15 oktober

Overweging zondag 15 oktober 2017 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteüs 22: 1-14

 

Inleiding op de Schriftlezing

Toon Tellegen schreef een kinderboek met de titel ‘Is er dan niemand boos?’. Ik moest er bij de voorbereiding van deze dienst aan denken. Want de Schriftlezing gaat over een koning die boos is, woedend zelfs en het bruiloftsfeest dat hij geeft voor zijn zoon moet letterlijk met alle geweld doorgaan.

Met collega’s boog ik me vorige week over deze tekst met als grote vraag: hoe kun je over deze tekst nou preken? Wat heeft deze tekst ons te zeggen?

 

Het is de derde achtereenvolgende week waarin we een gelijkenis horen die Jezus vertelt vlak voor zijn dood. Alle drie de gelijkenissen gaan over het Koninkrijk van de Hemel en allemaal gaan ze over een vader en één of twee zonen. In de eerste gelijkenis waren er twee zonen waarbij de ene ‘nee’ zei toen zijn vader hem vroeg in de wijngaard te werken, maar hij deed het uiteindelijk wel en de andere zoon zei ‘ja’ maar deed ‘nee’. De tweede gelijkenis ging over een heer met een wijngaard waarbij uiteindelijk de zoon komt om de opbrengst van de wijngaard bij de pachters op te vragen. De pachters vermoorden de zoon. Vandaag horen we over een vader die een bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon, maar de genodigden willen niet komen en wie er uiteindelijk wel komen, zijn niet allemaal klaar voor het feest.

Jezus vertelt al deze drie gelijkenissen om de Schriftgeleerden te wijzen op hun kwalijke rol in hoe zij omgaan met God, met boodschappers van God en met dat Koninkrijk.

 

De Vader in de gelijkenis van vandaag, een koning, wordt woedend. En dat leidt tot moord en brand. Is die Vader, die koning, God? En is die woede voor ons te begrijpen?

 

 

Overweging

1.     Gemeente van Jezus Christus,

 

Het verhaal doet alsof er een bruiloftsfeest is – krijgt u die indruk?

Er is aan het hele verhaal toch weinig feestelijks te merken.

 

De koning organiseert een bruiloftsfeest voor zijn zoon.

Maar het feest gaat niet van start. De genodigden komen niet, zelfs niet als ze horen wat er allemaal voor hen op tafel klaar staat en als er dan voor de gelegenheid mensen van buiten, van straat worden gehaald om het feest mee te vieren, dan wordt het niet beter. Eén mens is niet feestelijk gekleed, totaal niet in de feeststemming, zou je kunnen zeggen. En alhoewel het van één iemand wordt gezegd, kunnen we vermoeden dat ook alle andere mensen die van de straat zijn gehaald, niet op het feest zijn voorbereid.

Is er eigenlijk wel sprake van een feest, als niemand het mee komt vieren?

 

Dat valt op aan dit Bijbelverhaal, er blijft sprake van een feest.

De koning is er alles aan gelegen dat de bruiloft doorgaat.

En alles wat daaraan afbreuk doet, ruimt de koning uit de weg.

Nogal expliciet ook, met moord en brand…

 

Is dat het dan allemaal waard?

 

2.     Een bruiloft is in het Oude Testament een symbool voor het verbond van God met

het volk Israël. In het Nieuwe Testament krijgt dat verbond een aanvulling. Daar lezen we bij de evangelist Johannes over de bruiloft te Kana waarbij Jezus het feest redt, dat in het water dreigt te vallen doordat de wijn opraakt. Jezus zorgt voor nieuwe wijn. Jezus speelt dus een belangrijke rol in het doorgaan van dat bruiloftsfeest, of beter gezegd in dat verbond van God met mensen.

In het evangelie van Matteus stellen de Schriftgeleerden en oudsten van het volk de positie van Jezus ter discussie. Daarop wijst Jezus met deze gelijkenissen hen zelf

terecht. Zijn zij zelf eigenlijk wel bezig met het gehoor geven aan de roep van God om te werken aan het Koninkrijk van de Hemel, aan dat verbond van God en mensen? Of zijn zij met heel andere dingen bezig, hun eigen dingen, hun reputatie, hun bezit, en komen ze dus niet opdagen bij het feest?

Alle dingen zijn gereed voor het feest, de maaltijd is bereid, je kunt zo aanschuiven en toch doet niemand dat. En als later zomaar mensen van de straat worden uitgenodigd, ongeacht wie ze zijn, dan blijkt ook onder hen dat mensen het feest niet serieus nemen.

Je zou kunnen zeggen als ook buiten de eerste kring van gelovigen er mensen betrokken worden bij God, wil dat niet automatisch zeggen dat zij het beter doen en wél een juiste houding weten aan te nemen.

 

Eén wordt er uit gepikt, tegen hem zegt de koning: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?”. We weten hoe het gekomen is, hij is zo van de straat gehaald. Toch moet hij ervoor boeten, wordt deze met handen en voeten gebonden en uitgeworpen. Waarom wordt hij zo zwaar gestraft?

Volgens sommigen kun je Jezus in deze figuur herkennen…

 

3.     Ik heb het al gezegd, dit verhaal te bepreken is niet eenvoudig. Waar is het

aanhaakpunt tussen deze gelijkenis en wie wij zijn? Moeten wij ons herkennen in degenen die wel geroepen worden, maar geen gehoor geven aan God omdat we met andere dingen bezig zijn? Zijn wij degenen die wel gehoor geven maar uiteindelijk te weinig werk maken van ons feesttenue en dus onvoorbereid zijn voor de ontmoeting met God? Zijn wij degenen die wel geroepen zijn maar niet uitverkoren?

 

Bij al deze vragen is de grote vraag – is die koning zoals God? Hebben wij God te vrezen als één die moordt en afbrandt en mensen werpt in de diepste duisternis? Zo’n godsbeeld is nog al wat. Daar kunnen we het beter over hebben in een gesprek dan in een preek, lijkt mij.

 

Voor vandaag zoek ik het punt van vergelijking in de woede van deze koning om al wie het doorgaan van het feest in de weg staan.

Ik wil het verbinden met de wereld vandaag en hoe daarin zoveel niet goed komt, kinderen sterven, volken worden uitgemoord, zoveel geweld maar eindeloos doorgaat.

 

Op zoveel manieren kan dat verbond tussen God en mensen vorm krijgen, dat Koninkrijk van de Hemel: in de zorg van mensen voor elkaar, in het uitspreken van dankbaarheid, in het vertrouwen hebben op de plek die er voor ieder kan zijn op deze wereld.

Alles is gereed voor een feest: waarom gaat dat feest dan toch niet van start?

Waarom zet niet iedereen zich in voor het zoeken van wat goed is voor allen?

Waarom krijgt het eigen belang voorrang op wat ons met anderen verbindt?

Waarom kost het ook ons moeite om te geloven dat wij onmisbaar zijn bij dit feest?

Dat is toch om boos van te worden?

 

4.     De koning is woedend en één gast krijgt het zwaar te verduren.

Kan het verhaal zo aflopen? Is dit echt het einde van de gelijkenis?

De Bijbel is geen geweldloos boek, dat weten we, maar dit lijkt toch wel al te gortig om zo uit Jezus’ mond te horen.

 

‘Nee, zo mag het niet aflopen’ zou ik willen zeggen.

Dit verhaal schreeuwt om opstand. Om opstanding, van die ene, van allemaal. Om opnieuw beginnen: ‘Laat iedereen alsjeblieft gaan doen waartoe die geroepen is en komen naar dat feest! God schept ruimte voor mensen om het goede leven te genieten. Wat houdt ons dan toch tegen?’.

 

5.     Als we de woede van de koning zien als woede van God om alles wat het verbond

tussen God en mensen verstoort, dan is die woede van God een voorbeeld voor ons.

Dan zullen ook wij onze woede en verontwaardiging om alles wat in deze wereld zo vernietigend is voor mensen en onterend voor God, moeten inzetten op dat wat door moét gaan: dat feest, dat verbond van God met mensen.

God denkt niet aan afgelasten.

 

Velen zijn geroepen, maar weinigen voelen zich geroepen om in te stemmen met de woede van God – om te zeggen: zo gaat het niet langer mensen – kom en ga naar dit feest, bekleed je met rechtvaardigheid, doe goede dingen en doe ze met vreugde.

 

Er is dus een bruiloftsfeest waarvoor u bent uitgenodigd, dat u het weet.

Amen.

 

 

 

1 okt

Overweging zondag 1 oktober 2017 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Psalm 25; Mattheüs 21: 23-32

 

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag uit het Mattheusevangelie over Jezus die in de tempel in Jeruzalem de mensen uitleg geeft over God. Dit is vlak na Jezus’ intocht in Jeruzalem het verhaal van Palmpasen. In de tempel spreken priesters en leiders van het volk Jezus aan en vragen hem met welk gezag hij de dingen doet die Hij doet. Wie heeft hem dat recht gegeven?

Jezus weet dat deze priesters en leiders van het volk niet erop uit zijn om van Jezus te leren, ze willen hem enkel blokkeren. Hun vraag beantwoordt Jezus dan ook met een wedervraag over Johannes de Doper, zijn voorganger. Iemand die met dezelfde oproep tot bekering naar mensen toekwam als Jezus. Iemand die ook de weg ging van God. Jezus vraagt hen: ‘Wie gaf Johannes zijn gezag?’ De leiders van het volk en de priesters beantwoorden uit tactische overwegingen deze vraag van Jezus niet.

 

Dan vervolgt Jezus met een verhaal, een gelijkenis over een vader met twee zonen. Want Jezus heeft nog wel wat te zeggen over wat het betekent met gezag te spreken. Dat heeft namelijk ook alles te maken met wat je doet. En daar schort het bij deze leiders van het volk nogal aan.

 

Zij zeggen het wel, maar doen uiteindelijk niet wat God wil. Hun woorden zijn leeg want ze leven er niet naar. Zij bekeren zich niet tot de goede weg.

 

En die goede weg gaan, daar gaat het om. De weg van recht doen en je steeds weer willen keren naar God.

 

De psalm van deze zondag, psalm 25, zingen wij vandaag met de woorden ‘Houd mij in leven, wees Gij mijn redding, steeds weer zoeken mijn ogen naar U’.

Het is een rode draad in de hele Bijbel (o.a. Ezechiel 18:32) dat God wil dat mensen leven. Daarom moeten mensen zich bekeren tot God. Wij moeten God zoeken. Want God wijst ons een weg van recht doen aan elkaar, van leven als bevrijde mensen.

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

‘Wie heeft de wil van de vader gedaan?’. Dát is de vraag vandaag.

 

Deze vraag stelt Jezus bij de gelijkenis van de vader met twee zonen. Maar deze vraag kun je ook stellen bij het gezag waarmee Jezus en Johannes zich tot de mensen richten en het gezag waarmee de priesters en leiders van het volk zich tot de mensen richten. Wie heeft de wil van de God de Vader gedaan?

 

Het antwoord is: diegene die is gaan werken in de wijngaard. Diegene door wie mensen daadwerkelijk tot inkeer komen en een ander leven gaan leiden, waarin zij tot hun recht komen.

 

Dat tot inkeer komen, ‘spijt krijgen’ zegt de Bijbel in Gewone Taal, daar begint en eindigt Jezus zijn vertelling van de gelijkenis mee. 

De zoon die ‘nee’ zei tegen zijn vader krijgt later spijt, hij komt tot inkeer, maar de priesters en de leiders van het volk komen niet tot inkeer. Zelfs niet als ze voor hun ogen zien gebeuren dat mensen zich door iemand als Johannes gaan toewijden aan God. Zij willen er niet aan dat Johannes van God gezonden is. Ze houden halsstarrig vast aan hun eigen meerdere positie. Zelfs als hoeren en tollenaars zich bekeren en door Johannes laten dopen, willen ze van Johannes niets weten. Net zoals ze ook van Jezus niets willen weten.

En je kunt dus zeggen dat ze van de Vader niets willen weten.

Ze belijden met hun mond het gezag van God, maar ze zijn tot omkeren niet bereid.

 

Dat omkeren staat heel centraal in wat Jezus de mensen leert over God. Tot inkeer komen, daarmee begint leven met God.

Het is je aan laten spreken op wat jij kunt bijdragen aan het goede leven. Het is bereid zijn om bij nader inzien een andere weg te gaan dan je zelf voor ogen had.

 

De leiders van het volk laten zich niet raken door wat er om hen heen gebeurt aan bekering. Zo laat de tweede zoon zich ook niet werkelijk raken door de vraag van zijn vader – hij zegt achteloos ‘ja’. De eerste zoon zegt ‘nee’, maar het belang van de vraag van zijn vader dringt daarna tot hem door. En hij komt tot inzicht.

 

Van een Rabbi Boenam is de uitspraak: ‘De grote schuld van de mens is niet de zonde die hij begaat, maar dat hij zich ieder moment kan omkeren en het niet doet’.

 

Geloven is een weg waarop je moet willen blijven bewegen. Waarop je steeds je ogen wilt richten op wat van God komt, en wat mensen bevrijding brengt.

Want dat is de weg die Johannes en Jezus de mensen wijzen: de weg van de wet die bedoeld is om mensen het leven mogelijk te maken. De wet die God aan zij volk gaf om nooit meer slaaf te zijn zoals in Egypte, om nooit meer onder druk te leven van valse machten, om vrij te zijn van angst. 

 

De leiders van het volk en de priesters zijn bang hun gezag te verliezen door wat Jezus doet. En terecht, want Jezus leert de mensen niet langer uit angst te leven voor wie de macht hebben, maar uit vertrouwen op de mens die zij kunnen zijn.

Maar met hun vraag naar het gezag dat Jezus heeft, vallen ze wel zelf door de mand, want ze zijn er getuige van geweest dat mensen door Jezus opstaan en weer leven gaan, hoeveel meer bewijs van Gods betrokkenheid is er dan nog nodig? 

 

Het is duidelijk dat Jezus met deze gelijkenis de leiders van het volk en de hogepriesters niet alleen met hun verkeerde idee van gezag wil confronteren, maar ook oproept om zich te bekeren. De wet is er niet om gedachteloos ja op te zeggen, maar om vanuit te leven.

 

2. Toch is ook dat makkelijker gezegd, dan gedaan.

Die twee zonen, dat zijn ook twee manieren van leven die we kunnen herkennen in onszelf.

‘Ja’ zeggen en ‘nee’ doen – dat is misschien wel dagelijkse kost, ik herken het in ieder geval zelf wel. Een voornemen, een plan, een belofte aan een ander, aan God of aan onszelf: het komt er niet van want: vergeten, te druk, even geen prioriteit, kan later ook nog enzovoort.

‘Nee’ zeggen en ‘ja’ doen, ik weet niet hoe vaak ons dat overkomt. Dat we iets afhouden, niet van plan zijn of niet zien zitten en dan tot het inzicht komen of voelen: maar dat is wel wat ik moet doen, waartoe ik geroepen ben, of waar ik moet zijn.

 

Dát ja doen, is levensbepalend, want het komt voort uit een overweging van binnen.

Leef zo, houd Jezus de mensen voor.

Leef met de bereidheid om je telkens weer op de juiste weg te laten wijzen.

 

3. Vandaag doet Gijs-Bert belijdenis van zijn geloof in ons midden. En daarmee worden wij allemaal bepaald bij het geloof waaruit wij leven.

Hoe zit het met ons ja zeggen en ons ja doen en met ons nee zeggen en nee doen? Is dat in beweging, of staat dat vast?

Is er ruimte om op nieuwe wegen te komen, als we in ons hart voelen: dit is goed, dit is God wat hier gebeurt?

En geven we ons dan ook aan die weg, zetten we ons in voor de weg van bevrijding als zich daar ook mensen op begeven op wie wij neerkijken?

 

‘Ik ben er nog lang niet’, hoorde ik iemand deze week verzuchten toen het ging om het zoeken naar leven met geloof.

Gelukkig maar, mag je op grond van de tekst van vandaag zeggen. Want wie denkt er te zijn, staat misschien wel stil. Maar wie weet dat het mogelijk is meer te vertrouwen op God, meer te groeien in geloof, die is tot omkeren bereid. En daar begint geloven mee, met steeds weer te zoeken naar God. Amen.

17 sept

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 17: 11-19


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we volgens het Luthers Leesrooster een gedeelte uit het evangelie van  Lucas over de genezing van 10 melaatsen. Deze melaatsen dragen de last van hun ziekte, maar meer nog dragen zij de last van het uitgesloten worden van de maatschappij, iets wat mensen die ziek zijn ook in deze tijd overkomt.
De tien melaatsen doen een beroep op Jezus, ze roepen ‘ontferm u over ons’.
Het is als het kyriegebed zoals wij dat ook uitspreken aan het begin van de dienst ‘Heer ontferm u’. Bij dat kyrie hoort ook een gloria, een lofzegging aan God.
Alleen komt in het verhaal maar één van de tien, een Samaritaan nog wel, een buitenlander, met een lofzegging bij Jezus terug.
 
Waarom hij wel en de rest niet, dat is de vraag. Vandaag zal ik bij wijze van overweging een ‘goed verhaal’ houden, waarbij ik vanuit het oogpunt van de Samaritaan wil spreken over wat er is gebeurd.
 
Lezing Lucas 17: 11-19
Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan huidvraat leden; ze bleven op een afstand staan. Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’ Toen hij hen zag, zei hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze gingen werden ze gereinigd.
Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem. Hij viel neer aan Jezus’ voeten om hem te danken. Het was een Samaritaan. Toen zei Jezus: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’ Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’
 

Een goed verhaal

 
Voor mij geen zware last meer.
Ik ben de Samaritaan uit het verhaal. Samaritaan dat is niet hoe ik heet, dat is hoe ze me noemen. Ze noemen me ook wel buitenlander, of randfiguur, of ze noemen me helemaal niet en zeggen alleen maar ‘lazer op’.
(Ik heet overigens Tom, maar dit terzijde.)
 
Iedereen vraagt mij: waar zijn de andere negen gebleven? Maar ik weet dat niet. We gingen allemaal onze eigen weg. Altijd al, maar door onze ziekte dachten mensen dat we wel bij elkaar zouden horen. Alsof ziekzijn verbroedert. Nou nee, het was ieder voor zich.    
Ik kan dus alleen maar voor mijzelf spreken en vertellen wat er is gebeurd met mij.
 
Vooraf moet ik dit zeggen: bij alle uitsluiting in mijn leven, als vreemdeling en als melaatse heb ik altijd geweten: het zijn de mensen die het mij aandoen. God wil dit niet. Daar hield ik mij aan vast.
En toen kwam Hij, Jezus, naar ons dorp.
Ik kon hem natuurlijk niet gaan vasthouden, ik bleef op afstand zoals dat moet als je melaats bent, maar ik riep wel heel hard met de anderen mee en hoopte dat hij mij zou zien. Dat was het enige wat ik wenste. Dat iemand mij zou zien staan.
 
En dan gebeurt dit:
 
Ik zie dat Hij mij ziet. En dus ga ik waar hij zegt dat wij moeten gaan, naar de priester om ons rein te laten verklaren. Het lijkt alsof we op de zaken vooruit lopen. Maar zo is het niet - gaandeweg voel ik al: dit is een nieuwe weg!
Er valt een last van mijn schouders, ik zie dat ik rein ben en ik voel me genezen.
 
Halleluja - ik ben helemaal in de gloria en wil maar één ding. Terug naar Jezus!
Gek hé, ik heb altijd gedacht dat ik terug zou willen naar huis, naar mijn familie, naar mijn werk. Maar dat hoeft ineens niet meer.
 
Ik voel me dankbaar, zo dankbaar en daar kan ik maar één kant mee op: naar God.
 
Dus ja, daarom ben ik teruggekomen. Om Hem te bedanken.
Waarom de anderen dat niet doen, weet ik niet.
Maar voor mij klopt het anders niet.
Als je naar God toe gaat in je nood, dan toch ook als je gezond bent?
 
Vroeger moest ik afstand houden, maar nu wil ik dichtbij hem zijn, aan z’n voeten liggen.
Ik hoor ze wel hoor, de mensen die vinden dat ik me niet zo nederig moet opstellen, die zeggen dat dit juist de kans is om helemaal mijn eigen weg te gaan, dat ik nu van niets en niemand meer afhankelijk ben.
Maar zo voelt het juist niet. Ik voel me afhankelijker dan ooit, of ik kan beter zeggen: meer verbonden dan ooit met God.
En daar ben ik dankbaar voor. Ik wil helemaal niet op mijzelf staan. Als ik iets heb geleerd dan is het dat je andere mensen nodig hebt in dit leven, mensen die je bemoedigen en zien staan!
En ik heb het nodig om God te danken. Om te erkennen: echt leven begint niet bij genezing maar bij geloof en vertrouwen. Mijn leven begint niet bij wat ík nodig heb, maar bij wie we voor elkaar kunnen zijn.
 
Kyrie en gloria horen voor mij bij elkaar.
Net als u en ik.
Ja ik weet het, ik ben een vreemdeling en u bent heel gewoon.
Maar dat is het hem nou juist! Iedereen is wel ergens vreemd of een buitenlander. En dan ontdek je pas dat je mensen nodig hebt die je zien staan.
Ziet u mij staan?
 
Dat is mijn verhaal.
Geen dank, graag gedaan.

10 september

Ds. H.F. Meulink

Psalm 119:33-40; Lucas 10:25-37


Gemeente van Jezus Christus,
geliefde mensen van God,

Als je op de Nieuwe Herengracht tussen de gebouwen van de Protestantse Diaconie, onze diaconie, de Hoftuin inloopt kun je daar in de muur de beeltenis  zien, die op uw liturgie staat. Het is een verbeelding van de barmhartige Samaritaan. Die is daar ingemetseld als  symbool voor waar onze diaconie zich toe geroepen weet: “helpen waar geen helper is”. Het is indrukwekkend hoe onze diaconie daar op vele manieren concreet gestalte aan geeft.
Ook voor de ingang van het Sint Lucas-Andreasziekenhuis (nu OLVG-West) staat een beeld van de barmhartige Samaritaan.  Daarmee wil het ziekenhuis zeggen: onze motivatie voor de zorg voor zieken vinden wij in die gelijkenis van Jezus.
Deze voorbeelden maken duidelijk: de oproep die Jezus doet de Samaritaan in zijn barmhartig handelen te volgen, is en wordt verstaan. Het heeft zijn uitwerking gehad in het belang dat wij als christenen hechten aan omzien naar en zorg voor mensen die kwetsbaar zijn. En dan niet alleen op een georganiseerde manier via onze diaconie, in onze samenleving, maar ook in al die persoonlijke aandacht voor en zorg aan elkaar. Ook hier in en vanuit onze gemeente.
Breder mag je zeggen: de verzorgingsstaat zoals wij die in ons land kennen is – laten we dat niet vergeten -  niet los te zien van de oproep die Jezus doet, ook de verantwoordelijkheid die op allerlei wijze wordt getoond voor mensen in nood in onze wereld.
Ja, de oproep van Jezus is en wordt verstaan, in onze samenleving, door ons persoonlijk. Daarom is het niet nodig deze preek een al gauw te moralistische oproep tot zorg voor elkaar te laten zijn. Dat weten we wel, dat doen we ook. Dat bevestigen we met het zingen van Lied 973. Hoewel, dat doen we ook…. niet altijd Dat weten we ook, dat vertelt het Bijbelverhaal. Daarom is het goed toch nog eens bij bepaalde elementen in het verhaal stil te staan.
Wie is mijn naaste? Dat is de vraag die de wetgeleerde aan Jezus stelt. Hij is het met Jezus eens dat het grootste en belangrijkste gebod is:  God liefhebben en daarmee onverbrekelijk je naaste als jezelf. Maar wie is dan mijn naaste, vraagt de wetgeleerde? Een goede vraag, lijkt het, ik denk ook een vraag die wij ons wel eens stellen. Jezus beantwoordt die vraag met het vertellen van het verhaal over het slachtoffer van een roofoverval en van wie hij dan wel en geen hulp krijgt. Dan stelt Jezus een wedervraag. Maar dan blijkt dat Hij de vraag van de wetgeleerde op een wezenlijk punt verandert, omdraait. Hij vraagt: “wie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”  Dat is het cruciale punt in deze evangelielezing. De vraag van de wetgeleerde nam zijn vertrekpunt bij hemzelf: wie moet ìk als mijn naaste zien. Maar Jezus vraagt om anders te denken: wie heeft die kwetsbare ander als naaste ervaren?  Dat is een heel andere vraag. En dan wordt het spannend. Dan wordt de vraag, ook aan ons, een dubbele vraag: worden wij door anderen als naasten ervaren? En: wie ervaren wij als naasten? De schrijver van het kinderlied dat we zongen heeft deze omdraaiing goed begrepen. Hij liet ons zingen: Toen ik naar mijn naaste zocht, waar was jij?     

Voor iedereen is het duidelijk:  in de gelijkenis ervaart het slachtoffer de man die hem barmhartigheid toonde, daadwerkelijk hielp, als naaste. Als wij ons in het slachtoffer verplaatsen, dan begrijpen we dat maar al te goed. Ook daarin dat het wel eens verrassend kan zijn wie zich je naaste toont. Dat hoeft niet zomaar iemand uit je nabijheid te zijn, of van je eigen geloofsgemeenschap, dan kan wel eens een ander zijn die jou eerst vreemd was, van wie je het niet verwachtte, op wie jij misschien wel neerkeek, zoals Israelieten op Samaritanen deden, zo´n hardrijdende jongen op een scooter uit het kinderverhaal. We zeggen wel: in nood leer je je vrienden kennen. Soms word je teleurgesteld, soms verrast van wie je hulp ervaart, wie zich als je naaste doet kennen.
Duidelijk is ook: de priester en de leviet worden door de beroofde man niet als naaste ervaren. Er is vaak de neiging schamper over hen te spreken. Waarom zien zij wel het slachtoffer, maar lopen zij met een boog om hem heen? Waarom tonen zij zich onverschillig tegenover een mens in nood? Dat was toch verkeerd en dat had je toch zeker van leiders van een geloofsgemeenschap niet verwacht.
Wat mij opviel bij het opnieuw lezen van het verhaal is dat Jezus geen oordeel over hen uitspreekt. Dat vraagt ons voorzichtig te zijn met ons oordeel. Evenmin noemt Jezus een motief voor hun handelen. Die openheid stimuleert stil te staan bij de vraag: welke motieven kunnen er zijn, welke motieven kunnen ook wij hebben om een ander die een beroep op je doet niet te helpen, geen naaste te worden? Want laten we eerlijk zijn: ook wij kunnen mensen op onze weg treffen die het niet goed maken en dan toch verdergaan. Nee, wij zijn niet altijd daadwerkelijk naaste voor anderen. We zijn niet als Jezus die zich in zijn leven als die barmhartige Samaritaan laat kennen. Wij gaan lang niet altijd in op het beroep dat op ons wordt gedaan, wenden ons gezicht af, lopen voorbij. Zo is het toch? Waarom doen we dat?

Er is een interessant onderzoek in Amerika gedaan. Daarbij werd aan theologiestudenten gevraagd een preek te schrijven over de barmhartige Samaritaan. Als de studenten klaar waren met hun voorbereiding, zou de preek gefilmd worden in een ander gebouw op het terrein van  de universiteit. Op de weg daarheen treffen zij een man aan die in elkaar zakt en hulp nodig heeft.  Dat is in scene gezet. Wanneer de theologiestudenten alle tijd kregen om naar het andere gebouw te lopen, hielpen zij de man bijna allemaal. Maar wanneer de onderzoekers ervoor zorgden dat de studenten te laat vertrokken, hielp een derde van de studenten de man niet. Maar nu komt het. Wanneer de docent de studenten aanspoorde zo snel mogelijk naar het andere gebouw te gaan omdat er geen tijd te verliezen was, bleek nog maar 10% de man te helpen. Van de theologiestudenten die gingen preken over hulpvaardigheid liet als zij haast hadden dus 90 % de man links liggen. Sommige studenten stapten zelfs over hem heen.  Dat onderzoek houdt ons een spiegel voor. Als wij haast hebben, als we op weg zijn naar een voor ons gevoel belangrijke verplichting, kunnen we blijkbaar wegzien van concrete hulp die van ons op dat moment gevraagd wordt.  Dat stelt vragen bij de tijd- en prestatiedruk in onze samenleving. Zijn we niet te gehaast, maken we ons niet te druk, willen we niet te veel, zouden we niet moeten onthaasten  om dan  meer onze ogen, oren en hart open te kunnen stellen voor elkaar?

Martin Luther King, juist hij die zich zo inzette voor anderen, heeft nog een andere gedachte waarom wij voorbijgaan aan de ander die een beroep op ons doet, we ons onverschillig lijken te tonen. Hij zegt: misschien is het wel angst wat mensen weerhoudt.  Ik denk dat we daarin ook iets kunnen herkennen. Angst voor wie ons vreemd is. Angst voor het beroep dat op ons wordt gedaan. Een beroep dat misschien wel veel verder gaat dan het eerst lijkt. Komt van het een niet het ander? Angst voor wat we als ons onvermogen ervaren, dat we ons machteloos zouden kunnen vinden. Het is een goede vraag aan ons: speelt zo´n angst bij ons mee als wij ons niet als naaste tonen? En in hoeverre is die altijd terecht? Ik word in ieder geval geraakt door mensen die blijkbaar die angst niet of minder kennen, die niet of minder de neiging hebben met een boog om een mens die het blijkbaar niet goed gaat heen te lopen, die niet afwerend  reageren als een hen vreemde om hulp vraagt, die minder gauw redenen zoeken om iemand die hen om geld vraagt af te weren, die minder angst tonen voor de situatie waarin zij terecht kunnen komen als ze ingaan op een vraag om hulp, die zich in mijn beleving als een barmhartige Samaritaan tonen. En zo naaste worden. Deze mensen stellen mij, ons de vraag: hoe gaan wij om met onze angst, afweer? Hoe vermijden we onverschilligheid?

Maar tegelijk is de vraag of het altijd onverschilligheid is bij ons als we niet op een vraag om hulp ingaan. Er kunnen wel degelijk goede redenen zijn onder druk van tijd en verplichtingen niet te helpen. Ons leven is in zoverre ingewikkeld dat we verschillende verantwoordelijkheden kennen. Er is niet alleen die ene die een beroep op ons doet, er is ook altijd een derde. Die telt ook mee, die kunnen we niet in de steek laten. In al die verantwoordelijkheden is het niet mogelijk aan ieder beroep dat op ons wordt gedaan te voldoen. Dat kan ons voor een dilemma stellen. Dat moeten we misschien wel kiezen, dat zullen we moeten accepteren. Van een ander kunnen we ook niet verwachten dat die ons altijd helpt. Het vraagt om prioriteiten te stellen. De vraag blijft dan wel: welke prioriteiten stellen we. De consequentie is dan wel: als we mensen voorbijlopen zullen die ons niet als naaste ervaren. Maar we kunnen, mogen, hoeven van onszelf ook niet te verwachten dat we dat altijd zijn.

Direct na de evangelielezing van de barmhartige Samaritaan volgt het verhaal van het bezoek van Jezus aan het huis van Martha en Maria. Opvallend daarin vind ik, dat Jezus de zo zorgzame Martha terechtwijst en haar Maria die voor een moment van bezinning kiest ten voorbeeld stelt. Ik leg dat zo uit, dat Jezus niet verwacht dat we altijd maar bezig zijn voor anderen te zorgen, dat we onszelf daarin niet voorbij moeten lopen, dat we ook tijd voor onszelf, voor verdieping, voor bezinning mogen nemen. Zoals we met elkaar in deze dienst doen. Al blijft ook dan de vraag: zijn we bereid ons te laten storen door wie een beroep op ons doen?  
Want wat met deze nuances blijft staan is het antwoord dat Jezus geeft op de eerste vraag die de wetgeleerde stelt: “wat moet ik doen om het eeuwig leven te bereiken?” Hij lijkt daar mee te bedoelen, dat het hem goed gaat, in dit leven en na zijn dood. Jezus maakt ons duidelijk dat het er in het leven niet om gaat ons persoonlijk heil te zoeken, maar dat de zin van ons leven is zorg te dragen voor elkaar, voor de kwetsbare ander die op onze weg komt. Daartoe worden we geroepen. En als we zo leven, doet het ons ook goed, ervaren we dat het betekenis aan ons leven geeft.  

In het wat mij betreft prachtige lied van Jan Willem Schulte Nordholt dat we zo zullen zingen (lied 561) worden allerlei elementen bij elkaar gebracht: onze eigen nood, de ellende van anderen, hoe Jezus zelf de man in nood wordt, wat wij nodig hebben, wat wij kunnen doen. Het lied verandert de oproep die Jezus in en gebed. Het eindigt zo:
O liefde uit de eeuwigheid
die met ons mens geworden zijt,
wij bidden, laat ons niet alleen
in al het duister om ons heen,
opdat ook wij o Heer U niet
verlaten in uw diep verdriet
maar bij U zijn in al de pijn
waarmee de mensen mensen zijn.

Amen.


3 sept

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteus 17: 14-20

 
Inleiding op de Schriftlezing
De lezing vandaag uit Mattheüs is het tweede deel van een verhaal dat zich eerst bovenop een berg en daarna onderaan een berg afspeelt. Het eerste deel van het verhaal heet ook wel ‘De verheerlijking op de berg’, dat verhaal lezen we altijd op de 2e zondag van de veertigdagentijd, en het tweede deel heet ‘de genezing van de maanzieke jongen’. De schilder Rafael maakte 500 jaar geleden een schilderij van dit verhaal dat ik heb afgedrukt op de liturgie. (‘Transfiguratie’ - Vaticaans Museum, gemaakt 1516-1520).
Boven op de berg zien we Jezus die ten overstaan van drie van zijn leerlingen als in een visioen verandert in een lichtende verschijning, stralend als de zon, en Mozes en Elia verschijnen en er klinkt een stem uit de hemel die zegt: ‘‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem!’.
Als Jezus later met zijn leerlingen de berg afdaalt, vertelt Hij aan hen dat de Mensenzoon, Hij zelf, zal moeten lijden.

Beneden aan de berg komt dan een vader naar Jezus toe en zegt ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, (Kyrie eleison, staat er letterlijk) want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water.
Vandaag noemen wij die ziekte ‘epilepsie’.
Op het schilderij zien we rechts beneden de vader met zijn zoon, omringd door een mensenmassa. De ogen van de jongen draaien weg en tegelijkertijd is hij de enige die ze naar boven richt.
Vandaag horen we het verhaal over die vader en die zoon beneden aan de berg en dat er pas een einde aan hun lijden komt, als Jezus bij hen is.
Maar waarom niet eerder, dat is de vraag. Want ook de leerlingen van Jezus hebben inmiddels de macht gekregen om mensen te genezen en demonen uit te drijven. (Matt 10:1) Waarom lukte hen dat niet?
 
Dat is de centrale vraag vandaag. Laten we bidden om Gods Geest dat ook wij met de leerlingen mee, horen wat Jezus ons daarover zeggen wil.
 


Overweging

 
Gemeente van Jezus Christus,
 
‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk’ – dat is het eerste wat Jezus zegt als Hij de berg afkomt. Het zijn woorden die we kennen uit de mond van profeten (Jer 7:23-28, Deut 32: 5 en 20) en het is duidelijk dat Jezus kwaad en teleurgesteld is om te merken dat de leerlingen tijdens zijn afwezigheid niet hebben gedaan waar ze toe geroepen zijn. Jezus heeft hen immers ‘de macht gegeven om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen’ (Matt 10:1).
 
Net zo teleurgesteld lijken de leerlingen zelf, want ze hebben het wel geprobeerd om de geest uit te drijven, maar zij waren niet bij machte om het te doen.
En als ze alleen zijn met Jezus vragen de leerlingen: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Jezus antwoordt: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’
 
Op dit bijzondere en cryptische antwoord van Jezus wil ik graag ingaan.
 
De leerlingen konden de jongen niet genezen vanwege een gebrek aan geloof – vanwege hun kleingeloof, staat er letterlijk. Maar dat betekent niet dat er groot geloof nodig is of veel geloof. Jezus zegt: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dat is genoeg.
 
Wat is nu het verschil tussen kleingeloof en geloof als een mosterdzaadje?
Wel, er is letterlijk een hemelsbreed verschil tussen beiden.
We hebben met de kinderen er al van gezongen en het helpt om nog even te kijken naar die gelijkenis over het mosterdzaadje dat Jezus eerder bij Matteus vertelt (Matt 13:31-32):
‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide. Het is weliswaar het kleinste van alle zaden, maar het groeit uit tot de grootste onder de planten. Het wordt een struik, en de vogels van de hemel komen nestelen in de takken.’
 
Het mosterdzaadje is dus niet uiterlijk groot, maar het heeft een kracht in zich om te groeien en tot de hemel te reiken.
Het gaat niet om wat het mosterdzaadje is, maar om wat het worden kan.
 
Geloof hebben als een mosterdzaadje betekent niet geloven in hoe het is, in hoe de dingen nu eenmaal zijn, maar geloven in hoe het worden kan.
Waar het woord ‘geloof’ in de Bijbel staat, kun je ook het woord ‘vertrouwen’ lezen. Want dat is waar het om gaat. Vertrouwen hebben in de mogelijkheid van groei, van verandering, van beweging.
 
De leerlingen konden de jongen niet genezen vanwege een gebrek aan innerlijke overtuiging dat verandering werkelijk mogelijk is en een gebrek aan vertrouwen dat zij daar zelf een aanzet toe kunnen geven.
Daarvan wil Jezus zijn leerlingen nu overtuigen, dat het begint met geloof dat het anders kan, met vertrouwen van de leerlingen in wat mogelijk is.
 
Bijvoorbeeld het zich verplaatsen van een berg.
Huh? Staat dat er nu echt?
Ja, Jezus zegt: als je vertrouwen hebt als een mosterdzaadje dan zul je tegen een berg durven zeggen: ‘verplaats je van hier naar daar’ en dat gebeurt.
 
Jezus grijpt naar een beeld dat voor handen is, namelijk de hoge berg waarop Jezus zojuist God ontmoette. Een berg is in de Bijbel de plek waar hemel en aarde elkaar raken, waar de ontmoeting met God plaatsvindt.
Daarom kunnen we Jezus’ woorden als volgt verstaan:
Jullie kunnen dingen van God teweegbrengen, jullie kunnen hemel en aarde bewegen omwille van de mensen, geloof daarin!
Dat heeft niet te maken met een groot geloof of met spierballenkracht, maar met overtuigd zijn van de mogelijkheid van verandering, van spreken met gezag, van God niet zien als een vaststaande berg maar als Eén die met ontferming bewogen wordt.
 
Jezus wijst de leerlingen niet terecht vanwege hun kleingeloof, maar Hij roept ze op vertrouwen te hebben in wat geloof vermag.
De leerlingen lijken machteloos te staan tegenover de beide vaders en hun zonen die moeten lijden. Maar ze zijn niet machteloos.
Als ze er vertrouwen in hebben dat er doorgang is in het leven van mensen, dan kunnen ze dat vertrouwen ook geven.
 
En dat geldt ook ons.
Als wij geloven in doorgang in het leven van mensen, dan is er veel mogelijk. Dan zullen we hemel en aarde willen bewegen wanneer we zien dat mensen vastzitten, en dan zullen we ons niet laten verblinden door wat groot geloof heet te zijn, maar onbeweeglijk is. Dan zullen we elke dag proberen in beweging te komen en:
 
Geloven dat een zaadje niets minder is dan een boom in wording.
Vertrouwen dat een ideetje kan leiden tot een opgeknapt dak boven zoveel hoofden.
Geloven dat ieder mens groeit wanneer een ander vertrouwen uitspreekt in zijn mogelijkheden.
Vertrouwen dat wanneer één begint, anderen zullen meedoen en het vertrouwen zullen aanvullen.
Geloven dat God niet onbereikbaar is, maar ook hier in ons midden, bewogen.
 
Dat vertrouwen, dat geloven, gaat ons dat lukken?
Jezus verzekert ons van wel.
En als wij dat vertrouwen, dan zijn wij al een eind op de goede weg.

Amen

27 augustus

Zomerdienst Oranjekerk en Willem de Zwijgerkerk

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteüs 16: 21-27


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we een gedeelte uit het evangelie volgens Matteüs dat nog meer betekenis krijgt wanneer je weet welk gedeelte eraan vooraf is gegaan. Daarom geef ik u dat kort weer.

De voorafgaande tekst heet ook wel ‘de belijdenis van Petrus’ (Matt 16: 13-20). Jezus is met zijn leerlingen onderweg en wordt regelmatig op de proef gesteld door Farizeeën en andere Schriftgeleerden. Dan komt het moment dat Jezus zijn leerlingen de vraag stelt ‘Wie ben ik volgens jullie?’. En Petrus antwoordt: ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God’. Daarop zegt Jezus tegen Petrus: ‘Petrus, zalig ben jij, jij bent zoals je naam zegt een rots, op jou kan ik bouwen!’.

Wat daarna gebeurt, lezen we vandaag als Jezus zijn leerlingen vertelt wat het betékent om messias te zijn. Dat Jezus veel te verduren zal krijgen tot de dood toe.

Nu protestéért Petrus: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ Jezus zegt daarop tegen Petrus ‘Ga weg achter mij, duivels is het wat je doet, je vormt een obstakel op de weg die ik moet gaan’.

Het ene moment heeft Petrus het dus helemaal begrepen, God heeft hem aangeraakt, en het andere moment begrijpt hij het helemaal niet, dan spreekt de duivel via hem. Dat dit kan en gebeurt, dat Petrus het ene moment de hemel in wordt geprezen vanwege geloofsvertrouwen en 6 verzen later toch zo terecht wordt gewezen, dat is op zichzelf al een boodschap van dit evangelie. Dat kan dus, dat je beide bent, een rots in de branding en een struikelblok voor Jezus. En in beide gevallen hoor je erbij, ben je leerling, ben je van betekenis voor het verhaal van wie Jezus is en hoe we Jezus kunnen volgen.

Jezus is de Messias én moet lijden, kunnen wij dat volgen?

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’, dat is wat Jezus Petrus verwijt. En Jezus wijst Petrus op zijn plek, nl. niet voor Jezus, in de weg, maar achter hem, als volgeling.

Petrus heeft zijn hart laten spreken en het is zo begrijpelijk wat hij zegt. De angst dat anderen zijn Heer kwaad zullen doen, grijpt hem bij de keel. Het doet hem zelfs uitroepen ‘God verhoede dat dat gebeurt’.

Maar wat zegt hij daar nou? Petrus is te snel, hij heeft niet goed geluisterd en hij denkt alleen aan wat de mensen willen en niet aan wat God wil.

Want dit heeft Jezus gezegd: ‘dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de ​schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt.’

(Had u dat gehoord?)

Alle aandacht van Petrus is uitgegaan naar het lijden en de dood – die dingen die door de hand van mensen zullen gebeuren. En die Petrus niet waar wil weten voor de Messias.

Maar dat laatste, dat God wil dat Jezus leeft en hem zal opwekken uit de dood, dat hoorde Petrus niet. Want dan had hij zeker niet gezegd: ‘God verhoede dat dat gebeurt’.

Nu is dit niet zo gek denk ik, Petrus is ook maar een mens, en dat lijden dat grijpt hem aan. Wat van God komt, dat is veel ongrijpbaarder. Daarom zegt Jezus: kijk anders, laat je niet leiden door wat van de mensen is, maar door wat van God is. Dat moeten de leerlingen, Petrus voorop, oefenen.

2. En dat is een hele opgave. Want het vereist dat Petrus, en ook wij, uitstijgen boven de angst om lijf en goed te verliezen.

Er is iets, er is Iemand, belangrijker en kostbaarder dan dat.

Jezus zegt het zo:

Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet?’

Zo’n zin is vragen om misverstanden. Je zou haast kunnen denken dat Jezus zijn volgelingen opdraagt om zich te onthechten. Om hun eigen leven te relativeren en zichzelf weg te cijferen en om alle pijn die dat kost dan maar gewoon te incasseren. Alsof pijn je dichter bij God brengt.

Het lijkt mij niet de bedoeling van deze tekst.

Het woordje ‘moeten’ in de Bijbel leidt vaak tot misverstanden.

Zoals Jezus niet ‘moet’ lijden in de zin van ‘dat is de enige manier waarop je Zoon van God kan zijn, zo ‘moet’ een volgeling van Jezus ook niet ‘zijn kruis opnemen en dus lijden’ om een goede volgeling te zijn.

Het is andersom.

Doordat Jezus zich vasthoudt aan wie Hij is, Zoon van God, Messias, en dus de woorden van God spreekt, daardoor weet je zeker dat Hij op weerstand zal stuiten. ‘Dat moet wel misgaan’, kun je zeggen. Niet omdat het van iemand moet, maar omdat dat de consequentie is in deze wereld, als je je zo laat kennen.

Zo is het ook voor volgelingen van Jezus. Die ‘moeten’ wel lijden, niet van iemand, maar door de wereld waarin we leven. Want daar kom je eens mee in conflict, als je niet weg wilt kijken, maar je geroepen voelt op te staan, op te komen voor wat recht is, vast wil houden aan het woord van God. Jezus niet verloochenen, kan betekenen dat je tegen de orde en het goede fatsoen in moet gaan en jezelf op het spel zet, je status, je veiligheid.

3. ‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint maar schade lijdt aan zijn ziel?’.

Wat Jezus zijn leerlingen leert, over je leven behouden danwel verliezen, doet mij denken aan aantekeningen van Etty Hillesum, die zij als jonge Joodse vrouw schreef tijdens de Tweede Wereld Oorlog. Ik lees er een gedeelte uit voor (ZONDAGOCHTENDGEBED: 12 juli 1942):

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, […] Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen we ons zelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in ons zelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen.

En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat je ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen die hun lichaam in veiligheid willen brengen die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizenden angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. […]

4. Het zijn woorden krachtig geschreven. Net als Petrus zo krachtig en volmondig zijn geloofsbelijdenis sprak. Van Petrus hoorden we hoe hij even later niet meer zo vol vertrouwen was. Etty Hillesum rondt haar schrijven af met: ‘Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein’.

Het is maar goed dat we van Petrus en van Etty ook de andere kant mogen zien.

Want die kant hoort erbij. De kant van niet willen weten en falen, van niet vertrouwen en nog veel moeten leren. Als we die kant van hen niet zouden zien, lijkt het of God hooghouden ons niets zou hoeven kosten. En alsof onze twijfel, angst en zoeken niet erbij zouden horen.

Ja, het kost wat je te laten leiden door de dingen van God, maar laat je er niet door ontmoedigen!

Zorg voor je ziel, bewaar de plek van God in jou. Dan zul je leven.

Amen.