als we Jezus een vriend noemen, de verlosser, of een wijze man, dan zeggen we daarmee ook iets over onszelf.

In alle openheid – zoals Jezus ook in alle openheid sprak over wat staat gebeuren.

Wat niet zonder risico is.

Mensen kunnen struikelen over je woorden. Zoals Petrus deed bij Jezus.

Je de mond willen snoeren, zoals Jezus deed bij Petrus.

Het komt er bij die beiden op aan. En het brengt mij bij de vraag, hoe dat voor ons is.

Mogen wij alles zeggen wat we denken? Of voelen alleen de geijkte antwoorden goed?

Mag je ook hier in de Oranjekerk er het jouwe van denken?

Of kun je dan een bestraffende toon verwachten, zoals Jezus en Petrus overkomt?

2. Dit seizoen begin we bij de vraag: ‘Welke vraag over geloof ligt ons nou het meest op het hart?’ Is dat de vraag wie Jezus is, of over het kruis dat we op ons moeten nemen? Of is een heel andere vraag voor ons prangend, bijvoorbeeld over hoe belangrijk de Bijbel is in ons leven of de kerk?

U hebt een hartje gekregen, waar u deze vraag die u op het hart ligt op mag schrijven.

Het is de bedoeling dat we straks al onze vragen ophangen op grote vellen bij het uitgaan van de kerk. En u kunt dan ook de vragen lezen die anderen hebben. Ook de kinderen schrijven vandaag hun vragen op.

En als u wilt, mag u ook toevoegen met wie u over die vraag zou willen praten.

Dus: welke vraag over geloof ligt u nou het meest op het hart?

U mag het nu opschrijven.

………

3. Nog even over dat stekelvarkentje: wie kende dat lied al voordat u het vandaag hoorde?

Het mooie van dit liedje is dat het gesprekje van de ouder met het kind je inneemt voor zo’n klein stekelvarkentje dat met z’n stekeltjes moet leren leven en ze waarderen, zoals iedereen een bepaalde eigenheid heeft die we kunnen leren kennen en waarderen.

In mijn ervaring in het pastoraat, bij Bijbelkringen en met de catechesegroep is het openlijk benoemen van je vragen rond geloof een manier om de ander te laten zien wie je bent.

Het maakt je kwetsbaar, maar geeft daarmee ook ruimte voor herkenning, openheid, verbondenheid. En je ontdekt daarmee ook wat voor jou van wezenlijk belang is.

De rijke schat van wijsheid, dat woord dat mensen aangordt (lied 313), vráágt om een goed gesprek met een ander.

Als u wilt, zeg ik erbij. Want soms is dat andere ons genoeg: de stilte, het zingen, samenwerken en bidden.

Dat het ons allemaal tot zegen mag zijn. Amen.

26 aug

Willem de Zwijgerkerk (zomerdienst)

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Marcus 8: 1-21

 
Inleiding op de Schriftlezing
We lezen vandaag volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus.
Daar staat tussen het verhaal van de genezing van een dove en de genezing van een blinde in, het verhaal van een tweede broodvermenigvuldiging.
De wonderbare spijziging komt in de Bijbel 6x voor, bij Johannes en bij Lucas 1x. En bij Marcus en Matteus is sprake van een eerste en een tweede broodvermenigvuldiging, die op elkaar lijken maar ook verschillen. Of beter nog: de tweede is een aanvulling op de eerste.
Bij het eerste teken van het brood zijn er 5 broden en 2 vissen en daarmee worden 5000 mensen gevoed, waarbij er ook nog 12 manden met brood overblijven.
Bij het 2e teken van het brood, waarover we vandaag zullen lezen, is er sprake van 7 broden en een paar visjes. Daarmee worden 4000 mensen gevoed en er blijven 7 manden over.
Nu denkt u misschien, wat een getallen. Maar deze getallen zijn symbolen en ik wil u vertellen wat ze betekenen. 5 broden en 2 vissen, daarmee zijn de 5 boeken van Mozes en de verzamelingen van Profeten en Geschriften bedoeld. 5000 mensen worden gevoed, dat is het volk Israël, want zie 12 manden, 12 stammen van Israël blijven over.
Zeven broden, een voller getal bestaat niet, voeden 4000 mensen. 4000 dat zijn Bijbels gezien meer
mensen dan die 5000 van het volk Israël. Het zijn alle 4 windstreken bij elkaar, de hele wereld, de heidenen, alle volken worden gevoed. En dan blijven er 7 manden over. Er is meer dan genoeg van dit brood dat Jezus deelt. Er is meer dan genoeg van het levensbrood dat Jezus ís voor Israël en alle volken.
 
Maar wat doen de leerlingen en wat doen wij met dat brood?
Durven we het te delen of houden we het voor onszelf?
Is dat brood onze bron van leven of is het een bron van zorg?
 
Na de lezing zingen we een lied (Untill all are fed, we cry out) dat ik meenam van de viering afgelopen donderdag van de 70e verjaardag van de Wereldraad van Kerken.
 
Het lied stelt de vraag: hoe lang zullen we doorgaan met zingen, bidden, praten, hoe lang nog voordat we het goede doen, gaan zien wat we moeten doen, mensen gaan bijstaan?
Het refrein is het antwoord: totdat iedereen gevoed is, zullen wij blijven roepen, totdat iedereen brood heeft. Zoals de Ene die ons en ieder lief heeft, zo zullen we ons inzetten totdat iedereen gevoed is. Zoals toen.
 
Samen zingen we nu het gebed bij de opening van de Schrift: ‘Kom, Geest van God’
 
Overweging
 
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
We zongen: Hoe lang nog tot we het goede gaan doen en het licht gaan zien? Hoe lang nog?
En we antwoordden: tot iedereen te eten heeft!
 
Maar na de lezing uit Marcus kun je cynisch zeggen: zelfs dan, als iedereen te eten heeft, gaan we het licht niet zien.
 
Want de leerlingen van Jezus zitten er met hun neus bovenop en werken er zelfs aan mee om duizenden mensen te voeden. Zij reiken Jezus brood en vis aan, zij delen uit wat Jezus hun geeft. Zij halen de korven met overgebleven brood en vis op. Ze horen wat Jezus bidt, ze zien wat overblijft. Iedereen is gevoed (all are fed) en toch blijven de leerlingen roepen. Help, we hebben geen brood!
 
2. Het is gemakkelijk om versteld te staan van de domheid van de leerlingen, de onwetendheid, van ook het gênante gegeven dat ze zich hardop afvragen wie er in ‘s hemels naam in staat is om in de woestenij duizenden mensen eten te geven. Au! Dat zeg je toch niet als Jezus naast je staat?
Herinneren ze zich dan niet het manna in de woestijn?
Herinneren ze zich dan niet de broodvermenigvuldiging van pas geleden?
Ja, die herinneren ze zich wel, ze kunnen het zo opzeggen als Jezus erom vraagt.
Maar het zégt hen niets als opnieuw de nood aan de man is.
 
Herkenbaar. Toch?
De verhalen uit de Bijbel kennen, dat is één ding, maar erop vertrouwen, dat is iets heel anders.
De leerlingen slagen er niet in om het teken van het brood te verstaan, het teken dat Jezus zelf is.
Jezus vergelijkt de leerlingen met de Farizeeën, beiden noemt hij hardleers.
Ze weten alles, maar ze snappen er niets van.
Herkenbaar?
 
Pasgeleden nog vertelde een collega mij een prachtige uitleg van een Bijbeltekst. Wow, dacht ik, nu snap ik het, dit moet ik onthouden! Maar toen ik de preek las die ik drie jaar eerder over dezelfde Bijbeltekst had gehouden, ontdekte ik daarin diezelfde uitleg. Ik had hem dus al eens gehoord.
 
‘Zijn jullie dan zo hardleers?’
Ja. Iedere keer ben ik weer verbaasd als ik een ander wérkelijk ontmoet, dat die zo anders is dan ik dacht.
Wanneer zal ik leren iemand niet vast te leggen in het beeld dat ik heb?
 
‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’
Nee. De Bijbel staat er vol van en Jezus zegt het telkens weer, dat we bevrijd worden van onze angst als we niet vasthouden aan onszelf maar juist open staan voor de A/ander en vertrouwen hebben.
Het is maar goed dat we daar telkens weer op gewezen worden. Daarvoor heb ík de kerk nodig.  
 
‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’
Nee, we herinneren het ons niet, als niemand ons helpt herinneren.
We zien het niet, en horen het niet, we verharden gemakkelijk door wat zoveel luider klinkt.
 
Mariska van Beusichem verwoordt het zo:
 
‘Het zuurdesem van de angst
doordrenkt het brood
dat ons door machtigen wordt voorgezet.
‘Er is niet genoeg’, lispelt de angst.
‘Je staat er alleen voor, in deze verlatenheid is het ieder voor zich’.
 
Wie het brood eet van vertrouwen dat ons door Jezus’ hand wordt aangereikt, voedt zich met zijn bewogenheid om mensen en wordt zelf mededeelzaam zoals Hij dat is, onze Heer en Meester.
 
Zoals we elke dag moeten eten, zo moeten we ons ook dagelijks voeden met vertrouwen, vertrouwen op de woorden van God die Jezus sprak, vertrouwen op de Ander die naast ons staat, vertrouwen op wat wij in beweging kunnen brengen.
 
3. En zo krijgt dat lied dat we zongen een andere klank:
Ja we moeten blijven roepen om een eerlijke verdeling van voedsel en veiligheid, van recht en vrede voor deze wereld, en daarvoor moeten we keer op keer die verhalen willen horen, uit de Bijbel en van mensen, verhalen die ons voeden met vertrouwen dat we niet machteloos staan, verhalen die ons leren dat we niet duizenden moeten willen verslaan, maar één brood moeten willen delen, …
 
De leerlingen vertrouwen nog niet op dat ene brood. Dat levensbrood dat Jezus is.
‘Ze hebben nog een heel evangelie om het te leren vertrouwen’, schrijft Nico ter Linden bemoedigend.
 
En wij? Ik moest denken aan deze uitspraak:
 
Tell me and I will forget
Show me and I will remember
Involve me and I will understand
 
Vertel het me en ik zal het vergeten
Laat het me zien en ik zal het me herinneren
Betrek me erbij en ik zal het begrijpen
Dat vraagt om een open en attent hart, want een verzuurd hart heeft een benauwde blik.
Dat begríjpen we nu toch wel?
 
Amen

15 juli

Ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Genesis 11:27-12:9


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we een verhaal dat staat in het eerste boek van de Bijbel, Genesis, dat gaat over hoe het begonnen is dat mensen gingen optrekken met en geloven in God, de God van het volk Israël, de God van de Bijbel, van Joden en Christenen. We hebben het over een verhaal dat opgeschreven is rond 500 voor Christus en dat speelt in het Midden-Oosten.

In die tijd waren de culturen doordrongen van religie. Veel verhalen in de Bijbel verwijzen daarnaar. Er is één belangrijk verschil tussen de God van de Bijbel en de omliggende goden dat telkens nadruk krijgt in de verhalen die worden verteld. Goden van omliggende culturen zijn meestal natuurgoden, vruchtbaarheidsgoden, goden die samenhangen met de loop van de dingen. 

De God van Israël is niet die van het ritme van de seizoenen, van een cyclus, maar van een geschiedenis, van op weg gaan. En ook van zoeken naar een eigen weg.

Het eerste verhaal daarover horen we vandaag, het gaat over Abram.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Ga je mee verdwalen – ik weet de weg’

Het is één van de uitspraken van Loesje, u wellicht bekend. Een doordenker.

Afgelopen zondag was hier in de kerk een viering van en voor twintigers. Die twintigers waren deelnemers aan de catechesegroep die om de week bij mij thuis in de pastorie bij elkaar komt en de vrienden die zij hadden uitgenodigd.

Het thema van de viering was ‘verdwalen’ en we lazen het verhaal van Abram, dat we net ook hoorden.

 

Kun je vandaag de dag nog verdwalen? Op de weg is dat veel minder dan vroeger het geval, nu we met tomtoms en smartphones op iedere weg te weten kunnen komen waar we zijn.

Maar misschien wel veel meer dan vroeger is het mogelijk in deze tijd te verdwalen in het veld van geloof. Logische wegwijzers zoals vroeger zijn er steeds minder.

Met het hele gezin naar de kerk gaan? Als het al gebeurt, dan stopt het toch ergens. De hele straat die naar de kerk gaat, de school, de mensen die je ook op andere plekken tegenkomt? Nee.

Op de vergaderingen van de Kinderkerk komt het regelmatig ter sprake: als kerkgaand kind sta je vaak alleen. Met een beetje geluk zijn er op zondagochtend leeftijdsgenoten in de kerk. Maar niemand in je klas, niemand in je straat, niemand bij voetbal gaat naar de kerk.

Je moet wel een beetje de weg kwijt zijn, of je ouders dan, wil je bij een kerk verzeild raken.

Wat zegt dat deze kinderen en tieners over geloof?

Voor de catechisanten is het net zo. Twintigers, volop in het leven, die veel of weinig hebben meegekregen van geloof van huis uit, zoeken in Amsterdam hun weg. Een studie, een baan, een kamer, een huis, een partner, een hobby, er zijn heel wat keuzes te maken.

Maar waar vind je een passende kerk?

Of meer nog: waar zijn leeftijdsgenoten te vinden, die zich bezighouden met bezinning en levensvragen, en meer willen weten van de christelijke traditie, zoals jij?

Vrienden, collega’s, partners soms, stellen vragen bij wat iemand mogelijk kan brengen bij zoiets als kerk, of catechese of een dominee.

Ben je dan soms niet goed zoals je bent, voel je je zondig als je niet gaat, heb je geloof nodig als antwoord op al je vragen?

Wat mooi is, is dat de catechisanten sinds twee jaar hun geïnteresseerde vrienden meenemen naar de catechese. En ze zelfs durfden uitnodigen voor de viering van afgelopen zondag.

‘Ga je mee verdwalen? Ik weet de weg.’

2. Misschien herkent u zich in de kinderen, de tieners en de twintigers – in die ervaring dat iedereen in uw omgeving de weg naar de kerk niet kent – en vragen stelt bij kerkgang. Bij de door hun veronderstelde vanzelfsprekendheid ervan.

En juist daar, bij die vanzelfsprekende weg, wil ik vandaag instappen.

Want die vanzelfsprekendheid vraagt erom om opgebroken te worden.

Niets aan geloven is vanzelfsprekend. Hoe komen mensen daar toch bij?

Is dat een beeld dat wij met z’n allen uitstralen? Hoe komt het toch dat mensen het zo zien?

Kijk naar Abram, die eerste gelovige die met God optrok. Abram verlaat zijn land en zijn familie en maakt zich los van alle vanzelfsprekendheid en zekerheid in zijn bestaan. Zeker in die tijd, was het hebben van familie en een woonplek een garantie voor de toekomst. Abram kiest er bewust voor om op weg te gaan, zonder te weten waar de weg hem brengt.

Abram trekt weg uit een cultuur en een religie waarin alles vastligt in de sterren en het ritme van de seizoenen, waarin vruchtbaarheidsgoden van hout en steen aanbeden worden en waarin de zin van het leven bestaat uit ‘alles gaat zoals het gaat, er is niets nieuws te verwachten’. Een samenleving waarin ‘potentie’ in de zin van wat je presteert en hoe vruchtbaar je bent, centraal staat. Een wereld die hoe dan ook wel doordraait, zonder dat het uitmaakt wie jij bent.

Abram breekt met die manier van denken en verbindt zich met een andere weg tegen de stroom in. Geen weg van zekerheid, maar van een open eind.

Abram laat zich leiden door een God, die niet vastligt en maar op één plek te vinden zou zijn, maar die je tegenkomt onderweg in het leven. Een God die je ziet - soms even, en niet vast kan leggen of in kan plannen.   

Het verhaal van Abram laat een God zien die niet te vinden is in vanzelfsprekendheid, maar die te ontdekken is als iemand of iets wat in beweging brengt uit de zekerheid en aanmoedigt om het aan te gaan om niet te weten waar je uitkomt.  

Dus als het zo is dat onze weg van geloof een standpunt is geworden waar alles vast is komen te liggen en er weinig ruimte is om een nieuwe stap te zetten, dan zou het verhaal van Abram ons in beweging kunnen brengen met vragen als:

  • Durven wij net als Abram te vertrouwen op onze intuïtie, op de stem van ons verlangen, of op God?
  • Kunnen wij loslaten wat comfortabel is in ons leven, als we daardoor dichterbij onze eigen weg van geloof kunnen komen?
  • Willen we een stap zetten in een richting waarvan we niet weten waar die toe leidt?
  • Kan onze toekomst liggen in wat we niet voor ons zien, maar waar we ons wel toe geroepen voelen? 

3. Vanzelfsprekendheid is in geloof niet het hoogste goed. Juist niet. Hoe anderen dat soms ook denken. De hele Bijbel staat vol verhalen waarin aartsvaders en profeten en Jezus en zijn volgelingen ingaan tegen de heersende orde, tegen wat verwacht mag worden.

Maar wat nu, als je net als de jongere generaties in deze gemeente snakt naar gewoon zijn, naar gelijkgezinden, naar een omgeving waarin je geen uitzondering bent? Helpt het dan om een verhaal van Abram te horen? Is dat bemoedigend? Misschien.

Maar ongetwijfeld zal het meer helpen als juist anderen in je omgeving dat verhaal van Abram ook zouden horen. Zoals hier afgelopen zondag gebeurde. Ongelovige vrienden die mee naar een viering komen en luisteren naar een Bijbelverhaal.

Vanzelfsprekend was het niet, voor niemand, om zo samen te zijn in de kerk.

Het was een eerste stap op een onbekende weg.

Wat een geluk als we die stap samen kunnen zetten.

Amen

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur