9 dec

2e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Jesaja 40:1-11; Lucas 3: 1-6

 
Inleiding op de Schriftlezingen
Advent dat is de tijd waarin we uitkijken naar Hij die komt, de Redder van mensen. Al eeuwen wordt uitgekeken naar deze Messias. Profeten hebben zijn komst aangekondigd en de mensen opgeroepen zich daarop voor te bereiden door zich om te keren naar God.
Zoals de profeet Jesaja die de mensen in ballingschap troost door ze te zeggen: ‘de ellende gaat voorbij, maak de weg maar vrij, want de Heer zal komen en zal aan iedereen recht doen. Hij zal als een herder zorgen voor zijn schapen’.
Deze tekst staat centraal bij het Adventsproject van de kinderen vandaag. En dat niet alleen: we horen de profetie van Jesaja zo als eerste lezing en een gedeelte daaruit opnieuw in de tweede lezing, want de evangelist Lucas citeert uit de profetie van Jesaja als hij vertelt over het optreden van Johannes de Doper als wegbereider voor Jezus. Johannes doet wat Jesaja beschrijft: hij is de stem die roept in de woestijn en die de mensen oproept zich te bekeren en zo de weg vrij te maken voor de komst van de Heer.
 
De tekst van Lucas is een korte lezing met een bijzonder begin. De eerste twee verzen bestaan namelijk uit een opsomming van namen en functies van mensen die in de tijd van Johannes de Doper de macht hadden in het land en in de tempel. Blijkbaar is het belangrijk om te weten dat wat beschreven staat, echt gebeurd is en wel toen en daar. Maar tegelijk blijkt uit het vervolg van de tekst dat het moment waarop God tot Johannes spreekt, dat moment dat het erop aankomt, niet afhangt van of samenhangt met die grote namen. Het tegenovergestelde is waar. Zoals de theoloog Willem Barnard schrijft ‘Lucas voert hen alleen maar ten tonele om ze vervolgens af te laten gaan’. Want zij zijn slechts decor in het verhaal dat Lucas wil vertellen. God richt zich niet tot deze machthebbers, maar tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Johannes treedt op in een tijd waarin net als vandaag heel wat gaande is. Tiberius, Pontius Pilatus, Herodes, Filippus, Lysanias, Annas en Kajafas staan voor een wereld zoals wij die kennen: een wereld waarin het recht van de sterkste geldt, waarin minderheden in de verdrukking zitten, waarin regeren gaat met harde hand.
Johannes is ook een priesterzoon. Hij kent de belofte van God die stem krijgt in de Bijbel: ‘Ik zal er zijn’. Er komt een tijd dat God recht zal doen aan alle mensen, dan zullen we niet meer op hoeven zien tegen machthebbers, dan zal niet meer goed gepraat worden wat krom is, dan is er geen kloof meer tussen mensen, dan is er volop zicht op het goede dat van God komt.
 
Johannes maakt de weg vrij voor mensen door ze erop te wijzen dat je al in de verwachting van een nieuwe tijd kunt leven. ‘Laat je dopen’ zegt hij, ‘Begin opnieuw, en leef zo dat je tot je recht komt’.
 
Bij Johannes lopen de verwachting van een nieuwe tijd en de voorbereiding op die tijd in elkaar over. Hij laat zien hoe je die verwachting van Advent kunt léven.
 
2. En dat nu zou ik ook willen, de verwachting van Advent léven. Zo bezig zijn met Advent, Hij die komt, dat die verwachting van een nieuwe tijd, voelbaar wordt en zichtbaar. Dat je weet: het kan en het zal gebeuren.
 
Bij Johannes (net als later bij Jezus) valt op dat hij niet ingaat op de omstandigheden van zijn tijd, hij spreekt niet de machthebbers zelf aan, maar hij begint bij de gewone mensen. Die hebben zijn aandacht, de aandacht van de heersende macht krijgt Johannes vanzelf.
Johannes verzet zich niet tegen de wereldlijke macht, maar zet in bij de kracht van het woord van God en bij de mogelijkheid van mensen om een andere weg te kiezen.
 
Iets soortgelijks doet zich voor in de Bethelkerk in Den Haag waar al meer dan 550 collega’s en andere ambtsdragers zijn voorgegaan in een permanente kerkdienst van ruim 1000 uur om aandacht te vragen voor het kinderpardon en uitzetting van de familie Tamrazyan te voorkomen.
Ik ben er niet geweest en ik voel me er ook telkens een beetje ongemakkelijk bij, merk ik, dat dit gaande is, maar de berichten van mensen die erbij betrokken zijn of zijn geweest, raken me. Ze ervaren het als heel bijzonder, als intens inspirerend, als wow, wat is dit geweldig om daar te zijn en eraan bij te dragen.
Met de tekst van vandaag in gedachten is wat er toe doet, denk ik dit: het gaat om de kracht van het woord van God en de mogelijkheid van mensen om een andere weg te kiezen. Daar getuigt deze dienst van.
 
3. Johannes spreekt dat woord van God in de woestijn en daar roept hij mensen op zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen.
Johannes wordt aangesproken door God in die woeste ruimte, buiten het bereik van wie regeren, die plaats om God kwijt te zijn of juist te vinden, de plaats waar het erop aankomt. Ook voor de mensen die hij aanspreekt in die ruimte komt het erop aan: gaan ze door met het leven dat ze leiden, met alle hobbels en kronkels, of rechten ze hun weg, kiezen ze een nieuwe weg van leven, een weg de wél leidt tot God?
 
