22 mei

Ds. Gerhard Scholte

Lezing: Jes. 52:13- 53:6; Joh. 20:19-29


Gemeente van Jezus, lieve mensen van de Oranjekerk,

Een paar weken terug werd in Encantado, in het zuiden van Brazilie een nieuw Christusbeeld onthuld. Nog groter en nog triomfanter beeld dat het bekende beeld dat boven Rio de Janeiro uittorent. Hebt u het gezien in het journaal?
Ik moest denken aan dat beeld, aan het verlangen van ons mensen dat eruit spreekt de sterkste te zijn, de beste religie te hebben, de meest voortreffelijke cultuur, en daarmee boven anderen te willen uitsteken. En dat dat verlangen voor velen bij het verhaal van de opstanding hoort!
Ik heb het vermoeden dat Johannes het verhaal van Thomas’ twijfel  heel bewust aan het eind van zijn evangelie vertelt om te wijzen op het gevaar van Jezus enkel de triomfante verlosser te maken, die zich nu als de grote koning gaat verheffen, ja als de grootste! En dat we zo uit het oog verliezen dat hij, juist hij, oog had en oog houdt voor de verpauperde en gewond geraakte mensen, en voor hen opkwam, en nog opkomt. Jezus’ opstanding betekent geen breuk met zijn verleden, maar betekent een bevestiging en rehabilitatie van wat Jezus zijn hele leven op aarde heeft bewogen en gedaan!  
Thomas is het vooral die dat beeld van de trimfantelijke opstanding op losse schroeven zet met zijn vraag naar de littekens. Laten we vanmorgen ons oor te luisteren leggen bij Johannes.
Het begint zo: Jezus komt de zorgvuldig afgesloten kamer binnen. Zijn vrienden zitten er vol angst en beven samen. En dan hij laat om te beginnen geen overwinnaarskreet horen, als van een voetballer na de winnende score! Maar Jezus gaat midden tussen zijn bange vrienden in staan. De angst zal van hun gezichten af te lezen zijn geweest, angst voor het arrestatieteam, dat ook Jezus uit hun midden wegrukte!
En dan lezen we dat hij tweemaal dezelfde korte woorden tegen hen zegt: ‘Vrede geef ik jullie!’ En onderwijl doet hij iets opmerkelijks: hij toont de littekens van zijn wonden in zijn handen en in zijn zij. En opnieuw zegt hij ‘Vrede geef ik jullie!’ Hier raken we aan een van de diepste geheimen van het evangelie.

