19 nov

ds. Piet Kooiman
Ezechiël 34 : 11 – 17 / Mattheüs 25 : 31 – 46


Lieve mensen in de Oranjekerk,

Gemeente van Christus.

Geloven begint niet met het antwoord op de vraag of God bestaat. Geloven begint met een vermoeden, een ervaring soms en dikwijls met verhalen.

Hoe dat gaat, dat is denk ik bij ieder mens weer anders. Want geloven is niet iets wat je het beste in je eentje kunt doen, maar het is wel iets persoonlijks.

In het verhaal dat Jezus vertelt gaat het over menselijke ervaring. Een ervaring die pas achteraf met God in verband wordt gebracht. Wanneer hebben wij U dan gezien en ook nog iets voor U betekend? Pas achteraf begint het te dagen.

Als ik het goed zie sluit dat goed aan bij onze eigen vragen over God en geloof. Wij hebben zo onze twijfels. De een natuurlijk meer dan de ander, maar toch… Het antwoord op onze vragen is niet meer zo duidelijk als het was in de tijd van onze ouders en voorouders. Maar we kunnen ook niet zónder geloof. Zo ervaar ik het in elk geval zelf.

Er zijn ook in onze tijd mensen die los zijn geraakt van het traditionele geloof maar gaandeweg ontdekken dat ze toch niet zonder het woordje ‘God’ kunnen. En dan blijkt geloven een proces te zijn dat soms een leven lang duurt. Een proces van denken en voelen, vragen, ervaringen en verhalen.

Jezus vertelt vandaag een verhaal. Dat moet wel even gezegd worden, dat het een verhaal is. Het hoofdstuk waarin het staat in het evangelie van Mattheüs begint met twee keer een gelijkenis over het Koninkrijk der hemelen. Dat van de wijze en de dwaze meisjes eerst en daarna over de talenten. Dan volgt het verhaal van vandaag. Dus reken maar dat ook dit gaat over het koninkrijk der hemelen of zoals het elders heet: het K.v.G.  Hier gaat het verhaal over schapen en bokken, een herder en een koning. Het is een wakker-schrik-verhaal. Verteld volgens de regelen van de kunst van die tijd. En als je goed luistert gaat het niet zozeer om wat er aan het einde der tijden zal gebeuren, maar om wat er vandaag van belang is op de weg die Jezus wijst. Vandaag dus en morgen.

Dat wordt ook mooi bezongen in het lied na de preek. Het begint met ‘Er komt een dag, God weet wanneer’. Dan denk je aan een verre toekomst. Het tweede couplet begint met ‘Eens komt die dag’ maar het derde en laatste couplet heeft als opening: ‘Dit is de dag’. Dat is de focus. Wij komen zelf in beeld.

Het is wel een beetje lastig dat het met die schapen en bokken nogal een zwart-wit verhaal is. Je kunt de mensheid toch niet zo rigoureus indelen in goeden en slechten? Is het niet veeleer zo dat goed en kwaad in één mens samen komen. Maar dáár gaat dit verhaal van Jezus niet over. Je kunt niet in één verhaal alles tegelijk vertellen.

Jezus kijkt als het ware vanuit het einde naar het heden. En de figuur die daarin een cruciale rol speelt is de Mensenzoon. Een koninklijke gestalte die voorkomt in het boek Daniël (Daniël 7 : 13v.). En die koning is het dan die scheiding maakt tussen schapen en bokken, rechtvaardigen en vervloekten. Om goed te kunnen begrijpen vanuit welke betrokkenheid dit wordt gedaan kijk ik met u nog even verder in het evangelie. Het hoofdstuk na de lezing van deze morgen begint als volgt: (26 : 1 – 2) En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot zijn discipelen zei: ‘Jullie weten, dat het over twee dagen Paasfeest is. Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd om gekruisigd te worden.’ De zoon des mensen die rechtspreekt is dezelfde als die geleden heeft en gekruisigd is als de minste der mensen. Daarom is het ook niet vreemd dat deze koning zich identificeert met wie honger en dorst lijden, die gevangen zijn en arm of ziek. Het is alsof Hij ons met hun ogen aankijkt.

Vanuit dit verhaal zijn de bekende ‘werken der barmhartigheid’ afgeleid:

De hongerigen spijzen / De dorstigen laven / De naakten kleden /

De vreemdelingen herbergen / De zieken verzorgen / De gevangenen bezoeken

Daar heeft in de Middeleeuwen Paus Innocentius III nog aan toegevoegd ‘het begraven van de doden’ (Tobit 1 : 17). Tezamen zijn dat de zeven werken van barmhartigheid of De Zeven Deugden.

Dat zijn met recht goede werken. Nu heeft de reformatie de goede werken niet zo’n goede naam bezorgd. Luther en Calvijn benadrukten: alleen door genade kan een mens zalig worden. Dat was ongetwijfeld ook ingegeven door kritiek op de praktijk van de toenmalige kerk waarin verdienste het toverwoord was als het ging om de zaligheid. Maar hoe zit het dan met dit verhaal van Jezus? De bokken en de schapen worden toch geoordeeld naar wat ze gedaan hebben? Misschien is het onderscheid tussen genade en verdienste toch niet zo scherp als de gereformeerde dogmatiek het wil hebben.

In het verhaal van Jezus draait het om menselijkheid, om humaniteit. Maar het wonderlijke is dat die humaniteit tegelijkertijd ook dienst aan God is. Als we tenminste in de koning van het verhaal ook de trekken van de Eeuwige mogen ontwaren. En dat lijkt me toch wel omdat de mensenzoon spreekt over zijn Vader die hier duidelijk met een hoofdletter mag worden geschreven. Het is ook wel een bijzonderheid dat het juist de onrechtvaardigen zijn die blijkbaar in de gaten krijgen dat het gaat om dienstbaarheid. Ze zeggen: “Wanneer hebben wij U niet gediend?" Daar staat dan het woord dat wij kennen als ‘diaconie’!

De rechtvaardigen verwonderen zich. Het zal toch niet zo zijn dat ze zich verwonderen over het feit dat zij worden geprezen vanwege hun hulpvaardigheid - die zullen ze zich echt nog wel herinneren. Maar dat de Mensenzoon blijkbaar juist dáár te vinden was, bij of in die kwetsbare en gekwetste medemensen die op hun pad kwamen, dat was niet in hen opgekomen.

Je kunt bij het lezen van hun vraag de klemtoon leggen op het eerste woord: "Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien?" Maar ook op een ander woord: "Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien?" In de parabel is dat nota bene de Koning. Ze hebben de Koning Zelf gezien! En daarmee een glimp van het Koninkrijk opgevangen.

Dit verhaal gaat dus niet alleen over het belang van medemenselijkheid maar niet minder over de vraag welk beeld van God Hem (of Haar..) recht doet. God als koning? Zeker wel. Maar wat voor een koning dan! Dat vertelt Jezus met dit verhaal. Hij is te vinden in ons kwetsbare bestaan, daar waar mensen zijn aangewezen op de hulpvaardigheid, de goedheid en de hartelijkheid van iemand die hun naaste wordt.

Dat de Eeuwige er op uit is het verlorene te zoeken en de kwetsbaren te beschermen wordt prachtig verteld door de profeet Ezechiël, die God schildert als een herder die zijn verstrooide kudde bijeenbrengt en de schapen die honger en dorst hebben naar goede plaatsten leidt. Maar hij wordt kwaad op die beesten die zichzelf bevoordelen ten koste van de zwakkeren.

Lieve gemeente, Jezus vertelt dit verhaal met het oog op vandaag. Om aan te geven wat er van cruciaal belang is in het leven van mensen in het licht van de eeuwigheid. Het draait om daadwerkelijk medemens zijn. Daarin kom je God tegen, de rechtvaardige, de vredelievende herder. En Jezus, de geslagen mens. Hij kijkt je aan door de ogen van die ander. Die ander, die misschien wel dichter bij is dan je denkt. Die buurman die nooit bezoek krijgt. Of misschien is het wel gewoon je ouwe moeder die in het verzorgingshuis woont. Of de verkoper van de daklozenkrant bij de supermarkt. Het kan zijn dat Jezus jou door hun ogen aankijkt. Ook als jij het op dat moment zelf niet ziet. Jezus vertelt: dat geeft ook niet. Want dan, juist dan zie Ik jou.

Waar liefde is en vriendschap

hulpvaardigheid en saamhorigheid

daar is God. Of zo u wilt: dáár bestaat God.

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

12 nov

ds. Jantine Heuvelink
Lezing: Matteus 25: 14-30


Kinderverhaal n.a.v. zingen Lied 930 ‘Jij geeft mij vleugels’

Jij geeft mij vleugels en handen vol licht. Jij leert mij leven zonder gewicht

Lopen op water en spelen met vuur, Jij maakt mij open, ik weet dag noch uur.

‘Papa, ik snap dat lied helemaal niet’, zegt Kai.

Wij hebben toch geen vleugels en we kunnen toch niet licht in onze handen hebben en op water lopen? En van jou mag ik toch niet met vuur spelen? Waarom zingen we nou zo’n lied? Het klopt toch niet?

Papa moet glimlachen. ‘Ja, ik snap wel wat je bedoelt’, zegt papa.

‘Maar weet je, je kunt ook bedenken hoe het zou zijn als het wel kon’.

‘Hm’, daar moet Kai even over nadenken en dan weet hij het.

‘Als ik vleugels zou hebben, dan zou ik nooit meer moe worden van lopen!

En als ik licht in mijn handen zou hebben, dan zou het nooit te donker zijn waar ik ben.

En als ik op water zou kunnen lopen – dan zou ik niet kopje onder meer gaan!

En als…

Papa, we zingen ‘jij leert mij’, maar wie is dat? Ben jij het die mij dat gaat leren? Wie bedoelen ze met ‘jij’?

‘Daarmee bedoelt het liedje ‘God’, zegt papa.

‘Oh’, zegt Kai. ‘Nou als God mij leert spelen met vuur, dan is het vast wel veilig. Toch?’

‘Dat lijkt me wel’, zegt papa.

Kai denkt nog even na en dan zegt hij: ‘het lied klopt niet, maar ik zou wel graag willen dat het zo is’.

‘Ja’, zegt papa, ‘dat heb ik nou ook’.

Inleiding op de Schriftlezing

We horen vandaag opnieuw een gelijkenis die Jezus vertelt aan het einde van zijn leven. Vorige week hoorden we de gelijkenis van de dwaze en de wijze meisjes waarmee Jezus zijn leerlingen opriep waakzaam te blijven, alert te zijn op wat komt van God en om dat wat van God komt door te geven.

De gelijkenis vandaag volgt meteen daarop en roept op tot actief handelen. Het verhaal begint met een man die op reis gaat en zijn dienaren zijn bezit toevertrouwt. We kunnen in die heer Jezus herkennen die weggaat en aan zijn leerlingen zijn levenswerk toevertrouwt, zijn woorden, zijn daden en alles waar Hij met zijn leven aan heeft gewerkt.

Wat doen die dienaren, die leerlingen, wij, met dat erfgoed? Dat is de vraag.

In de gelijkenis heet het dat de dienaren talenten krijgen toevertrouwd. Talent staat dan voor een gewicht, een enorm bedrag. Maar we moeten dit woord niet alleen als geld opvatten, ook al doet onze bijbelvertaling dat wel, het is meer dan dat: ‘vermogen’, ‘kapitaal’.

Ons woord ‘talent’ is er van afgeleid en heeft er ook mee te maken. Het is iets wat je in staat stelt op een bepaalde manier te handelen.

Met het geven van de talenten draagt de heer niet alleen zijn kapitaal over aan zijn dienaren, maar hij schenkt hen bovenal vertrouwen.

‘Geschonken vertrouwen’, daar begint het verhaal de gelijkenis van de talenten mee.

Overweging

1.     Gemeente van Jezus Christus,

Het lied dat we net zongen, sluit af met woorden die in het laatste gedeelte van het Matteusevangelie regelmatig terugkomen: ‘Ik weet dag noch uur’. Telkens weer waarschuwt Jezus zijn leerlingen om alert te blijven en altijd bereid te zijn om God te ontmoeten in wat zich aandient. Want je weet niet wanneer de Heer terugkomt, je weet niet in wie en wanneer je God zult ontmoeten.

Zo’n zin ‘Je weet dag noch uur’, kun je op heel verschillende manieren horen: als een strenge waarschuwing die angst inboezemt, of als een uitnodiging om op een bepaalde manier in het leven te staan.

Een god die elk moment met je kan afrekenen, die machtig is en die je te vrezen hebt, zo’n god laat weinig ruimte over voor een mens om vrij te leven. Zo’n beeld van god legt je lam.

Het is wat gebeurt met de dienaar die één talent ontvangt. De dienaar durft niet te handelen met het talent dat hem geschonken wordt, hij begraaft het. Waarom? Hij zegt het voluit als zijn heer terugkomt uit het buitenland: “Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant, 25 en uit angst besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier hebt u het terug.” 

Wat gebeurt hier nou?

Deze dienaar heeft een bepaald van zijn heer dat hem angst inboezemt. En dat maakt dat hij zijn heer op afstand houdt. Het ene talent dat de heer hem toevertrouwt, neemt hij niet werkelijk aan. Hij staat niet open voor het gebaar van vertrouwen dat de heer geeft. Hij deelt niet het besef dat het bezit van zijn heer ook hem kan aangaan. De dienaar blijft onderscheid maken tussen wat van de heer is en wat van hemzelf is.

Zo verwoordt hij het later ook: ik besloot úw talent te begraven, hier hebt ú het terug. Hij zegt niet ‘mijn’ talent, of, zoals de andere twee dienaren het zeggen ‘het talent dat u mij in beheer gaf’.

Nee, wat de Heer hem heeft toevertrouwd, staat op zichzelf, deze dienaar blijft er buiten staan.

Hij handelt alsof hem enkel een last is opgelegd.

Het gekke is dat deze dienaar die van zijn heer het bezit niet wil aannemen, wel bang is dat de heer iets van hem zal afnemen. ‘Ik wist dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant’. Alsof de eventuele opbrengst die deze dienaar met het talent zou kunnen bereiken, niet zou zijn begonnen met een zaadje of plantje van de heer zelf, met dat talent.

Het is duidelijk dat met het beeld dat deze dienaar heeft van zijn heer, hij het gevreesde onheil over zichzelf afroept. Het is een selffulfilling prophecy. De angst die hij voelt wordt bewaarheid, de heer is niet mals in zijn reactie. Zoals eerder bij Matteus belandt ook deze nutteloze dienaar in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt. De vorige keer dat we lazen over een gast die uitgeworpen werd in de uiterste duisternis, waren de overige gasten genodigd bij een bruiloftsfeest. (Matteus 22:1-14)

Ook hier is dat het geval. De twee dienaren die het talent wel wilden ontvangen en het geschonken vertrouwen niet hebben geschonden, zijn welkom bij het feestmaal van de Heer.

Zij hebben laten zien dat ze weten wat hun te doen staat met het talent dat hen wordt toevertrouwd. Zij handelen in de Geest van hun Heer. Ze wagen het erop dat het talent groeit als ze het delen, als ze er mee werken. Zij tonen aan dat het waar is dat je ‘als je liefde wilt vermenigvuldigen, haar moet delen’. Hetzelfde geldt voor ‘als je wijsheid of genade of vreugde wilt vermenigvuldigen, dan moet je haar delen’.

Dat is ook wat dat lastige vers op het eind wil zeggen: 29Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen. 

Jezus beschrijft hier niet een wet, maar een logisch gevolg. Want wie liefde overheeft voor een ander, die zal groeien in liefde, maar wie geen liefde over heeft voor een ander, die zal wat hij heeft kwijtraken.

2.     Wat wil Jezus nu vertellen met deze gelijkenis?

 Op het einde van zijn leven, bereidt Jezus zijn leerlingen voor op wat komen gaat. Hij geeft hen de opdracht om met alles wat zij van Jezus hebben ontvangen, aan woorden en daden en ontferming, de wereld in te gaan, daarnaar te handelen.

Daar is het allemaal voor bedoeld – om het vrucht te laten dragen.

Daarbij is het nodig dat de leerlingen de leer en leven van Jezus daadwerkelijk tot zich nemen, het willen ontvangen. Durven zij, durven wij, te vertrouwen dat we wat we in handen krijgen ook werkelijk voor ons bestemd is en dat het zoveel is als we aankunnen om mee aan het werk te gaan? Of vrezen we dat het aan ons niet besteed is?

Ik moest denken aan de publicist Stephan Sanders die maandelijks een artikel schrijft in dagblad Trouw over zijn op-proef-geloven. Sanders heeft een lichte Rooms-Katholieke opvoeding gehad en daarna tientallen jaren niets met het geloof gedaan, het enkel vanaf de zijlijn zien verschijnen en het becommentarieerd. Sinds anderhalf jaar onderzoekt Stephan Sanders hoe het is om te leven vanuit een gelovige houding en bezoekt hij wekelijks de kerk. Met regelmaat benoemt hij hoezeer het uitmaakt of je van buiten of van binnen naar geloof kijkt, naar de waarden en de woorden en de rituelen. Van die christelijke boodschap waar hij buitenstond, probeert hij nu te geloven, te vertrouwen, dat die ook aan hem besteed is. En daarmee blijkt het bij hem in goede handen, hij koestert en deelt wat hij in de kerk vindt.

‘Proef geloven’, zo noemt Sanders wat hij doet. Hij waagt het erop, zonder te weten of hij zal winnen.

3.      

Jij geeft mij vleugels                                      (Deuteronomium 32:11)

en handen vol licht                                         (Numeri 6:25)

Jij leert mij leven zonder gewicht                  (Matteüs 11:28-30)

Lopen op water en                                         (Matteüs 14:22-36)

spelen met vuur                                             (Handelingen 2:3, Lucas 3:16)

Jij maakt mij open,                                         (Marcus 7:31-35)

ik weet dag noch uur.                                    (Matteüs 25:13)

De korte tekst van lied 930 staat vol verwijzingen naar bijbelgedeeltes, waar mensen bemoedigd worden en uitgetild boven hun angst, boven zichzelf. Om een paar voorbeelden te noemen:

Jezus zegt tegen de mensen ‘Neem mijn juk op je en leer van mij, (…) want mijn juk is zacht en mijn last is licht. ‘Leven zonder gewicht’, noemt de lieddichter het.

Petrus is de kleingelovige die het lopen op water onderwezen wordt. En een doofstomme ging open, zijn oren en zijn tong. En zo staat elk beeld voor een verhaal.

Wat is het ons waard dat we dit allemaal meekrijgen, deze verhalen, deze verbeelding dat we kunnen uitreiken boven onszelf? Is deze rijkdom iets wat we willen aangaan? En durven we ernaar te handelen?

En vertrouwen we, net als het lied, dat God dit voor ons te doen is?

Deze gelijkenis vertelt ons in ieder geval dit: als ons beeld van god ons verlamt en als de christelijke traditie een last voor ons is, dan gaat het niet goed. Dan komt het kostbare en waardevolle bezit van de Heer niet goed terecht.

Ons beeld van God en ons aannemen van dit erfgoed doet ertoe. Het is dan ook een poging waard om op proef te gaan geloven, te vertrouwen dat die verhalen van God de wereld zullen verrijken, als we erin willen delen.


En weet u: u en ik hebben daar talent voor.

Amen

5 nov

Oogstdienst
ds. Jantine Heuvelink
Lezing: Spreuken 9:10; Matteus 25: 1-13


Inleiding op de Schriftlezing

We naderen het einde van het kerkelijk jaar. Het kerkelijk jaar heeft een eigen kalender. Het begint op 1e advent, met de aanloop naar kerst, daarna volgen Pasen en Pinksteren en zo verder. We lezen in een kerkelijk jaar een heel evangelie door. Dit kerkelijk jaar is dat het evangelie naar Matteus, waar we dus nog vier zondagen uit zullen lezen.

Aan het einde van het kerkelijk jaar gaan de teksten over het einde, over waar het op aankomt. De laatste gebeurtenissen in het leven van Jezus, staan centraal met Pasen, zijn lijden, dood en opstanding. De laatste wóórden die Jezus spreekt, horen we deze weken. Die gebeurtenissen en die woorden hebben natuurlijk alles met elkaar te maken. Het zijn dan ook ernstige teksten.

Jezus schetst met gelijkenissen over het Koninkrijk van de Hemel een beeld van waar het op aan komt en wat de mensen te doen staat.

Vandaag roept dat beeld de mensen op tot waakzaamheid, tot alert blijven – gericht op God.

De gelijkenis gaat over 5 dwaze en 5 wijze meisjes.
Die woorden, dwaas en wijs, verwijzen in de Bijbel niet naar geleerdheid of intelligentie, maar ze verwijzen naar gericht zijn op God. De dwazen zijn niet gericht op God, de wijzen wel.

Zo staat in het Oudtestamentische boek Spreuken (9:10) deze tekst, die hoort bij vandaag:

‘Wijsheid begint met ontzag voor de HEER, inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.’

Dat ontzag hebben voor de Heer zal de cantorij voor ons beamen met het zingen van Masithi Amen, dat we horen als opmaat voordat we uit de Bijbel lezen.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Mooi is dat. Juist op deze zondag met onze oogstdienst, horen we Jezus vertellen over vijf wijze meisjes – voorbeeldig in geloof - die niet delen van hun olie als anderen tekort komen. En we horen over een bruidegom – meestal een beeld van God zelf - die de deur dicht gooit voor wie te laat komt.

Dit lijkt zo op het oog niet zo’n goede boodschap voor vandaag.

Net als vaker in de afgelopen weken spreekt deze gelijkenis van Jezus niet voor zich. Het klinkt hard wat de dwaze meisjes overkomt, en een dichte deur, dat moet toch niet kunnen bij God.

Waarom vertelt Jezus deze gelijkenis? Dat staat in het laatste vers, de gelijkenis is een oproep:

Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip hij komt’.

Hij dat is de Heer, de bruidegom, God onder mensen.

Jezus roept de leerlingen op om op elk moment klaar te zijn om God te ontmoeten, ook als dat moment onverwacht is, lang op zich laat wachten. Wees voorbereid, want anders ben je als het er op aan komt, te laat. Wees zoals de wijze meisjes in de gelijkenis. Zij zijn op weg gegaan, de bruidegom tegemoet, met lampen én met olie. Als de bruidegom eindelijk komt, zijn zij van de partij en is het feest voor hen.

De dwaze meisjes zijn ook op weg gegaan de bruidegom tegemoet, maar zij hebben geen olie meegenomen, zij hebben niets bij te dragen aan het feest.

2. De grote vraag bij deze gelijkenis is, wat is het nu precies wat de wijze meisjes goed doen? Waarin zijn zij een voorbeeld? Wat is de betekenis van die olie, die ze niet willen of kunnen ze die misschien niet delen?

Mooi maar ingewikkeld is dat er in deze gelijkenis allerlei verwijzingen staan naar andere teksten van Matteus. Die teksten zijn nodig om deze gelijkenis te kunnen verstaan. Daarom noem ik er een paar.

Aan het begin van het evangelie van Matteus spreekt Jezus de mensen toe met een toespraak die de Bergrede wordt genoemd. Aan het eind van die Bergrede (Matt 7:21-23) wijst Jezus erop dat er een verschil is tussen God aanroepen met ‘Heer, Heer’ en allerlei dingen doen in Gods naam, en het daadwerkelijk op God gericht zijn en doen wat God wil.

Vervolgens legt Jezus uit wat wijsheid is en wat dwaasheid is. Iemand die luistert naar de woorden van God én ernaar handelt, is als een wijs man die zijn huis op een rots bouwt, bij storm stort het niet in. Wie de woorden van God hoort maar er niet naar handelt, is als een dwaas man die zijn huis bouwt op zand, als een storm opsteekt, stort het in. (Matt 7: 24-27) 

Het komt er dus op aan te luisteren naar het Woord van God en de wil van God te doen.

Maar wat is dan de wil van God doen?

Daarover zal Matteüs vlak na deze gelijkenis uitgebreid vertellen. (Matt 25:40) Het komt hier op neer: Gods wil doen dat is de hongerigen voeden, de dorstigen te drinken geven, de vreemdelingen gastvrij ontvangen, de naakten kleden, de zieken bezoeken, de gevangen opzoeken. Want, zo zegt God: ‘Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” (Matt 25:40)


De wil van God doen, is dus ieder mens tegemoet treden als was het God zelf en dienstbaar zijn aan ieder mens in nood om zo van God te getuigen.

3. Terug naar de meisjes en hun olielampjes. Vijf gaan er op weg zonder toewijding aan het licht. Zij zijn wel gericht op de bruidegom maar niet op hun taak om die bruidegom uit te lichten.

Zij hebben niet rekening gehouden met een ander scenario, dat de bruidegom later komt. En als de bruidegom komt en ze te laat zijn met hun olie, vinden ze de deur tot het feest dicht. ‘Heer, heer, laat ons binnen’, roepen ze. Maar net zoals aan het einde van de Bergrede is God aanroepen alleen, niet genoeg. ‘Ik ken jullie werkelijk niet’, zegt de bruidegom. Misschien moet je zeggen ‘zo wil ik jullie niet kennen, of: zo zijn we niet getrouwd’. Op het moment dat zij de bruidegom konden ontvangen met hun licht, stonden zij niet klaar. 

De vijf wijze meisjes zijn wel toegewijd aan het licht. Zij kunnen hun olie dan ook niet delen, want dan blijft hun lamp niet branden om de Heer ontvangen. De olie die de wijze meisjes hebben  meegenomen is het woord van God en hun bereidheid om op het aangewezen moment het licht van God te laten schijnen, met goede daden zijn zij present wanneer het nodig is.

4. Het koninkrijk van de hemel laat zich vergelijken met deze wijze meisjes en daarom staat ons dit te doen:

Blijf waakzaam en gericht op de woorden van God,

houd je bezig met het werken aan gerechtigheid,

richt je daarop bij ieder die je ontmoet, wie weet is het God zelf.

Denk niet dat je nog wel tijd hebt, dat is dwaas, God verwachten gaat door alle tijden heen.

De hongerige voeden en de dorstige te drinken geven, dat kan niet wachten.

Zo bezien, past deze tekst bij vandaag, bij onze inzameling voor de voedselbank.

Ons voedsel kunnen we delen, moeten we delen, dat kan niet wachten.

Hoe dat getuigt van onze liefde voor God, dat is aan ieder van ons persoonlijk om zichtbaar te maken.   

5. Nog even over die dichte deur. Dat is natuurlijk niet het einde van het hele verhaal.

Jezus vertelt het nu wel zo, maar hierna zal met zijn dood en opstanding blijken dat voor niemand de deur gesloten blijft. Opstanding is het openen van de deur, een nieuw begin voor iedereen.

Toch wil Jezus in deze gelijkenis ernst maken met de zaak. Het doet ertoe dat we gehoor geven aan God, dat we bereid zijn om God te ontmoeten in wie we tegenkomen.

Daarom ook dit motto: ‘Ontzag voor God is het begin van alle wijsheid’ (Spr 9:10)

God zoeken in alles wat we doen is wijs. Omdat je nooit weet wanneer je God zult ontmoeten en omdat wij altijd dragers kunnen zijn van het licht waarmee we God kunnen uitlichten. 

Amen. 

15 okt

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteüs 22: 1-14

 
Inleiding op de Schriftlezing
Toon Tellegen schreef een kinderboek met de titel ‘Is er dan niemand boos?’. Ik moest er bij de voorbereiding van deze dienst aan denken. Want de Schriftlezing gaat over een koning die boos is, woedend zelfs en het bruiloftsfeest dat hij geeft voor zijn zoon moet letterlijk met alle geweld doorgaan.
Met collega’s boog ik me vorige week over deze tekst met als grote vraag: hoe kun je over deze tekst nou preken? Wat heeft deze tekst ons te zeggen?
 
Het is de derde achtereenvolgende week waarin we een gelijkenis horen die Jezus vertelt vlak voor zijn dood. Alle drie de gelijkenissen gaan over het Koninkrijk van de Hemel en allemaal gaan ze over een vader en één of twee zonen. In de eerste gelijkenis waren er twee zonen waarbij de ene ‘nee’ zei toen zijn vader hem vroeg in de wijngaard te werken, maar hij deed het uiteindelijk wel en de andere zoon zei ‘ja’ maar deed ‘nee’. De tweede gelijkenis ging over een heer met een wijngaard waarbij uiteindelijk de zoon komt om de opbrengst van de wijngaard bij de pachters op te vragen. De pachters vermoorden de zoon. Vandaag horen we over een vader die een bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon, maar de genodigden willen niet komen en wie er uiteindelijk wel komen, zijn niet allemaal klaar voor het feest.
Jezus vertelt al deze drie gelijkenissen om de Schriftgeleerden te wijzen op hun kwalijke rol in hoe zij omgaan met God, met boodschappers van God en met dat Koninkrijk.
 
De Vader in de gelijkenis van vandaag, een koning, wordt woedend. En dat leidt tot moord en brand. Is die Vader, die koning, God? En is die woede voor ons te begrijpen?
 
Overweging
Gemeente van Jezus Christus,
 
Het verhaal doet alsof er een bruiloftsfeest is – krijgt u die indruk?
Er is aan het hele verhaal toch weinig feestelijks te merken.
 
De koning organiseert een bruiloftsfeest voor zijn zoon.
Maar het feest gaat niet van start. De genodigden komen niet, zelfs niet als ze horen wat er allemaal voor hen op tafel klaar staat en als er dan voor de gelegenheid mensen van buiten, van straat worden gehaald om het feest mee te vieren, dan wordt het niet beter. Eén mens is niet feestelijk gekleed, totaal niet in de feeststemming, zou je kunnen zeggen. En alhoewel het van één iemand wordt gezegd, kunnen we vermoeden dat ook alle andere mensen die van de straat zijn gehaald, niet op het feest zijn voorbereid.
Is er eigenlijk wel sprake van een feest, als niemand het mee komt vieren?
 
Dat valt op aan dit Bijbelverhaal, er blijft sprake van een feest.
De koning is er alles aan gelegen dat de bruiloft doorgaat.
En alles wat daaraan afbreuk doet, ruimt de koning uit de weg.
Nogal expliciet ook, met moord en brand…
 
Is dat het dan allemaal waard?
 
2. Een bruiloft is in het Oude Testament een symbool voor het verbond van God met
het volk Israël. In het Nieuwe Testament krijgt dat verbond een aanvulling. Daar lezen we bij de evangelist Johannes over de bruiloft te Kana waarbij Jezus het feest redt, dat in het water dreigt te vallen doordat de wijn opraakt. Jezus zorgt voor nieuwe wijn. Jezus speelt dus een belangrijke rol in het doorgaan van dat bruiloftsfeest, of beter gezegd in dat verbond van God met mensen.
In het evangelie van Matteus stellen de Schriftgeleerden en oudsten van het volk de positie van Jezus ter discussie. Daarop wijst Jezus met deze gelijkenissen hen zelf
terecht. Zijn zij zelf eigenlijk wel bezig met het gehoor geven aan de roep van God om te werken aan het Koninkrijk van de Hemel, aan dat verbond van God en mensen? Of zijn zij met heel andere dingen bezig, hun eigen dingen, hun reputatie, hun bezit, en komen ze dus niet opdagen bij het feest?
Alle dingen zijn gereed voor het feest, de maaltijd is bereid, je kunt zo aanschuiven en toch doet niemand dat. En als later zomaar mensen van de straat worden uitgenodigd, ongeacht wie ze zijn, dan blijkt ook onder hen dat mensen het feest niet serieus nemen.
Je zou kunnen zeggen als ook buiten de eerste kring van gelovigen er mensen betrokken worden bij God, wil dat niet automatisch zeggen dat zij het beter doen en wél een juiste houding weten aan te nemen.
 
Eén wordt er uit gepikt, tegen hem zegt de koning: “Vriend, hoe ben je hier binnengekomen terwijl je niet eens een bruiloftskleed aanhebt?”. We weten hoe het gekomen is, hij is zo van de straat gehaald. Toch moet hij ervoor boeten, wordt deze met handen en voeten gebonden en uitgeworpen. Waarom wordt hij zo zwaar gestraft?
Volgens sommigen kun je Jezus in deze figuur herkennen…
 
3. Ik heb het al gezegd, dit verhaal te bepreken is niet eenvoudig. Waar is het aanhaakpunt tussen deze gelijkenis en wie wij zijn? Moeten wij ons herkennen in degenen die wel geroepen worden, maar geen gehoor geven aan God omdat we met andere dingen bezig zijn? Zijn wij degenen die wel gehoor geven maar uiteindelijk te weinig werk maken van ons feesttenue en dus onvoorbereid zijn voor de ontmoeting met God? Zijn wij degenen die wel geroepen zijn maar niet uitverkoren?
 
Bij al deze vragen is de grote vraag – is die koning zoals God? Hebben wij God te vrezen als één die moordt en afbrandt en mensen werpt in de diepste duisternis? Zo’n godsbeeld is nogal wat. Daar kunnen we het beter over hebben in een gesprek dan in een preek, lijkt mij.
 
Voor vandaag zoek ik het punt van vergelijking in de woede van deze koning om al wie het doorgaan van het feest in de weg staan.
Ik wil het verbinden met de wereld vandaag en hoe daarin zoveel niet goed komt, kinderen sterven, volken worden uitgemoord, zoveel geweld maar eindeloos doorgaat.
 
Op zoveel manieren kan dat verbond tussen God en mensen vorm krijgen, dat Koninkrijk van de Hemel: in de zorg van mensen voor elkaar, in het uitspreken van dankbaarheid, in het vertrouwen hebben op de plek die er voor ieder kan zijn op deze wereld.
Alles is gereed voor een feest: waarom gaat dat feest dan toch niet van start?
Waarom zet niet iedereen zich in voor het zoeken van wat goed is voor allen?
Waarom krijgt het eigen belang voorrang op wat ons met anderen verbindt?
Waarom kost het ook ons moeite om te geloven dat wij onmisbaar zijn bij dit feest?
Dat is toch om boos van te worden?
 
4. De koning is woedend en één gast krijgt het zwaar te verduren.
Kan het verhaal zo aflopen? Is dit echt het einde van de gelijkenis?
De Bijbel is geen geweldloos boek, dat weten we, maar dit lijkt toch wel al te gortig om zo uit Jezus’ mond te horen.
 
‘Nee, zo mag het niet aflopen’ zou ik willen zeggen.
Dit verhaal schreeuwt om opstand. Om opstanding, van die ene, van allemaal. Om opnieuw beginnen: ‘Laat iedereen alsjeblieft gaan doen waartoe die geroepen is en komen naar dat feest! God schept ruimte voor mensen om het goede leven te genieten. Wat houdt ons dan toch tegen?’.
 
5. Als we de woede van de koning zien als woede van God om alles wat het verbond
tussen God en mensen verstoort, dan is die woede van God een voorbeeld voor ons.
Dan zullen ook wij onze woede en verontwaardiging om alles wat in deze wereld zo vernietigend is voor mensen en onterend voor God, moeten inzetten op dat wat door moét gaan: dat feest, dat verbond van God met mensen.
God denkt niet aan afgelasten.
 
Velen zijn geroepen, maar weinigen voelen zich geroepen om in te stemmen met de woede van God – om te zeggen: zo gaat het niet langer mensen – kom en ga naar dit feest, bekleed je met rechtvaardigheid, doe goede dingen en doe ze met vreugde.
 
Er is dus een bruiloftsfeest waarvoor u bent uitgenodigd, dat u het weet.
Amen.

1 okt

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Psalm 25; Mattheüs 21: 23-32

(Belijdenisdienst Gijs-Bert Vervoorn)

Inleiding op de Schriftlezing
We lezen vandaag uit het Mattheusevangelie over Jezus die in de tempel in Jeruzalem de mensen uitleg geeft over God. Dit is vlak na Jezus’ intocht in Jeruzalem het verhaal van Palmpasen. In de tempel spreken priesters en leiders van het volk Jezus aan en vragen hem met welk gezag hij de dingen doet die Hij doet. Wie heeft hem dat recht gegeven?

Jezus weet dat deze priesters en leiders van het volk niet erop uit zijn om van Jezus te leren, ze willen hem enkel blokkeren. Hun vraag beantwoordt Jezus dan ook met een wedervraag over Johannes de Doper, zijn voorganger. Iemand die met dezelfde oproep tot bekering naar mensen toekwam als Jezus. Iemand die ook de weg ging van God. Jezus vraagt hen: ‘Wie gaf Johannes zijn gezag?’ De leiders van het volk en de priesters beantwoorden uit tactische overwegingen deze vraag van Jezus niet.
 
Dan vervolgt Jezus met een verhaal, een gelijkenis over een vader met twee zonen. Want Jezus heeft nog wel wat te zeggen over wat het betekent met gezag te spreken. Dat heeft namelijk ook alles te maken met wat je doet. En daar schort het bij deze leiders van het volk nogal aan. 

Zij zeggen het wel, maar doen uiteindelijk niet wat God wil. Hun woorden zijn leeg want ze leven er niet naar. Zij bekeren zich niet tot de goede weg.
En die goede weg gaan, daar gaat het om. De weg van recht doen en je steeds weer willen keren naar God.
 
De psalm van deze zondag, psalm 25, zingen wij vandaag met de woorden ‘Houd mij in leven, wees Gij mijn redding, steeds weer zoeken mijn ogen naar U’.
Het is een rode draad in de hele Bijbel (o.a. Ezechiel 18:32) dat God wil dat mensen leven. Daarom moeten mensen zich bekeren tot God. Wij moeten God zoeken. Want God wijst ons een weg van recht doen aan elkaar, van leven als bevrijde mensen.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
‘Wie heeft de wil van de vader gedaan?’. Dát is de vraag vandaag.
 
Deze vraag stelt Jezus bij de gelijkenis van de vader met twee zonen. Maar deze vraag kun je ook stellen bij het gezag waarmee Jezus en Johannes zich tot de mensen richten en het gezag waarmee de priesters en leiders van het volk zich tot de mensen richten. Wie heeft de wil van de God de Vader gedaan?
 
Het antwoord is: diegene die is gaan werken in de wijngaard. Diegene door wie mensen daadwerkelijk tot inkeer komen en een ander leven gaan leiden, waarin zij tot hun recht komen.
 
Dat tot inkeer komen, ‘spijt krijgen’ zegt de Bijbel in Gewone Taal, daar begint en eindigt Jezus zijn vertelling van de gelijkenis mee.
De zoon die ‘nee’ zei tegen zijn vader krijgt later spijt, hij komt tot inkeer, maar de priesters en de leiders van het volk komen niet tot inkeer. Zelfs niet als ze voor hun ogen zien gebeuren dat mensen zich door iemand als Johannes gaan toewijden aan God. Zij willen er niet aan dat Johannes van God gezonden is. Ze houden halsstarrig vast aan hun eigen meerdere positie. Zelfs als hoeren en tollenaars zich bekeren en door Johannes laten dopen, willen ze van Johannes niets weten. Net zoals ze ook van Jezus niets willen weten.
En je kunt dus zeggen dat ze van de Vader niets willen weten.
Ze belijden met hun mond het gezag van God, maar ze zijn tot omkeren niet bereid.
 
Dat omkeren staat heel centraal in wat Jezus de mensen leert over God. Tot inkeer komen, daarmee begint leven met God.
Het is je aan laten spreken op wat jij kunt bijdragen aan het goede leven. Het is bereid zijn om bij nader inzien een andere weg te gaan dan je zelf voor ogen had.
 
De leiders van het volk laten zich niet raken door wat er om hen heen gebeurt aan bekering. Zo laat de tweede zoon zich ook niet werkelijk raken door de vraag van zijn vader – hij zegt achteloos ‘ja’. De eerste zoon zegt ‘nee’, maar het belang van de vraag van zijn vader dringt daarna tot hem door. En hij komt tot inzicht.
 
Van een Rabbi Boenam is de uitspraak: ‘De grote schuld van de mens is niet de zonde die hij begaat, maar dat hij zich ieder moment kan omkeren en het niet doet’.
 
Geloven is een weg waarop je moet willen blijven bewegen. Waarop je steeds je ogen wilt richten op wat van God komt, en wat mensen bevrijding brengt.
Want dat is de weg die Johannes en Jezus de mensen wijzen: de weg van de wet die bedoeld is om mensen het leven mogelijk te maken. De wet die God aan zij volk gaf om nooit meer slaaf te zijn zoals in Egypte, om nooit meer onder druk te leven van valse machten, om vrij te zijn van angst. 
 
De leiders van het volk en de priesters zijn bang hun gezag te verliezen door wat Jezus doet. En terecht, want Jezus leert de mensen niet langer uit angst te leven voor wie de macht hebben, maar uit vertrouwen op de mens die zij kunnen zijn.
Maar met hun vraag naar het gezag dat Jezus heeft, vallen ze wel zelf door de mand, want ze zijn er getuige van geweest dat mensen door Jezus opstaan en weer leven gaan, hoeveel meer bewijs van Gods betrokkenheid is er dan nog nodig? 
 
Het is duidelijk dat Jezus met deze gelijkenis de leiders van het volk en de hogepriesters niet alleen met hun verkeerde idee van gezag wil confronteren, maar ook oproept om zich te bekeren. De wet is er niet om gedachteloos ja op te zeggen, maar om vanuit te leven.
 
2. Toch is ook dat makkelijker gezegd, dan gedaan.
Die twee zonen, dat zijn ook twee manieren van leven die we kunnen herkennen in onszelf.
‘Ja’ zeggen en ‘nee’ doen – dat is misschien wel dagelijkse kost, ik herken het in ieder geval zelf wel. Een voornemen, een plan, een belofte aan een ander, aan God of aan onszelf: het komt er niet van want: vergeten, te druk, even geen prioriteit, kan later ook nog enzovoort.
‘Nee’ zeggen en ‘ja’ doen, ik weet niet hoe vaak ons dat overkomt. Dat we iets afhouden, niet van plan zijn of niet zien zitten en dan tot het inzicht komen of voelen: maar dat is wel wat ik moet doen, waartoe ik geroepen ben, of waar ik moet zijn.
 
Dát ja doen, is levensbepalend, want het komt voort uit een overweging van binnen.
Leef zo, houd Jezus de mensen voor.
Leef met de bereidheid om je telkens weer op de juiste weg te laten wijzen.
 
3. Vandaag doet Gijs-Bert belijdenis van zijn geloof in ons midden. En daarmee worden wij allemaal bepaald bij het geloof waaruit wij leven.
Hoe zit het met ons ja zeggen en ons ja doen en met ons nee zeggen en nee doen? Is dat in beweging, of staat dat vast?
Is er ruimte om op nieuwe wegen te komen, als we in ons hart voelen: dit is goed, dit is God wat hier gebeurt?
En geven we ons dan ook aan die weg, zetten we ons in voor de weg van bevrijding als zich daar ook mensen op begeven op wie wij neerkijken?
 
‘Ik ben er nog lang niet’, hoorde ik iemand deze week verzuchten toen het ging om het zoeken naar leven met geloof.
Gelukkig maar, mag je op grond van de tekst van vandaag zeggen. Want wie denkt er te zijn, staat misschien wel stil. Maar wie weet dat het mogelijk is meer te vertrouwen op God, meer te groeien in geloof, die is tot omkeren bereid. En daar begint geloven mee, met steeds weer te zoeken naar God. Amen.

17 sept

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 17: 11-19


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we volgens het Luthers Leesrooster een gedeelte uit het evangelie van  Lucas over de genezing van 10 melaatsen. Deze melaatsen dragen de last van hun ziekte, maar meer nog dragen zij de last van het uitgesloten worden van de maatschappij, iets wat mensen die ziek zijn ook in deze tijd overkomt.
De tien melaatsen doen een beroep op Jezus, ze roepen ‘ontferm u over ons’.
Het is als het kyriegebed zoals wij dat ook uitspreken aan het begin van de dienst ‘Heer ontferm u’. Bij dat kyrie hoort ook een gloria, een lofzegging aan God.
Alleen komt in het verhaal maar één van de tien, een Samaritaan nog wel, een buitenlander, met een lofzegging bij Jezus terug.
 
Waarom hij wel en de rest niet, dat is de vraag. Vandaag zal ik bij wijze van overweging een ‘goed verhaal’ houden, waarbij ik vanuit het oogpunt van de Samaritaan wil spreken over wat er is gebeurd.
 
Lezing Lucas 17: 11-19
Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan huidvraat leden; ze bleven op een afstand staan. Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’ Toen hij hen zag, zei hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’ Terwijl ze gingen werden ze gereinigd.
Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem. Hij viel neer aan Jezus’ voeten om hem te danken. Het was een Samaritaan. Toen zei Jezus: ‘Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen? Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?’ Hij zei tegen de Samaritaan: ‘Sta op en ga. Uw geloof heeft u gered.’
 

Een goed verhaal

 
Voor mij geen zware last meer.
Ik ben de Samaritaan uit het verhaal. Samaritaan dat is niet hoe ik heet, dat is hoe ze me noemen. Ze noemen me ook wel buitenlander, of randfiguur, of ze noemen me helemaal niet en zeggen alleen maar ‘lazer op’.
(Ik heet overigens Tom, maar dit terzijde.)
 
Iedereen vraagt mij: waar zijn de andere negen gebleven? Maar ik weet dat niet. We gingen allemaal onze eigen weg. Altijd al, maar door onze ziekte dachten mensen dat we wel bij elkaar zouden horen. Alsof ziekzijn verbroedert. Nou nee, het was ieder voor zich.    
Ik kan dus alleen maar voor mijzelf spreken en vertellen wat er is gebeurd met mij.
 
Vooraf moet ik dit zeggen: bij alle uitsluiting in mijn leven, als vreemdeling en als melaatse heb ik altijd geweten: het zijn de mensen die het mij aandoen. God wil dit niet. Daar hield ik mij aan vast.
En toen kwam Hij, Jezus, naar ons dorp.
Ik kon hem natuurlijk niet gaan vasthouden, ik bleef op afstand zoals dat moet als je melaats bent, maar ik riep wel heel hard met de anderen mee en hoopte dat hij mij zou zien. Dat was het enige wat ik wenste. Dat iemand mij zou zien staan.
 
En dan gebeurt dit:
 
Ik zie dat Hij mij ziet. En dus ga ik waar hij zegt dat wij moeten gaan, naar de priester om ons rein te laten verklaren. Het lijkt alsof we op de zaken vooruit lopen. Maar zo is het niet - gaandeweg voel ik al: dit is een nieuwe weg!
Er valt een last van mijn schouders, ik zie dat ik rein ben en ik voel me genezen.
 
Halleluja - ik ben helemaal in de gloria en wil maar één ding. Terug naar Jezus!
Gek hé, ik heb altijd gedacht dat ik terug zou willen naar huis, naar mijn familie, naar mijn werk. Maar dat hoeft ineens niet meer.
 
Ik voel me dankbaar, zo dankbaar en daar kan ik maar één kant mee op: naar God.
 
Dus ja, daarom ben ik teruggekomen. Om Hem te bedanken.
Waarom de anderen dat niet doen, weet ik niet.
Maar voor mij klopt het anders niet.
Als je naar God toe gaat in je nood, dan toch ook als je gezond bent?
 
Vroeger moest ik afstand houden, maar nu wil ik dichtbij hem zijn, aan z’n voeten liggen.
Ik hoor ze wel hoor, de mensen die vinden dat ik me niet zo nederig moet opstellen, die zeggen dat dit juist de kans is om helemaal mijn eigen weg te gaan, dat ik nu van niets en niemand meer afhankelijk ben.
Maar zo voelt het juist niet. Ik voel me afhankelijker dan ooit, of ik kan beter zeggen: meer verbonden dan ooit met God.
En daar ben ik dankbaar voor. Ik wil helemaal niet op mijzelf staan. Als ik iets heb geleerd dan is het dat je andere mensen nodig hebt in dit leven, mensen die je bemoedigen en zien staan!
En ik heb het nodig om God te danken. Om te erkennen: echt leven begint niet bij genezing maar bij geloof en vertrouwen. Mijn leven begint niet bij wat ík nodig heb, maar bij wie we voor elkaar kunnen zijn.
 
Kyrie en gloria horen voor mij bij elkaar.
Net als u en ik.
Ja ik weet het, ik ben een vreemdeling en u bent heel gewoon.
Maar dat is het hem nou juist! Iedereen is wel ergens vreemd of een buitenlander. En dan ontdek je pas dat je mensen nodig hebt die je zien staan.
Ziet u mij staan?
 
Dat is mijn verhaal.
Geen dank, graag gedaan.

10 sept

Ds. H.F. Meulink

Psalm 119:33-40; Lucas 10:25-37


Gemeente van Jezus Christus,
geliefde mensen van God,

Als je op de Nieuwe Herengracht tussen de gebouwen van de Protestantse Diaconie, onze diaconie, de Hoftuin inloopt kun je daar in de muur de beeltenis  zien, die op uw liturgie staat. Het is een verbeelding van de barmhartige Samaritaan. Die is daar ingemetseld als  symbool voor waar onze diaconie zich toe geroepen weet: “helpen waar geen helper is”. Het is indrukwekkend hoe onze diaconie daar op vele manieren concreet gestalte aan geeft.
Ook voor de ingang van het Sint Lucas-Andreasziekenhuis (nu OLVG-West) staat een beeld van de barmhartige Samaritaan.  Daarmee wil het ziekenhuis zeggen: onze motivatie voor de zorg voor zieken vinden wij in die gelijkenis van Jezus.
Deze voorbeelden maken duidelijk: de oproep die Jezus doet de Samaritaan in zijn barmhartig handelen te volgen, is en wordt verstaan. Het heeft zijn uitwerking gehad in het belang dat wij als christenen hechten aan omzien naar en zorg voor mensen die kwetsbaar zijn. En dan niet alleen op een georganiseerde manier via onze diaconie, in onze samenleving, maar ook in al die persoonlijke aandacht voor en zorg aan elkaar. Ook hier in en vanuit onze gemeente.
Breder mag je zeggen: de verzorgingsstaat zoals wij die in ons land kennen is – laten we dat niet vergeten -  niet los te zien van de oproep die Jezus doet, ook de verantwoordelijkheid die op allerlei wijze wordt getoond voor mensen in nood in onze wereld.
Ja, de oproep van Jezus is en wordt verstaan, in onze samenleving, door ons persoonlijk. Daarom is het niet nodig deze preek een al gauw te moralistische oproep tot zorg voor elkaar te laten zijn. Dat weten we wel, dat doen we ook. Dat bevestigen we met het zingen van Lied 973. Hoewel, dat doen we ook…. niet altijd Dat weten we ook, dat vertelt het Bijbelverhaal. Daarom is het goed toch nog eens bij bepaalde elementen in het verhaal stil te staan.
Wie is mijn naaste? Dat is de vraag die de wetgeleerde aan Jezus stelt. Hij is het met Jezus eens dat het grootste en belangrijkste gebod is:  God liefhebben en daarmee onverbrekelijk je naaste als jezelf. Maar wie is dan mijn naaste, vraagt de wetgeleerde? Een goede vraag, lijkt het, ik denk ook een vraag die wij ons wel eens stellen. Jezus beantwoordt die vraag met het vertellen van het verhaal over het slachtoffer van een roofoverval en van wie hij dan wel en geen hulp krijgt. Dan stelt Jezus een wedervraag. Maar dan blijkt dat Hij de vraag van de wetgeleerde op een wezenlijk punt verandert, omdraait. Hij vraagt: “wie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”  Dat is het cruciale punt in deze evangelielezing. De vraag van de wetgeleerde nam zijn vertrekpunt bij hemzelf: wie moet ìk als mijn naaste zien. Maar Jezus vraagt om anders te denken: wie heeft die kwetsbare ander als naaste ervaren?  Dat is een heel andere vraag. En dan wordt het spannend. Dan wordt de vraag, ook aan ons, een dubbele vraag: worden wij door anderen als naasten ervaren? En: wie ervaren wij als naasten? De schrijver van het kinderlied dat we zongen heeft deze omdraaiing goed begrepen. Hij liet ons zingen: Toen ik naar mijn naaste zocht, waar was jij?     

Voor iedereen is het duidelijk:  in de gelijkenis ervaart het slachtoffer de man die hem barmhartigheid toonde, daadwerkelijk hielp, als naaste. Als wij ons in het slachtoffer verplaatsen, dan begrijpen we dat maar al te goed. Ook daarin dat het wel eens verrassend kan zijn wie zich je naaste toont. Dat hoeft niet zomaar iemand uit je nabijheid te zijn, of van je eigen geloofsgemeenschap, dan kan wel eens een ander zijn die jou eerst vreemd was, van wie je het niet verwachtte, op wie jij misschien wel neerkeek, zoals Israelieten op Samaritanen deden, zo´n hardrijdende jongen op een scooter uit het kinderverhaal. We zeggen wel: in nood leer je je vrienden kennen. Soms word je teleurgesteld, soms verrast van wie je hulp ervaart, wie zich als je naaste doet kennen.
Duidelijk is ook: de priester en de leviet worden door de beroofde man niet als naaste ervaren. Er is vaak de neiging schamper over hen te spreken. Waarom zien zij wel het slachtoffer, maar lopen zij met een boog om hem heen? Waarom tonen zij zich onverschillig tegenover een mens in nood? Dat was toch verkeerd en dat had je toch zeker van leiders van een geloofsgemeenschap niet verwacht.
Wat mij opviel bij het opnieuw lezen van het verhaal is dat Jezus geen oordeel over hen uitspreekt. Dat vraagt ons voorzichtig te zijn met ons oordeel. Evenmin noemt Jezus een motief voor hun handelen. Die openheid stimuleert stil te staan bij de vraag: welke motieven kunnen er zijn, welke motieven kunnen ook wij hebben om een ander die een beroep op je doet niet te helpen, geen naaste te worden? Want laten we eerlijk zijn: ook wij kunnen mensen op onze weg treffen die het niet goed maken en dan toch verdergaan. Nee, wij zijn niet altijd daadwerkelijk naaste voor anderen. We zijn niet als Jezus die zich in zijn leven als die barmhartige Samaritaan laat kennen. Wij gaan lang niet altijd in op het beroep dat op ons wordt gedaan, wenden ons gezicht af, lopen voorbij. Zo is het toch? Waarom doen we dat?

Er is een interessant onderzoek in Amerika gedaan. Daarbij werd aan theologiestudenten gevraagd een preek te schrijven over de barmhartige Samaritaan. Als de studenten klaar waren met hun voorbereiding, zou de preek gefilmd worden in een ander gebouw op het terrein van  de universiteit. Op de weg daarheen treffen zij een man aan die in elkaar zakt en hulp nodig heeft.  Dat is in scene gezet. Wanneer de theologiestudenten alle tijd kregen om naar het andere gebouw te lopen, hielpen zij de man bijna allemaal. Maar wanneer de onderzoekers ervoor zorgden dat de studenten te laat vertrokken, hielp een derde van de studenten de man niet. Maar nu komt het. Wanneer de docent de studenten aanspoorde zo snel mogelijk naar het andere gebouw te gaan omdat er geen tijd te verliezen was, bleek nog maar 10% de man te helpen. Van de theologiestudenten die gingen preken over hulpvaardigheid liet als zij haast hadden dus 90 % de man links liggen. Sommige studenten stapten zelfs over hem heen.  Dat onderzoek houdt ons een spiegel voor. Als wij haast hebben, als we op weg zijn naar een voor ons gevoel belangrijke verplichting, kunnen we blijkbaar wegzien van concrete hulp die van ons op dat moment gevraagd wordt.  Dat stelt vragen bij de tijd- en prestatiedruk in onze samenleving. Zijn we niet te gehaast, maken we ons niet te druk, willen we niet te veel, zouden we niet moeten onthaasten  om dan  meer onze ogen, oren en hart open te kunnen stellen voor elkaar?

Martin Luther King, juist hij die zich zo inzette voor anderen, heeft nog een andere gedachte waarom wij voorbijgaan aan de ander die een beroep op ons doet, we ons onverschillig lijken te tonen. Hij zegt: misschien is het wel angst wat mensen weerhoudt.  Ik denk dat we daarin ook iets kunnen herkennen. Angst voor wie ons vreemd is. Angst voor het beroep dat op ons wordt gedaan. Een beroep dat misschien wel veel verder gaat dan het eerst lijkt. Komt van het een niet het ander? Angst voor wat we als ons onvermogen ervaren, dat we ons machteloos zouden kunnen vinden. Het is een goede vraag aan ons: speelt zo´n angst bij ons mee als wij ons niet als naaste tonen? En in hoeverre is die altijd terecht? Ik word in ieder geval geraakt door mensen die blijkbaar die angst niet of minder kennen, die niet of minder de neiging hebben met een boog om een mens die het blijkbaar niet goed gaat heen te lopen, die niet afwerend  reageren als een hen vreemde om hulp vraagt, die minder gauw redenen zoeken om iemand die hen om geld vraagt af te weren, die minder angst tonen voor de situatie waarin zij terecht kunnen komen als ze ingaan op een vraag om hulp, die zich in mijn beleving als een barmhartige Samaritaan tonen. En zo naaste worden. Deze mensen stellen mij, ons de vraag: hoe gaan wij om met onze angst, afweer? Hoe vermijden we onverschilligheid?

Maar tegelijk is de vraag of het altijd onverschilligheid is bij ons als we niet op een vraag om hulp ingaan. Er kunnen wel degelijk goede redenen zijn onder druk van tijd en verplichtingen niet te helpen. Ons leven is in zoverre ingewikkeld dat we verschillende verantwoordelijkheden kennen. Er is niet alleen die ene die een beroep op ons doet, er is ook altijd een derde. Die telt ook mee, die kunnen we niet in de steek laten. In al die verantwoordelijkheden is het niet mogelijk aan ieder beroep dat op ons wordt gedaan te voldoen. Dat kan ons voor een dilemma stellen. Dat moeten we misschien wel kiezen, dat zullen we moeten accepteren. Van een ander kunnen we ook niet verwachten dat die ons altijd helpt. Het vraagt om prioriteiten te stellen. De vraag blijft dan wel: welke prioriteiten stellen we. De consequentie is dan wel: als we mensen voorbijlopen zullen die ons niet als naaste ervaren. Maar we kunnen, mogen, hoeven van onszelf ook niet te verwachten dat we dat altijd zijn.

Direct na de evangelielezing van de barmhartige Samaritaan volgt het verhaal van het bezoek van Jezus aan het huis van Martha en Maria. Opvallend daarin vind ik, dat Jezus de zo zorgzame Martha terechtwijst en haar Maria die voor een moment van bezinning kiest ten voorbeeld stelt. Ik leg dat zo uit, dat Jezus niet verwacht dat we altijd maar bezig zijn voor anderen te zorgen, dat we onszelf daarin niet voorbij moeten lopen, dat we ook tijd voor onszelf, voor verdieping, voor bezinning mogen nemen. Zoals we met elkaar in deze dienst doen. Al blijft ook dan de vraag: zijn we bereid ons te laten storen door wie een beroep op ons doen?  
Want wat met deze nuances blijft staan is het antwoord dat Jezus geeft op de eerste vraag die de wetgeleerde stelt: “wat moet ik doen om het eeuwig leven te bereiken?” Hij lijkt daar mee te bedoelen, dat het hem goed gaat, in dit leven en na zijn dood. Jezus maakt ons duidelijk dat het er in het leven niet om gaat ons persoonlijk heil te zoeken, maar dat de zin van ons leven is zorg te dragen voor elkaar, voor de kwetsbare ander die op onze weg komt. Daartoe worden we geroepen. En als we zo leven, doet het ons ook goed, ervaren we dat het betekenis aan ons leven geeft.  

In het wat mij betreft prachtige lied van Jan Willem Schulte Nordholt dat we zo zullen zingen (lied 561) worden allerlei elementen bij elkaar gebracht: onze eigen nood, de ellende van anderen, hoe Jezus zelf de man in nood wordt, wat wij nodig hebben, wat wij kunnen doen. Het lied verandert de oproep die Jezus in en gebed. Het eindigt zo:
O liefde uit de eeuwigheid
die met ons mens geworden zijt,
wij bidden, laat ons niet alleen
in al het duister om ons heen,
opdat ook wij o Heer U niet
verlaten in uw diep verdriet
maar bij U zijn in al de pijn
waarmee de mensen mensen zijn.

Amen.