22 april

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Genesis 4: 1-16

 
Inleiding op de Schriftlezing
In deze tijd van Pasen tot Pinksteren lezen we uit het Bijbelhoek Genesis over het ontstaan van de aarde, de mens en zijn medemens.

Vorige week hoorden we Genesis 3 over de mens en zijn vrouw die in de tuin voor een keuze komen te staan: leven ze in vertrouwen op God en verbonden met elkaar, of laten ze zich leiden door de wijsheid van de slang die uitgaat van de strijd om het bestaan, het ‘redt u zelve’, het ikke ikke ikke en de rest kan stikken. De mens en zijn vrouw volgen de wijsheid van de slang en houden zich niet aan wat God hen gebood. Ze verliezen de vrijheid die zij hadden in de tuin. Buiten de tuin moeten zij leven, als kwetsbare mensen.

Vandaag gaat het verhaal verder met de zonen van deze mens Adam en zijn vrouw Eva. Maar eigenlijk is het niet het verhaal van twee zonen. Het is het verhaal van de oudste zoon, Kain, ‘geschonken leven’ is zijn naam, die een broertje heeft, Abel, waar het amper over gaat. Dat broertje zegt niets, z’n naam betekent ‘dampje, ijle lucht’, hij stelt niet veel voor. Maar daar denkt God anders over. God heeft aandacht voor dat kwetsbare leven, en dat is iets wat Kain niet kan aanzien.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
We zongen:    ‘Het bloed van Abel roept nog steeds tot ons geweten.
Wie ’t zingend overstemt is Kains deelgenoot’. (lied 272)
U snapt waarom ik dit lied koos om te zingen, maar wat een tekst! In twee zinnen worden we medeplichtig gemaakt aan het verhaal van vandaag. Het bloed van Abel roept tot ons geweten en zo niet, dan zijn wij als Kain.
 
Medeplichtig of niet, wij zijn sowieso als Kain. Want hij staat symbool voor de mens. Er is in dit verhaal geen keuze om je als Kain of als Abel te voelen. Het verhaal gaat met Kain mee en de uitdaging aan ons als lezer is om ons te identificeren met de dader en zo te leren hoe we op aarde moeten leven, te ontdekken dat het van levensbelang is hoe we samen leven met een ander.
 
Toen Adam nog alleen was, zag God dat het niet goed was, de schepping, en maakte voor de mens een tegenover, een helper. En Adam zag iemand net als hij, zijn eigen gebeente, zijn eigen vlees, en noemde haar ‘vrouw’.
Kain heeft ook een tegenover, iemand net als hij, het is zijn broer Abel, maar Kain ziet hem niet. Lucht is zijn broer voor hem. God ziet Abel wel.
 
Als Kain en Abel beiden een offer brengen aan God, dan heeft God alleen oog voor het offer van Abel.
Is dat gemeen van God, of juist logisch? Mag het dat God kijkt naar de jongste?
Er is wel gesuggereerd dat het offer van Abel beter was, meer recht uit het hart, vromer of zoiets. Maar dat staat hier allemaal niet. Dit staat er: God heeft alleen oog voor het offer van Abel en Kain wordt woedend, zijn blik donker. Is hij jaloers? Voelt hij zich gepasseerd?
 
Wat het ook is: Kain heeft geen oog voor datgene, of diegene, waar God oog voor heeft, zijn broer. En Kain doet daarmee maar de helft van waar het bij God dienen op aankomt: hij brengt een offer aan God, maar negeert zijn naaste. Terwijl die twee nu juist bij elkaar horen!
Liefde voor God en voor de ander zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
 
Waarom wordt Kain zo boos? Dat vraagt God hardop. ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’
God spreekt Kain aan en houdt hem bij de les: kijkt uit dat je niet in de greep komt van je woede, van je haat, wat dan gaat het mis. Dan verlies je de ander uit het oog.
 Het gaat mis. Kain slaat zijn broer dood. Waarom? Dat blijkt als God vraagt: ‘Waar is Abel, je broer?’.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordt Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’
Een brutaal antwoord eigenlijk, als je weet wat Kain net heeft gedaan. Een verdraaiing ook van de vraag van God. God vraagt of Kain naar zijn broer wil omzien, Kain vraagt zich af of hij soms zijn leven in dienst moet stellen van zijn broer. Nee, of hij wil omzien naar zijn broer, dat is de vraag.
2. En dat was teveel gevraagd. Daar voelde Kain zich niet toe geroepen.
Die vraag ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ (NBV Moet ik soms waken over mijn broer?) past bij de wijsheid van de slang. In die wijsheid komt geen broeder voor. Die gaat uit van het idee dat je je broer niet nodig hebt, dat leven gaat om de strijd om het bestaan en hoe je daar zélf goed uitkomt, op jezelf.
Het is een andere wijsheid dan de leefregels van God waarbij mens zijn gaat om medemens zijn. Waarbij je broeder iemand is, een ‘jij die mij ik maakt’, zoals we zo zullen zingen.
 
De aandacht van God voor de nietige medemens, de kwetsbare broeder, het dampje, dat doet de mens met naam, Kain, tekort. Kain heeft zijn jaloezie en woede niet kunnen beteugelen.
De mens die in de weg staat van zijn eer, zijn leven, moet uit de weg geruimd. Dan staat hij tenminste volop in de aandacht. Of niet?
Nee, niet. Zonder broederschap, medemens, heb ook jij geen leven.
 
Wat volgt is dat Kain het veld moet ruimen. De aarde die hij bewerkte, die nu doordrenkt is met het bloed van zijn broer, moet hij verlaten.
Opnieuw heeft de mens verkeerd gekozen. Gekozen voor het ik, tegen God, tegen het wij. De mens die alles geboden krijgt om te leven, geeft macht aan het kwade. Aan de haat.
En daar heeft hij juist zelf het meeste van te vrezen. Kain vreest voor zijn leven, nu hij het land moet verlaten en gaat dwalen over de aarde. Maar God is zoals altijd op het leven gericht. Nu beschermt God hém. Kain krijgt een teken, opdat niemand hem zal doden. God laat hem dus niet zomaar gaan.
 
3. Terug naar het begin. God schiep de hemel en de aarde en zag dat het goed was, zeer goed. Hij schept de mens en een helper voor de mens. Alles is er om tot een samenleving te komen.
En dan gaat het mis. Verleiding, schaamte, jaloezie, woede, haat en doodslag.
Dit verhaal is het verhaal van de mens, toen en nu. Het is een verhaal dat ons wat wil leren over mens zijn.
En de kern is ‘Waar is Abel, je broer? Bij alles wat je doet in je leven én zeker wanneer je je richt op God gaat het erom oog te hebben voor de minste van de mensen, voor de ander ook als die niets voorstelt.
 