Staan wij in deze tijd ook voor zo’n keus? Kunnen wij wat afstand nemen van alles wat gaande is in de wereld en ervoor kiezen om een andere weg in te slaan?
Kunnen wij ons leven recht maken zodat er ruimte komt voor het recht van God en er daarmee iets van God zichtbaar wordt?
 
Als wij dat al verlangen, waar vinden we dan die nieuwe weg?
Johannes’ boodschap is helder: die weg moet je niet zoeken, die weg moet je gaan.
 
Ik was dan ook heel aangenaam verrast deze week op Facebook een Adventskalender aan te treffen die niet wilde inspireren met mooie teksten (laat staan chocolaatjes aanbiedt), maar die oproept tot elke dag een daad van goedheid doen zoals ‘Geef een compliment’, ‘lach naar iemand die je niet kent’, ‘geef wat van jezelf voor het goede doel’.
 
Natuurlijk, ik weet het, dit is niet het beginnen van een nieuw leven zoals waartoe Johannes oproept. Maar het is wel een oproep om niet af te wachten, maar vandaag en morgen te getuigen van de kracht die mensen hebben om het anders te doen. En een oproep om in ons dagelijkse doen te getuigen van de kracht van het Woord van God dat spreekt van andere tijden die komen en die nu al aan het licht kunnen komen.
 
Dus, voor iedereen die, net als ik, denkt: ‘Advent, daar zou ik meer bij stil willen staan’ is dit de boodschap: ‘Nee, niet stilstaan, Advent moet je doen!’.
Amen.

25 nov

Eeuwigheidszondag

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Openbaring 7

 
Aandacht voor de kinderen
Waarom zijn die bloemen nu dood? vraagt Mirthe.
Ja, zegt mama, bloemen gaan op een gegeven moment dood.
Hebben ze niet genoeg water?
Ja soms is dat zo maar nu wel, kijk maar, er zit nog genoeg in de vaas.
Maar dat moet toch niet, dat ze dood gaan?
Nee, ja, het gaat zo.
Ik vind dat niet leuk.
 
En waarom gaan mensen dood? Hebben die dan soms niet genoeg water?
Ja dat kan, sommige mensen hebben niet genoeg water, of eten en dan gaan ze dood.
Maar andere mensen hebben wel genoeg water, maar dan toch kan het dat ze dood gaan, net als de bloemen, dat ze slap worden of knakken.
Ik vind dat niet leuk, zegt Mirthe.
Nee, zegt mama dat is ook niet leuk. Het is verdrietig.
 
Wacht maar, zegt Mirthe, als ik later groot ben, dan word ik de burgemeester en dan gaan de bloemen niet meer dood en de mensen ook niet.
Nou, zegt mama, dat zou fijn zijn.
 
En Mirthe weet het zeker, als zij het mocht bepalen, als zij de baas zou zijn, dan zou zij zorgen dat de mooie dingen, zoals bloemen en de lieve mensen, zoals haar oude buurvrouw, niet doodgaan. En dan zou ze daar ook niet meer verdrietig om hoeven zijn. En ze maakt meteen een plan, ze tekent de bloemen van toen ze nog mooi waren en ze stopt die tekening samen met een foto van haar lieve oude buurvrouw die dood ging in een map. En op die map schrijft ze: ‘Niet vergeten, nieuw plan voor later’.
 
Vandaag gaat het in de kerk om mensen die dood zijn gegaan en die we missen. Voor al die mensen gaan we vandaag een kaars aansteken en we noemen hun naam. Willen jullie helpen om de hele boom vol kaarsjes te zetten?
 
Wat we ook gaan doen, jullie in de Kinderkerk en wij in de grote mensen kerk, is horen over God die tegen de mensen heeft gezegd: dat is een goed plan, dat plan van Mirthe, dat de bloemen en de mensen niét meer doodgaan – dat is ook mijn idee! We gaan samen daarvan zingen ‘Nu gaan de bloemen nog dood’.
 
Inleiding op de Schriftlezing
Wij lezen vandaag volgens het alternatieve leesrooster uit het Bijbelboek Openbaring. Voluit: de Openbaring van Johannes. Dit laatste boek uit de Bijbel is een apocalyptisch geschrift wat betekent dat het een onthullend, openbarend boek is over wie God is. Alleen het boek gebruikt beelden en getallensymboliek die voor de vroege christenen rond 100 na Christus goed te begrijpen waren, maar die wij niet meer verstaan.
Daardoor leidt het boek Openbaring tot veel misverstanden. Je moet echt je best doen om al die beelden niet teveel vanuit onze eigen ervaring te begrijpen, maar te zien in het verband van toen. Daarom is het goed om te weten dat het boek Openbaring allereerst bedoeld was om de mensen die om hun geloof vervolgd werden in het Romeinse Rijk en die te lijden hadden onder het Romeins gezag te bemoedigen. Het is een aanmoediging om het uit te houden in deze wereld.
En in die aanmoediging heeft het ook ons wat te zeggen.
Kort gezegd is de boodschap: ‘Ja, het gaat van kwaad tot erger in deze wereld, maar het goede zal niet verloren gaan, en wie lijden worden niet vergeten, daar zal God voor zorgen’.
 
Overweging
1.
Gemeente van Jezus Christus,
‘Nu gaan de bloemen nog dood’, dat lied heb ik als kind ontelbaar vaak en vol overtuiging gezongen. En ik vond het een mooi en hoopvol lied. Maar toen ik twintig was hoorde ik tot mijn schrik iemand het lied afkraken. ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’, bah, wat een slappe hap, wat een passieve boodschap van ‘geloof nu maar, later maakt God alles wel weer goed’. 
Deze persoon leerde thuis een ander refrein bij het lied en dat gaat zo: ‘Bid maar, werk maar, alles wordt nieuw’. Want, zo leerde zij, wij moeten niet afwachten maar zelf aan de slag gaan om deze wereld mooier en rechtvaardiger te maken.
Oké, maar wat nu als beide niet lukt? Wat nu als wij én niet kunnen veranderen wat er gebeurt aan verdrietige en onrechtvaardige dingen in de wereld, én we ons ook niet kunnen neerleggen bij de koude, harde, werkelijkheid van hoe het leven loopt? Wat nu als ‘bid maar werk maar’ of ‘stil maar wacht maar’ beide niet voldoet?
Wat kunnen we dan doen?
Of beter: wat kan ons dan helpen, hoe kunnen we elkaar helpen?
 
2.
De man met het visioen, Johannes, doet het zo: Hij vertelt de mensen die lijden aan de wereld een visioen waarin de ellende van mensen ingebed is in een groter geheel. En in dit visioen klinkt door waar het uiteindelijk om draait, wat er uiteindelijk van eeuwigheidswaarde is, en dat is het beeld van een lam, een offerdier, een slachtoffer dat op een troon in de hemel zit en waar iedereen voor buigt.
Dat is een moeilijk beeld voor ons om te begrijpen. Ik probeer het uit te leggen:
Dit lam is onmiskenbaar een beeld van Jezus, een symbool van kwetsbaarheid.
En dat lam wordt vereerd.
 
Daarmee is dit beeld een omkering van het beeld waar in deze tijd, net als vroeger trouwens, vaak alles op wordt ingezet, nl. het beeld van een sterke onaantastbare leider. Het belang van overwicht hebben, en ook van doorzetten, flink zijn, je niet laten kennen, positief denken – daar wordt alle heil van verwacht.
Het beeld van Openbaring, dat lam op die troon, is daar de omkering van, het zegt ons: in kwetsbaarheid schuilt werkelijkheid, slachtoffers dié leren ons wat van waarde is om voor te strijden, het gaat in het leven niet om jezelf handhaven, maar om God, om liefde hoog houden.
En daarom staat iedereen, niet alleen 144.000 uitverkorenen uit Israel, maar ook nog een ontelbare menigte afkomstig uit de hele wereld voor die troon te juichen en te erkennen wie de Allerhoogste is om te aanbidden, namelijk een lam dat van lijden weet en dat daarmee ieder erkent die te lijden heeft.
Dat beeld heeft mensen bemoedigd in moeilijke tijden.
Niet als een goedkoop ‘Stil maar, wacht maar alles wordt nieuw’, maar als bevestiging dat God te vinden is in kwetsbaarheid, dat God staat aan de kant van wie lijden.

3.
Hebben wij wat aan dit beeld als wij overmand worden door verdriet, als we pijn lijden, als we zien hoe andere mensen lijden aan het leven en we niet weten wat we voor ze kunnen doen?
 
Mij helpt het dat dit Bijbels perspectief zo anders de nadruk legt op wat van waarde is.
In dit visioen van Johannes valt het licht op mensen die in het donker leven, en het wit van hun kleren dat oplicht in de hemel is zo wit omdat ze van lijden weten, wit is de kleur van onschuld, van overgave. Er staat dat hun kleren zo wit zijn omdat ze in bloed gewassen zijn, een bizar beeld, dat verwijst naar het lijden en de onschuld van de verdrukte mensen. 
Let op: met dit beeld van wie in de hemel zijn, wordt lijden niet verheerlijkt, zeker niet.
Het lijden heeft geen zin. En ik wil dat herhalen: lijden heeft geen zin.
 
Maar het is ook niet het einde, het is niet het laatste woord wat over mensen te zeggen valt.
Dat laatste woord is wel: jij bent van belang, jij doet ertoe. Jouw plek is die in het licht, bij God.
 
4.
Natuurlijk heb ik mij afgevraagd of deze tekst, of deze boodschap, nu helpt voor ons op deze dag. Zo’n moeilijk verhaal is nogal ongrijpbaar. Hoe mooi misschien ook, het blijft een vergezicht.
De laatste zinnen komen waarschijnlijk het meest dichtbij:
En hij die op de troon zit zal bij hen wonen. 16Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. 17Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’
 
Hier gaat het niet om ‘bid maar werk maar’ of om ‘stil maar wacht maar’.
Dit beeld geeft antwoord op de vraag ‘Houdt het een keer op? Dat lijden van mensen, ons verdriet, de tranen die stromen, houdt het een keer op?’.
En het antwoord is: ‘Ja, het houdt een keer op’.
Maar nu nog niet. Nu moeten we het nog uithouden.
 
God weet hoe we soms niet stil zijn, maar het uitschreeuwen, hoe we niet komen tot bidden, hoe niets uit onze handen komt, hoe we niet langer willen wachten, hoeveel pijn we dragen, hoe we zomaar kunnen stil vallen.
 
En God reikt verder.
 
Hier, steek een licht aan. Voor jezelf, voor een ander.
Noem wie het is die je mist, wat het is dat je belast.
Spreek je uit over je pijn, je hebt recht van spreken.
Zing boven je tranen uit, anderen zullen met je meezingen.
Mens ben jij, voor het licht gemaakt.
 
Amen

4 nov

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Openbaring 4

 
Kinderverhaal
Iedereen in de klas van juf Ayse mag een doos uitzoeken. Een kleine doos of een grote, mag je zelf weten als het maar een goede doos is om je geheime schat in te verpakken, zegt juf Ayse.
Je geheime schat? De kinderen snappen niet meteen wat de juffrouw bedoelt.
‘Mijn geheime schat ligt thuis’, zegt Jolein. Ik weet niet of ik wel een geheime schat heb, zegt Mo. Mijne past echt niet in een doos, zegt Corné.
Maar juffrouw Ayse zegt: dat geeft allemaal niets. Het gaat erom dat ik wil dat jullie bedenken hoe jullie je geheime schat zouden willen inpakken. Het allerkostbaarste wat je hebt. Het allermooiste, of het allergeheimste. Weten jullie dat?
Nou, iedereen heeft al snel een idee. En gelukkig ligt er heel veel materiaal in de knutselhoek. Jolein pakt een pluizig stuk paarse stof en pakt daar de schoenendoos in. Mo wikkelt zilveren aluminiumfolie om zijn doos. En Corné plakt drie dozen boven op elkaar, schildert ze zwart en tekent er allemaal zwaarden op want ‘anders komen dieven het misschien stelen, juf’. Lisa heeft allemaal regenbogen op een klein doosje getekend en ook nog een unicorn. En Saar heeft een bewakingscamera geknutseld voor op haar doos.
 
Aan het eind van de les staat de klas vol met dozen waaraan je goed kunt zien dat ze voor bijzondere schatten zijn bedoeld.
Gaan we nog raden wat er in de dozen hoort?, vraagt Lisa.
Nee, zegt juf Ayse, dat doen we niet, dat blijft geheim.
Ah, zeggen de kinderen, iedereen is zo nieuwsgierig, maar stiekem is dit ook wel fijn.
 
Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag start het leesrooster met een alternatieve route door het Bijbelboek Openbaring.
Dat is niet zo’n bekend boek en daarom wil ik eerst toelichten waar het over gaat.
Voluit heet het boek de Openbaring van Johannes, waarbij het niet bekend is welke Johannes het is die de schrijver is.
Het boek is het laatste geschrift van de Bijbel. (…). Het is een apocalyptisch geschrift. Wat betekent een onthullend, openbarend geschrift en dan gaat het om een geschrift waarin God via visioenen aan mensen zijn geheimen onthult. Via visioenen geheimen over God onthullen, dat klinkt omslachtig en dat is het ook mét reden.
 
Want de openbaring van Johannes is geschreven in de 1e eeuw na Christus toen de vroege christenen in Klein-Azie vervolgd werden. Het Romeinse Rijk is een uitgebreid imperium waarbinnen iedereen zich moet voegen naar het Romeinse gezag. Wie niet buigt voor de Romeinse keizer en de beelden van keizer in de tempel niet wil vereren omdat hij alleen voor God wilde buigen, die wordt onderdrukt.
 
Aan de vervolgde christenen schrijft Johannes over het visioen dat hij heeft gehad van God. En hij schrijft dat in beeldtaal die zij wel meteen zullen begrijpen omdat het allerlei beelden bevat uit de Bijbel, maar die voor buitenstaanders niet meteen te begrijpen is.
 
Dat maakt dat de Openbaring voor ons als hedendaagse lezers best moeilijk te vatten is, omdat ook wij die beeldtaal niet goed kennen.
Er is getallensymboliek. Bijvoorbeeld het getal zeven, getal van de volheid, komt telkens naar voren. En ook het getal 4 van alle windstreken.
De duivel komt erin voor, symbool van de kwade macht.
Het lam, symbool voor Christus en voor élk slachtoffer in de wereld.
En het hele visioen gaat om een strijd die er is - niet zal komen, maar er is - tussen goddelijke en antigoddelijke krachten, waarbij uiteindelijk God oordeelt en overwint.
 
Al met al is Openbaring een heftig geschrift dat is bedoeld om de gelovigen te bemoedigen en op te roepen om stand te houden ondanks de vervolging want: de werkelijke macht over de wereld is in handen van God en Christus, die spoedig zal terugkeren.
 
Vandaag horen we het eerste stukje uit het visioen. Fatima zal voor ons lezen.
 
Overweging
Gemeente van Jezus Christus,
 
Hoe leg je aan kinderen uit wat het verschil is tussen een Bijbelverhaal en een verhaal uit
een ander boek? Die vraag kwam naar voren in het gesprek dat ik had met de doopouders. Trouwens: hoe leg je aan volwassenen uit wat het verschil is?
Ik denk zo: een Bijbelverhaal zegt altijd iets over God en mensen. Én taal kan iets verpakken om zo iets te onthullen over God, wat je op een andere manier niet zeggen kan.
 
Onze lezing uit Openbaring is als een verpakking om het geheim van wie God is in deze wereld. Alles trekt Johannes uit de kast: de hemel, een troon, kostbare edelstenen (jaspis en sarder), de leiders van het volk, gekroond en in het wit gekleed, donder en bliksem, de regenboog, zeven fakkels, zeven geesten enzovoort.
Er kan geen twijfel over bestaan, Johannes wil duidelijk maken dat diegene op de troon de enige te vereren God is. Én het komt zover dat werkelijk iedereen uit alle vier windstreken van voren en van achter scherp ziet - door al die ogen - dat deze God geëerd moet worden. Dit is de allerhoogste Heer en niet een wereldlijke leider dus. 
En zo vereert dan de hele wereld Hem: ‘heilig, heilig, heilig’ klinkt het dag en nacht en nog meer aanbiddende woorden zoals ‘U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.’
Nu zal pas in het volgende hoofdstuk van Openbaring blijken dat temidden van al deze pracht en praal en lof hét ware symbool voor deze allerhoogste God een geslachtofferd lam is, het toonbeeld van kwetsbaarheid. Niet een overwinnaar maar de zondebok waarin we Jezus herkennen heeft het hoogste gezag in de hemel.
 
Hoe is deze tekst nou bemoedigend en troostend voor mensen in tijden van nood? Of om dichter bij onszelf te blijven: wat onthult deze tekst over God, wat voor ons relevant is?
 
We kunnen helaas in de actualiteit heel wat situaties aanwijzen die doen denken aan dat principe van stikken of slikken van het Romeinse Rijk. Nogal wat regeringsleiders in deze tijd, zoals de net verkozen president Bolsonaro in Brazilië, maar ook anderen in de wereld en ook in Nederland willen minderheden in de samenleving minder rechten toekennen dan ‘gewone burgers’. Zij dwingen mensen te buigen voor hun macht, of vervolgen mensen om wie ze zijn.
Dit visioen van Johannes waarin alles en iedereen, ook de wereldse macht, buigt voor God, en dus voor kwetsbaarheid, voor slachtoffers, is dan wel een omkering om naar uit te zien. Dit geheim van wie God is als hoogste of diepste grond van het bestaan waar alles voor moet buigen, is de kern van Openbaring.
 
Toch ligt de relevantie van deze lezing voor mij niet in het kennen van deze kern van de tekst, maar in het gebruik maken van de verpakking. En met die verpakking bedoel ik de taal die gebruikt wordt in deze tekst. Deze taal van het aanroepen van God, komt terug in de liturgie en in de rituelen van onze viering. Het is de verpakking waar God in mee komt.
God ‘heilig’ noemen en daarvan zingen bijvoorbeeld, als we dat doen in de viering dan geven we een weerwoord aan elke leider die denkt dat hij boven de wet verheven is.
Als we hardop zeggen dat God ‘Liefde is en grond van ons bestaan’, dan is dat een aanmoediging aan ieder mens om zich niet neer te leggen bij een achtergestelde positie.
Als wij deel willen uitmaken van een gemeenschap van gelovigen, dan erkennen wij dat we niet zonder de ander kunnen, dat anderen ons nodig hebben zoals wij hen om voor ons op te komen als we in de verdrukking zitten.
‘God danken’, zoals bij deze oogstdienst, dat is inzien dat het niet onze verdienste wat ons aan goede dingen toevalt in dit leven.
 
Net als de Openbaring van Johannes kan een viering ons brengen dat we ons niet blindstaren op ons eigen leven als centrum van de wereld, maar dat we oog krijgen voor waar het voor de toekomst van ons mensen op aan komt – namelijk om eer te geven aan God, die we in de kwetsbare ander ontmoeten.
Als we aan kinderen de Bijbelverhalen vertellen, of zelf met de Bijbel aan de gang gaan, dan hebben we te maken met de buitenkant, de plaatjes, de taal, én met de binnenkant, dat geheim wie God is.
 
Vandaag dopen wij twee kleine kinderen. We verbinden met taal en ritueel hun leven met het geheim van wie God is. We noemen hun veelzeggende namen ‘ster van de zee’ en ‘godsgeschenk’ en we weten: in deze ruimte komt met het noemen van hun namen God mee.
Amen

28 okt

Ds. Henk Meulink

Bijbellezing: Psalm 13 + Marcus 10:46-52


Gemeente van Jezus Christus, geliefde mensen van God,

Zijn wij ziende blind? Laten wij de problemen waar onze wereld, onze samenleving voor  staat, voldoende tot ons doordringen? Nemen wij de zorgen om ons milieu, de veranderingen in het klimaat wel serieus? Zien wij wel in hoe die ontwikkelingen en de ongelijke inkomensverhoudingen de vluchtelingenstromen in gang houden en zijn wij bereid een deel van onze welvaart in te leveren om daar verandering in te brengen. Sluiten wij onze ogen niet te gemakkelijk voor de beelden van kinderen die honger lijden door de machtsstrijd die over hun hoofden wordt uitgevochten, met wapens die ook in onze naam worden geleverd? Hoe is het met onze inzet voor, zoals de Wereldraad van Kerken het ooit noemde, gerechtigheid, vrede en behoud van de schepping?  In hoeverre zijn wij bereid de weg te gaan die God ons wijst, die Jezus voor ons uit is gegaan? Als ik bij deze vragen “wij” zeg, bedoel ik dat ook persoonlijk: in hoeverre zie ik de problemen, neem ik ze serieus, ben ik bereid tot een verandering in gedrag? Laat ik maar eerlijk zijn: ik heb moeite mijn ogen niet dicht te houden, zelf de consequenties te trekken.

Ik kwam tot deze vragen bij, toen ik probeerde te doordenken, wat het verhaal over de blinde Bartimeüs, zijn schreeuw om ontferming, de reacties van de menigte en de wijze waarop Jezus met hem omgaat ons in onze situatie te zeggen heeft. De afgelopen weken hebben we in onze diensten het evangelie van Marcus stap voor stap gevolgd. Binnen dat evangelie heeft het verhaal van vandaag een bijzondere positie. Het is de afsluiting van het gedeelte uit het evangelie waarin Jezus met zijn leerlingen op weg is van Galilea naar Jeruzalem. Ze zijn nu in Jericho. Nog 30 kilometer scheiden hen van de stad, waar het laatste deel van Jezus´ leven zich zal afspelen. Direct na dit verhaal vertelt Marcus van de intocht in Jeruzalem. In dat middengedeelte kwam als een steeds herhaald refrein aan de orde in hoeverre de leerlingen van Jezus en de menigte die Hem volgt wel inzien wie Jezus is, waar het Hem om gaat, wat Hem te wachten staat en wat het betekent Hem te volgen. Tot drie keer toe vertelt Jezus dat de weg die Hij gaat, de weerstand die zijn woorden en daden oproepen, tot zijn arrestatie, veroordeling, marteling, vernedering en kruisiging zal leiden. Het zal geen triomftocht worden, maar een lijdensweg. Waaraan Jezus dan iets onbegrijpelijks toevoegt: drie dagen na zijn dood zal Hij worden opgewekt.  De leerlingen van Jezus, zo vertelt Marcus, willen wat Jezus hen voor ogen stelt, niet horen en verstaan. Ze weren het af –“dat zal niet gebeuren” – of ze gaan totaal niet passende gesprekken aan wie toch wel de belangrijkste onder hen is, of proberen al de plek naast Jezus in zijn glorie te bemachtigen. En Jezus – die steeds eenzamer lijkt te worden – roept hen op tot een verandering in mentaliteit en gedrag: het moet jullie niet om heersen, om macht – met zo vaak misbruik van macht  - gaan, Ik roep jullie op tot een houding van dienen,  van antwoord geven op het beroep dat het gelaat van de ander op je doet. En zelf laat Hij in zijn handelen zien wat dat betekent. Maar Jezus waarschuwt ook: de weg die Ik ga, zal consequenties hebben, voor Mijzelf, voor wie Mij wil volgen. Hebben de leerlingen van Jezus zijn woorden verstaan, zijn zij tot inzicht gekomen? En in hoeverre geldt dat voor ons? Daar ging het de afgelopen weken steeds om.

Bijna aan het einde van hun reis zijn Jezus en zijn volgelingen in Jericho gekomen. Marcus vertelt niet wat ze daar deden – zijn evangelie heeft altijd iets gehaast, is niet voor niets het kortste - , ze gaan de stad al weer uit. Daar worden zij geconfronteerd met het geschreeuw van een man: “Zoon van David, Jezus, Eleison! Ontferm U!”, roept hij. En als ze naar hem omzien, zien ze een man die langs de weg zit, blind is en bedelt. Met die paar woorden wordt zijn situatie kort maar krachtig aangeduid. De prachtige tekening van Kees de Kort op de liturgie geeft het treffend weer. Zijn handicap maakt dat hij niet meetelt, in armoede vervallen is, om een aalmoes – een woord afgeleid van eleison – moet vragen.

Wat bijzonder, uitzonderlijk, is dat hij van Marcus een naam krijgt: Bartimeüs.

Die naam intrigeert. Die naam wordt uitgelegd: die betekent zoon – Bar is het  Aramees voor zoon – zoon van Timeüs. Timeüs is een Grieks woord dat geëerd betekent. Maar als zijn vader een geëerde was, hoe kan het dan dat hij in zo´n ellendige situatie terecht gekomen is? Kijkt zelfs zijn familie niet meer naar hem om? Waarom is hij verstoten? Waarom wordt hij, zoals zo verteld wordt, zo vijandig bejegend? Betekent dat ook, zoals David het in Psalm 13 verwoordt, God hem vergeet? Tot ieder die zich maar enigszins herkent in de situatie waarin Bartimeüs zich bevindt,  zou ik allereerst willen zeggen: in de geschriften van de Bijbel is er aandacht voor je. Aan wie in ellende verkeert wordt niet voorbijgegaan, horen we ook vandaag weer, zowel in de Psalmen, als in het verhaal van Marcus. Maar daaraan mag ik toevoegen: schik jezelf niet in je ellende, houd je niet stil, maar laat je horen. Schreeuw je nood maar uit. Doe een beroep op anderen. Want bij Bartimeüs is dat de eerste stap naar zijn genezing, naar een ander leven. Zoals de roepende psalmist ook vertelt van zijn redding.

Maar er is meer over Bartimeüs te zeggen. Ook de woorden die hij gebruikt intrigeren. “Zoon van David, Jezus”, zo heeft nog nooit iemand in het evangelie van Marcus Jezus genoemd. “Zoon van David”, dat is de uitdrukking die in Israël wordt gebruikt voor de messias die wordt verwacht. Ziet, doorziet, deze blinde bedelaar wie Jezus is, van wie hij heeft gehoord, die hij daarom vol verwachting aanroept? Ja, moet je zeggen: hij, die gezien zijn naam misschien wel een Griek, een buitenstaander, een heiden is, hij ziet wie Jezus is. Hij ziet, waar van de volgelingen van Jezus steeds maar weer is gezegd: zij zien het niet, zij verstaan het niet werkelijk. Ja, wie is er blind in dit verhaal?



Ook dat intrigeert. Het roept bij mij de vraag op, meer nog, het doet mij erkennen dat de waarheid misschien wel vaker dan we denken van buiten de kerk wordt gesproken. Als we zien wie ons voor houden voor welke problemen onze samenleving staat, die benoemen, ja, uitschreeuwen, en wie ons voorgaan op de weg die problemen aan te pakken, tot een verandering in mentaliteit en gedrag, dan komt die roep vaak van buiten de kerk. Met de vraag aan ons, aan mij: horen we, hoor ik die stem voldoende. Willen wij ook tot inzicht komen?

Wordt de schreeuw van Bartimeüs gehoord? Dat zeker, maar de reactie van wie die schreeuw horen is wel verschillend. Veel mensen op de weg snauwen hem toe: Houd je mond. Je stoort ons. En dat willen wij niet. Hebben zij echt nog niets geleerd van wat Jezus hen over een houding van dienen heeft gezegd en voorgeleefd?   Maar Bartimeüs laat zich de mond niet snoeren. Hij schreeuwt nog harder: “Zoon van David, ontferm U over mij”. Jezus reageert anders. Hìj snauwt niet, loopt niet door, maar blijft staan. Hij weet zich aangesproken. Zoals we steeds van Hem horen: als mensen een beroep op Jezus doen, laat Hij zich storen. Op het beroep dat Bartimeüs op Hem doet, reageert Jezus door op zijn beurt hem te roepen. Het is eigenlijk heel humoristisch, maar ook betekenisvol, zoals Marcus dat vertelt: Jezus schakelt de omstanders die Bartimeüs afsnauwden zelf in om hem te roepen. Hij dwingt hen tot een andere houding: zie naar die man om, maak contact met hem, roep hem. Wordt zo ook ons niet voorgehouden hoe wij zouden moeten omgaan met een vreemde die een beroep op ons doet? Ja, zo ervaar ik het in ieder geval. Jezus zet ons tot een andere houding aan.
De mensen rond Jezus laten zich veranderen. Nu spreken ze Bartimeüs aan en bemoedigen hem: sta op,  ga naar Jezus toe. En hij staat op en gaat. Hij gooit zijn mantel af.  Waar dat voor staat is niet helemaal duidelijk. Laat Bartimeüs het laatste wat hij bezit, waar hij gehecht aan is, los om het avontuur van een nieuwe toekomst aan te gaan? Dan wordt het ook een vraag aan ons: kunnen, durven wij dat ook, loslaten waar wij aan gehecht zijn?

Het gesprek tussen Jezus en Bartimeüs dat dan plaatsvindt, vind ik in al zijn kortheid een leerschool voor pastoraat. Jezus stelt een open vraag: je doet een beroep op Mij, maar wàt kan Ik voor je doen? Hij heeft dat al niet ingevuld, maar wil dat horen van de ander. Als Bartimeüs dan vraagt: zorg dat ik weer kan zien, volgt er niet een of ander genezingsritueel. Nee, Jezus zegt alleen maar: je geloof heeft je gered. Dan merkt Bartimeüs dat hij weer kan zien. Geloven, dat is vertrouwen. In vertrouwen deed Bartimeüs een beroep op Jezus. In vertrouwen staat hij op als Jezus hem laat roepen. In vertrouwen laat hij alles wat hij bezit achter zich. En die houding van vertrouwen bekrachtigt Jezus. Hij bevestigt de eigen kracht van Bartimeüs. Prachtig. Het roept de vraag op: hoe blind was Bartimeüs eigenlijk? Ja, ik ga er vanuit dat hij blind was en weer gaat zien. Maar het is ook duidelijk dat Bartimeüs ook al ziende was, in zag wie Jezus is, dat verandering mogelijk is, en in vertrouwen op staat. Jezus beëindigt het gesprek door Bartimeüs vrij te laten in wat hij nu zal doen. Ga heen. Maar Bartimeüs kiest er voor Jezus te blijven volgen op zijn weg, die naar Jeruzalem leidt.

Bartimeüs maakt zo de beweging van zitten langs de weg, naar Jezus volgen op zijn weg. Hij weet zich geroepen. Hij staat op en gaat, in vertrouwen.  Daartoe roept zijn verhaal ook ons op. Het is Lucas die christenen aanduidt als mensen, als “aanhangers van de Weg”. Dat is een aanduiding van betekenis. Wie zich christen noemt, kiest er voor op weg te gaan. Dat betekent dat je durft los te laten, dat betekent dat je durft te vertrouwen op de weg die Jezus wijst. De Wereldraad van Kerken drukt dat mooi uit door te zeggen: wij zijn een beweging van mensen die als pelgrims op weg gaan op zoek naar een samenleving van gerechtigheid en vrede, in vertrouwen dat zo´n wereld mogelijk is. De Bijbel reikt ons geen handboek aan hoe we ten aanzien de problemen van klimaat, milieu, inkomensverschillen en zo moeten handelen. Maar wijst ons, vandaag opnieuw, wel een richting, roept ons op op weg te gaan, vraagt ons in te zien waar het om gaat als we deze wereld op een verantwoorde wijze willen nalaten aan de generaties na ons, wijst ons op mensen buiten de kerk, die misschien wel meer inzien en aangeven wat nodig is, vraagt ons om een houding van dienstbaarheid, waarbij we afzien van macht en eigen belang op de korte termijn, vraagt ons om een weg te gaan die niet altijd gemakkelijk zal zijn, maar sterkt ons ook in vertrouwen dat een goede toekomst voor deze wereld mogelijk is. Als we dat inzien, mogen we met Bartimeüs ons geroepen weten, opstaan en op weg gaan, als mensen die zien. Amen.

ds Henk Meulink

9 sept

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Marcus 8:27-9:1

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus een tekst waarin het er nogal heftig aan toe gaat. Jezus stelt zijn leerlingen eerst confronterende vragen over wat ze nu werkelijk van Hem denken. Dan kondigt Hij aan dat Hij moet lijden en sterven (en zal opstaan), waarop een confrontatie volgt tussen Jezus en Petrus. En daarna zegt Jezus ook nog dingen als ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen’.

Voer voor theologen is het. Een tekst om daadwerkelijk uit te leggen als predikant in een preek. En dat heb ik ook gedaan. Vorig jaar rond deze tijd preekte ik over vrijwel dezelfde tekst, want toen was de parallelle lezing uit het evangelie van Mattheüs aan de beurt. En in die preek ben ik ingegaan op moeilijkheden in deze tekst. Die preek ligt voor u klaar bij de uitgang, u kunt hem vandaag meenemen en thuis lezen. (preek is op te vragen via )

Vandaag wil ik wat anders doen met deze Bijbellezing en dat heeft alles te maken met ons jaarthema ‘Een goed gesprek’ en het thema van vandaag ‘Goede vraag!’.

Het horen van de Schriftlezing is vandaag voor ieder van ons een opmaat en een aanmoediging om te bedenken welke vraag over geloof ons het meest op het hart ligt. Want ook daar gaat het in de Schriftlezing om, om het hardop stellen van de meest wezenlijke vragen rond geloof.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Een rijke schat van wijsheid’ – ‘Gods woord gordt mensen aan (…) stil het kruis te dragen achter hun Heiland aan’.

Twee zinnen uit dat ene lied dat we net zongen, met nogal een verschillende nadruk op hoe je aan kunt kijken en om kan gaan met de woorden uit de Bijbel.

En wat voor een woorden! Sommige misschien maar al te bekend, maar wat betekenen ze voor ons, vandaag, in de praktijk?

Daarover gaan preken over het algemeen. Maar wat kunnen we leren van elkaar?

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’. Jezus brengt alle vragen die er zijn rond zijn verschijning nu eens concreet ter sprake. Wat wordt er zoal gedacht over Hem?

En, nog belangrijker, ‘Wie ben ik volgens jullie?’. Al een lange tijd trekken de leerlingen met Jezus op en ze hebben al van alles gehoord en gezien, van genezingen en hoe Jezus spreekt over God. Nu wil Jezus weten hoe zijn leerlingen tegenover hem staan.

De vraag van Jezus ‘Wie ben ik volgens jullie?’ is geen vrijblijvende vraag. Het is geen vraag naar kennis, het is geen vraag van het hoofd, maar een vraag naar het hart.

Waar staan jullie, leerlingen, ten opzichte van mij? Kunnen jullie me volgen?

Petrus zegt van wel, hij geeft het goede antwoord, ‘U bent de Messias’, maar trekt daar conclusies uit, over niet hoeven lijden, die niet kloppen bij wat Jezus duidelijk wil maken over wat dat betekent. En dus staat Petrus Jezus totaal in de weg. ‘Ga achter mij aan’, zegt Jezus.

De vragen die gesteld worden in de Bijbeltekst helpen ons om te begrijpen wie Jezus is. En in plaats van dat we ons de antwoorden op die vragen inprenten, is het beter om ons de vragen eigen te maken.

Bijvoorbeeld die vraag ‘Wie ben ik volgens jullie?’.

We kunnen repeteren ‘messias’, maar dat is een antwoord uit het hoofd. Als we aan onszelf of een ander die vraag stellen ‘Wie is Jezus volgens jou?’ dan gaat het hierom: ‘Hoe staan wij in ons leven tegenover Jezus, hoe leven wij met geloof?’

Als we Jezus een vriend noemen, de verlosser, of een wijze man, dan zeggen we daarmee ook iets over onszelf.

In alle openheid – zoals Jezus ook in alle openheid sprak over wat staat gebeuren.

Wat niet zonder risico is.

Mensen kunnen struikelen over je woorden. Zoals Petrus deed bij Jezus.

Je de mond willen snoeren, zoals Jezus deed bij Petrus.

Het komt er bij die beiden op aan. En het brengt mij bij de vraag, hoe dat voor ons is.

Mogen wij alles zeggen wat we denken? Of voelen alleen de geijkte antwoorden goed?

Mag je ook hier in de Oranjekerk er het jouwe van denken?

Of kun je dan een bestraffende toon verwachten, zoals Jezus en Petrus overkomt?

2. Dit seizoen begin we bij de vraag: ‘Welke vraag over geloof ligt ons nou het meest op het hart?’ Is dat de vraag wie Jezus is, of over het kruis dat we op ons moeten nemen? Of is een heel andere vraag voor ons prangend, bijvoorbeeld over hoe belangrijk de Bijbel is in ons leven of de kerk?

U hebt een hartje gekregen, waar u deze vraag die u op het hart ligt op mag schrijven.

Het is de bedoeling dat we straks al onze vragen ophangen op grote vellen bij het uitgaan van de kerk. En u kunt dan ook de vragen lezen die anderen hebben. Ook de kinderen schrijven vandaag hun vragen op.

En als u wilt, mag u ook toevoegen met wie u over die vraag zou willen praten.

Dus: welke vraag over geloof ligt u nou het meest op het hart?

U mag het nu opschrijven.

………

3. Nog even over dat stekelvarkentje: wie kende dat lied al voordat u het vandaag hoorde?

Het mooie van dit liedje is dat het gesprekje van de ouder met het kind je inneemt voor zo’n klein stekelvarkentje dat met z’n stekeltjes moet leren leven en ze waarderen, zoals iedereen een bepaalde eigenheid heeft die we kunnen leren kennen en waarderen.

In mijn ervaring in het pastoraat, bij Bijbelkringen en met de catechesegroep is het openlijk benoemen van je vragen rond geloof een manier om de ander te laten zien wie je bent.

Het maakt je kwetsbaar, maar geeft daarmee ook ruimte voor herkenning, openheid, verbondenheid. En je ontdekt daarmee ook wat voor jou van wezenlijk belang is.

De rijke schat van wijsheid, dat woord dat mensen aangordt (lied 313), vráágt om een goed gesprek met een ander.

Als u wilt, zeg ik erbij. Want soms is dat andere ons genoeg: de stilte, het zingen, samenwerken en bidden.

Dat het ons allemaal tot zegen mag zijn. Amen.

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur