16 feb

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Exodus 2: 1-10

 
Inleiding op de Schriftlezing
Zeventien zondagen lang lezen we volgens een alternatief leesrooster uit het 2e Bijbelboek Exodus – dat betekent uittocht. In Exodus staan de verhalen over de brandende braamstruik, de 10 plagen die Egypte treffen, de vlucht door de Rietzee die wijkt, de gave van de 10 geboden, de veertig jaar beproeving in de woestijn. Het zijn niet alleen mooie, bekende verhalen vol betekenis, ook zijn het belangrijke achtergrondverhalen om het leven, de boodschap en de betekenis van Jezus te kunnen begrijpen.
Het boek Exodus is binnen de Joodse Bijbel, ons Oude Testament, het boek waarin de uittocht van het volk Israel uit de slavernij in Egypte centraal staat. Eenmaal bevrijd uit de slavernij moet het volk Israel leren hoe ze ‘volk van God’ kan zijn en moet het volk oefenen hoe je in vrijheid met elkaar kan samenleven.
Elk jaar met Pasen herdenken de Joden hoe zij slaaf waren in Egypte en hoe God hen heeft bevrijd. Ook de Jood Jezus vierde de Pesachmaaltijd om de uittocht uit Egypte te herdenken. Onze viering van Pasen is geënt op dat Joodse Pascha, op de viering van de bevrijding van de dood.
 
Vorige week hoorden we hoe de nakomelingen van vader Jakob, de Israëlieten, talrijk zijn geworden in Egypte en hoe ze een generatie later het hele land bevolken. Een nieuwe koning treedt aan, die geen boodschap heeft aan de geschiedenis van Jozef. Hij vindt de Israëlieten een bedreiging voor zijn land en dwingt hen tot slavenarbeid. Omdat de Israëlieten ondanks de onderdrukking steeds talrijker worden, beveelt de koning dat alle pasgeboren jongetjes van de Hebreeërs - dat zijn de Israëlieten-  in de rivier de Nijl moeten worden gegooid en zo gedood moeten worden. Vorige week hoorden we hoe twee vroedvrouwen, Sifra en Pua, daar niet aan mee werken uit ontzag voor God.     
 
Vandaag lezen we verder in Exodus 2. De achtergrond van wat we nu gaan horen is dus het geweld van de Egyptische koning, de farao, die de Israëlieten uitbuit en hun pasgeboren zonen laat doden.
 
Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Aan drie vrouwen heeft Mozes zijn leven te danken. Moeder, zus en dochter zijn ze, zo worden ze in het verhaal genoemd. Hun namen horen we hier niet.
Ook horen we in het hele verhaal niet de naam van God. Maar alles wat de vrouwen zeggen en doen doet wel denken aan God. 
 
Neem de moeder, Jochebed is haar naam, dat horen we later (Ex 6:18-20). Jochebed betekent ‘de krachtige’. Zij ziet bij de geboorte dat haar kind ‘tov’ is, ‘goed’. In onze vertaling staat ‘mooi’ maar daar gaat het niet om. Het kind is ‘goed’, precies zoals God bij de schepping in Genesis 1 telkens zag ‘dat het goed was’. Dit kind is ‘goed’, het is zoals God het bedoeld heeft, en dus zal het moeten blijven leven.
De moeder maakt van riet en pek en teer een ‘arkje’, precies zo’n ding, maar dan kleiner, als waarin Noach het water van de zondvloed overleefde (Genesis 6:14).
‘Gooi de pasgeboren Hebreeuwse jongetjes in de Nijl’ is het bevel van de farao, de jongetjes moeten dood. De moeder legt het kindje in een arkje in het doodswater van de Nijl – op hoop van leven.
Er is niets romantisch aan deze wanhoopsdaad. Het doet mij denken aan al die Joodse moeders die in de Tweede Wereldoorlog hun kind uit handen gaven, al die moeders die dat ook nu nog doen, als enige kans om het kind te laten ontsnappen aan de dood.
De moed en het vertrouwen van Jochebed om het kind los te laten, opdat het leven zal vinden, zijn indrukwekkend. We hebben daar net van gezongen.
 
En dan de zus. Ze staat een ‘eind verderop, om te zien wat er met hem zou gebeuren’.
Als een beschermengel staat ze daar, klaar om in te grijpen als het nodig is.
Zij stijgt boven haar nederige positie uit als ze de dochter van de farao aanspreekt, nog voor dat dit heeft kúnnen bedenken wat ze moet met haar medelijden met het huilende Hebreeuwse jongetje. De zus, Mirjam heet ze, horen we later (Ex 15:20), neemt het initiatief en verzint een eenvoudig en slim plan. Zij biedt aan onder de Hebreeuwse vrouwen een voedster te zoeken voor het kind. Zo is het kind veilig, want de moeder van het kind wordt de vrouw die tegen betaling van farao’s dochter het kind voedt en de dochter van de farao heeft haar zorg om dit kind zo uitbesteed, dat het niet in het oog loopt.
 
En daarmee is deze dochter van de farao de meest verrassende persoon die het Hebreeuwse jongetje redt. Want wat doet ze? Ze overtreedt de regels van haar vader, de koning. Zij, die als naaste familie heel dicht bij haar vader staat, zij redt één Hebreeuws jongetje en daarmee het hele volk. Alle angst die haar vader heeft voor dit volk, al zijn beleid om de toekomst van dit volk te verhinderen, wordt teniet gedaan doordat zij, zijn dochter, het huilende jongetje ziet en medelijden krijgt.
De angst van haar vader voor dit volk is niet haar angst en ook kent zij geen angst voor haar vader, zij zíet het kind, zoals eerder de moeder zág dat het kind ‘goed, tof’ was, zo ziet deze prinses het kind, dat huilt en ze weet dat het een Hebreeuws kind moet zijn en ze voelt medelijden.
Het Hebreeuwse meisje dat haar aanspreekt en met een voorstel komt, accepteert zij meteen. En in tegenstelling tot haar vader die de Hebreeërs slavenarbeid laat doen, betaalt zij voor het werk dat de Hebreeuwse voedster voor haar doet.
 
2. Drie vrouwen redden het leven van Mozes die zelf later zijn volk zal redden en het op spectaculaire wijze uit Egypte zal bevrijden.
Het valt op dat hier aan het begin van Exodus van spektakel eigenlijk geen sprake is.
De vrouwen zijn weliswaar krachtig en moedig, maar wat ze doen is ook ‘gewoon’, in de zin dat ze doen wat op hun pad komt, zonder dat er een opdracht of ingrijpen is van God.
God is aanwezig en wordt zichtbaar in hoe Jochebed, de moeder, ziet dat het jongetje tof is, en in hoe Mirjam, de zus, stáát voor haar broer. De moeder toont geloof door het jongetje in het arkje toe te vertrouwen aan het water, en de zus heeft het lef de prinses aan te spreken.
 
Dat God zichtbaar wordt in de dochter van de farao valt extra op doordat zij geen Israëlitische is, geen gelovige. Waar de vroedvrouwen Sifra en Pua, handelden uit ontzag voor God en daarom het bevel van de koning niet opvolgden, lezen we bij de dochter van de farao enkel dat ze met ontferming bewogen wordt, zich laat raken door dit huilende Hebreeuwse kind.
In haar ontferming over dit kind herkennen we hoe God zich ontfermt over zijn volk.
Zoals zij het Hebreeuwse kind uit het doodswater omhoog trekt, zo zal God later ook de Hebreeërs door het water laten trekken.
 
3. Dat het de kleine verhalen, de daden van mensen zijn die de geschiedenis van God met zijn volk bepalen, dat komen we vaker tegen in de Bijbel. Grootspraak en geweld zijn maar al te vaak het decor, terwijl kwetsbaarheid en rechtvaardigheid bepalend zijn voor de toekomst.
 
De Britse opperrabbijn Jonathan Sacks noemt in zijn boek over Exodus de dochter van de farao één van de meest onverwachte helden van de Bijbel. Deze niet-Israëlitische, dochter van het grootste gevaar voor het volk Israel, blijkt hun redding. Voor haar is het leven heilig, zij heeft medelijden met het kind en handelt daarnaar. Van haar, zegt Jonathan Sacks, leren we dat we nooit mogen generaliseren, nooit een volk mogen demoniseren. Goedheid is zelfs onder vijanden te vinden, tirannie kan de menselijkheid niet stuk maken. Medelijden en medemenselijkheid zijn universele waarden. Deze menselijkheid overbrugt het immense verschil tussen de Egyptische prinses en het Hebreeuwse meisje. 
 
Pas helemaal aan het eind van het verhaal horen we dat de dochter van de farao het kind een naam geeft, de naam Mozes. Een naam met bijzondere lagen.
Allereerst is het een Egyptische naam die betekent ‘zoon van’. (Denk aan Toet-moses, zoon van Toet en Ra-meses, zoon van Ra). De naam Mozes is dus ook een open vraag: zoon van … wie?
Tegelijkertijd krijgt de naam Mozes in het verhaal een andere uitleg doordat er het Hebreeuwse werkwoord ‘uittrekken’ in doorklinkt, wat leidt tot de verklaring dat de prinses deze naam gaf ‘omdat zij hem had getrokken uit het water’. 
En als je dan ook nog weet dat de vorm van het werkwoord eerder betekent ‘hij die doet uittrekken’ dan klinkt er helemaal de toekomst van Gods bevrijding van het volk in Egypte in door.
 
Nog even terug naar Jonathan Sacks, hij zegt: in de Bijbel zijn het de ouders die het kind een naam geven en bij bijzondere personen is dat God. Hier krijgt Mozes zijn naam niet van zijn ouders maar van een Egyptische prinses.
En, Mozes blijft deze naam zijn hele leven dragen. Zelfs als God tot hem gaat spreken, noemt God hem niet bij een andere naam dan die de Egyptische prinses hem gaf.
Dat, zeggen rabbijnen, is een beloning voor het goede wat zij deed.
 
God zij dank. Amen.

26 jan

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Psalm 139: 1-12; Matteus 4: 12-22(25)

 
Inleiding op de Schriftlezingen
De tijd na kerst heet Epifanie, naar de verschijning van Jezus op aarde. Vandaag pakken we de lezing uit het evangelie van Matteus weer op over hoe Jezus begint op te treden in de wereld. Twee weken geleden hoorden we dat Jezus werd gedoopt door Johannes in de Jordaan. Daarna verblijft Jezus in de woestijn waar de duivel hem op de proef stelt. Die tekst lezen we de eerste zondag van de veertigdagentijd. Zowel bij de Jordaan als in de woestijn laat Jezus zien wie Hij is, namelijk een mens onder mensen, die de weg kiest van God.
Meteen daarna volgt de lezing van vandaag, die je kunt zien als een samenvatting van waar het in heel Matteüs en dus in heel het leven van Jezus over zal gaan: Jezus verkondigt het Koningschap van God, het Koninkrijk van de hemel, en Hij onderwijst en geneest de mensen, die Hem vanuit alle hoeken van het land, meer en meer gaan volgen.
 
Dat klinkt mooi en als een goed begin, ware het niet dat de tekst onheilspellend begint met Jezus die hoort dat Johannes gevangen is genomen. Johannes, zijn voorganger, die de mensen wees op de komst van Jezus en op het goede nieuws dat God zich tot de mensen keert. Om uit handen te blijven van dezelfde machthebbers die Johannes gevangen hebben genomen, wijkt Jezus uit naar Galilea, naar het buitengebied, het gebied van de heidenen. Daar pakt Hij op waar Johannes mee bezig was, nl. het verkondigen van het goede nieuws.
 
Het lijkt daarmee uit nood geboren dat Jezus in Galilea met zijn verkondiging begint, maar de evangelist Matteus ziet dat graag anders. Matteus citeert de profeet Jesaja (Jes 8:23-9:1) die over Galilea, het gebied van de verloren stammen Zebulon en Naftali, zegt: ‘Daar, in dat grensgebied, zal licht schijnen in de duisternis’. En dat licht in de duisternis is Jezus.
 
Over licht in de duisternis gaat ook het eerste deel van psalm 139 dat Febe zo eerst voor ons zal lezen.  Laten we samen biddend zingen om Gods Geest, dat wat we horen niet alleen spreekt tot ons hoofd maar ook tot ons hart.  
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
De Redder van Mensen zal voortkomen uit het onbeduidende Bethlehem en het licht van de Vredesvorst zal opgaan in het achtergestelde gebied van Galilea. Zo hebben de profeten Micha en Jesaja de komst van de Messias – Jezus - aangekondigd. En zo lezen we het bij Matteus.
Niet in het centrum van de macht en de godsdienst, Jeruzalem, maar in een uithoek, waar je eigenlijk niet wezen wil, daar begint het Koninkrijk van God op te lichten.
En het mooie is, dat uiteindelijk ook Jeruzalem zelf eraan gaat geloven.
 
Waaraan gaan ze geloven, de mensen in alle uithoeken en in Jeruzalem?
Aan wat Jezus zegt en doet en hoe daarmee het Koninkrijk van God dichterbij komt.
 
Dat de woorden van Jezus allereerst gehoor vinden bij mensen in de marge, is niet voor niets. De mensen die lijden aan ziekte en pijn, de verlamd zijn en verward, snakken naar leven. Wanneer hun uitzichtloosheid verandert in hoop, staan zij anders in het leven en verandert het perspectief van de hele samenleving.
 
Het Koninkrijk van God licht op waar mensen tot hun recht komen.
En precies dat gebeurt waar Jezus komt. Hij spreekt de mensen aan met het goede nieuws van God die nabij is, hij wijst hen hoe ze kunnen leven volgens Gods geboden en geneest hen van hun kwalen, zodat alle belemmeringen om Hem te volgen uit de weg zijn geruimd.
Zo belichaamt Jezus het woord van God dat mensen bevrijdt en op de goede weg zet.
 
2. En wat nu zo bijzonder is, is dat Jezus anderen roept om hem daarin te volgen, in het voorgaan op die weg van bevrijding. Dit is, denk ik, uniek aan wat Jezus doet, zeker als je het vergelijkt met allerlei zelfbenoemde messiassen ook in onze tijd, het gaat Jezus niet om Hemzelf, maar het gaat Jezus om God en mensen.
Jezus roept mensen op Hem te volgen in zijn manier van leven met Gods geboden, Hij ziet de ander en ziet naar de ander om, Hij spreekt mensen aan met woorden die bevrijden en die licht brengen in de duisternis.
 
Want dat licht waar het over gaat in Psalm 139, dat licht van God, is voor iedereen. Dat licht beperkt zich niet tot Jeruzalem of het volk Israël. Dat licht reikt tot in de diepste duisternis en voorbij de verste zee. Daarom overschrijdt Jezus nu en telkens weer de grenzen, van het land, van sociale klassen, van volken, van ‘hoe het hoort’.  
 
Niet Jezus, maar het woord van God, gaat voor. Daar is het om te doen. Daar wil Jezus de mensen in meenemen.
Matteus laat zien hoe dat werkt met het licht van God dat Jezus onder mensen verspreidt. Het is niet de bedoeling dat iemand in de schaduw van Jezus komt te staan. Nee, dat mensen uit de schaduw komen, dat blijkt een ijkpunt voor wie God is en wat God doet.
 
Als Jezus in Galilea tegen Simon en Andreas zegt: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken’ dan maakt Hij in de manier waarop Hij dat doet duidelijk dat als deze vissers hem volgen ze niet in zijn schaduw zullen komen te staan, maar in zijn licht.
 
Want Jezus kent de vissers bij hun naam, Simon Petrus en zijn broer Andreas, Jakobus en zijn broer Johannes. Hij kent hen: broederschap is wat hen kenmerkt. En mensen opdiepen uit de schaduw waarin ze leven en aan het licht brengen wie ze zijn – daar zal het om gaan.
 
Dat is ook precies wat Jezus doet als Hij mensen het goede nieuws brengt van het Koninkrijk van de hemel dat nabij is. Hij biedt een nieuw levensperspectief: voor iedereen is er een plek in het licht. Jezus ziet iedereen zitten. Dat nieuws verspreidt zich razendsnel.
 
3. Iedereen in het licht. Kan dat eigenlijk? Dat iedereen bestaansrecht heeft en het leven kan leven?
Jazeker, het is zo bij God. En dat is, zoals we uitspraken aan het begin van de dienst, de grond van ons bestaan: dat het licht van God voor ieder mens is bestemd en dat we in dat licht kunnen leven. Daarvoor heeft God ons de geboden gegeven en Jezus die ze belichaamt, zodat we ons kunnen oefenen in het delen van dat licht, zoals we ook zodadelijk in de kring van het avondmaal zullen doen, de kring waarin we allemaal een plek hebben en niemand in de schaduw staat.
 
Iedereen in het licht, dat kan. Maar dat neemt niet weg dat velen in ons midden en verder weg door het duister zijn omringd, zitten in de schaduw van de dood. Hoe moet dat dan met dat licht voor jou, voor mij, voor hen, waar we toe zijn bestemd?
 
Of is er ook nu een woord, dat licht kan verspreiden, doordat het ons aanspreekt, ons raakt.
Of een mens, die ons ziet, ons bij onze naam kent?
 
En kunnen wij die mensen zijn, kunnen wij die woorden spreken?
Jezus heeft er alle vertrouwen in, Hij zegt tegen de broers: ‘Kom, volg mij, doe als ik’.
Zodadelijk bij het avondmaal klinkt het zo: ‘komt dan want alle dingen zijn gereed’.
 
Gehoor geven en in beweging komen, ook dat is nodig om het licht te verspreiden.
Amen.

12 jan

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Psalm 72, Matteüs 3: 13-17


Inleiding op de Schriftlezingen

Het oecumenisch leesrooster dat wij volgen is een driejarig rooster waarbij we afwisselend een jaar lang lezen uit het evangelie van Matteus, Marcus of Lucas. Met Advent is het A-jaar begonnen wat betekent dat Matteus aan de beurt is. Daarom lezen we vandaag over de Doop van de Heer uit het evangelie van Matteus. Matteus heeft als enige evangelist een kort gesprekje tussen Johannes de Doper en Jezus weergegeven dat plaatsvindt voorafgaand aan de doop. Een kort, maar veelbetekenend gesprekje, waaruit zowel de overeenstemming als het verschil tussen de boodschap van Johannes de Doper en Jezus blijkt.

 

Johannes de Doper gaat Jezus voor in het oproepen van de mensen om zich te bekeren. Hij verkondigt: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’. De mensen komen naar Johannes toe om zich te laten dopen ten teken van hun toewending naar een nieuw leven. Johannes treedt op als een profeet, hij ziet er zo uit met zijn ruwe mantel komend uit de woestijn en hij spreekt de mensen stevig toe. Hij verkondigt dat hij doopt met water, maar dat ná hem iemand komt die zal dopen met heilige Geest en met vuur en die zo korte metten zal maken met alles wat kaf is onder het koren.

 

Jezus zal precies dezelfde oproep als Johannes de Doper doen aan de mensen: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’ (4:17), maar Hij zal anders onder mensen aanwezig zijn dan Johannes denkt. Niet om het oordeel, het vuur, zal het bij Jezus gaan, maar om de gerechtigheid, de medemenselijkheid. 

Johannes denkt dat Jezus boven de mensen zal staan en ook boven hem, maar Jezus maakt met zijn verlangen om gedoopt te worden duidelijk dat dat niet zijn weg is. Zijn weg is onderlangs, door het water, door de dood en onder de mensen. Jezus vereenzelvigt zich met de mensen van het volk die zich laten dopen, is solidair met hen, staat naast hen en zal met hen lijden.

Een stem uit de hemel bevestigt dat deze weg van recht doen aan kleine mensen de weg is die God verkiest. De stem uit de hemel spreekt woorden die bij Jesaja (42:1) staan geschreven over de Messias: ‘Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen.’

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Nooit eerder was het mij opgevallen, hoe bijzonder het is dat Jezus niet degene is die dóópt, maar die de doop ondergáát. Door dat korte gesprekje van Johannes de Doper met Jezus, krijgt dat ineens alle aandacht: dat dat onvanzelfsprekend is of in ieder geval onverwacht.

Mijn blik was altijd gericht op wat van boven gebeurde: de Geest die neerdaalt in de gestalte van een duif en die stem uit de hemel die zegt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde.’

 

In mijn beleving kwamen de kwetsbaarheid en de beproeving van Jezus pas ná de doop aan bod, wanneer Jezus door de Geest wordt meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef te worden gesteld (Matt 4:1).

Maar nu blijkt die menselijke kwetsbaarheid van Jezus de kern van zijn doop te zijn.

 

Waarom zou Jezus gedoopt willen worden? Johannes kan zich er niets bij voorstellen. Jezus staat toch boven wat zondig is? Hij is toch verheven boven menselijk falen?

 

Maar Jezus komt niet van boven. Hij wordt niet door de hemel gelanceerd.

Jezus komt uit Galilea, uit dat buitengebied. En hij voegt zich bij de mensen die gehoor geven aan de oproep van Johannes de Doper om een nieuw leven te beginnen en zich laten dopen. 

Johannes protesteert, híj zou toch eerder door Jezus gedoopt moeten worden, dan andersom? Dit is toch de omgekeerde wereld?

Jezus bevestigt in woord en daad dat het juist om die omgekeerde wereld gaat. Wie voorgaat op de weg van God moet aan de andere kant beginnen, aan de onderkant.

Dat is op zich een bekend Bijbels gegeven. Gods weg loopt waar je hem niet verwacht, hangt af van de vluchteling, de onvruchtbare, de kleinste die iedereen over het hoofd zag. Hoe kán Johannes gedacht hebben dat Jezus iemand zou zijn die van bovenaf orde op zaken zou stellen?

 

Is dat misschien omdat Johannes, net als wij, zich niet kan voorstellen dat het ook op een andere manier zou kunnen, zonder sterke leider?

 

2. Jezus antwoordt Johannes: ‘het is ​goed​ dat we op deze manier Gods ​gerechtigheid​ vervullen’. Jezus bedoelt daarmee dat zijn doop te maken heeft met het gehoor geven aan Gods geboden. Bij het vervullen van Gods gerechtigheid gaat het om Koninkrijk van God dat op aarde gestalte krijgt, dan zullen alle mensen tot hun recht komen en in vrede leven.

Als Jezus voorgaat op die weg van gerechtigheid dan betekent dat dat hij niet afzijdig blijft, maar solidair is met wie niet meetellen en zich letterlijk wil laten onderdompelen in wat mensen lijden.

 

‘Voor kleine mensen is Hij bereikbaar, Hij geeft hoop aan rechtelozen’, zongen we.

 

Ik moest denken aan wat één van de zusters van Julie Postel mij vertelde, nonnen die in het dorp waar ik opgroeide wonen. Zij vertelde dat zij stopten met het dragen van hun habijt toen ze merkten dat het mensen op afstand hield en tegen hen op deed kijken. Als mensen je voor laten gaan in de rij en voor je opstaan in de bus omdat je een habijt draagt, dan is het heel moeilijk om dienstbaar te zijn. Dat was niet de bedoeling. Zij wilden onder de mensen leven en werken en gingen dus gekleed ‘in burger’.

 

Ik moet ook denken aan mijn vriendin Heleen die als buurtpastor werkt in een kansarme wijk in Utrecht. De mensen in haar buurt wantrouwen hulpverleners door zoveel slechte ervaringen. Eén buurtbewoonster zei haar eerlijk ‘als je er over een jaar nog bent, dan mag je een keer komen praten’. Zo belangrijk is het om daadwerkelijk betrouwbaar ónder mensen te zijn. Ware betrokkenheid geeft hoop.

 

3. Jezus laat zich dopen en laat zich zo kennen als mens.

‘Dit is Mijn geliefde zoon’ klinkt een stem uit de hemel, want Jezus gaat op aarde de weg van de gerechtigheid. Ook ons biedt dat hoop, want die weg is ook voor ons begaanbaar.

‘Zoon van God’ zijn, klinkt heel exclusief, verheven zelfs, maar is dat niet. In het Oude Testament wordt heel het volk Israël kinderen van God genoemd. En Jezus zal zelf in zijn Bergrede (Matt 5:9) zeggen: ‘Gelukkig de vredestichters, want zij zullen ​kinderen​ van God genoemd worden’.

Het gaat om de weg die je met je leven wilt gaan. Wie de wil van God doet, menselijkheid nastreeft en de gerechtigheid voor ogen houdt, die zorgt dat het Koninkrijk zichtbaar en tastbaar wordt, in zulke mensen vindt God vreugde.

 

Velen van ons zijn gedoopt. Maakt dat ons bijzondere mensen?

We zijn denk ik vooral op een weg gezet. Een weg waarop we Jezus aan onze zijde vinden. Zijn doop was minder vanzelfsprekend dan de onze, wellicht, maar van een gezamenlijk startpunt kunnen we wel spreken.

De grote afstand die Johannes de Doper veronderstelt tussen Jezus en de mensen voor wie Hij komt, heft Jezus met zijn doop in één keer op.

De naam ‘Zoon van God’ is niet bedoeld om afstand te creëren, maar nabijheid. De hemel gaat open juist omdát Jezus de weg onderlangs, tussen de mensen, kiest. 

 

Met de doop in de Jordaan, die grensovergang naar het beloofde land, waar ook het volk Israël doorheen ging, begint de weg van bevrijding, de weg van gerechtigheid, die ook Jezus’ ondergang zal zijn. Maar uit de dood zal Hij, net als uit het water, opstaan.

 

Het is geen gemakkelijke weg maar wel de enige weg van God waarop Jezus de mensen kan voorgaan.

De weg van gerechtigheid gaat onderlangs, voor kleine mensen is hij bereikbaar, en leidt in de hemel tot vreugde.

 

Amen. 

 

25 dec (Kerstmorgen)

Ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Micha 5: 1-4a, Lucas 2: 1-20

Overweging ‘Jezus gezocht’

 
Inleiding op de Schriftlezingen
De afgelopen weken lazen we in de kerk volgens het alternatieve leesrooster uit de profetie
van Micha. Vandaag horen we zijn allerbekendste tekst: ‘Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein
om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal
heersen’. (Micha 5:1)
Deze tekst uit Micha heeft heel wat gevolgen gehad voor wat we horen en zingen vandaag.
 
De evangelist Mattheus citeert Micha letterlijk in zijn geboorteverhaal. Als de magiërs uit het Oosten bij het paleis van koning Herodes in Jeruzalem aankomen en daar de pasgeboren koning van de Joden niet vinden, vraagt Herodes de Schriftgeleerden waar de Messias geboren zou worden en die antwoorden: ‘In Bethlehem in Judea, want zo staat het geschreven bij de profeet’. (Matt 2:5)
 
In het geboorteverhaal dat de evangelist Lucas vertelt, lezen we hoe het komt dat Jezus in Bethlehem wordt geboren. Het is een bevel van keizer Augustus uit Rome, dat alle inwoners in zijn rijk zich moeten inschrijven in de plaats waar zij vandaan komen. Lucas schrijft: ‘Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Bethlehem heet, aangezien hij van David afstamde’. (Lucas 2:4)
 
Nu leefde David duizend jaar voor Jozef, dus je kunt je afvragen of het logisch is, dat Jozef tot zo ver terug moest gaan. Maar om díe logica gaat het niet.
Want het gaat niet om de afstamming maar om de verwántschap tussen David en Jezus, die beiden immers op het oog niet zijn wat je van een koning verwacht.
David, misschien herinnert u het zich nog, was de jongste, kleinste zoon van Isai. (1 Samuel 16) Hij had niet de daadkrachtige uitstraling van zijn grote broers. Hij kwam niet eens in beeld toen de profeet Samuel onder de zoons van Isai de nieuwe koning zocht. David was herder in de velden rond Bethlehem. Toch werd hij koning over Israël, voorbeeldig was hij, geliefd door God en dienstbaar aan de mensen. En dat brengt ons vandaag bij Bethlehem.
 
Niet in Jeruzalem waar David koning was, maar in Bethlehem waar David herder was, daar wordt de Messias geboren. 
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
De naam Bethlehem komt zo vaak voor in de kerstverhalen en kerstliederen - die ik daar vandaag ook op uitgekozen heb - dat je haast zou vergeten hoe onvanzelfsprekend deze geboorteplaats van Jezus is. Micha wijst ons erop. Want voor wie niet weet aan welk Bethlehem hij moet denken, licht hij toe dat het om Bethlehem ‘in Efrata’ gaat. En hij voegt daaraan toe dat het een plaats is die ‘te klein is om tot Juda’s geslachten te behoren’. Zo onbeduidend is dus die plaats.
En daar zal dan ‘iemand uit voortkomen die Israël als een herder zal weiden, bekleed met de macht van de HEER, (…) en de mensen zullen veilig wonen, want hij zal heersen tot aan de einden der aarde, en hij brengt vrede’.
Dus de onbeduidende plaats Bethlehem is waar een vredevorst zal opstaan die over de hele aarde zal heersen.
 
Ook de beide kerstverhalen uit Matteus en Lucas staan vol contrasten en onvanzelfsprekendheden, nog meer dan alleen die plaats Betlehem. Alles is anders dan je zou verwachten bij de geboorte van de zoon van God. En tegelijkertijd staat alles in lijn met hoe we God kennen door al die verhalen in de Bijbel, God keert immers telkens weer onze vaste denkpatronen om.
 
In het centrum van de macht, Jeruzalem of Rome, daar hoef je Jezus niet te zoeken.
Van een beschermde omgeving voor deze zoon van God, is ook geen sprake.
In kwetsbaarheid onderscheidt dit kind zich niet van enig ander mensenkind.
 
Als je zou zoeken naar de verschillen tussen de kinderen die vandaag de dag in Bethlehem worden geboren, temidden van geweld, of elders op de wereld, onder een schamel dak, met ouders op de vlucht, en Jezus, dan zou je die verschillen niet vinden. De overeenkomsten zijn verontrustend groot.
Wat wel verschilt, zijn de woorden die over dit kerstkind gesproken worden. ‘Vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer’, zegt de engel tegen de herders.
Deze grote woorden passen bij wat eerder de engel Gabriel tegen Maria zei: ‘je zult een zoon baren, (…) Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd en God zal hem de troon van zijn vader David geven (…) en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’ (Luc 1: 31-33)
Al deze grote woorden horen bij dit kind. Maar dan het contrast: ‘Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’
 
Nogmaals: waarin verschilt dit kind van elk willekeurig kind dat in een vluchtelingenkamp, in de sloppen of in een achterstandswijk geboren wordt?
Wat voor een teken is dit?
 
2. Weerloos, kwetsbaar, machteloos en afhankelijk verschijnt deze ‘redder, de Messias, de Heer’, onder mensen. Wie had dat achter die grote woorden gezocht?
 
Zien en begrijpen wij het ook dat we daar, áchter de grote woorden, Jezus moeten zoeken?
In het gewone, het eenvoudige. In élk kind, dat hulploos is. In het kleine, het onbeduidende.
 
De profeet Micha heeft ons de afgelopen weken behoorlijk op weg geholpen. We hoorden hoe hij de elite van Jeruzalem veroordeelt, kritiek levert op hoe ze hun macht misbruiken, de kloof tussen arm en rijk laten groeien, en onrecht spreken uit winstbejag. Micha veroordeelt scherp hun vrome woorden die veronderstellen dat God toch wel aan hun kant staat en het dus allemaal zo’n vaart niet zal lopen. Ook met de woorden die we hoorden vandaag, uit Micha kritiek. Micha wil dat mensen zich bekeren tot een ander leven. Hij ziet dat deze manier van samenleven dood loopt en geen toekomst heeft. Na deze letterlijk onrustbarende tijd zal er een nieuw begin moeten komen, geheel anders, met een leider die niet uit is op eigen belang, maar die, zoals ooit David begon, als een herder zorgt voor zijn schapen en vrede brengt.
 
3. Niet voor niets zijn het de herders die als eerste op weg gingen naar Bethlehem en het vonden ‘een pasgeboren kind dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ Zo gewoon, zo alledaags verschijnt God aan mensen. Voor wie het horen wil én wil gaan zien.
We wisten al van David die als kleinste, onopvallende zoon gekozen werd als koning van Israel, dat God anders kijkt dan wij.
Nu begint het opnieuw op diezelfde plaats Bethlehem met weer een leider zoals je die niet verwacht: kwetsbaar in plaats van krachtig, met handen en voeten gebonden, in plaats van almachtig, armoedig in plaats van vorstelijk.
 
Als dit de leider is die vrede zal brengen tot aan de randen van de aarde: dan gaat dat niet alleen tegen alle verwachtingen in, maar het vraagt van ons ook een bepaalde houding, waarop Micha al wees: dat we afzien van ons eigen belang en op zoek gaan naar wat voor ieder van ons tot een bewoonbare wereld leidt. Dat we wars zijn van pretenties en afgaan op wie werkelijk recht doen in de praktijk. En dat we geloven dat het ertoe doet, wat je doet, om zo die belofte van vrede waar te maken. 
Als Jezus te vinden is buiten onze comfortzone, buiten ons bereik misschien, buiten proportie ook is in weerloosheid en machteloosheid, gaan we dan toch op weg op grond van wat gezegd is over Hem, dat Hij onze redder is?
Het vergt moed denk ik, of misschien wel naïviteit, om telkens weer met de ogen van God te willen kijken en de lijn van onvanzelfsprekendheid ook door te trekken naar ons leven vandaag en te erkennen dat het contrast van de grote woorden en de kleine alledaagsheid dé plek is waar we God moeten zoeken én kunnen vinden.
Het lijkt vergezocht: een pasgeboren kindje in onbeduidend Bethlehem dat vrede brengt tot aan de uiteinden van de aarde. Toch brengt dat contrast God dichterbij dan ooit. Amen.