Als de blik van Kain donker wordt, spreekt God met Kain en schetst zijn keuzes. Hij kan zijn woede keren, door het goede te kiezen. Of hij volhardt in het kwade en laat zich daardoor leiden. ‘Jij moet sterker zijn dan die kwade neiging’, zegt God. Dat kán dus.
Maar waar Kain voor kiest, is dit: ‘Kain zegt tegen zijn broer Abel’... …  Kain zegt niets.
Als u de tekst erbij pakt kunt u zien dat in vs. 8 een stukje tekst tussen haken staat ‘Laten we het veld in gaan’. Deze tekst was er niet in de oorspronkelijke tekst, maar is later toegevoegd, omdat het logisch lijkt in het verhaal dat Kain dat zou hebben gezegd. Anders is er zo’n gek gat in de tekst.
 
Maar wat als dit nu precies is, waar het misgaat! Had Kain maar iets tegen zijn broer gezegd, hem aangekeken. Dan had hij de kans gehad hem te zien als zijn naaste, net als hij, hetzelfde gebeente, hetzelfde vlees. Geen lucht voor hem, maar herkenbaar aan zijn stem of zijn ogen als zijn eigen broer.
Niet door het offer of zijn jaloezie begaat Kain zijn moord, maar doordat hij de ander weigert te zien als broer, niet wil accepteren als medemens, die een beroep doet op zijn aandacht en zorg en bescherming.
Kain is niet sterker dan zijn woede en jaloezie.  
 
Kun je de ander blijven zien als mens, ook al ben je woedend, tot op het bot gekwetst?  
Kun je de woede stoppen zodat die niet overslaat en alles overheersend wordt?
Want als dat gebeurt, dat is te zien aan Kain, dan is er geen rust meer, geen veilige plek, dan ben je zelf opgejaagd wild, altijd op de vlucht. Dit kwaad straft zichzelf.
 
4. ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’, vraagt Kain. ‘Ja, je moet omzien naar je broer’, is het antwoord uit dit verhaal. Want als je niet omziet naar je broer, dan loopt het leven van de mens gevaar, dat van de ander en ook van jou. Alleen waar mensen naar elkaar omzien, goed doen aan elkaar, is er geen sprake van jij in strijd met mij, dan is in vrede samenleven mogelijk.
 
Is dit nu de moraal van het verhaal ‘doe goed aan de ander?’. Het ligt natuurlijk veel ingewikkelder dan dat, dat is wel duidelijk. Het verhaal stelt ons deze vraag: Wil jij, ook in je woede en jaloezie, ervoor kiezen het goede te doen en de ander aanzien als mens?

Amen

15 april

ds. Jantine Heuvelink

Lezing Genesis (2:25) 3: 1-14

 
Inleiding op de Schriftlezing
In deze tijd van Pasen tot Pinksteren stelt het leesrooster een alternatieve route voor met lezingen uit het Bijbelhoek Genesis. We zijn begonnen bij het scheppingsverhaal. In de Paasnacht lazen we Genesis 1 over de schepping in zes dagen en de zevende dag als rustdag en over God die zag dat het goed was. Op Paasmorgen hoorden we uit Genesis 2 dat God zag dat het niet goed was, niet goed dat de mens alleen is. God schept voor de mens een tegenover, een helper. En zo ontstaat samenleving, de medemenselijkheid.
God plaatst de mens in de tuin en zegt dan: (2: 16b-17) ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
 
Vandaag pakken we het verhaal op bij de laatste zin van Genesis 2 en lezen door in Genesis 3 en horen over hoe het verder gaat met de mens en zijn vrouw in de tuin.
 
Overweging
Van Nico ter Linden hoorde ik deze chassidische, Joodse, legende:
Er zat in Krakau een rabbijn gevangen omdat men hem staatsgevaarlijk achtte. De cipier die de rabbijn bewaakte was rationalist en vroeg aan de rabbijn: ‘Als jullie God alwetend is, waarom vroeg hij dan ‘Adam, waar ben je?’.
De rabbijn antwoordde: ‘God bedoelde dat anders dan jij denkt. Adam was toen 42 jaar. God vroeg dus eigenlijk: ‘jij bent nu 42 jaar, maar waar ben je in je leven?’.’
De cipier schrok. Hij was 42 jaar.
 
1. Mens waar ben je? Waar ben je mee bezig? Waar bevind je je op je levensweg?
 
De verhalen uit Genesis gaan over de mens die wij zijn.
Over wat misgaat in ons mens-zijn. Hoe dat komt.
 
Een conclusie die we uit het verhaal van de mens en zijn vrouw over God kunnen trekken, is deze: God geeft een kader aan het leven van mensen, dat bestaat uit een ruimhartig aanbod om in ál het goede wat er bestaat te mogen delen, één uitzondering is er, één grens: de boom van goed en kwaad, daarvan mogen ze niet eten, de wijsheid, de wet van God, die moeten ze niet aantasten, dat is de dood in de pot’.
 
Een conclusie die we kunnen trekken over de slang in het verhaal, is dat deze niet staat voor het kwaad in deze wereld, maar voor een andere wijsheid dan die van God. De sluwe, listige slang gaat niet uit van het goede, van wederzijdse hulp en vertrouwen op God. De wijsheid van de slang gaat uit van de strijd om het bestaan, van het ik en de ander als bedreiging, van eigen wijsheid.
 
Op twee manieren zorgt de slang dat de mens en zijn vrouw van God vervreemden en van elkaar.
 
Allereerst draait de slang de woorden van God om. Hij vertaalt het positieve in iets negatiefs.
God zei dat de mensen van alle bomen mochten eten behalve één.
Maar de slang zegt: ‘Is het echt waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’…
De vrouw hapt toe als de slang dit zegt. Ze begint uit te leggen hoe het zit, maar zegt allerlei dingen anders dan hoe God het heeft gezegd. Ze volgt de manier van spreken van de slang en dat doet ze ook in hoe ze God noemt.
U kunt een blik werpen op de tekst, telkens als God met de mensen in gesprek is, staat er ‘God de HEER’, en HEER staat er met hoofdletters omdat het gaat om een eigennaam. Het gaat niet om een meneer God, maar om die Ene God. Dat is de God met wie de mens en zijn vrouw een band hebben, die ze kennen, die op hen betrokken is.
De slang heeft het niet over God de HEER, maar enkel over God. En de vrouw zegt het na.
Opeens is het dus één of andere god die iets verboden heeft, en ook nog, zegt de slang, om het voor zichzelf te houden, de kennis van goed en kwaad.
 
Daarmee draait alles om in het verhaal.
De vrouw kijkt met andere ogen naar de boom, die opeens heerlijk is, een lust voor het oog, aanlokkelijk. Zoals de slang het zegt, geeft kennis van goed en kwaad hebben een status als god. Wow!
 
Pas als ze de vruchten eten, de vrouw en de mens, ‘die bij haar was’ (waarom greep hij niet in?) pas dan gaan de ogen echt open en ontdekken ze om welke kennis van goed en kwaad het gaat.
Het gaat niet om kennis die je je toe-eigent waardoor je alwetend of machtig wordt.
Het gaat om kennis die te machtig is voor een mens, die alles onthult, de naakte waarheid. Door deze kennis ziet de mens z’n eigen kwetsbaarheid, en hoe een ander daar misbruik van kan maken. Naakt als die is overvallen angst en schaamte de mens.
Alle onschuld is verloren, alle onbevangenheid is weg.
 
2. Waar ging het nou mis? Of waar gaat het nou mis? Daarover zijn de meningen verdeeld…
Is het de wens van de mens om als God te zijn?
Is het omdat de mens niet vertrouwt dat God het goede voorheeft met ons, dat een grens juist bescherming biedt?
 
De mens denkt te weten waar het misging, niet bij hemzelf, nee, bij de vrouw die hem die vrucht te eten gaf. En dus ging het eigenlijk mis bij God, die heeft immers de vrouw aan de mens gegeven.
Kun je nagaan, nu heeft God het nog gedaan ook, God die de mens een helper gaf.
Volgens de vrouw ging het mis door de verleiding van de slang.
God straft de slang. Daar komt een einde aan dit verhaal.
En ook een einde aan het afschuiven van de schuld.
 
Was en is het teveel gevraagd om verantwoordelijkheid te nemen voor de fouten die we maken, als mens?
 
Herkennen we de verleiding om in ruil voor meer kennis, meer macht, meer status, mee te gaan met een redenering die te kwader trouw is, die uitgaat van wantrouwen in God of de ander?
 
Begint ook voor ons niet het kwaad als we denken zelf wel te zullen bepalen wat wel of niet mag, meer vertrouwen hebben in ons eigen inschattingsvermogen, dan dat we inzien dat leven zonder grenzen pas echt levensgevaarlijk is?
 
Dat laatste herken ik vanuit het perspectief van het opvoeden van kinderen.
Bergen speelgoed hebben we thuis maar afgelopen woensdag wilde één helpen met koken en roeren in een hete pan. Boos was het kind, toen ik het van het aanrecht haalde. Ik vertelde dat ik het levensgevaarlijk vond, dat het veel pijn zou doen als de pan zou vallen, maar nee, waarom mocht ik dan wel aan de pan zitten! Hoe krijg je een kind zover dat het vertrouwt dat deze grens overgaan veel meer beperking zal brengen, dan de grens zelf?
 
3. Hoe kan het dat de schepping goed is en zoveel in de wereld zo slecht is.
Vertrouwen we de levensregels die God geeft?
Kunnen we bevatten dat de wet, zoals Jezus die samenvatte ‘heb je naaste lief als jezelf en God bovenal’ geen slap gedoe is, maar veel meer naar leven leidt, dan waarheden als ‘het is eten of gegeten worden’, of ‘uiteindelijk heb je alleen jezelf om op te vertrouwen’ etc. 
 
Waar bevinden we ons in het leven?
Verbergen we ons voor God en voor elkaar, omdat we bang zijn en ons schamen?
Durven we de ruimte die er is in te stappen, en kunnen we leven met grenzen?
Gaan we uit van het tegoed dat God ons geeft, of vanuit het tekort waar de slang ons op wijst?
 
God zoekt de mens die zich verbergt tussen de bomen.
God was de mens even kwijt. Of, was de mens God even kwijt?
 
Ja, we zijn kwetsbaar, naakt. Terecht zijn we soms bang voor wat een ander ons kan aandoen, voor wat de ander van ons vindt. Hadden we nog maar de onbevangenheid van een kind, dat onbevreesd op een podium klimt, dat iedereen zomaar groet, dat God durft te danken voor de verjaardag van zijn knuffel.
De onschuld zijn wij kwijt.
Maar we zijn niet aan de wolven overgeleverd, niet aan de slangen!
De woorden van God scheppen een kader, geven grenzen aan, en daarmee levensruimte.
En zo gaat het verhaal van God en de mens verder. Niet zomaar God, maar God de HEER, God – Ik zal er zijn voor jou, God die, zo vertellen de verhalen van Genesis ons, de mens het leven geeft en alles om deze wereld bewoonbaar te maken. Het is aan ons om daarnaar te leven.
Om te leven vanuit het tegoed.
 
Amen.

1 april Pasen

Paasmorgenviering

ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Genesis 2:4b-8, 18-25 en Johannes 20: 1-18 (Bijbel in Gewone taal)

 
Inleiding op de Schriftlezingen
Zaaien en groeien, het thema van het kinderproject, is een passende opmaat voor de Schriftlezingen vandaag, want in beide lezingen gaat het over een tuin. De eerste tuin is de Hof van Eden, waar God de eerste mens die Hij maakt, naartoe brengt. We lezen hierover in het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Genesis. In het eerste hoofdstuk van Genesis schiep God de hemel en de aarde en zag God telkens dat het goed was wat Hij schiep. Maar in het verhaal dat we vandaag horen ziet God dat het niet goed is. Wat is niet goed? Dat de mens alleen is.
Een heel andere tuin is de tuin met het graf waarin Jezus na zijn dood is neergelegd. Maria gaat er naartoe als het nog donker is en zij vindt het graf leeg. Dat is niet goed, denkt Maria. Op haar zoektocht naar het lichaam spreekt de tuinman haar aan. Als zij Hem herkent als haar Heer heeft ze weer houvast. Zo is het goed!
Maar Jezus zegt: ‘Houdt mij niet vast’. ‘Het gaat niet om jou en mij alleen. Het gaat om jou met alle anderen samen’. 
 
Overweging
 
1. Gemeente van de opgestane Heer,
 
‘Opnieuw beginnen!?’ dat is de slogan van Pasen in Amsterdam dit jaar.
Met een uitroepteken en een vraagteken. Opnieuw beginnen! Opnieuw beginnen?
Hoe begin je met leven?
Daarover gaan de beide schriftlezingen.
Ze vertellen over hoe een mens niet, nog niet, of niet meer leeft.
Er is iets nodig om te beginnen te leven of om opnieuw te beginnen met leven.
 
De eerste mens in de paradijselijke tuin is alleen en dat is niet goed. Er mist iets.
Iets wat een mens mens maakt, menselijk.
Een weerwoord ontbreekt. Iemand die je aanspreekt, een tegenover.
 
Dit is zo niet goéd en dus is er nieuw leven nodig.
En zoals God eerder wat aarde nam om een mens te máken, zo bouwt God nu uit de zijkant van de mens een ander mens.
Nu kan het leven beginnen, als samenleving.
Niet zozeer om samenleven als man en vrouw gaat het, maar om het samenleven als mens en medemens. Je hebt de ander nodig om mens te worden en zo tot een menswaardige samenleving te komen.
 
In de Hof van Eden geeft de mens ieder dier een naam die past op zichzelf, maar de mens kan niet op zichzelf staan. De mens wordt pas door een ander zoals hij is, niet éénzijdig, maar samen veelzijdig, aanvullend aan elkaar, over en weer elkaar bevragend en voor elkaar verantwoordelijk. Zo schept God de mensen.
 
De mens noemt die ander die uit zijn zij genomen is ‘vrouw’ en herkent in haar zichzelf: ‘Eindelijk een mens, net als ik! Ze is mijn eigen vlees en bloed, want ze is gemaakt uit een deel van mij’.
Niet het verschil maar de overeenkomst, de verwantschap, de herkenning, brengt de mens tot leven. Samen komt de mens tot zichzelf.
 
2. Maria weer niet waar ze het zoeken moet, maar zij wordt gevonden door haar meester. Als Hij haar naam roept ‘Maria’ is zij niet meer alleen.
‘Rabboeni, meester!’, zegt ze en ze houdt hem vast.
Maar zo kan het verhaal van God met mensen niet verdergaan. Jezus die gezegd heeft ‘Heb elkaar lief’ laat Maria op weg gaan, naar de anderen. Met hen en door hen gaat het leven verder, samen. Zoals Jezus telkens in zijn leven mensen geroepen heeft om op te staan en met hem mee te gaan, zo moeten ze nu met elkaar verdergaan. Want aan Jezus vasthouden, opnieuw beginnen met leven, daarvoor heb je anderen nodig. Om het waar te maken, de aarde als paradijselijke tuin waar het goed toeven is.
 
‘Ik heb de Heer gezien’ zegt Maria tegen de anderen. Zij zegt niet ‘de Heer is opgestaan’. Zij heeft de Heer gezien en ze is zelf opgestaan. Opnieuw begonnen te leven. Zij maakt de opstanding waar.
 
3. Beide mensen in de tuin, de eerste mens en Jezus, kunnen niet zonder de ander.
Kunnen niet zonder iemand die naar hen wil horen, tot wie ze kunnen spreken.
Wat opvalt is dat beide mensen in de tuin geschonden zijn in hun zij.
Ze zijn opengebroken, een rib uit het lijf, opgebroken door het lijden voor anderen.
En juist daar begint het nieuwe leven. Als naaste, van elkaar gediend zijn. 
Jezus gaat ons daarin voor en kan daarin niet zonder ons.
 
Voor wie zijn woorden niet verstaan – is hij dood, is zijn leven voorbij.
Voor hen voor wie Zijn woorden gaan leven, begint er ondanks de dood iets nieuws.
 
Pasen is opnieuw beginnen te leven als mensen zoals God heeft bedoeld: verbonden met elkaar, aangewezen op elkaar, elkaar tot hulp.
Kleine kinderen leren ons hoe vanzelfsprekend je een ander nodig hebt om te leven.
Als wij openstaan voor elkaar, instaan voor elkaar, staan wij voor opstanding.
Dan worden we heel, volop mens, namelijk mens én medemens.
Dan wordt de Heer zichtbaar onder ons.
 
4. Wie vind ik vandaag op mijn stoep?
Een dakloze die uitrust,
een roker van het naastgelegen kantoor,
een verdwaalde toerist,
een kind dat op weg is naar school?
 
De wereld begint op mijn stoep en daar begin ik elke dag opnieuw:
wie ben ik voor jou en wie ben jij voor mij?
Ik groet, ik lach, ik heb haast, ik kijk om.
En soms vang ik de zon.

 
Amen.

25 mrt

Palm- en passiezondag, 5e zondag veertigdagentijd

ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Marcus 11:1-11 en Marcus 14:1-15:47 ‘Erbij blijven’

 
Inleiding op Palm- en Passiezondag
Deze zondag heeft twee namen, Palmzondag en Passiezondag, en ook twee sferen: opgetogen en ingetogen. De feestelijkheid van Palmzondag hebben we al ervaren met de intocht van de kinderen. Dat is de opmaat van de Stille Week, deze week van Pasen.
 
De naam Passiezondag verwijst naar wat er in de rest van deze week zal komen. Op Witte Donderdag en Goede Vrijdag lezen we het hele lijdensverhaal uit Marcus. Op Witte Donderdag horen we over het laatste Avondmaal van Jezus met zijn leerlingen en over het verraad van één van hen.
Op Goede Vrijdag horen we hoe Jezus gevangen wordt genomen en alle leerlingen hem afvallen, en over Jezus’ vernedering, zijn kruisiging, dood en graflegging. In de Paasnacht horen we tot slot over het graf dat niet gesloten blijft.
 
Op deze Passiezondag staat in het tweede deel van de dienst het gehele passieverhaal centraal. Vroeger en nog wel in sommige kerken wordt het hele lijdensevangelie in deze dienst gelezen. Zo is ook de Mattheuspassion voor deze dag gecomponeerd.
 
Hier doen we het zo: we horen als Schriftlezing het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem.
In plaats van het lezen van het hele lijdensevangelie zingen we een lied van Sytze de Vries, dat geschreven is bij deze Stille Week en dat ingaat op de betekenis van alle momenten in deze week.
 
Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,
 
‘Blijf erbij’. Deze tekst zag ik afgelopen week staan op een bordje ‘wat te doen in geval van een calamiteit’. ‘Blijf erbij, laat het slachtoffer niet alleen’, stond er.
En ik bleef ernaar kijken. Want ik dacht: dat gaat over lijden en heeft te maken met deze lijdensweek.
Het ergste wat je kan gebeuren als slachtoffer is dat mensen wegkijken of voorbij gaan als je wat overkomt. Niet gezien worden in je kwetsbaarheid en nood, dat is verschrikkelijk.
Dus is het eerste gebod in geval van nood: blijf erbij.
 
De mensen in Jeruzalem zijn opgetogen als Jezus de stad binnenrijdt op een ezel. Ze herkennen in Hem de koning die de profeet Zacharia heeft voorspeld en ze begroeten Jezus met de woorden uit Psalm 118 ‘Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer’. Hosanna, roepen ze, redt ons. Want die verwachting hebben ze van Jezus, als iemand hen redden kan, dan is Hij het. Zij gaan helemaal voor Jezus.
 
Maar blijven ze daar ook bij? Blijven ze bij hem?
 
Nee.
Niemand blijft erbij. Dat is het kenmerk van alle omstanders in het lijdensevangelie.
 
De leerlingen van Jezus, die hem al jaren volgen, laten hem op het laatst in de steek.
Petrus, Jakobus en Johannes vallen in slaap als Jezus hen vraagt met hem te waken in de Hof van Getsemane, Judas verraadt Jezus met een kus, alle leerlingen vluchten weg als soldaten Jezus gevangennemen, Petrus ontkent dat hij Jezus kent.
En het volk dat eerst nog palm zwaaiend langs de weg stond, schreeuwt niet meer ‘Hosanna’, maar ‘kruisigt hem’.
 
2.
‘Heden hosanna, morgen kruisigt hem’, dat zingen wij ook vandaag aan het einde van de dienst en daarmee gaan we de Stille Week in. Let u ook goed op de toon die de organist bij deze woorden aan zal slaan.
Een wrange toon.
Ik vind het confronterend altijd weer om te weten dat de rol van die omstanders ook onze rol zal zijn.
Blijven wij erbij? Kunnen wij het aanzien, dat een onschuldig mens lijdt? Willen wij het weten dat elke dag opnieuw mensen verraden worden omwille van de macht? Dat mensen in de steek gelaten worden omdat anderen, wij, wegkijken?
 
Jezus moest lijden voor ons – zo klinkt het rond Pasen.
Het zijn woorden die gemakkelijk misverstanden oproepen.
Want, dat moeten lijden van Jezus, dat is geen heilig moeten, het is een logisch gevolg moeten. Een ‘zo moet het wel aflopen’. Want Jezus blijft trouw aan zijn roeping. Menselijke macht, daar is Jezus niet van onder de indruk. Jezus zoekt het lijden niet op, wel kiest hij ervoor niet te wijken voor wie denken dat zij het voor het zeggen hebben. Dat moest wel misgaan…
 
Jezus bleef erbij, trouw aan God. Hij deed geen water bij de wijn die staat voor het goede leven.
En dus horen we een verhaal van deze mens naar Gods hart, die lijdt aan mensen.
 
Het verhaal van Jezus is het verhaal van elke dag, het verhaal van mensen die bedrogen worden, monddood gemaakt, weggezet. Maar het verhaal is ook groter dan dat.
In het verhaal van het lijden en sterven van Jezus komt niet alleen de wereld mee, maar ook God. ‘Dit is waarlijk de Zoon van God’, zegt de soldaat die aan de voet van het kruis staat en ziet hoe Jezus sterft. (Mk 15:39)
Het hele evangelie gaat over deze mens Jezus, die zichtbaar maakt wie God is, die sprekend zijn Vader is.
 
Een groot deel van het evangelie, bij Marcus drie van de zestien hoofdstukken, gaat over de drie laatste dagen van het leven van Jezus. Ze zijn het dieptepunt en het hoogtepunt van het evangelie.
Dat het zo afloopt met de Zoon van God, dat Hij zo mishandeld en gedood wordt, dat zou je willen keren als lezer. Tegelijkertijd zijn het de woorden en daden van Jezus in het verhaal die juist óns willen keren, naar Jezus toe. Wat Jezus in het evangelie heeft gezegd en gedaan, daarvan getuigt Hij ook nu: geloof niet in de macht van machthebbers, in regels zijn regels, in het recht van de sterkste, maar heb alleen ontzag voor God, voor wat het leven leefbaar maakt.
Jezus blijft erbij, bij wat hij verkondigd heeft over God.
 
3.
Het verhaal van Jezus is niet alleen groter dan wat mensen lijden in deze wereld, het gaat ook verder: het gaat om lijden, dood én opstanding.
 
En dat laatste is dan wél een heilig moeten.
Opstaan, dat is wat Jezus telkens verkondigt. Dat is wat Jezus mensen laat doen als hij hen geneest. Wat mij betreft ligt het hoogtepunt van het evangelie niet in het lijden, maar in het opstaan.
Dat krijgen de leerlingen ook als opdracht mee, als ze bij het lege graf staan: sta op en ga op weg, naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien.
 
4.
Erbij blijven, in de betekenis van een ander niet verlaten en blijven bij waar je voor staat, dat is waarin de omstanders beproefd worden in het lijdensevangelie.
 
Dat is ook de vraag aan ons deze Stille week: blijf erbij!
Zie het lijden van mensen en erken hoezeer ook wij een aandeel daarin hebben.
Zie hoe Jezus koste wat kost blijft getuigen van God als enige macht.
En verraadt hem niet, kijk niet weg bij het lijden van deze Mens, die we vandaag zo vol lof binnenhalen.
Blijf erbij.
 
Amen

11 maart

4e zondag veertigdagentijd ‘Klein Pasen’

Lezing Johannes 6: 1-15

ds. Jantine Heuvelink

 
Vrijdagmiddag 15.30u
Zal het genoeg zijn of niet? Dat is de vraag.
De stroomstoring duurt nu al vier uur.
Het scherm van mijn laptop staat al minder helder, dus de batterij kan iets langer mee. Maar zonder internet is het wel lastig, want ik kan heel veel dingen niet even nazoeken. En als nou straks ook nog mijn batterij leeg is, hoe kan ik dan mijn preek voor zondag maken?
Uitschrijven is geen optie, iedereen die weleens post van mij heeft ontvangen weet dat mijn handschrift nagenoeg onleesbaar is. Snel aan het werk dus maar, hopen dat ik genoeg tijd heb.

 
De insteek voor mijn preek is de twijfel bij de leerlingen of het wel genoeg is wat ze hebben. Of eigenlijk hun conclusie dat het niet genoeg zal zijn. Filippus zegt hardop dat je van 200 denarie, 200 keer een dagloon is dat, geen 5000 mensen kunt voeden, dan krijgt iedereen maar een klein stukje brood. En 5 broden en 2 vissen, het is tenminste iets wat Andreas gevonden heeft bij dat jongetje, maar dat is toch niet genoeg? Daarmee gaan ze het niet redden, toch?
 
Ik drink sterke koffie die ik net heb gemaakt met de percolator die gelukkig bij de kampeerspullen zit, met een schuin oog kijk ik naar het batterijtje onderin mijn scherm, 24%, hoeveel tijd heb ik dan nog?
Wat zal ik doen als de stroom voor de avond niet terugkeert en de preek dus zeker niet op de computer afkomt? Doe ik het dan met een halve preek, of ga ik dan improviseren?

 
Terug naar het verhaal. Het is mooi dat de oplossing niet aangedragen wordt door Jezus, maar door de leerlingen zelf. Alleen zien zij dat niet. Er staat dat Jezus Filippus expres op de proef stelt met die vraag naar waar ze brood kunnen kopen om al die mensen te voeden. Het gevolg is dat Filippus en Andreas daarmee niet toeschouwers worden van dit teken dat Jezus laat zien, maar medeverantwoordelijk worden gemaakt.
 
Het doet mij denken aan dat motto bij menige hulpverlening: ‘geef mensen geen vis, maar leer ze vissen’. Jezus heeft ooit gezegd dat zijn leerlingen vissers van mensen zouden worden. Nu legt Hij de vraag bij hen neer hoe dat nou moet met het voeden van zoveel mensen. En zij gaan het zelf na.
Met 200 denarie? Nee.
Met 5 broden en 2 vissen? Nee.
Filippus en Andreas gaan uit van het tekort.
Dit kan niet genoeg zijn.
Ze rekenen met de feiten, met getallen en hoeveelheden.
Ze houden geen rekening met geloof, rekenen niet op Jezus.
 
Tussendoor: als ik straks echt niet meer verder kan werken op de computer, dan weet ik nog wel wat andere dingen te doen. Dan heb ik even rustig de tijd om twee kaartjes te schrijven naar mensen, met m’n best mogelijke handschrift en dan zou ik ook wat rustig kunnen lezen. Ja dan is het toch echt overmacht dat de preek niet afkomt. Dan geeft het vrijheid die ik toch ook met beide handen moet aangrijpen.
Zou trouwens het restaurant van vanavond wel open zijn met zo’n stroomstoring, nee zeker. Hm.

 
Dat brood dat klinkt natuurlijk niet als een uitgebreide maaltijd, maar het is wel goed om te vermelden dat brood in de Bijbel staat voor zoveel meer. Letterlijk zal Jezus in het volgende hoofdstuk zeggen ‘Ik ben het brood des levens’. (6: 22-59)
Brood is niet alleen voedsel voor de maag, maar ook voor de ziel. Het is wat in leven houdt en ook leven geeft, een weg om te gaan, toekomstperspectief.
 
Jezus is gaan zitten op een berg, wat betekent dat hij zijn leerlingen iets gaat leren. Maar wat volgt is geen onderwijzing, geen bergrede, maar het doen van die leer.
De leer, de vijf boeken van Mozes, kun je zien als de 5 broden die het jongetje bij zich heeft. Het is er al, de leerlingen weten het al! Maar nu moeten ze ermee handelen.
Nu komt het erop aan te geloven dat die woorden van God, dat wat Jezus leert, ook is wat je met anderen kan delen en wat hen verzadigen zal, zonder dat jij tekort komt, tekort schiet.
 
En ik vraag me bij mezelf af: wat is verzadigd worden? Is dat het moment waarop je het ziet – voor je ziet, wat de volheid van Pasen is, volheid van Leven?
Het liedje van Johnny Cash kan ik nu even niet draaien, want het internet doet het dus niet, maar de melodie zit in mijn hoofd. En meer nog zit de uitleg in mijn hoofd die iemand mij gaf over de rijkheid van de tekst, waarin, als je het Engels goed machtig bent, nog zoveel lagen meer zitten, dan die ik voor de liturgie vertaald heb. Wat een ervaring om zo’n uitleg van dat lied te horen!
En die afbeeldingen die ik bij de tekst heb gevonden. Daar alleen maar samen naar kijken, zou ook een invulling van de dienst kunnen zijn.
Want, eigenlijk past preken niet bij deze tekst waarin Jezus niet leert wat Pasen is, maar laat zien wat Pasen is.
En waarin zoveel mensen het tot hun vreugde ervaren en beleven.
Moeten we ons niet gewoon laven aan wat op de beamer te zien is?

 
‘Er was daar veel gras’. Die zin wil ik ook nog aanhalen. Want hoe bijzonder is dat. Het plaatje krijgt er kleur door. Gras, dat moet wel een verwijzing zijn naar die grazige weiden in psalm 23. Daar is het goed toeven. Daar hoef je niets, daar zorgt iemand voor je.
‘Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten’. Dat is wat we doen bij het avondmaal, alleen dan toch echt met meer tekst. Het klinkt hier zo eenvoudig.
 
Het lijkt trouwens behoorlijk op het Sarphatipark op een warme dag, die plaat van Eularia Clark. Die omgegooide fietsen links en al die soorten mensen met kinderen ook baby’s erbij. En dan al die papieren waarbij je je afvraagt of ze dat straks gaan weggooien of dat er een rotzooi overblijft aan het eind van de dag. En rechtsbovenaan dat lijkt op het monument voor dr. Sarphati dat in het park staat. Alleen staat er bij ons een hek omheen.
Leuk dat hier duidelijk een dominee of priester is te zien.

 
16.30 en mijn beeldscherm wordt opeens nog een slag donkerder. Teken dat het nu echt bijna op is. Misschien moet dit het maar zijn, mijn preek. Kan dat? In één uur geschreven? Zonder heldere lijn? Zonder al die andere uitleg? Zal het genoeg zijn?
 
Oh ja, terug naar de kern van het verhaal: de verzadiging hangt niet van mij af. Ik kan enkel iets inbrengen, moet daar niet over denken vanuit het tekort, maar hopen en bidden dat er zegen op rust. Gelukkig vieren we ook nog avondmaal.
Het gaat tenslotte om het doen.
Amen

4 maart

Derde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Exodus 20:1-17 (de Tien Woorden) en Johannes 2:13-22 (de Tempelreiniging)

Ds. Henk Meulink


Geliefde mensen van God, gemeente van Jezus Christus,

In de kerkelijke traditie is de veertigdagentijd bij uitstek de tijd van catechese, geloofsonderricht geweest en vaak nog wel. Die werd vroeger dan afgesloten met de dienst in de Paasnacht. Na het belijden van hun geloof werden geloofsleerlingen gedoopt en traden zij toe tot de kerk. Iets van deze traditie wordt in onze gemeente voortgezet in de doopgedachtenis in de viering op Stille Zaterdag en dit jaar met de doop van een aantal kinderen op Paasmorgen.

Velen van ons hebben ooit geloofsbelijdenis gedaan, bij anderen is het er om uiteenlopende redenen nooit van gekomen. Dat maakt in zoverre geen verschil, omdat ook wie ooit geloofsbelijdenis hebben gedaan zullen herkennen dat je daarmee niet voor eens en altijd zeker weet wat je gelooft. Nee,  geloven blijft een zoektocht en dat moet het ook blijven. Het is goed te blijven doordenken wat je gelooft, je geloof te blijven ontwikkelen en vooral ook je vragen en twijfels ruimte te geven. Die kunnen onder andere opkomen onder invloed van ontwikkelingen in je persoonlijk leven, in de maatschappij, ook in kerk en theologie.

In de lijn van de traditie van de veertigdagentijd als periode van catechese, past het dat we deze tijd in het bijzonder gebruiken om ons te bezinnen op ons geloof. De lezingen in deze weken nodigen ons daartoe nadrukkelijk uit. Want ik weet niet hoe het u vergaan is bij het horen van het verhaal over de tempelreiniging, ik ervaar het zo dat dit verhaal ons vraagt opnieuw na te denken over het beeld dat wij van Jezus hebben. Ik zou het liefst nu u willen uitnodigen iets te zeggen over het beeld dat u van Jezus hebt en meer nog wat Hij voor u betekent. Maar dat past niet zo goed in de wijze waarop wij onze diensten vormgeven. Ik nodig u wel uit straks bij de koffie daar iets met elkaar over te delen, al besef ik dat geloven ook iets intiems heeft.

Ik vermoed dat als wij ons beeld van Jezus en zijn betekenis voor ons onder woorden brengen, er een veelheid van beelden naar voren komt. Ik denk aan: Voor onze zonden gestorven, Zoon van God, Zoon van Maria en Jozef, een joodse man, Redder, Verlosser, Heiland, een rabbi, leermeester, een wonderdoener, profeet, Zoon van David, Lam Gods, of u citeert Hem zelf: licht van de wereld, de weg, de waarheid en het leven, de wijnstok, het levenswater, brood, herder.  Dat zijn allemaal uitdrukkingen die in de evangelieen te vinden zijn en dan ben ik lang niet volledig. Ik kan er nog aan toevoegen beelden die bijvoorbeeld in onze liederen voorkomen: vriend, bondgenoot, liefde.

Maar als ik al deze beelden noem, voel ik me ook op mijn vingers getikt door wat we vanmorgen opnieuw hoorden: je mag je geen beeld van God maken – en ik versta dat ook als geen beeld van Jezus -. Daar mag en wil ik en mogen wij niet aan voorbijgaan. Maar dat tweede van de Tien Woorden of Geboden versta ik zo, dat wij nooit moeten denken en uitspreken, dat wij precies weten weten wie God is, wie Jezus is. Want dan neem je God/Jezus  in je macht, dan span je Hem voor je karretje. En dat is veel te vaak gedaan. Wie God is, wie Jezus is, is in laatste zin een geheimenis, meer en anders dan wij kunnen bevatten.

Al onze beelden laten wel een aspect zien. En als we met elkaar in gesprek gaan over ons geloof, moet dat ook niet een gesprek worden over wie het bij het juiste eind heeft, maar dan moeten we weg van de dialoog gaan, dan moeten we open staan voor het beeld dat de ander heeft van God, van Jezus, dan moeten we dat doordenken, ons daar door laten gezeggen en verrijken.  Laten we maar eerlijk zijn: dat vinden we niet gemakkelijk, maar het is wel de weg die het “beeldenverbod” ons wijst.

Wat ik tot nu toe heb gezegd, wordt bij mij opgeroepen door het verhaal over de tempelreiniging uit het evangelie naar Johannes. Ik hoor dit verhaal zo dat het ons uitnodigt en maant opnieuw na te denken over Jezus, welk beeld we van Hem hebben, wat Hij voor ons betekent en welke weg Hij ons wijst. Want het is anders dan de Jezus waar we zo vaak over horen, zingen en spreken. Vandaag horen we van een Jezus die verontwaardigd is, ja kwaad, die optreedt, die stampij maakt, een zweep hanteert, die mensen niet liefdevol benadert, maar stoort, wegjaagt, die harde woorden spreekt. Waarom treedt Jezus zo op? Wat maakt Hem zo boos? Het verhaal vertelt dat zijn leerlingen die er getuige van zijn, zijn handelen verbinden met  woorden uit een van de Psalmen: “de hartstocht voor mijn huis doet mij verteren” (Psalm 69:10). Hartstocht, passie, dat is wat Jezus drijft. Hartstocht, verbondenheid, liefde, geloof in God, die voor Hem “mijn Vader” is, of naar het eerste gebod die Ene God  die er voor Hem is, naast wie geen andere goden bestaan. Zijn gelóóf maakte Hem kwaad. Die hartstocht voor God bracht Hem naar Jeruzalem. Zoals vele joden wil Hij het joodse paasfeest - de herinnering aan de uittocht uit Egypte -  daar vieren, in de tempel, met in het midden de ark van het verbond, de symbolische woning van God. Maar Jezus ervaart het zo, dat Hij niet toekomt aan de ontmoeting met God, met wie Hij zich zo verbonden voelt, door al het gedoe in het tempelcomplex. Nu is het wel zo, dat al die handel er voor de gelovigen van die tijd er gewoon bij hoort en dat die met instemming van de bestuurders van de tempel plaats vindt.

Wie ooit in het Bijbels Museum de maquette van de tempel heeft gezien, weet dat om de kleine ruimte waar de ark van het verbond staat, het heilige der heiligen, eerst de ruimte is waar de diensten worden gehouden, inclusief het brengen van offers, maar dat daaromheen een grote ruimte is waar dieren worden verkocht die geofferd worden, waar mensen het gewone geld kunnen wisselen voor munten die je alleen in de tempel kunt gebruiken. Al die handel is toegestaan, hoort bij het tempelgebeuren. Dat kan wel zo zijn, maar Jezus stelt er vragen bij, Hij reageert fel, omdat het Hem stoort, omdat het Hem, maar ook – zo vindt Hij - andere gelovigen afleidt van de ontmoeting met God, van het ervaren dat God ons lief heeft, genadig is, van de bezinning op de vraag wat Hij van ons vraagt. Zijn verontwaardiging, zijn boosheid, zijn optreden heeft voor Jezus met zijn liefde voor, zijn geloof in God te maken. Het is daar de keerzijde van. Het doet mij denken aan een uitspraak van een van mijn hoogleraren die ik nooit vergeten ben, dat de boosheid van God, zijn optreden tegen mensen die het recht van “weduwen, wezen en vreemdelingen” vertreden, die onrecht doen, niet in strijd is met zijn liefde voor mensen, maar dat het de keerzijde van dezelfde medaille is, voortkomt uit die liefde voor mensen. Jezus´ handelen doet mij ook denken aan de wijze waarop Mozes de stenen tafelen stuk smeet toen Isarel danste om het gouden kalf. En aan hoe Luther de strijd met de kerkelijke autoriteiten over de aflaathandel aanging. Ja, de kerk leek toen ook zeer op een markthal.

Het optreden van Jezus, hoorden we,  bracht zijn leerlingen een Psalmwoord in herinnering. Ik denk zeker dat zij de hartstocht van Jezus, die zijn geloof kenmerkt, toen direct herkend hebben. Toch vermoed ik dat de herinnering aan dit Psalmwoord in werkelijkheid pas later is gekomen.  Dat heeft met de laatste woorden uit dat Psalmwoord te maken, dat die hartstocht “mij zal verteren”.  Na Jezus´ dood weten zij maar al te goed dat Jezus´ optreden in de tempel een belangrijke reden voor zijn veroordeling is geworden. En dat geldt temeer voor de woorden die Jezus spreekt als Hem om een toelichting op, een verantwoording van zijn handelen wordt gevraagd. De andere evangelieen plaatsen het hele gebeuren in de laatste dagen van Jezus, na zijn intocht in Jeruzalem op Palmzondag. En dan is direct duidelijk hoe zijn woorden tegen Hem worden gebruikt. Maar Johannes zet dit verhaal aan het begin van zijn evangelie, als de confrontatie van Jezus met de schriftgeleerden en joodse autoriteiten nog moet beginnen. Zij vragen Hem na zijn optreden op grond van welk gezag, welke autoriteit Hij meende zo te mogen optreden. Welk teken kun je daarvan geven?

Het is de tweede keer dat bij Johannes het woord “teken” voorkomt. Vlak hiervoor staat het verhaal over de bruiloft in Kana, waar vaten met water in wijn veanderden. Dat wordt zijn eerste teken genoemd, dat het geloof van zijn leerlingen versterkte en bij anderen verwondering opriep. Nu zegt Jezus: Ik kan een teken geven, nu jullie daarom vragen. “Breek deze tempel af en Ik zal hem in drie dagen weer oprichten.” Het onbegrip bij de autoriteiten is groot en eigenlijk ook wel te begrijpen. Hoe zou Jezus een tempel waaraan op dat moment al 46 jaar wordt gebouwd, in drie dagen kunnen opbouwen? Onmogelijk toch. En de gedachte aan een afbraak van de tempel – die Israel in de Babylonische tijd al een keer heeft meegemaakt – maakt de joodse autoriteiten ook verontwaardigd. Het is goed ons te realiseren dat Johannes zijn evangelie schreef toen de afbraak van de tempel door de Romeinen in het jaar 70 werkelijkheid was geworden en zoveel pijn deed.

Maar ook Jezus´ leerlingen zullen verbaasd hebben gestaan over zijn woorden. Ze werden erdoor in de war gebracht. Ze begrepen ze niet. Dat deden ze pas later, na zijn dood, liever nog nadat Hij, zoals zij het ervaren en beleden hebben, uit de doden was opgericht. Toen herinnerden zij zich Jezus´ woorden. Toen begrepen ze dat Jezus niet over dat tempelgebouw had gesproken, maar  over Zichzelf, dat Hij over zijn eigen lichaam als een tempel sprak, en zo in symbolische taal uitsprak hoe Hij zich verbonden wist met God. Dat in Hem God zijn tent, zijn tabernakel had opgeslagen en onder ons had gewoond. En ze begrepen toen pas zijn woorden over afbreken en – na drie dagen – weer opbouwen, oprichten. Hij sprak van de weg van afbraak, vernedering, kruis die Hij moest gaan, maar dat die zou uitlopen op zijn oprichting, zijn verhoging. En dat Hij aan die weg van vernedering en verhoging zijn autoriteit ontleent. Toen zijn leerlingen zo zijn woorden gingen verstaan, sterkte dat hen in hun geloof dat zijn dood niet het laatste woord was, dat Jezus voor hen en voor velen van betekenis zou blijven.  Maar vanzelfsprekend was het allerminst. Want in de tijd dat Johannes zijn evangelie schreef, was al duidelijk dat veel joden dit geloof niet konden delen.

Als wij ons in deze weken opnieuw bezinnen op ons geloof, wat kunnen de bijbelverhalen van vandaag daar dan aan bijdragen? Het brengt mij tot een aantal richtlijnen, leerpunten, die ik mee wil nemen, in mijn denken en handelen wil verwerken. Ik hoop dat u zich er in kunt herkennen, al zeg ik er tegelijkertijd bij: ze mogen aangevuld of weersproken worden.

Ik leer er uit dat ik mijn beeld van Jezus open moet houden, dat ik de verhalen uit de Bijbel kans moet geven mijn beeld van Jezus bij te stellen. En dat ik in mijn ontmoeting met anderen nog beter moet horen hoe zij Jezus ervaren, wat Hij voor hen betekent. En dat ik als dat heel anders is dan mijn beeld daar geen weerwoord op moeten geven, maar daarover na moet denken, misschien wel mijn beeld moet laten aanvullen, corrigeren.

Ik leer er uit dat boosheid, verontwaardiging hoort bij geloven. Dat je daar ook uiting aan moet geven tegenover mensen die de rechten van anderen schenden. Ik herken dat in het motto van onze diaconie: helpen onder protest. Het eerste waarvoor de diaconie zich voor inzet is het omzien naar mensen in nood, de werken van barmhartigheid. Maar ze laten ook protest horen tegen mensen en instituties, zoals de overheid, als mensenrechten worden vertreden. Afgelopen vrijdag  was er een grote delegatie van de landelijke Raad van Kerken in Amsterdam om zich te orienteren op de situatie van vluchtelingen zonder status en zonder papieren. Na een rondgang door de stad langs diverse opvanghuizen en kraakpanden waren zij begaan met de situatie van deze mensen, ook onder de indruk van de hulp die zij van veel mensen kregen. Maar het stimuleerde hen ook bij de overheid te protesteren voorzover een humanitaire ondergrens doorbroken wordt en te pleiten voor een opvang en begeleiding die ongedocumenteerden toekomstperspectief biedt.

Ik leer er uit hoe ook ik verstrikt kan raken in al dat gedoe in het kerkelijk leven. Ja, ook onder ons is er veel gedoe, in de vraag welke koers de kerk moet gaan, in hoe we de zaken in onze gemeente regelen, in theologische discussies, die op zich wel van belang zijn, maar ook steeds weer ons afleiden van waar de gemeente voor is, ons helpen in de verdieping en bezinning op ons geloof en hoe wij daar gestalte aan kunnen geven in ons handelen.

Ik leer er uit hoe goed het is mijn ogen op God te richten, Hem te zoeken in gebed en lofzang, in het horen naar zijn Woord en hoe Jezus dat heeft uitgedragen. En dan te mogen horen hoe dat ons zegt dat Gods oog op ons gericht is, dat Hij ons liefheeft, met ons begaan is, maar ons ook aanspreekt op onze verantwoordelijkheid voor de ander, die onze naaste is.
Als deze weken van bezinning mij, ons kan helpen van dat alles te leren, dan kunnen we straks met des te meer vreugde het Paasfeest vieren. Amen.


vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur