7 juli

Overweging 7 juli 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 10: 1-12, 17-20

 

Inleiding op de Schriftlezing

In hoofdstuk 9 van het Evangelie van Lucas zendt Jezus zijn 12 leerlingen uit om het Koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen (Lk 9: 2). Jezus draagt zijn leerlingen op om niets mee te nemen voor onderweg: geen geld, geen eten, geen extra kleren. Zij moeten goede gasten zijn: nl. blijven daar waar ze welkom worden geheten. En waar ze niet welkom zijn, daar moeten ze het stof van hun voeten slaan en weggaan.

Vandaag lezen wij in het daaropvolgende hoofdstuk 10 over de uitzending van 72 andere leerlingen. Jezus stuurt hen met min of meer dezelfde opdracht op pad. ‘Vrede’ is daarbij een belangrijk woord is, dat is hun binnenkomer ‘Vrede voor dit huis!’.

 

Nu zijn de getallen in deze verhalen natuurlijk van betekenis. De twaalf leerlingen die Jezus uitzendt, staan voor de 12 stammen van Israël, de uitzending van die twaalf hebben Israël als doel. Tweeënzeventig was toen het getal van de volkeren. De tweeënzeventig leerlingen die Jezus uitzendt, vertegenwoordigen dan ook de hele volkerenwereld die Jezus voor ogen heeft met zijn verkondiging van het Koninkrijk van God.

Dus vandaag gaat het over wereldzending. Twee aan twee stuurt Jezus de 72 leerlingen op weg. En we horen ook hoe ze terugkomen. Dolenthousiast kun je wel zeggen. Want het is gelukt! ‘We hebben zelfs mensen genezen van hun demonen!’, zeggen ze. 

En Jezus reageert: ‘Besef dat jullie al gelukt waren, want jullie zijn kinderen van God’.

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Kwetsbaar en krachtig, zo zendt Jezus de leerlingen uit. Kwetsbaar ‘als lammeren onder de wolven’, zonder de zekerheid van geld en goed, onzeker over welk eten en drinken en dak boven het hoofd hun zal worden aangeboden. Kwetsbaar ook omdat het mogelijk niet in goede aarde zal vallen: hun groet ‘Vrede aan dit huis’ en hun boodschap ‘Het Koninkrijk van God is nabij’.

De leerlingen zijn op hun weg zo kwetsbaar als Jezus zelf op zijn weg is en daarin ligt ook hun kracht. Want hun woorden zijn Jezus’ woorden en we weten wat die woorden van Jezus doen. Die woorden brengen mensen vrede, ze hebben gezag over ziekten zodat iemand weer mens wordt, ze maken dat het Koninkrijk van God tot leven komt. Demonen bezwijken onder Jezus’ naam, slangen en schorpioenen, oud-Joodse symbolen voor demonen, raken erdoor vertrapt.   

Er staat dat de leerlingen ‘vol vreugde terugkeerden’ en dat doet vermoeden dat ze zelf nog al onder de indruk zijn van wat ze hebben kunnen bereiken en van hoever die naam van Jezus reikt. Ze zeggen ‘Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam.’ Je hoort ze als het ware zeggen: ‘Wie had dat gedacht?’. En Jezus reageert op hen door drie dingen te zeggen:  Allereerst kan Jezus het hun nog sterker vertellen: ‘Ík heb ​Satan​ als een lichtflits uit de hemel zien vallen!’. Vervolgens wijst Jezus hun erop dat het Zijn macht is die de leerlingen hebben gekregen en die hen krachtig maakt. Ten derde noemt Jezus wat hun ware reden tot vreugde zou moeten zijn: namelijk niet dat ze demonen kunnen overwinnen, maar dat ze weten dat ze van God zijn, bij God horen. 

 

2. Probeert Jezus hiermee nu het enthousiasme van de tweeënzeventig leerlingen de grond in te boren? Ik denk het niet. Maar Jezus plaatst hun ervaringen wel in een groter perspectief, namelijk een hemels perspectief. ‘Verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is’. Dat was al zo, voordat ze op pad gingen. Dat is geen verdienste. Dat is juist wat ze te verkondigen hebben in de wereld: in de hemel, bij God is plaats voor jou en mij. Ruimte om vrij te zijn van angst, ruimte om bevrijd van overheersing te leven, om vrede te vinden.

Daarom geldt ook bij de steden waar de tweeënzeventig niet welkom zijn, dat ‘het Koninkrijk van God nabij is’. Want wat Jezus de mensen leert over hoe ze zich kunnen verbinden met God en met elkaar en zo leven kunnen vinden, dat is voor iedereen bestemd, die weg van menswording is voor iedereen weggelegd.

Ik kan niet nalaten op dit punt nogmaals mijn tante te citeren: ‘de hemel geeft, wie vangt die heeft’. Het koninkrijk van God is nabij, bereikbaar voor wie er oren naar heeft, voor wie ervan wil leven. En op weg gaan, uitgezonden worden, is daarvanuit gaan. Daar wijst Jezus de tweeënzeventig leerlingen op. 

 

3. Ik vind het een mooi uitgangspunt en ook de basis van kerk zijn. Wat wij doen, of zouden moeten doen in de wereld, is uitdragen dat er onder de hemel, onder de regenboog, dus bij God een plek is voor jou en mij. En dat kunnen we uitdragen door letterlijk ruimte te maken aan de tafel, in ons gebouw, in de tuin en ook meer abstract door woorden te geven aan die ruimte, inclusief te spreken of door mensen uit te nodigen die ruimte hier te vinden. Het is de missie van onze gemeente.

 

Daarom is het nog wel interessant om te kijken wat wij kunnen leren van hoe Jezus de tweeënzeventig leerlingen op weg stuurt. Twee dingen vallen mij op nl. hun kwetsbaarheid en hun snelheid.

 

Allereerst de kwetsbaarheid: ‘Ik stuur jullie als lammeren onder de wolven’. Dat klinkt gevaarlijk, maar hoeft niet verkeerd af te lopen, dat blijkt. Jezus lijkt de leerlingen te waarschuwen om voorbereid te zijn op vijandigheid en gevaar, maar tegelijkertijd moeten zij zich niet voorbereiden door zich te wapenen.

Wat gebeurt er eigenlijk als je zonder geld, zonder reistas en zonder ​sandalen op weg gaat? Dan ben je kwetsbaar. Dan bestaat je voorbereiding uit weten dat je afhankelijk zult zijn van anderen en weten dat je met vertrouwen op weg moet gaan. Niet omdat je geen vijandigheid hoeft te vrezen, maar vooral omdat je bereid moet zijn een ander tegemoet te treden en toe te laten. Bij die kwetsbaarheid van een ander nodig hebben, daar begint het uitdragen van het Koninkrijk van God, daar begint het wijzen op een heilzame weg van leven.

 

De snelheid was het tweede wat mij opviel. Twee aan twee stuurt Jezus de leerlingen op weg. Elkaar tot steun, elkaar tot getuige, is de Bijbelse uitleg van twee aan twee. Het doet mij ook denken aan die oosterse wijsheid ‘Als je snel wilt gaan, moet je alleen gaan, als je ver wilt komen, moet je samengaan’. Je hebt elkaar nodig.

Maar snelheid is daarbij ook nog nodig! Jezus zegt ‘groet onderweg niemand’. ‘Hoi’ is makkelijk gezegd, maar groeten in de zin van uitgebreid vragen hoe het gaat met je ouders, met je familie en met jou, zoals toen gebruikelijk en nog steeds in niet-westerse culturen, dat kost kostbare tijd en die is er niet. Het Woord van God moet worden verspreid. Daarom ook krijgen de tweeënzeventig de opdracht mee binnen te komen met de woorden “Vrede​ voor dit huis!” en dan aan te nemen, te eten en te drinken wat men hen aanbiedt en niet te kijken of je het elders beter treft. Want ook dat kost tijd, uitgebreid onthaald worden. En mochten ze ontdekken dat het geen koosjer huishouden is, maar heidens, dan moeten ze geen tijd besteden aan op zoek gaan naar waar ze wel wettelijk verantwoord voedsel kunnen vinden. Dat kan niet uit.

Ze moeten doen wat Jezus deed, ook Hij was bij iedereen, zoals tollenaars, te gast, genas de zieken en sprak Goede Woorden.

 

4. Net als de kwetsbaarheid van elkaar nodig hebben, zou ik ook die snelheid willen meenemen in onze missie als gemeente. Dat we geen tijd verkwisten aan wat afleidt van het brengen van het Woord dat vrede brengt en bevrijding. En daarom ook dat we van ons afschudden waar dat Woord niet in goede aarde valt, loslaten waar we niet welkom zijn en dat we vasthouden aan de vrede.

 

De hemel is ons perspectief. De hemel waaruit, plop, de satan naar beneden dondert, en de hemel waar onze namen opgeschreven staan.

De hemel als vertrekpunt en referentiepunt voor ons op aarde – daar kun je mee op weg, daar kun je mee aankomen.

Amen.

 

23 juni

Overweging ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Lucas 8: 26-39

 
Inleiding op de Schriftlezing
Pinksteren, het feest van de Geest, ligt nog maar net achter ons. Met Pinksteren vieren we hoe na het vertrek van Jezus van de aarde, de Heilige Geest komt en de aanwezigheid van God tussen mensen en in mensen belichaamt. Die Heilige Geest van God en Jezus hebben dus alles met elkaar te maken.
 
In het evangelie van Lucas staan in het 8e hoofdstuk vier verhalen waarbij telkens de vraag klinkt ‘wie is toch deze?’ en dan gaat het over Jezus.
Het begint met een verhaal over hoe Jezus in een boot vanaf Galilea vertrekt naar de overkant van het meer. Als het begint te stormen zijn de leerlingen van Jezus bang dat ze zullen vergaan. Maar Jezus spreekt de wind en de golven toe zodat die weer kalm worden. En dan stellen zijn leerlingen de vraag: ‘Wie is toch deze dat zelfs de wind en de golven hem gehoorzamen?’.  
 
Meteen aansluitend klinkt het verhaal dat we vandaag lezen. Jezus komt aan land aan de overkant van het meer, in heidens gebied. Daar treft hij een man aan die bezeten is, letterlijk ‘in bezit genomen’ door demonen. Hij vertoeft tussen de graven, is ontbloot en op de vraag wat zijn naam is, antwoordt hij ‘Legioen’, verwijzend naar legio demonen die in hem wonen. Met overmacht bezetten die demonen hem zoals een legioen Romeinse soldaten (3000- 6000 man).
Het verhaal vertelt hoe Jezus bij de ontmoeting met deze man handelt in de Geest van God en net als eerder bij de verzoeking in de woestijn de confrontatie aangaat met andere, kwade geesten. De kwade geesten, de demonen in het verhaal, vrezen dat de Geest van God waaruit Jezus handelt hun ondergang wordt en dat is ook zo. De demonen vergaan en de bezeten man wordt na zijn bevrijding van de demonen ‘mens’ genoemd.
Wie is toch deze, die de macht heeft over storm en over kwade geesten?
 
We horen zo het verhaal uit Lucas. Aansluitend zingen we een lied dat Sytze de Vries bij deze lezing schreef (‘Hoe zag ik in zijn ogen’ uit: Jij, mijn adem, t. Sytze de Vries, m. Willem Vogel). Opvallend is dat het lied geschreven is vanuit het perspectief van de bezeten man. Ik wil aanraden om het Bijbelverhaal ook zo op ons in te laten werken. Als wij zijn als die man, bezet gebied, bezeten door legio kwade geesten, stemmen die ons tekort doen, wat heeft Jezus ons dan te zeggen, wat kan de Geest van God dan voor ons betekenen?
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Misschien kent u dat: woest te zijn, ontredderd, geminacht?
Kent u dat gevoel geen deel uit te maken van het normale leven, bezet te zijn door duizend stemmen, geleefd te worden in plaats van te leven?
Dat je niet goed meer weet wie je bent en bij de vraag hoe het gaat, begint met het opsommen van de diagnose. Dat het meer donker is dan licht, je leven meer op zichzelf dan verbonden en dat de waan van de dag bepaalt hoe jij je voelt en wie je bent.
Zo heb ik mij wel gevoeld de afgelopen maanden.
 
Vanuit zo’n ervaring wil ik dit verhaal van de genezing van de bezetene beluisteren. Vanuit het perspectief van de persoon die het aangaat, de persoon die het strijdtoneel is van de beide machten, de geest van God en de kwade geesten.
En ik ga er vanuit dat ieder van ons dat overkomen kan, overkomen is.
Of dat in ieder geval geloven ook gaat over die tegengestelde stemmen die in ons of om ons heen klinken. Stemmen die willen verbinden, die vragen om de menselijke maat, en stemmen die uitsluiten, die je vastzetten, die uitgaan van angst. 
Wat kunnen we vanuit de ervaring van bezet te worden door duizend stemmen van God op het spoor komen door dit verhaal?
2. Het verhaal van de storm op het meer eindigt met Jezus die de wind en de golven tot stilte maant. Er komt rust. Net als de rust die God schiep op de zevende scheppingsdag. Rust als in orde, als bevrijding van wat drukt en belast en angst aanjaagt.
 
In het verhaal van de bezeten man komt ook rust. Op het eind zit hij gekleed en bij zijn volle verstand aan de voeten van Jezus. Niks mis mee. Hoewel… er is wel wat mis mee, de mensen vinden het eng, angstaanjagend. Dat deze man opeens van zijn demonen bevrijd is en een mens is geworden, dat brengt hun onrust, ontzetting, angst.
 
Maar de meest opvallende angst in dit verhaal is toch wel die van de demonen. Als Jezus de onreine geest uit de man wil wegjagen, roept hij (de man of de geest dat is de vraag):  ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek je, doe me geen pijn!’ En even later smeken de demonen hem hun niet te bevelen naar de onderwereld te gaan, maar of ze in mogen trekken in de varkens. Dat mag en de onreinheid van de geesten in combinatie met de onreinheid van de varkens, maakt dat ze hun ondergang tegemoet snellen en ten onder gaan.
 
3. Wat is de kracht van de Geest van God? Waarvoor zijn de onreine geesten beducht? 
 
De man geeft zichzelf de naam ‘Legioen’, een eigentijds beeld. De Romeinse bezettingsmacht bestond uit legioenen die bestonden uit 3000-6000 soldaten.
Alles wat de bezeten man overkomt, is te verstaan als militaire beeldspraak: in hun macht hebben, boeien, bevelen. De man mag geen naam hebben, het is een object dat overmeesterd wordt.
 
De orde van deze bezettingsmacht is niet in orde, is niet koosjer, is zo onrein als de varkens zijn. Want een mens komt in het nauw. Ontmenselijking is aan de hand en niet menswording, waar het bij God om gaat. Hoe herkenbaar is dat: als mensen een nummer worden, of alleen bij hun ziekte of huidskleur of leeftijd worden genoemd, als mensen buiten de maatschappij worden geplaatst, gedemoniseerd, dan zijn ze geen ‘mens’ meer. Het is niet zomaar dat zodra mensen een gezicht krijgen, of een naam, dat ze dan anders bejegend worden. Voor Mauro, Lili en Howick, moest er plaats zijn in Nederland, ook voor mijn Marokkaanse buurman, voor de verdrukte kinderen die ik ken enzovoort. Onbekend maakt onbemind, en omgekeerd is het ook zo.
Wanneer we de ander als mens zien, brokkelt de macht van het systeem af. Dan valt er niet meer zo hard te oordelen. Dan ben je ineens zoveel meer mens.
 
Dat iemand opgediept wordt als mens, dat is de kracht van wat Jezus doet. En dat begint met Jezus’ vraag naar de naam van de man. De zwakte in het systeem van de kwade geesten, de bezettingsmacht, is dat zij niet bestand zijn tegen menselijkheid. Dan loopt het spaak. Dat Jezus, Zoon van de allerhoogste God, met iedereen wat te maken wil hebben, dat verpest het spel van de onreine geesten. Dat verzwakt hun positie. Het tast hun macht aan.
 
De aanwezigheid van Jezus zorgt voor conflict. Jezus sluit met zijn doen en laten de onreine geesten buiten. Een mensonwaardig bestaan laat zich niet verenigen met de Geest van God.
De demonen zien het aankomen. Als Jezus de naam van de bezetene wil weten, vrezen zij de macht van Jezus. Dat is het begin van het einde. Voor de onreine geesten. Maar ook voor Jezus. Hij wordt verzocht te vertrekken. De omstanders vrezen Jezus die voor conflict zorgt, voor omgekeerde rollen, voor vernietiging van demonen. Zou het? Of vrezen ze vooral voor hun eigen bestaan, hun eigen mens-zijn? Die bezeten man zit aan Jezus’ voeten, gekleed en bij zijn volle verstand, het blijkt een mens net als zij. En zij hebben dat niet eerder gezien.
 
4. Dat komen we op het spoor door dit verhaal. Dat hoe Jezus handelt, en handelen in de Geest van God in het algemeen, gaat om menswording. Daarom is de Geest van God ‘heilig’, anders dan de andere geesten. Haar doel is niet een ander te bezetten en macht te vergaren, maar haar kracht is te bevrijden en mensen te doen opstaan. De ander opdiepen als mens en zelf mens worden, daartoe zijn wij geroepen door God, dat doet Jezus ons voor, daarbij helpt ons Gods Geest.
Daarom dopen we kinderen in de naam van de Vader, van de Zoon én van de Heilige Geest. Amen

26 mei

Overweging ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 14: 21-29   

 
Inleiding op de Schriftlezing
Op deze 5e zondag na Pasen horen we in de Schriftlezing de opmaat naar Hemelvaart en Pinksteren. We lezen uit Johannes 14 een gedeelte waarin Jezus zijn leerlingen voorbereidt op het moment dat Hij van hen weg zal gaan. Jezus heeft het dan over zijn lijden en sterven. Judas Iskariot, de leerling die hem verraden zal, is net van de maaltijd vertrokken. De tekst die we lezen speelt dus nog voor de dood van Jezus en voor zijn opstanding die wij vierden met Pasen.
Wij lezen deze tekst nu ná Pasen en daarmee komt voor ons de nadruk te liggen op het weggaan van Jezus van deze wereld ná zijn opstanding. Dit opgaan van Jezus naar God vieren wij met Hemelvaart. We zullen zo horen hoe Jezus aankondigt dat, als Hij weg gaat, God de Vader de Heilige Geest zal zenden, die in plaats van Jezus, de Woorden van God zal duidelijk maken. En de komst van die Heilige Geest dat vieren wij over twee weken met Pinksteren.
Ook al verschilt onze situatie, toch is de boodschap van Jezus hetzelfde voor de leerlingen ín de tekst, en voor de lezers ván de tekst, namelijk: Als Jezus zelf niet bij ons is, zullen zijn woorden, en dat zijn de woorden van God, ons duidelijk worden gemaakt en ons in herinnering worden gebracht door de Heilige Geest. 
Jezus was zelf het woord van God onder mensen, Hij was sprekend zijn Vader. Maar daarmee is het niet Jezus zelf, maar God in Hem, waar de mensen aan moeten vasthouden. Het is Jezus altijd om God te doen geweest. God die, zoals Jezus zegt, ‘meer is dan Ik’. Alles wat Jezus heeft gezegd en gedaan blijft van betekenis, ook als Hij er niet meer is. De liefde die Hij mensen leerde, liefde voor het Woord van God en liefde voor elkaar, die blijft in mensen bewaard. Letterlijk zegt Jezus ‘als jullie mij liefhebben dan blijven jullie vasthouden aan het Woord van God, dan zal God je liefhebben en dan vinden God en ik een woning bij jou’.
En zo komt het ook dat het gezongen gebed bij de opening van de Schrift dat we ook vandaag zingen als tekst heeft: ‘Kom, Geest van God, maak onze harten open, dat Christus bij ons woning vindt’. Daar is het ons om te doen, om in ons ruimte te maken voor het Woord van God en zo voor God zelf. Laten wij daarom zingend bidden: ‘Kom Geest van God’.
 
Overweging
 
1. Gemeente van Jezus Christus,
‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren’, zegt Jezus. In onze vertaling: ‘Wie mij liefheeft zal zich houden aan wat ik zeg’.
Het woord van God bewaren betekent niet het zorgvuldig opslaan in een boekenkast, of het uit je hoofd leren, en het betekent ook niet het veilig stellen en zorgen dat niemand eraan komt. Het woord van God bewaren betekent niet dat je de woorden uit de Bijbel koestert als iets van vroeger, maar het betekent dat die woorden je invallen bij wat speelt vandaag, dat ze je blik bepalen op wat er is en dat ze perspectief geven op morgen.
Het woord van God bewaren, heeft alles te maken met God liefhebben, met erbij willen blijven. ‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren’.
Zoals de liefde tussen mensen niet bestaat uit het op schrift stellen van een belofte, maar door het waar te maken elke dag opnieuw door die liefde in praktijk te brengen, zo is het ook met het Woord van God bewaren. Dat is actief in je dagelijkse doen zoeken naar een wijze van leven waarin mensen tot hun recht komen, dat is je oor te luister leggen bij de verhalen van God en eruit leven.
 
En wat Jezus zegt is: dat kunnen jullie ook zonder mij!
Aan de ene kant is dat een bemoediging voor wie achterblijven: ‘Maak je niet ongerust en verlies de moed niet’. Maar het is óók opnieuw een les van Jezus aan zijn leerlingen, en aan ons, over hoe het nu precies in elkaar steekt met Jezus en God. Ja, door Jezus ontdekken mensen wie en hoe God is. Jezus en God zijn één, niet één en dezelfde, dat zal Jezus als vrome Jood nooit beweren, maar wel één in woord en daad. Maar God is ook meer dan Jezus en het is Jezus niet om zichzelf, maar om God te doen. Daar wijst Jezus de leerlingen op als hij zegt: jullie kunnen ook zonder mij. Want na Jezus zal de Heilige Geest hen op God wijzen.
Zo komt Jezus meer op afstand te staan, maar tegelijkertijd komt Jezus ook juist dichterbij, want van wonen ónder hen komt het tot wonen ín hen.
En daarom is het ook dat Jezus zich niet aan iedereen, aan de wereld, bekendmaakt. Ze zouden het niet begrijpen. De woorden en de liefde van Jezus vereisen dat iemand ze wil horen vanuit verbondenheid met wie Jezus is. De woorden van God, zijn niet los van verbondenheid met God te verstaan.
2. En over die verbinding met God en met dat Woord van God gaat het ook bij de doop.
 
Jullie zijn de eersten niet, lieve ouders van Elin, die zeggen: we willen ons kind dit meegeven zodat ze daar later haar eigen keuzes in kan maken. Het is jullie hoop dat Elin in de kerk een plek zal vinden zoals jullie die gevonden hebben bij de catechesegroep, een plek waar je samen met anderen actief bezig bent met dat woord, met geloof, met God. Want alleen zo, door ermee bezig te zijn, kan het woord betekenis krijgen, wordt het relevant voor vandaag.
 
Onderdak vinden, het thema wat in de lezing van Johannes naar voren komt, is een prachtige metafoor voor hoe dat werkt met geloof.
Als je zelf onderdak vindt, je eigen plek in geloof, dan kun je ook onderdak verlenen aan God. Dan kun je in je doen en laten, in het vertellen van verhalen, iets van God laten zien.
Zoals Jezus zegt: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.
 
3. Het is niet weinig wat Jezus zijn leerlingen toezegt en toevertrouwt.
Hij zegt: ‘wat ik jullie leerde: een wijze van leven, van liefhebben, van recht doen aan een ander, dat neemt niemand jullie af, dat blijft jullie bij’. En ‘de vrede die ik jullie nalaat, is een vrede zoals de wereld die niet geven kan’. Zij zullen dit diepe weten van een andere wereld, een andere waarheid, met zich mee blijven dragen.
 
Met het weggaan van Jezus komt er ruimte om zelf de verbinding met God te zoeken. Zij en wij moeten het zelf doen, maar we kúnnen het ook zelf doen. Met hulp van de Geest van God, die ons herinnert aan wat ze eigenlijk wel weten, die inzicht geeft aan wat relevant is van dat Woord van God in de wereld van alledag. Zo zorgt de Geest in ons voor een zetje in de goede richting, blaast het ons nieuw leven in, vonkt het soms van binnen.
 
Als wij ons inlaten met het woord van God, zal Hij blijvend aanwezig zijn onder ons.
Moge het zo zijn. Amen.

12 mei

Overweging ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Psalm 23 en Johannes 10: 22-30.


Verhaal voor de kinderen ‘Meneer Schaap en het speelveldje’

Elke middag als de kinderen uit school komen is op het speelveldje in de buurt meneer Schaap al bezig. De ene dag loopt hij met tennisballen, de andere dagen met doeltjes, weer een dag later met hoepels. Elke dag zorgt meneer Schaap dat er wat te spelen valt op het veld. En dat is leuk. Met z’n trainingspak aan en zijn fluitje om de nek, deelt meneer Schaap iedereen die mee wil doen in teams, legt uit wat de spelregels zijn en dan kan het sporten beginnen. Hij zorgt ervoor dat de teams gemengd zijn met kleine en grote kinderen, snelle en wat langzame. Zo is het voor iedereen leuk. Iedereen geniet!

Maar vandaag komt er een ander groepje kinderen bij het veld staan.

Van meneer Schaap mogen ze meedoen. Hij wil ze wel indelen. Maar nee, dat willen ze niet, in plaats daarvan vragen ze brutaal: ‘Ben jij hier de baas of zo?’. 

Meneer Schaap kijkt verbaasd. 

‘Voor iedereen die mee wil doen ben ik de baas’, zegt hij. Hoor maar! En hij blaast hard op z’n fluitje. Alle kinderen staan stil, en keren zich om naar meneer Schaap. ‘één, twee, drie’ roept meneer Schaap, en alle kinderen zeggen ‘Go!’. En daar gaan ze weer.

Op het hele veldje wordt gesport, alle kinderen weten wat de regels zijn en het is heerlijk.

Tenminste voor wie meedoen. Voor wie mee willen doen door te luisteren naar meneer Schaap.

Inleiding op de Schriftlezingen

Op deze zondag van de Goede Herder, gaat het over God en Jezus op wie dat oerbeeld van de herder, van Iemand die je leidt en beschermt, van toepassing is.

Het beeld van de herder is in het Oude Testament hét centrale beeld van een leider naar Gods hart. Abel was een herder, de aartsvaders, Abraham, Izaak en Jakob, en ook Mozes en Jozua, de koningen Saul en David. Allemaal waren ze allereerst gewoon herder en werden ze vervolgens herder van het volk Israel. Uiteindelijk wordt dit beeld van herder ook beeld van God zelf zoals in Psalm 23 ‘de Heer is mijn herder’.

Het beeld van God als herder is in onze tijd niet meer herkenbaar uit de dagelijkse praktijk. We zullen het beeld van een goede herder allereerst met de Bijbelse beeldspraak associëren.

In de tijd van Jezus was het beeld van een goede herder ook religieus geladen, het was een beeld van God of van de Messias. Dat Jezus van zichzelf zegt ‘Ik ben de Goede Herder’ wordt door zijn criticasters dan ook gezien als aanstootgevend. Wie denkt Jezus wel niet dat Hij is?

In de lezing uit Johannes vandaag is de setting die van een feestdag, het feest van de Tempelwijding, dat feest dat wij beter kennen onder de naam Chanoekah. Die tempel in Jeruzalem is de 2e eeuw voor Christus drie jaar lang door de heidenen ontwijd geweest, zij hadden hun afgodsbeelden op het altaar geplaatst. Nadat in het jaar 165 voor Christus de tempel is gezuiverd door de Makkabeeen is er opnieuw het eeuwig licht in ontstoken. En hoewel er maar olie genoeg is voor het branden van het licht gedurende één dag, brandt het licht 8 dagen. Vandaar dat de achtarmige kandelaar het symbool is van dit lichtfeest, Chanoekah, dat Joden nog steeds in de winter vieren. De lezing uit Johannes vindt plaats op het feest van Chanoekah, de vernieuwing van de tempel, en Jezus is op dat moment ook in de tempel. Het is niet voor niets dat Johannes deze gebeurtenis zo inleidt, het moment en de locatie zeggen alles over de relatie tussen Jezus en de tempel zoals Johannes die ziet. Jezus die zegt ‘breek de tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen’ (Joh 2: 19) is zelf de tempel, de plaats, waar mensen God kunnen ontmoeten. Met de nadruk op kúnnen, want daarvoor is wel nodig dat mensen naar Jezus willen luisteren, dat zullen we zo horen.

Overweging ‘Zij luisteren naar mijn stem’

1. Gemeente van Jezus Christus,

Toen ik op mijn 18e net een paar maanden theologie studeerde, kwam ik een oud-klasgenoot tegen die mij begroette als volgt: ‘Hé Jantine, en weet je het al, bestaat God nou of niet?’

Ik moest eraan denken door de vraag aan Jezus waar onze lezing mee begint: ‘houdt ons niet langer in het onzekere: ben je nu de Messias of niet?’.

Wat is dat voor een vraag?

Net zomin als je door een studie theologie ontdekt of God wel of niet bestaat, net zomin kan Jezus antwoord geven op de vraag of Hij de Messias is.

Beide vragen kan een ander niet voor jou beantwoorden. Beide antwoorden hangen niet af van feiten of van kennis. Beide vragen hangen samen met vertrouwen, die moet komen van de vragensteller zelf.

De Messias, de mens in wie God op aarde komt, is binnen het Joodse denken niet iemand die zichzelf zo noemt, maar iemand die door anderen als zodanig wordt herkend. De Messias dat is diegene van wie anderen zien, door wat Hij doet, en horen, door wat Hij zegt, dat Hij evenbeeld is van God, sprekend zijn Vader.

Maar God herkennen in Jezus, in Hem de Messias zien, zover willen de Joden die de vraag aan Jezus stellen niet gaan. Zij stellen de vraag niet om vertrouwen te krijgen in waar Jezus mee bezig is. Zij willen van Jezus af. Zij hebben geen oren naar wat Jezus zegt en geen oog voor wat hij aan tekenen doet. Zoals vlak hiervoor als Jezus een blindgeborene geneest.

Jezus beantwoordt de vraag of hij de Messias is weliswaar niet met ‘ja’ of ‘nee’, maar doordat Hij het beeld gebruikt van schapen en hun herder, weten zijn critici genoeg. Het beeld voor God past Jezus toe op zichzelf. En als Jezus zegt ‘míjn schapen luisteren naar mijn stem’ dan zal dat in de oren van zijn tegenstanders hebben geklonken als: ‘mijn stem, is de stem van de Herder, de stem van God en jullie willen daar niet naar luisteren’. Nogal logisch dat ze het godslasterlijk én beledigend vinden.

2. Jezus maakt onderscheid tussen wie wel en wie niet luisteren naar zijn stem, naar wie wel of niet in zijn woorden en daden God herkennen.

Wie zíjn schapen zijn, zijn dat omdát ze luisteren naar zijn stem. Dat is hoe een kudde zich onderscheidt van andere schapen, als de stem van hun herder klinkt, richten ze zich allen op hem.

U en ik zijn die schapen, wij willen luisteren naar de stem van deze herder, daarom zijn wij hier vandaag gekomen. Om gespitst te zijn op wanneer deze herder spreekt, om onderdeel te zijn van deze groep mensen die zich wil afstemmen op deze stem.

Omdat wij willen horen naar deze stem, hóren wij ook bij deze Herder en staan we in verbinding met Hem.

Voor de één zal Jezus meer tot de verbeelding spreken, voor de ander God. Dat maakt niet uit, want zij zijn één. Niet één en dezelfde, maar wel één in woord en daad.

Daarmee verbonden willen zijn, daar gaat het om. Oren hebben naar wat van God komt, gehoor geven aan Wie zijn woorden spreekt.

3. In de tijd dat ik al theologie studeerde, maar mijn plek in de kerk niet kon vinden, heb ik mij regelmatig afgevraagd of ik nu wel bij de kerk hoorde, en wilde horen.

Als je niet uit de voeten kan met de woorden die in de kerk klinken, als je geen idee hebt of je die stem van God wel hoort, dan is dat beeld van een herder met schapen best ingewikkeld.

In die tijd kwam ik een dichtregel tegen van Huub Oosterhuis, die voor mij een keerpunt bleek, hij dichtte over God: ‘Nooit heb ik niets met jou’.

Oftewel altijd is er iets van een band, van een horen bij elkaar.

Het klinkt als maar heel weinig voor hen die veel geloof hebben, maar mij zei deze zin veel.

Er was en is in mij een verlangen om te horen naar die stem.

En daarom, ontdekte ik, hoor ik bij al die andere mensen die hun oren ook spitsen op de roep van deze Herder, op de woorden van God.

Dat neemt niemand mij af. Dat kan niet weggeroofd worden. Daarin vind ik telkens weer een nieuw begin. ‘Eeuwig leven’ noemt de evangelist Johannes dat. En hij legt dat uit verder op in het evangelie. Eeuwig leven, dat betekent leven in verbinding met God. (Johannes 17:3)

Betekent dat nou dat iedereen die bij de kerk hoort de stem van God hoort? Dat zou geweldig zijn.

Maar onze verbondenheid met God als Herder ligt denk ik allereerst hierin: namelijk dat onze oren gespitst zijn om zijn stem te horen, dat wij van God willen weten en God van ons.

Daarom komen we hier. Daarmee gaan wij op weg. Daarin vinden wij leven.

Amen.

Pasen 21 april

Overweging Paasmorgen 21 april 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Lucas: 24: 1-27

 

1. Gemeente van de Levende Heer,

 

Wat is nou Pasen?

Lucas schetst ons een leeg graf, de afwezigheid van een lichaam.

Én hij beschrijft vrouwen die daarvan van streek raken, die schrikken van de verschijning van engelen, die zich woorden van Jezus herinneren en die gaan vertellen, maar die niet worden geloofd. Lucas vertelt ook van mannen die somber zijn en in verwarring gebracht en die traag zijn van begrip.

 

Al die mensen die Pasen op die eerste dag aan den lijve meemaken, reageren nogal menselijk, vind ik.

Hun valt niet acuut geloof te binnen. Zij zien niet ineens een groot licht, dat vrede geeft.

Hoogstens verschijnt er een lichtpuntje in hun misère. Een lichtpuntje dat beweging inzet.

De vrouwen herinneren zich de woorden van Jezus en gaan op weg naar de anderen om het te vertellen. De Emmaüsgangers krijgen gaandeweg de Schriften uitgelegd.

 

En dan begint het te dagen, dan gaan ze zien wat het is waarvan ze getuige zijn. Ze zijn getuige van de doorgaande geschiedenis van God met mensen. Nooit sprak Jezus over zijn lijden en dood zonder dat er sprake was van opstanding. O ja, de vrouwen herinneren het zich weer.

En denk aan Mozes en de profeten, aan al die verhalen in de Bijbel, waarin mensen niet ten onder gaan, maar juist tot leven worden gewekt.

Deze Paasnacht hebben we ze gelezen, de verhalen uit Genesis en Exodus, boeken van Mozes, over de schepping van het licht, de schepping van de mens die gevormd wordt uit leem en Gods Geest krijgt ingeblazen, verhalen over de uittocht uit Egypte, dat land waar angst heerste, over de doortocht door de Rode Zee.

Uit de profeten lazen we het visioen van de profeet Ezechiël, ook een scheppingsverhaal – dorre beenderen worden aangekleed en als mensen tot leven gewekt. Het is een beeld van het volk Israël dat in ballingschap is, maar dat God weer zal doen opstaan, letterlijk op de voeten zal zetten, moed geven, tot leven wekken. Het is niet afgelopen met hen, ze zullen weer terugkeren naar hun land. Zoals het ook niet afgelopen was met Jona in de walvis en de stad Nineve niet ten onderging. En ga zo maar door.

 

De woorden van Jezus en de verhalen uit de Bijbel gaan weer leven voor de vrouwen en de mannen en daarmee vervolgen ze hun pad als leerlingen van Jezus en komen ze de dagen door.


Deze woorden
Waarom zoekt u de levende onder de doden? 6Hij is niet hier, hij is uit de dood ​opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was:’ die woorden doen de vrouwen wegkeren van het graf, weg van de dood. Zij geven aan anderen door wat ze hebben meegemaakt, en zo vindt het woord van leven doorgang door hen.

 

Terug naar hoe het was, kan niet meer. Jezus komt niet meer terug. Maar de tijd met Jezus ligt ook niet achter hen, want Hij gaat voor hen uit, nog steeds.

En gaandeweg, alleen op die manier, zullen ze zich Hem herinneren.

Zoals de leerlingen op weg naar Emmaus. Zij vertellen hun verhaal en die derde houdt dat tegen het licht, het licht van de Schrift dat al eeuwen licht werpt op het leven van mensen.

En alles valt op z’n plek.


2. Het lege graf, zo essentieel in het Paasverhaal, vraagt erom eraan voorbij te gaan, daar vandaan te gaan en je blik te richten op die bron van leven en licht die Jezus voor mensen is en waarvoor hij zelf putte uit de Bijbel. Die bron die nooit dicht gaat.

 

En zo kwam ik bij dat lied 930:

Jij geeft mij vleugels en handen vol licht.                    Deut 32:11 Numeri 6:25

Jij leert mij leven zonder gewicht                                Matt 11:28-30

Lopen op water en spelen met vuur                           Matt 14:22-36 Hand 2:3  Lk 3:16

Jij maakt mij open, ik weet dag noch uur                    Mk 7: 31-35 Matt 25:13

 

Deze liedtekst staat vol verwijzingen naar bijbelgedeeltes.

(Wie het leuk vindt om te ontdekken hoe dat precies zit, kan het thuis nazoeken).

De Bijbelverhalen zijn in dit lied gevat in een beeld, een ervaring van gedragen worden door God als door een arend die zijn vleugels spreidt en zijn jong daarop draagt; ervaring van ontlast worden, ‘leven zonder gewicht’, noemt de lieddichter het, want Jezus zegt ‘mijn juk is zacht en mijn last is licht’. En zo voort.

 

We herkennen Jezus in het lied, maar tegelijkertijd is het ongrijpbaar hoe precies. En net als bij het lege graf, leidt het lied ons terug naar de Bijbel en belicht wat die verhalen ons geven, ons kunnen doen.

 

Zo anders komt het verhaal van God en mensen tot ons in dit lied.

Speels, als een tinteling, een dans, verrukking, ontroering. Zo ervaar ik het.

Weg van de zwaarte.
Anders dan die Bijbelverhalen die als een blok aan ons been kunnen worden als we daar teveel bij blijven vastzitten en over na blijven denken.

Het lied kan evenwel dezelfde vragen oproepen: Is dit waar, kan dit wel? Lopen op water, spelen met vuur? Wat bedoelt dit lied nu precies?

Tegelijk zegt dit lied: herinner je de verhalen, die Jezus vertelde, lees de Schriften, ga op weg! Het is allemaal één verhaal.

 

3. Pasen, dacht ik deze week, is zoveel subtieler, dan de jubelzang van deze morgen doet vermoeden. Zoveel menselijker ook dan de belijdenisformulieren verwoorden. Pasen is een weg van zoeken, met de moed der wanhoop, verblind door tranen, geschrokken door wat zo radicaal anders is dan je dacht en dan toch een lichtpuntje ontdekken.

 

Het lied laat mij nog iets anders ontdekken. Namelijk dat de weg die de Bijbelverhalen ons wijzen, de weg van Pasen, ook licht mag zijn, lichtvoetig, vol beelden. Dat het een weg is die je niet bewust inslaat, maar die je overkomt.

Een weg die je niet begrijpt met je verstand, maar die je voor een moment herkent door een woord van eeuwen dat tot je spreekt.

 

De vrouwen en de mannen in ons Paasverhaal gaan op weg om het te vertellen wat er is gebeurd, zij vertellen en geven handen vol licht door.

En dat is wat wij te doen hebben in deze wereld. Vertellen over dat ene verhaal van God met mensen, dat er doorgang is door de dood, door alle ellende. Op zoveel plekken in deze wereld, in deze stad, in ons hart, is het licht, is verlichting, dat woord hard nodig.

Het verhaal vertellen, het verhaal zingen, het verhaal leven, daartoe vieren wij Pasen, elke zondag opnieuw.

Leve dat Woord.

 

Amen.


vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur