kerstmorgen

Ds. Jantine Heuvelink

‘Kerst: een open deur?!’

Lezingen: Lucas 2: 1-20 en Johannes 1: 1-5, 14-18.

 
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Als ik u zou vragen om mee te spelen in een kerstspel, welke rol zou u dan kiezen?
Die van Maria of Jozef, van een herder of een wijze, of liever een schaap of de ezel?

Is er iemand van u die bij uw favoriete rol, aan de figuur van Jezus denkt?
 
Dat is een aparte rol.
 
Jezus, is de centrale persoon in het kerstverhaal, maar tekst heeft hij niet. Alle anderen spreken juist over Hem.
Van Jezus is als enige duidelijk wat hij aan heeft, alhoewel dat kostuum weinig om het lijf heeft! Een paar doeken zijn het maar.
En wie de rol van Jezus speelt, heeft maar één taak: hulploos zijn.
 
Zo’n rol is wel erg basaal.
Of moeten we eerlijk zeggen: zo’n rol is wel erg hoog gegrepen voor ons?
 
Een paar van onze gemeenteleden speelden vorige week in de Levende Kerststal de rol van Jezus met verve. Zoals Elske, die werd gedoopt op 1e Advent.
 
Het profiel voor de baby Jezus-figurant zou je als volgt kunnen omschrijven:
 
Je bent gericht op het licht en wilt het met aandacht volgen
Je lacht naar ieder mens dat je ontmoet, bekend of onbekend,
Je laat je dragen door een ander die groter is dan jij.
 
2.
Met kerst vieren we dat God zichtbaar is geworden in een kwetsbaar mens, een mens die lijden kan en zal. En de ultieme verbeelding van die God-onder-mensen is een pasgeboren baby.
Het is de mens zoals we die allemaal van oorsprong ten diepste zijn: onschuldig, kwetsbaar.
Het is de mens die we allemaal kunnen worden: gericht op het licht, met open blik voor ieder die je ontmoet, bewust dat we gedragen worden door die Ene.
 
En zo roept Kerst in ons het verlangen op om de beste versie van onszelf te willen worden.
 
Toch gaat het kerstverhaal er niet om dat we als Jezus moeten worden.
De kern, het wonder, of de boodschap van kerst, is dat God mens is geworden.
 
Die rol die wij niet ambiëren en die voor ons moeilijk te spelen is: die van kwetsbaar mensenkind, afhankelijk van anderen, daarvoor kiest God, zo vertelt ons de evangelist Lucas.
 
En de evangelist Johannes vertelt dat het Woord van God mens is geworden.
De baby in de kribbe heeft weliswaar geen tekst, maar het Woord is Hem op het lijf geschreven, hij belichaamt Gods geboden.
 
Deze beide horen dus bij elkaar: het Woord van God en de kwetsbaarheid van het mens-zijn.
Met zijn leven getuigt Jezus daarvan.
 
3.
Wat mij betreft is Kerst géén open deur in de figuurlijk zin van het woord.
Dat God mens wordt, is zo tegengesteld aan een diep verankerd beeld van een hoog verheven God, dat we ons telkens voor moeten houden dat God anders is dan we denken: dichterbij, onder ons, in ons.
En dus ook: voor ons bereikbaar.
 
Kerst is de opmaat voor al die verhalen die gaan komen over wat Jezus de mensen leerde toen Hij rondtrok. De rolverdeling is helder: iedereen kan een rol krijgen.
 
Willen wij die rol ook spelen?
Kunnen we onszelf voorstellen als iemand die Jezus op zijn weg zal ontmoeten: een tollenaar, een leerling, één van de velen die komen luisteren naar deze rabbi?
Zullen we het doen als Hij ons vraagt mee te gaan?
 
Zullen we Hem herkennen als Hij ons tegemoet komt?
Kerst zet ons op het goede spoor: God is te vinden in de Ander zoals we die niet verwachten.
 
4.
Ik wil eindigen zoals ik ben begonnen: als ik u zou vragen een rol te spelen in het kerstverhaal, of in een ander verhaal van Jezus, welke rol zou u dan kiezen?
Hoe zou u Jezus willen ontmoeten?
Als herder, als wijze, als verlamde man of buitenlandse vrouw?
Misschien wilt u dat aan een ander vertellen of vragen bij de koffie straks.
 
God is mens geworden en wij mogen er zijn. Erbij zijn.
 
Het Woord was bij God en het Woord was God. (…) En het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid. (…) Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.
 
Halleluja.
Amen.

kerstnacht

ds. Jantine Heuvelink

‘Kerst: waar gaat dat eigenlijk over?’

Lezingen: Micha 5:1-4a; Lucas 2:1-20

 
Gemeente in de kerstnacht,
 
‘Kerst: waar gaat dat eigenlijk over?’, die vraag werd mij afgelopen week heel letterlijk gesteld. Er kwam een groep studenten op bezoek van de HvA en de docent vroeg mij in te gaan op de volgende vragen over kerst:
1. Wat is er nu eigenlijk gebeurd?
2. Wat betekent dat voor mensen in de kerk?
3. Wat zou dat kunnen betekenen voor mensen buiten de kerk?
 
Het was een leuk bezoek, dat allereerst, én ik dacht: deze vragen zijn het perfecte kader voor een kerstpreek. Dus daar gaan we:
 
Vraag 1: ‘Wat is er nu eigenlijk gebeurd?’
 
Wat er is gebeurd is dit: tweeduizend jaar geleden trok een Joodse leraar, een rabbi, rond in Israël, en hij sprak op een radicaal nieuwe, overtuigende manier over God. Hij sprak zó over God en gaf ook handen en voeten aan deze woorden dat mensen zeiden: Hij moet het zijn. Dit is de Messias, de langverwachte Redder, over wie profeten spraken en naar wie we al zo lang uitkijken.
 
De vier evangelisten, Matteus, Marcus, Lucas en Johannes hebben naderhand (rond 80 na Christus) over het leven van deze Jezus van Nazareth geschreven. In soms gelijke en soms verschillende verhalen doen zij verslag van zijn leven en zij doen dat op zo’n manier dat duidelijk wordt dat zij in hem de beloofde Messias hebben herkend.
 
Alle vier evangelisten vertellen hoe de volwassen Jezus zich liet dopen door zijn tijdgenoot Johannes de Doper, die al had gezegd: er komt iemand na mij die groter is dan ik.
 
Twee van de vier evangelisten vertellen daarvoor een verhaal over de geboorte van Jezus.
Deze twee Bijbelse kerstverhalen zijn heel verschillend: het kerstverhaal van Lucas hebben we vandaag gehoord, daarin gaat het om een bevel van keizer Augustus, wat maakt dat Maria in Betlehem bevalt en het kind in een voederbak legt en om herders die langskomen.
De evangelist Matteus vertelt een heel ander verhaal: over wijzen uit het Oosten die het koningskind in Betlehem bezoeken en Jozef die in een droom gewaarschuwd wordt te vluchten voor koning Herodes die alle kleine jongetjes wil vermoorden uit angst voor concurrentie van die andere pasgeboren koning van de Joden.
 
Wat beide kerstverhalen doen is dit: ze laten de betekenis die Jezus heeft voor de wereld niet in het midden en ze laten de komst van deze Messias niet zomaar uit de lucht vallen.
Ze vertellen een verhaal over waar Jezus vandaan komt en vullen dat verhaal in met wat zij weten uit de oude verhalen over de Messias.
Zo is de geboorteplaats van Jezus natuurlijk Bethlehem: dat heeft de profeet Micha immers eeuwen eerder al aangekondigd: ‘Luister, Betlehem in Efrata. Jij bent één van de kleinste steden van Juda. Toch zal er uit Betlehem iemand komen die namens mij leider zal zijn van Israël’. (Micha 5: 1)
En Jezus stamt af van koning David, zoals de profeet Jesaja (11:1) heeft voorzegd.
En ook andere volken komen hem aanbidden, zoals in Psalm 72 staat.
 
De kerstverhalen vertellen niet wat er is gebeurd in het jaar nul, ze vertellen veel grotere dingen over Jezus, nl. dat Hij de beloofde Messias is, dat in Hem God zichtbaar is geworden onder mensen en dat Hij daarmee de vervulling is van een belofte van eeuwen.
 
Vraag 2: ‘Wat betekent dat voor mensen in de kerk?’
 
Dat betekent dat we in de kerk met kerst stil staan bij deze bijzondere gebeurtenis, dat God op aarde zichtbaar is geworden in een mens. Een mens kwetsbaar zoals wij. En dat is wonderlijk en confronterend tegelijk.
 
Voor de geboorteverhalen geldt hetzelfde als voor het hele evangelie: het is een wonder dat God in Jezus zo dichtbij komt in ons menselijk bestaan en tegelijkertijd is er een schrikbarend verschil tussen hoe de wereld in elkaar zit en hoe Jezus laat zien wat het is om mens te zijn.
 
Zoals in het kerstverhaal volgens Lucas:
Wat is dat voor een maatschappij waarin je omwille van de juiste papieren het halve land moet doorkruisen ook als je hoogzwanger bent, waarbij het je dan ook nog kan overkomen dat je min of meer op straat bevallen moet en blij mag zijn dat je je kind nog in een voederbak voor dieren kunt neerleggen?
 
We kunnen in dit verhaal herkennen wat vandaag de dag ook honderden, duizenden mensen in Amsterdam overkomt, zoals de vluchtelingengroep We Are Here waar we vandaag voor collecteren: dit zijn jonge mensen, twintigers, dertigers, die de dictatuur in Eritrea ontvluchtten, maar hier de juiste papieren niet hebben. Ze trekken nu al jaren van gebouw naar gebouw, kunnen niet terug maar bouwen ook niets op.
 
Deze mensen worden het slachtoffer van machthebbers in hun eigen land en regels in hun nieuwe land.
Net zo beginnen de kerstverhalen: er zijn geen geldige papieren, de machthebber ziet de mensen liever gaan dan komen, voor dit mensenkind is geen plaats.
 
Maar deze Redder van mensen, het kerstkind, vertelt vanaf het begin een ander verhaal: mensen zonder macht en status, buitenstaanders, zijn als eerste getuige van deze nieuwgeboren koning: herders en wijzen uit het Oosten staan vooraan. En ook later is iedereen welkom in de kring van Jezus. Want zo gaat dat bij God.
 
Wonderlijk dat het zo zit: dat met kerst zichtbaar wordt dat de kwetsbaarheid van ieder mensenkind die eigen is aan ons diepste wezen, eigen is aan God.
 
Dat wat geen schijn van kans heeft in de maatschappij: ieder die afhankelijk is van anderen, geen status heeft, geen eigen plek – daar is God te vinden.
 
Vraag 3. Wat zou dat kunnen betekenen voor mensen buiten de kerk?
 
Ik denk hetzelfde als voor mensen in de kerk.
Voor ons allemaal kan het betekenen dat kerst vooral vragen in ons oproept bij alles wat we vandaag de dag zien als nastrevenswaardig en indrukwekkend.
Niet al het goud wat er blinkt moet onze aandacht trekken, maar Wie een bron van hoop is voor zoveel mensen, Hem moeten we ons goud brengen. Laten we deze God onder mensen die we kunnen ontmoeten in een Ander, geven wat wij te bieden hebben, het beste van onszelf: medemenselijkheid, kijken zonder oordeel, onze kracht om ons met anderen te verbinden.
 
Het kindje in de kribbe in doeken gewikkeld toont ons de naakte mens die wij zijn, kwetsbaar geboren, en bij het sterven hebben we niet veel meer om het lijf.
Maar we zijn wel iemand!
Jezus heeft in een paar jaar tijd voor vele mensen de ogen geopend voor God die niet te vinden is op de plekken waar we op onze tenen moeten lopen, bang moeten zijn, mogelijk niet welkom zijn. Deze God is te vinden waar je Hem niet verwacht:  in een pasgeboren kind, tussen buitenstaanders, in een stal.  
Dus of we met kerst nu God zoeken, of de Ander of onszelf, we moeten het misschien wel ergens anders zoeken dan we tot nu toe dachten – simpeler, minder pretentieus, dichterbij onszelf.
 
Zie Jezus.
 
Amen.


3 dec

1e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Psalm 24: 7-10; Matteüs 21: 1-9 en Lied 435


Legende en overweging

 
Inleiding op de Schriftlezingen met lezing Psalm 24: 7-10

Vandaag op 1e Advent lezen we volgens het Luthers Leesrooster uit het evangelie van Matteus over de intocht van Jezus in Jeruzalem. Huh, zult u wellicht denken, dat is toch de tekst van Palmpasen?
Ja dat klopt inderdaad. Met Palmpasen lezen we die tekst. Maar Luther liet deze tekst ook op 1e Advent lezen, dus op de eerste zondag van het nieuwe kerkelijk jaar. En natuurlijk had hij daar goede redenen voor. Twee keer per jaar gaat met deze lezing voor ons de poort open (de deur) en zien we het voor ons - de beloftevolle intocht van een zachtmoedige koning, die op zal komen voor de mensen zonder macht. Hij die was, die is en die komt.
 
Bij deze lezing uit Matteus hoort psalm 24, ik lees u daaruit de laatste verzen:
Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
Wie is die koning vol majesteit?
De HEER, machtig en heldhaftig, de HEER, heldhaftig in de strijd.
 
Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef ze, aloude ingangen:
de koning vol majesteit wil binnengaan.
Wie is hij, die koning vol majesteit?
De HEER van de hemelse machten, hij is de koning vol majesteit.
 
Deze psalm 24 en de lezing van de intocht in Jeruzalem komen terug in het lied ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd’. Over de oorsprong van dat lied bestaat een legende, die ik u zo wil vertellen. Eerst horen we nu Matteus 21. Liesbeth Buitink zal voor ons lezen.
 
Legende ‘Macht hoch die Tür’

In het liedboek kunt u bij lied 435 dat we net zongen, lezen dat de tekst een vertaling is van het lied ‘Macht hoch die Tür, die Tor macht weit’. Georg Weissel, een Duitse predikant, schreef dit adventslied in 1623. Hij schreef het lied in aansluiting op psalm 24 voor de feestelijke inwijding van een nieuw ingerichte kerk op 2e Advent.

Een legende brengt dit lied van Georg Weissel in verband met een rijke koopman, meneer Sturgis. Mijn Duitse collega predikant Christina Ehring wees mij op dit wijd verbreide verhaal. Het gaat zo:
De rijke koopman Sturgis bezit een groot landgoed en hij krijgt op een dag de kans het grote stuk land dat er naast ligt erbij te kopen. Wat hem stoort is dat er dagelijks mensen uit het armenhuis over dat stuk land lopen op weg naar de stad. Geen gezicht is dat. Sturgis wil het niet langer zien. Nu hij de eigenaar is van dat land besluit hij daarom daar een park aan te leggen met een muur eromheen. Er moeten twee poorten in, die enkel open gaan als Sturgis erdoor naar buiten wil gaan.
 
Een week later is de muur klaar. Als de armen uit het armenhuis aan komen lopen op weg naar de stad, zien ze dat ze niet verder kunnen door die muur. Ze zullen om moeten lopen.

Of nee, wacht er is een poort! O nee, die zit dicht…
 
Even later komt de dominee langs, Georg Weissel.
‘Wat is dit?’, denkt hij. ‘Dit kan toch niet! Heeft die rijke koopman nu daadwerkelijk het hele land gekocht en afgesloten? Hoe moeten de mensen uit het armenhuis nu naar de stad? Er was hier vroeger toch een weg? En nu staan we voor een muur met een gesloten poort. Dat gaat toch niet?!’
 
Maar dan krijgt dominee Weissel een idee. Hij schrijft een lied, een Adventslied over psalm 24. Elk jaar op 2e Advent maakt het kerkkoor een ronde door de streek en zingt bij alle rijke mensen voor hun huis een lied om hen te bedanken voor hun bijdrage aan de kerk. Dit jaar zullen ze dit lied zingen. Het kerkkoor gaat ook naar het huis van de koopman Sturgis. Ze gaan staan voor de muur en ze zingen zo mooi als ze kunnen…

U bent nu even dat koor. We zingen heel lied 435:1-4 ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd’ 
 
’s Avonds vraagt de vrouw van de koopman, Sturgis naar zijn dag. ‘Wat is er met je?’, vraagt ze ‘je ziet er zo in de war uit, wat is er mis?’.

‘Het was zo pijnlijk’, zegt Sturgis, ‘Heb je niets gehoord? Het hele kerkkoor en de dominee stonden vandaag bij ons aan de poort van de tuinmuur van het nieuwe park. En ze zongen een lied ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd’. En toen zongen ze ‘gezegend ’t hart dat openstaat en Hem als koning binnenlaat’. En ik dacht – ze hebben het tegen mij.

En ik hoorde heel duidelijk een stem in mij zeggen ‘doe die poort open!’, ‘doe je hart open’, ‘laat de mensen erin’. En ik kon niet anders. Ik heb de poorten in de tuinmuur open gemaakt. Nu lopen de mensen door het park.
 Wat? Zei zijn vrouw. Ben je gek geworden? Door ons park?
Ja, zei Sturgis, ik weet ook niet wat me bezielde. Maar ik kan niet meer terug, we zullen eraan moeten wennen.
Nou, lekker dan, zei zijn vrouw. Wat is die dominee een doordrammer, zeg.
Ja, zei Sturgis, maar weet je, dat was die Jezus blijkbaar ook.

Overweging

1.     Gemeente van Jezus Christus,

Jezus komt binnen in Jeruzalem op een ezel. En Jezus komt binnen bij de rijke koopman Sturgis in de woorden van een lied. De koopman is geraakt door de roep zijn hart te openen voor deze zachtmoedige koning. En hij doet zijn poorten open.

Het is een beetje een zoetsappig verhaal, vind ik, maar een kern van waarheid zit er wel in.
De rijke man geeft blijkbaar al jaren grote bedragen aan de kerk. Maar de Ander toelaten tot zijn hart, dat gebeurde nog niet.

Wat ik grappig vind aan het verhaal, is dat de koopman zich niet van het ene op het andere moment geheel bekeert. Hij wordt niet opeens de redder van de armen. Hij voelt zich geroepen de poorten open te doen en de mensen toegang te geven tot zijn tuin. Dat is het. Die muur, daar kon hij zélf niet meer om heen. En dan blijkt er geen weg meer terug. Dit is wat hij moet doen.

Het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem heeft ook als kenmerk dat er geen
weg meer terug is. Jezus wordt zichtbaar zoals de profeet Zacharia (9:9) eeuwen ervoor heeft aangekondigd: 9Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin. Hij is de lang verwachte Messias, die de mensen zal bevrijden. Maar komt zijn boodschap wel binnen? Laten de mensen zich raken door de zachtmoedigheid van deze koning? 

2.     Advent, letterlijk Adventus Dominum, de komst van de Heer, is de tijd van uitzien naar een
andere, betere wereld, uitzien naar een wending ten goede. Totale ommekeer is daarvoor nodig. Aanpak van corruptie, bestrijding van armoede, zorgvuldig omgaan met de aarde, navolgen van de rechten van de mens en zo nog meer.

Toch begint Advent niet bij die wereld, maar bij één mens. Die niet boven maar tussen de mensen stond. Die recht deed aan ieder mens die Hij ontmoette – en zo verwachtingen schiep.
Achter deze verwachtingen willen we niet terug. Zo kan het blijkbaar zijn! Zo zal het zijn als Hij komt.
Als we de verhalen van de Bijbel doorvertellen en als we kinderen dopen dan zeggen we: We hebben wat te verwachten!

Sturgis zet de poort in zijn muur open voor andere mensen. Hij kan niet anders, de oproep zijn hart te openen voor de zachtmoedige koning kwam binnen.
 
Zet de poort open, zwaai de deur open – wat betekent dat voor ons? Is dat letterlijk de deur open doen voor een ander, omzien naar wie binnen wil komen in de kerk, in ons huis? Of is dat het hart openen voor een ander die onze aandacht vraagt, die ons vraagt ons bezit te delen? 
Of is dat elke dag opnieuw ons laten verrassen door wie ons pad kruist, een mens in wie we iets van God kunnen herkennen?

Als kind kreeg ik rond deze tijd altijd een Adventskalender met voor elke dag tot aan kerst een deurtje. Wat er achter zat, was chocola. Maar de vorm van het chocolaatje was elke dag anders.
Deuren zijn er meer dan genoeg, in deze kerk, in onszelf, in deze stad. Laten we er elke dag één open maken om te zien wat er achter zit, in welke vorm God in een mens aan ons verschijnt.
Amen.

26 nov

Eeuwigheidszondag

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: psalm 139

 
1.    Gemeente van Jezus Christus,           
 
‘Mama’, vroeg mijn oudste dochter mij woensdag, ‘hoe kan het dat die meneer is doodgegaan? Hij was toch niet oud? En hij was toch in het ziekenhuis, dan kunnen de dokters hem toch beter maken?’.
 
Zes jaar oud stelde zij dé vraag. Waarom gaan mensen dood; -  soms zo vroeg, zo onverwacht, zo ongewild.
Het is de vraag van kinderen, het is de vraag van volwassenen, een vraag van alle tijden.
Net zo van gewicht als die andere vraag: ‘waar zijn onze doden nu?’.
 
Het antwoord op die vraag weten we niet. We tasten in het duister.
En toch zeggen we er wel wat over in de kerk.
In de taal van geloof hebben mensen van alle tijden woorden willen geven aan wat ze van die plaats waar onze doden zijn vermoeden, verwachten, hopen of waarop ze vertrouwen.
 
Zoals de dichter van psalm 139 schrijft: ‘Lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar’.
De vraag ‘waar zijn onze doden?’ krijgt daarmee als antwoord: ‘de doden zijn elders maar binnen het bereik van God’.
Het hele begin van psalm 139 gaat daarover: dat God aan het begin en het einde van de mens staat, dat God het mensenleven omvat en dat er geen plek is waar God de mens niet bereiken kan.
 
Het kan zijn, dat deze woorden ons benauwend voorkomen, zoals de psalm ook zegt: God, daar is geen ontkomen aan.
Maar voor de psalmdichter is dat uiteindelijk een veilig gevoel. Nergens zijn wij buiten het bereik van God, en het zal nooit zo duister zijn, waar wij zijn, dat Gods licht er niet schijnt.
 
Let wel: de psalmdichter beschrijft niet hoe het zít, de psalmdichter gebruikt beelden om aan te duiden waar hij op vertróuwt.
En die beelden passen bij de Bijbelse verhalen waarin we lezen dat God de mensen vormt, met mensen optrekt, en hen bevrijdt uit duisternis en dood.
Daarom is het ook geen toeval dat deze psalm met Pasen gelezen wordt. Het Paasverhaal dat vertelt dat Jezus leeft door de dood heen, wijst ons op God die groter is dan ons sterfelijk leven. En al die verhalen samen geven ons het vertrouwen dat in dit leven de dood niet het laatste woord heeft.
 
Dat betekent niet dat wij niet zullen sterven of dat onze doden zullen herleven. En het betekent ook niet dat we de dood kunnen bezweren als we maar op God vertrouwen.
Maar wel betekent het dat we ons leven niet moeten laten beheersen door de dood, maar dat het licht ons ijkpunt is.
 
2.
Straks bij het aansteken van de gedachteniskaarsen zingen we een lied dat geschreven is rond één vers uit deze psalm 139: ‘Wie door het duister zijn omringd, noemen wij hier in stilte, want voor u is het duister niet donker, de nacht licht op als de dag, het duister is helder als licht’.
Wij zingen dit lied bij het gedenken van de doden, maar het is goed om te bedenken dat de psalmdichter niet doelt op gestorvenen als hij het heeft over mensen die door het duister zijn omringd. In de hele psalm gaat het over een mens die leeft met God tot in alle uitersten van het menselijk bestaan. Daarmee is de psalm te lezen als een belofte voor wie in dit leven door de dood van een naaste worden overvallen en uit het veld geslagen. De belofte is: je kunt God wel even helemaal kwijt zijn, maar God is jou niet kwijt. Hoe donker het ook is, je blijft binnen het bereik van God. Binnen het bereik van Zijn licht.
En dat licht kunnen we herkennen als het licht van het begin van de schepping, dat orde bracht in de doodse chaos. Het licht ook van Pasen. 
 
Het gedenken van de doden verbindt ons daarom ook niet met de dood, maar met het leven. Wij verbinden de namen die we bij ons dragen met het licht van God, dat van ons allemaal het levenslicht is. Voor dat licht zijn wij bestemd, zegt de psalmdichter en we vinden het bij God ‘Die ons voor het licht gemaakt heeft opdat wij leven: Die ons licht geeft en aanwezig is zoals zijn naam zegt ‘Ik zal er zijn’.
 
3.
Helpt het nou om deze woorden te horen en te zingen in tijden van rouw?
Zal de psalmdichter zelf toen het er op aan kwam, ook inderdaad zijn toevlucht hebben gezocht tot God?
Of is het ook van alle tijden dat woorden van geloof makkelijker te beamen zijn als het goed gaat, dan wanneer het duister over je heen valt en dat het zomaar kan gebeuren dat het in tijden van rouw niet lukt om te bidden en te geloven en vertrouwen op het licht?
 
Het lijkt alsof de psalmdichter verwacht dat dat hem kan overkomen.
Want na alle getuigenis van hoe God hem kent, en hoe dankbaar hij is voor zijn bestaan, en na een paar felle zinnen van haat tegen iedereen die tegen God getuigt, eindigt de psalm met een gebed:
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is.
 
Als de woorden ons ontbreken, als wij tasten in het duister, laat God er dan zijn in het teken van leven dat we voor onszelf en voor anderen kunnen ontsteken: het licht van een kaars.
 
Amen
 


19 nov

ds. Piet Kooiman
Ezechiël 34 : 11 – 17 / Mattheüs 25 : 31 – 46


Lieve mensen in de Oranjekerk,

Gemeente van Christus.

Geloven begint niet met het antwoord op de vraag of God bestaat. Geloven begint met een vermoeden, een ervaring soms en dikwijls met verhalen.

Hoe dat gaat, dat is denk ik bij ieder mens weer anders. Want geloven is niet iets wat je het beste in je eentje kunt doen, maar het is wel iets persoonlijks.

In het verhaal dat Jezus vertelt gaat het over menselijke ervaring. Een ervaring die pas achteraf met God in verband wordt gebracht. Wanneer hebben wij U dan gezien en ook nog iets voor U betekend? Pas achteraf begint het te dagen.

Als ik het goed zie sluit dat goed aan bij onze eigen vragen over God en geloof. Wij hebben zo onze twijfels. De een natuurlijk meer dan de ander, maar toch… Het antwoord op onze vragen is niet meer zo duidelijk als het was in de tijd van onze ouders en voorouders. Maar we kunnen ook niet zónder geloof. Zo ervaar ik het in elk geval zelf.

Er zijn ook in onze tijd mensen die los zijn geraakt van het traditionele geloof maar gaandeweg ontdekken dat ze toch niet zonder het woordje ‘God’ kunnen. En dan blijkt geloven een proces te zijn dat soms een leven lang duurt. Een proces van denken en voelen, vragen, ervaringen en verhalen.

Jezus vertelt vandaag een verhaal. Dat moet wel even gezegd worden, dat het een verhaal is. Het hoofdstuk waarin het staat in het evangelie van Mattheüs begint met twee keer een gelijkenis over het Koninkrijk der hemelen. Dat van de wijze en de dwaze meisjes eerst en daarna over de talenten. Dan volgt het verhaal van vandaag. Dus reken maar dat ook dit gaat over het koninkrijk der hemelen of zoals het elders heet: het K.v.G.  Hier gaat het verhaal over schapen en bokken, een herder en een koning. Het is een wakker-schrik-verhaal. Verteld volgens de regelen van de kunst van die tijd. En als je goed luistert gaat het niet zozeer om wat er aan het einde der tijden zal gebeuren, maar om wat er vandaag van belang is op de weg die Jezus wijst. Vandaag dus en morgen.

Dat wordt ook mooi bezongen in het lied na de preek. Het begint met ‘Er komt een dag, God weet wanneer’. Dan denk je aan een verre toekomst. Het tweede couplet begint met ‘Eens komt die dag’ maar het derde en laatste couplet heeft als opening: ‘Dit is de dag’. Dat is de focus. Wij komen zelf in beeld.

Het is wel een beetje lastig dat het met die schapen en bokken nogal een zwart-wit verhaal is. Je kunt de mensheid toch niet zo rigoureus indelen in goeden en slechten? Is het niet veeleer zo dat goed en kwaad in één mens samen komen. Maar dáár gaat dit verhaal van Jezus niet over. Je kunt niet in één verhaal alles tegelijk vertellen.

Jezus kijkt als het ware vanuit het einde naar het heden. En de figuur die daarin een cruciale rol speelt is de Mensenzoon. Een koninklijke gestalte die voorkomt in het boek Daniël (Daniël 7 : 13v.). En die koning is het dan die scheiding maakt tussen schapen en bokken, rechtvaardigen en vervloekten. Om goed te kunnen begrijpen vanuit welke betrokkenheid dit wordt gedaan kijk ik met u nog even verder in het evangelie. Het hoofdstuk na de lezing van deze morgen begint als volgt: (26 : 1 – 2) En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot zijn discipelen zei: ‘Jullie weten, dat het over twee dagen Paasfeest is. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.’ De zoon des mensen die rechtspreekt is dezelfde als die geleden heeft en gekruisigd is als de minste der mensen. Daarom is het ook niet vreemd dat deze koning zich identificeert met wie honger en dorst lijden, die gevangen zijn en arm of ziek. Het is alsof Hij ons met hun ogen aankijkt.

Vanuit dit verhaal zijn de bekende ‘werken der barmhartigheid’ afgeleid:

De hongerigen spijzen / De dorstigen laven / De naakten kleden /

De vreemdelingen herbergen / De zieken verzorgen / De gevangenen bezoeken

Daar heeft in de Middeleeuwen Paus Innocentius III nog aan toegevoegd ‘het begraven van de doden’ (Tobit 1 : 17). Tezamen zijn dat de zeven werken van barmhartigheid of De Zeven Deugden.

Dat zijn met recht goede werken. Nu heeft de reformatie de goede werken niet zo’n goede naam bezorgd. Luther en Calvijn benadrukten: alleen door genade kan een mens zalig worden. Dat was ongetwijfeld ook ingegeven door kritiek op de praktijk van de toenmalige kerk waarin verdienste het toverwoord was als het ging om de zaligheid. Maar hoe zit het dan met dit verhaal van Jezus? De bokken en de schapen worden toch geoordeeld naar wat ze gedaan hebben? Misschien is het onderscheid tussen genade en verdienste toch niet zo scherp als de gereformeerde dogmatiek het wil hebben.

In het verhaal van Jezus draait het om menselijkheid, om humaniteit. Maar het wonderlijke is dat die humaniteit tegelijkertijd ook dienst aan God is. Als we tenminste in de koning van het verhaal ook de trekken van de Eeuwige mogen ontwaren. En dat lijkt me toch wel omdat de mensenzoon spreekt over zijn Vader die hier duidelijk met een hoofdletter mag worden geschreven. Het is ook wel een bijzonderheid dat het juist de onrechtvaardigen zijn die blijkbaar in de gaten krijgen dat het gaat om dienstbaarheid. Ze zeggen: “Wanneer hebben wij U niet gediend?" Daar staat dan het woord dat wij kennen als ‘diaconie’!

De rechtvaardigen verwonderen zich. Het zal toch niet zo zijn dat ze zich verwonderen over het feit dat zij worden geprezen vanwege hun hulpvaardigheid - die zullen ze zich echt nog wel herinneren. Maar dat de Mensenzoon blijkbaar juist dáár te vinden was, bij of in die kwetsbare en gekwetste medemensen die op hun pad kwamen, dat was niet in hen opgekomen.

Je kunt bij het lezen van hun vraag de klemtoon leggen op het eerste woord: "Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien?" Maar ook op een ander woord: "Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien?" In de parabel is dat nota bene de Koning. Ze hebben de Koning Zelf gezien! En daarmee een glimp van het Koninkrijk opgevangen.

Dit verhaal gaat dus niet alleen over het belang van medemenselijkheid maar niet minder over de vraag welk beeld van God Hem (of Haar..) recht doet. God als koning? Zeker wel. Maar wat voor een koning dan! Dat vertelt Jezus met dit verhaal. Hij is te vinden in ons kwetsbare bestaan, daar waar mensen zijn aangewezen op de hulpvaardigheid, de goedheid en de hartelijkheid van iemand die hun naaste wordt.

Dat de Eeuwige er op uit is het verlorene te zoeken en de kwetsbaren te beschermen wordt prachtig verteld door de profeet Ezechiël, die God schildert als een herder die zijn verstrooide kudde bijeenbrengt en de schapen die honger en dorst hebben naar goede plaatsten leidt. Maar hij wordt kwaad op die beesten die zichzelf bevoordelen ten koste van de zwakkeren.

Lieve gemeente, Jezus vertelt dit verhaal met het oog op vandaag. Om aan te geven wat er van cruciaal belang is in het leven van mensen in het licht van de eeuwigheid. Het draait om daadwerkelijk medemens zijn. Daarin kom je God tegen, de rechtvaardige, de vredelievende herder. En Jezus, de geslagen mens. Hij kijkt je aan door de ogen van die ander. Die ander, die misschien wel dichter bij is dan je denkt. Die buurman die nooit bezoek krijgt. Of misschien is het wel gewoon je ouwe moeder die in het verzorgingshuis woont. Of de verkoper van de daklozenkrant bij de supermarkt. Het kan zijn dat Jezus jou door hun ogen aankijkt. Ook als jij het op dat moment zelf niet ziet. Jezus vertelt: dat geeft ook niet. Want dan, juist dan zie Ik jou.

Waar liefde is en vriendschap

hulpvaardigheid en saamhorigheid

daar is God. Of zo u wilt: dáár bestaat God.

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

12 nov

ds. Jantine Heuvelink
Lezing: Matteus 25: 14-30


Kinderverhaal n.a.v. zingen Lied 930 ‘Jij geeft mij vleugels’

Jij geeft mij vleugels en handen vol licht. Jij leert mij leven zonder gewicht

Lopen op water en spelen met vuur, Jij maakt mij open, ik weet dag noch uur.

‘Papa, ik snap dat lied helemaal niet’, zegt Kai.

Wij hebben toch geen vleugels en we kunnen toch niet licht in onze handen hebben en op water lopen? En van jou mag ik toch niet met vuur spelen? Waarom zingen we nou zo’n lied? Het klopt toch niet?

Papa moet glimlachen. ‘Ja, ik snap wel wat je bedoelt’, zegt papa.

‘Maar weet je, je kunt ook bedenken hoe het zou zijn als het wel kon’.

‘Hm’, daar moet Kai even over nadenken en dan weet hij het.

‘Als ik vleugels zou hebben, dan zou ik nooit meer moe worden van lopen!

En als ik licht in mijn handen zou hebben, dan zou het nooit te donker zijn waar ik ben.

En als ik op water zou kunnen lopen – dan zou ik niet kopje onder meer gaan!

En als…

Papa, we zingen ‘jij leert mij’, maar wie is dat? Ben jij het die mij dat gaat leren? Wie bedoelen ze met ‘jij’?

‘Daarmee bedoelt het liedje ‘God’, zegt papa.

‘Oh’, zegt Kai. ‘Nou als God mij leert spelen met vuur, dan is het vast wel veilig. Toch?’

‘Dat lijkt me wel’, zegt papa.

Kai denkt nog even na en dan zegt hij: ‘het lied klopt niet, maar ik zou wel graag willen dat het zo is’.

‘Ja’, zegt papa, ‘dat heb ik nou ook’.

Inleiding op de Schriftlezing

We horen vandaag opnieuw een gelijkenis die Jezus vertelt aan het einde van zijn leven. Vorige week hoorden we de gelijkenis van de dwaze en de wijze meisjes waarmee Jezus zijn leerlingen opriep waakzaam te blijven, alert te zijn op wat komt van God en om dat wat van God komt door te geven.

De gelijkenis vandaag volgt meteen daarop en roept op tot actief handelen. Het verhaal begint met een man die op reis gaat en zijn dienaren zijn bezit toevertrouwt. We kunnen in die heer Jezus herkennen die weggaat en aan zijn leerlingen zijn levenswerk toevertrouwt, zijn woorden, zijn daden en alles waar Hij met zijn leven aan heeft gewerkt.

Wat doen die dienaren, die leerlingen, wij, met dat erfgoed? Dat is de vraag.

In de gelijkenis heet het dat de dienaren talenten krijgen toevertrouwd. Talent staat dan voor een gewicht, een enorm bedrag. Maar we moeten dit woord niet alleen als geld opvatten, ook al doet onze bijbelvertaling dat wel, het is meer dan dat: ‘vermogen’, ‘kapitaal’.

Ons woord ‘talent’ is er van afgeleid en heeft er ook mee te maken. Het is iets wat je in staat stelt op een bepaalde manier te handelen.

Met het geven van de talenten draagt de heer niet alleen zijn kapitaal over aan zijn dienaren, maar hij schenkt hen bovenal vertrouwen.

‘Geschonken vertrouwen’, daar begint het verhaal de gelijkenis van de talenten mee.

Overweging

1.     Gemeente van Jezus Christus,

Het lied dat we net zongen, sluit af met woorden die in het laatste gedeelte van het Matteusevangelie regelmatig terugkomen: ‘Ik weet dag noch uur’. Telkens weer waarschuwt Jezus zijn leerlingen om alert te blijven en altijd bereid te zijn om God te ontmoeten in wat zich aandient. Want je weet niet wanneer de Heer terugkomt, je weet niet in wie en wanneer je God zult ontmoeten.

Zo’n zin ‘Je weet dag noch uur’, kun je op heel verschillende manieren horen: als een strenge waarschuwing die angst inboezemt, of als een uitnodiging om op een bepaalde manier in het leven te staan.

Een god die elk moment met je kan afrekenen, die machtig is en die je te vrezen hebt, zo’n god laat weinig ruimte over voor een mens om vrij te leven. Zo’n beeld van god legt je lam.

Het is wat gebeurt met de dienaar die één talent ontvangt. De dienaar durft niet te handelen met het talent dat hem geschonken wordt, hij begraaft het. Waarom? Hij zegt het voluit als zijn heer terugkomt uit het buitenland: “Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant, 25 en uit angst besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier hebt u het terug.” 

Wat gebeurt hier nou?

Deze dienaar heeft een bepaald van zijn heer dat hem angst inboezemt. En dat maakt dat hij zijn heer op afstand houdt. Het ene talent dat de heer hem toevertrouwt, neemt hij niet werkelijk aan. Hij staat niet open voor het gebaar van vertrouwen dat de heer geeft. Hij deelt niet het besef dat het bezit van zijn heer ook hem kan aangaan. De dienaar blijft onderscheid maken tussen wat van de heer is en wat van hemzelf is.

Zo verwoordt hij het later ook: ik besloot úw talent te begraven, hier hebt ú het terug. Hij zegt niet ‘mijn’ talent, of, zoals de andere twee dienaren het zeggen ‘het talent dat u mij in beheer gaf’.

Nee, wat de Heer hem heeft toevertrouwd, staat op zichzelf, deze dienaar blijft er buiten staan.

Hij handelt alsof hem enkel een last is opgelegd.

Het gekke is dat deze dienaar die van zijn heer het bezit niet wil aannemen, wel bang is dat de heer iets van hem zal afnemen. ‘Ik wist dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant’. Alsof de eventuele opbrengst die deze dienaar met het talent zou kunnen bereiken, niet zou zijn begonnen met een zaadje of plantje van de heer zelf, met dat talent.

Het is duidelijk dat met het beeld dat deze dienaar heeft van zijn heer, hij het gevreesde onheil over zichzelf afroept. Het is een selffulfilling prophecy. De angst die hij voelt wordt bewaarheid, de heer is niet mals in zijn reactie. Zoals eerder bij Matteus belandt ook deze nutteloze dienaar in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt. De vorige keer dat we lazen over een gast die uitgeworpen werd in de uiterste duisternis, waren de overige gasten genodigd bij een bruiloftsfeest. (Matteus 22:1-14)

Ook hier is dat het geval. De twee dienaren die het talent wel wilden ontvangen en het geschonken vertrouwen niet hebben geschonden, zijn welkom bij het feestmaal van de Heer.

Zij hebben laten zien dat ze weten wat hun te doen staat met het talent dat hen wordt toevertrouwd. Zij handelen in de Geest van hun Heer. Ze wagen het erop dat het talent groeit als ze het delen, als ze er mee werken. Zij tonen aan dat het waar is dat je ‘als je liefde wilt vermenigvuldigen, haar moet delen’. Hetzelfde geldt voor ‘als je wijsheid of genade of vreugde wilt vermenigvuldigen, dan moet je haar delen’.

Dat is ook wat dat lastige vers op het eind wil zeggen: 29Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen. 

Jezus beschrijft hier niet een wet, maar een logisch gevolg. Want wie liefde overheeft voor een ander, die zal groeien in liefde, maar wie geen liefde over heeft voor een ander, die zal wat hij heeft kwijtraken.

2.     Wat wil Jezus nu vertellen met deze gelijkenis?

 Op het einde van zijn leven, bereidt Jezus zijn leerlingen voor op wat komen gaat. Hij geeft hen de opdracht om met alles wat zij van Jezus hebben ontvangen, aan woorden en daden en ontferming, de wereld in te gaan, daarnaar te handelen.

Daar is het allemaal voor bedoeld – om het vrucht te laten dragen.

Daarbij is het nodig dat de leerlingen de leer en leven van Jezus daadwerkelijk tot zich nemen, het willen ontvangen. Durven zij, durven wij, te vertrouwen dat we wat we in handen krijgen ook werkelijk voor ons bestemd is en dat het zoveel is als we aankunnen om mee aan het werk te gaan? Of vrezen we dat het aan ons niet besteed is?

Ik moest denken aan de publicist Stephan Sanders die maandelijks een artikel schrijft in dagblad Trouw over zijn op-proef-geloven. Sanders heeft een lichte Rooms-Katholieke opvoeding gehad en daarna tientallen jaren niets met het geloof gedaan, het enkel vanaf de zijlijn zien verschijnen en het becommentarieerd. Sinds anderhalf jaar onderzoekt Stephan Sanders hoe het is om te leven vanuit een gelovige houding en bezoekt hij wekelijks de kerk. Met regelmaat benoemt hij hoezeer het uitmaakt of je van buiten of van binnen naar geloof kijkt, naar de waarden en de woorden en de rituelen. Van die christelijke boodschap waar hij buitenstond, probeert hij nu te geloven, te vertrouwen, dat die ook aan hem besteed is. En daarmee blijkt het bij hem in goede handen, hij koestert en deelt wat hij in de kerk vindt.

‘Proef geloven’, zo noemt Sanders wat hij doet. Hij waagt het erop, zonder te weten of hij zal winnen.

3.      

Jij geeft mij vleugels                                      (Deuteronomium 32:11)

en handen vol licht                                         (Numeri 6:25)

Jij leert mij leven zonder gewicht                  (Matteüs 11:28-30)

Lopen op water en                                         (Matteüs 14:22-36)

spelen met vuur                                             (Handelingen 2:3, Lucas 3:16)

Jij maakt mij open,                                         (Marcus 7:31-35)

ik weet dag noch uur.                                    (Matteüs 25:13)

De korte tekst van lied 930 staat vol verwijzingen naar bijbelgedeeltes, waar mensen bemoedigd worden en uitgetild boven hun angst, boven zichzelf. Om een paar voorbeelden te noemen:

Jezus zegt tegen de mensen ‘Neem mijn juk op je en leer van mij, (…) want mijn juk is zacht en mijn last is licht. ‘Leven zonder gewicht’, noemt de lieddichter het.

Petrus is de kleingelovige die het lopen op water onderwezen wordt. En een doofstomme ging open, zijn oren en zijn tong. En zo staat elk beeld voor een verhaal.

Wat is het ons waard dat we dit allemaal meekrijgen, deze verhalen, deze verbeelding dat we kunnen uitreiken boven onszelf? Is deze rijkdom iets wat we willen aangaan? En durven we ernaar te handelen?

En vertrouwen we, net als het lied, dat God dit voor ons te doen is?

Deze gelijkenis vertelt ons in ieder geval dit: als ons beeld van god ons verlamt en als de christelijke traditie een last voor ons is, dan gaat het niet goed. Dan komt het kostbare en waardevolle bezit van de Heer niet goed terecht.

Ons beeld van God en ons aannemen van dit erfgoed doet ertoe. Het is dan ook een poging waard om op proef te gaan geloven, te vertrouwen dat die verhalen van God de wereld zullen verrijken, als we erin willen delen.


En weet u: u en ik hebben daar talent voor.

Amen