Jezus geeft ons vrede – lees dat zo letterlijk mogelijk – door zijn eigen kwetsbaarheid te tonen. Ik vind dit verrassend en veelzeggend: Jezus die zijn littekens laat zien en ons zo zijn vrede meegeeft –!
En ik denk dat we hierin ook raken aan een van de diepste geheimen van ons mensenleven.
Kijk vrede is het tegendeel van elke vorm van oorlog: En oorlog betekent: elkaar wonden toebrengen, des te groter, des te meer, des te beter! En die wonden smeken weer om wraak en dus om nieuwe wonden. Dat zie je gebeuren in Oekraïne al weken lang. Maar het kan ook oorlog zijn op je school, of bij je in de straat, op het werk ...of in je hart – ja, wat kan een mens zichzelf verwonden, mentaal en psychisch!  Vrede betekent dan dat die strijd om je heen en in jezelf tot rust komt. Laat het je aanreiken: Vrede geeft hij ons!   
De grootste vrede bereiken mensen die elkaars vijanden waren, wanneer ze elkaars leed onder ogen kunnen zien en de wonden van de ander kunnen behandelen. Denk aan de Waarheids-en Verzoeningscie in Zuid Afrika. Wat een uitwerking van vrede heeft hun werk gehad. En als iemand ons zijn kwetsbaarheid toont, werkt dat in veel gevallen uitermate ontwapenend. We hoeven nu ons zelf ook niet meer groter voor te doen, sterker, moediger dan we zijn. Wij kunnen ook onze zwakke kanten laten zien... Dat is vrede. Dat doet Jezus hier. En direct erna ademt hij en zegt: Ontvang de heilige geestesadem. Zo heeft de vader mij erop uitgezonden, en zo zend ik jullie. Om vrede! Opmerkelijk in dit verhaal komen Pasen en Pinksteren bij elkaar. Typisch Johannes: In en met de Geest zet Jezus in ons midden zijn werk voort!
Ook in dat hoofdstuk 53 van Jesaja zie je dat: Mensen krijgen oog voor de wonden die door hun toedoen een veracht mens, de hoofdfiguur in dat hoofdstuk,  zijn aangedaan. Citaat: En wij maar denken dat hij door God werd geplaagd, getroffen en vernederd!” Nagenoeg steeds denkt ieder van de strijdende partijen in een oorlog dat ze God een welgevallen doen door de ander te verwonden! Maar dan komt het moment dat ze elkaar ahw in de ogen kijken, de verachte, geminachte vijand wordt weer een medemens die ons aankijkt!  Vrede zij ulieden!
Daarop moeten we hopen voor Oekraieners en Russen: Dat moment!
Maar nu Thomas. Hij was er niet bij toen Jezus een week eerder onverwacht midden in de kamer stond. Hij hoort ook dat Jezus zn littekens heeft laten zien. maar reageert zeer terughoudend: ‘Nou dat wil ik zelf dan wel eens zien en met mn eigen handen, ja met mn vingers zelf voelen! Anders geloof ik niet dat het Jezus, dat het mijn  Heer is!’
Het is, als je goed kijkt, Thomas dus niet te doen om geloof of ongeloof in de mogelijkheid van opstanding. Hij is niet de moderne stoere intellectueel die het niet aan zijn eigen verstand kan verkopen dat iemand uit de doden zou zijn opgestaan.  De ongelovige Thomas, als de voorloper van moderne atheist van onze tijd...Nee, het gaat Thomas erom dat hij niet zomaar geloof kan hechten aan elk spook dat uit de dood terugkomt, met de bewering dat ‘ie Jezus is.
Thomas vertrouwt het niet, staat er! En hij zal het pas kunnen vertrouwen als hij de kwetsbare man terug zal zien, met wie hij drie jaar lang is opgetrokken. Thomas kende Jezus als de man die dag aan dag oog had voor de wonden van verpauperde mensen, veelal op straat. Die oog had voor de zieken en gehandicapten, voor vrouwen die met de nek werden aangekeken, voor de zwerfkinderen, voor de vluchtelingen van die dagen. Hij kende Jezus als de man die met de dood werd bedreigd en ondanks dat doorging met zijn kwetsbare werk! Hij kende Jezus als de man van de profeten.
En daarom stelt hij de vraag: Is die opgestane werkelijk dezelfde als mijn Heer?
Juist Thomas krijgt al eerder in het evangelie ( h.11) van Johannes de rol van iemand die zich kan inleven in de angst en pijn van een ander mens. Hij is daarin de tegenhanger van Petrus. Als Jezus zich over zijn mogelijke lijdensweg begint te uiten, is het Petrus die hem onmiddellijk de mond snoert: “Kom op, dat zullen wíj dan toch voorkomen?! Ik zal mijn leven voor u geven!” Dat is de stoere Petrus, die zich niet van graag van zijn kwetsbare kant laat zien.
Thomas zegt daarentegen in een soortgelijk verhaal (h 11) : Laten wij Jezus volgen, zelfs als dat betekent dat wij met hem zullen sterven. Daaruit blijkt zijn diepe betrokkenheid bij de risicovolle weg die Jezus had te gaan. En meer: dat hij meeleefde met –wie weet – Jezus’ eigen wanhoop en stille angstgevoelens! Thomas heeft al die tijd echt met Jezus megeleefd. De kwetsbare leeft met de kwetsbare mee! Wellicht omdat hij zijn eigen angst onder ogen kon zien dankzij de nabijheid van Jezus! En zijn eigen wonden niet verborg?!
Thomas’ vraag of de opgestane Jezus nog dezelfde is als voor zijn dood, betekent ook: Jezus gaat nu toch niet zich triomfantelijk van het aards gepeupel verwijderen, om zich in de hemelse gewesten te laten feteren en verheerlijken?!

Wat zegt dit over onze navolging, ons praktisch geloven? Hoe kunnen we Jezus nu herkennen? Ik wil er aan de hand drie dingen over zeggen:
Wees als Thomas, en leef je in en leef mee met mensen om je heen. En durf  je eigen angst en je eigen verwondingen, die misschien schaamte oproepen of een wens om te vluchten, onder ogen te zien. En laat je door Thomas naar de ware Christus verwijzen.
Een tweede advies: Soms hoor je dat Jezus’naam in een verband klinkt, waar hij helemaal nooit kan thuishoren.  Bij sommige politieke opvattingen klinkt heel gemakkelijk een beroep op het ‘christelijke’ gedachtengoed. Soms op dat van diens onoverwinnelijke koningschap! Ik bend an geneigd om te zeggen: Pas op! Is het werkelijk de Christus die anderen zijn littekens kan tonen?!
Van Sint Maarten gaat het verhaal dat hij,  zelf arm met de armen, onderweg een rijk uitgedoste Christus tegenkwam. Net als Thomas vroeg hij wat achterdochtig: Waar zijn uw wonden?!  Maar die kon de onbekende niet tonen, en die werd al snel ontmaskerd als…de duivel in vermomming!

Nog even iets meer over de opgestane als de verheven Koning, - ik wil daar nog even bij stil staan. In de beleving van veel mensen is de opgestane een geheel andere Jezus dan de Jezus die op aarde rondwandelde, zoals verteld in de vier evangelien. Het zitten aan de rechterhand Gods wordt voorgesteld als het zitten van een koning op zijn troon, bij de gratie Gods. Hij is in de ogen van velen toegetreden tot de wereld van de rijken en de machtige koningshuizen. Dat idée krijg ik altijd bij het programma Blauw Bloed. Misschien ziet u het graag, eerlijk gezegd ben ik er een beetje allergisch voor.

Als Thomas dat zou merken zou hij hier werkelijk uitschreeuwen: Die Koning Jezus dat is niet ‘mijn heer’ en die heeft niets te maken met ‘mijn God’! Waar is de profetische Jezus die opkomt voor de armen. Juist die Jezus is opgestaan! Een koning die de redder zal zijn van de armen, die hun wonden kent en behandelt!  En als we een ding geleerd hebben van de verhalen uit het eerste testament dan toch wel dit: Er is geen sterker criticaster van de Israelische koningshuizen dan de school der profeten.

Tenslotte.
In de laatste zin van het evangelie vanmorgen is de grootste troost te horen: Gelukkig zij die (mij) niet zien en toch vertrouwen in (me) krijgen! Ik ben als de opgestane, dezelfde heer van de evangelieverhalen, van dezelfde God gekomen, om er te zijn  voor de minsten:
 Kom bij mij, jullie allemaal, die vermoeid en belast zijn, gekwetst en verwond door het leven. En ik geef jullie mijn vrede! Zoals de vader mij gezonden heeft, zo zend ik ook jullie: Om vrede!
Ja vrede zij met jullie!

1 mei

Lezingen: Jeremia 46:27-28 en Lucas 19:1-10

ds. Wielie Elhorst

Thema: ‘Een dak boven je hoofd’



Gemeente van Jezus Christus,

Huisvesting, of: onderdak is een recht, een mensenrecht – wist u dat? Het is destijds opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het staat ook in de Nederlandse grondwet. Eigenlijk hoeft het niet te verbazen. Je hoeft niet lang stil te staan bij wat het feit dat je ergens kunt wonen, wat dat voor waarde heeft, hoeveel het betekent, hoe belangrijk het is. Logisch dat een recht is. Ik heb één keer in mijn leven meegemaakt dat ik ’s morgens niet wist waar ’s avonds mijn bed zou staan. Ik woonde net in Amsterdam, twintig jaar geleden, en ik woonde met mijn toenmalige partner Hans anti-kraak. We waren net neergestreken in de bovenverdieping van een kleine loods in Zeeburg of we kregen te horen dat we weer moesten gaan. Meestal kwam de antikraakorganisatie waar we bij ingeschreven stonden met een alternatief, maar dat bleef dit keer uit. En zo hadden we op de bewuste ochtend van de verhuizing alles in een bestelbus gezet, zonder te weten waar we die dag met al onze spullen zouden eindigen. Hans en ik wisten wel dat we altijd ergens zouden kunnen slapen, bij vrienden of bij familie, maar toch overheerste een vervelend gevoel. Hoe zal ik het beschrijven… Het was een onveilig gevoel, het gevoel van iets wezenlijks beroofd te zijn, het gevoel er niet helemaal meer bij te horen, het gevoel een beetje dom te zijn. Als dat voor ons, voor mij al zo was, wat moet iemand die echt geen ander heeft, dan wel niet voelen. Dat is echt onveilig en regelrecht angstig. Voor ik verder ga: Hans en ik hadden die avond toch weer een plek (in onderhuur in Westerpark – niet doorvertellen). We moesten ons trouwens eerst nog vervoegen bij het politiebureau, want één van onze vrienden had achter het stuur in het bestelbusje een antieken lantaarnpaal omver gereden en het bestelbusje was al een tweede busje, omdat de eerste het eerder die dag midden op de snelweg begeven had. Het was me het dagje wel, en toch nog niets vergeleken bij mensen die, soms zomaar van de een op andere dag het dak boven hun hoofd kwijt zijn en niet zomaar zicht hebben op iets anders.

Een dak boven je hoofd hebben is een fundamentele levensbehoefte van mensen, te weten waar je, als de nacht valt, je hoofd te ruste kunt leggen, en dat je, als je dan aan de vergetelheid van de slaap wordt prijsgegeven, weet dat je veilig bent. Over een huis als een thuis kunnen spreken, is voor veruit de meeste mensen erg belangrijk, misschien wel een van de belangrijkste dingen. Je maakt geschiedenis op zo’n plek en die geschiedenis is meestal ook te zien in je huis. Hoe langer je ergens woont, hoe meer je je verbindt met die plek. De tijd verstrijkt, de herinneringen op die plek stapelen zich op – soms dusdanig dat een huis bijna een heiligdom wordt. Je kunt er vrijmoedig spreken, je kunt er delen, je kunt er hopen, je kunt er dromen, met anderen meestal. Het woord ‘huis’ betekent voor de meeste mensen in ons land, in ons deel van de wereld, geborgenheid en ten diepste vertrouwen. Misschien herinnert het ons onbewust wel aan ons eerste ‘huis’, aan de plek waar we tot leven kwamen, in de baarmoeder, of dan tenminste roept het hetzelfde gevoel op als de armen van je vader of je moeder of je opa of je oma waar je, toen je klein was in werd opgenomen of waar jezelf zocht naar gezelligheid, naar gekoesterd worden, naar vertrouwen.

Wat als dat allemaal niet zo is of maar voor een beetje. Nu alweer bijna twee-en-een-half jaar geleden deed Joel, een jongen met een mooie Bijbelse naam die ook ‘God is goed’ betekent, zijn verhaal tijdens het Regenboogkerstfeest in de Westerkerk. Ik lees voor uit wat hij toen vertelde (en wat ik uit een eerder gesprek met hem vastlegde):


Joel was 19 toen hij zijn verhaal vertelde. Het was allemaal nog maar een paar jaar daarvoor gebeurd. Een hartverscheurend verhaal, tragisch ook, in de onmacht van Joel en van zijn ouders. Overtuigingen kunnen en mogen sterk zijn, maar dit verhaal roept toch de vraag op waarom in dit geval een homoseksuele oriëntatie, zelfs als het om je eigen zoon gaat, zoveel weerstand oproept, schrik vast ook in dit geval, dat ouders vergeten dat de onvoorwaardelijkheid van de liefde voor hun kind voorop zou moeten blijven gaan – diezelfde onvoorwaardelijkheid waarmee God alle mensen zonder onderscheid lief heeft. Het gebeurt niet en Joel ziet geen andere mogelijkheid dan te vluchten van de plek die allang zijn huis, zijn thuis niet meer is. Een verschrikking, ook al is Joel uiteindelijk op z’n pootjes terechtgekomen en woont en studeert hij nu hier in Amsterdam. Ook het contact met zijn ouders is hersteld.

Ik las het u net voor: Joel wil graag delen. Hij wil graag in contact zijn met andere jongeren die iets soortgelijks hebben meegemaakt. Hij wil hen laten weten dat ze niet alleen zijn, hen ondersteunen om toch een gelukkig leven te gaan leiden. Joel sprak vast ook over zijn eigen verlangen. De woorden van Joel raken aan het verhaal dat we uit het Evangelie naar Lucas hoorden, het verhaal over tollenaar Zacheüs. Het verhaal is natuurlijk niet één op één over het leven van Joel te leggen of over dat van andere LHBTI-jongeren en dat geldt ook voor wat we uit het Eerste Testament, uit het boek Jeremia hebben gehoord. Het gaat hier om de hoofdmotieven van beide verhalen: het afgesneden zijn van de gemeenschap, de eenzaamheid van Zacheüs, en de vervreemding die ontstaat in mensen die in ballingschap zijn, die tegen hun wil en met geweld van de plek zijn gehaald die hen vertrouwd was. Zacheüs heeft een huis, maar een thuis is het niet. Hij kan er niets van maken, omdat niemand hem ziet en er dus ook niemand is die een keer zijn gast wil zijn. Het verhaal vertelt dat de mensen afstand van hem houden, omdat hij een tollenaar is en dus geld opstrijkt voor de bezettende macht: de Romeinen. Die norm is zo hoog dat ze allemaal vergeten naar Zacheüs zelf te kijken en te luisteren naar de vragen die hij heeft en naar het verlangen dat hij stil koestert – zo dan maar, omdat hij het anders ook niet zou weten. Zoals zijn leven is, verschuilt Zacheüs zich, als Jezus zijn woonplaats Jericho passeert, in een boom. Maar verschuilen voor Jezus, dat gaat niet. Jezus ziet en doorziet hem en zegt: vandaag wil ik in jouw huis verblijven. Het zou mij niet verbazen als Zacheüs geschokt zo uit de boom gevallen was. Dat iemand hem ziet! Anders dan de mensen doen, veroordeelt Jezus niet. Geen torenhoge normativiteit: zo hoort het, zo doen wij dat, maar een uitgestoken hand en één woord: ik wil met je eten in jouw huis. Jezus herstelt Zacheüs’ vertrouwen en hij herstelt Zacheüs’ relatie met de mensen, met de gemeenschap, door met hem te eten. ‘Ook jij bent een zoon van Abraham,’ zegt Jezus. De mensen, de menigte moet er nog wel even aan wennen. Van alle mensen in Jericho gaat Jezus nota bene bij Zacheüs eten, bij die zondaar. Jezus laat de menigte bij hun in duigen gevallen heilig huis en zit aan bij de mens die niemand had. Zowel in het leven van Zacheüs als in dat van de mensen vindt een transformatie plaats, maar zo anders dan ze hadden gedacht. Mensen die anders zijn, LHBTI-jongeren die zich geconfronteerd zien met eenzaamheid, die afgesneden zijn, omdat ze op straat gekomen zijn, mogen hoop putten uit dit verhaal. De naam Zacheüs betekent ‘de reine’ en Jezus zegt als het ware: draag die naam met ere, want zo heeft God je bedoeld.  Wees wie je bent, doe wie je bent, want alleen zo heeft God je bedoeld en zo mag je meedoen, de relatie herstellen die je kwijt bent geraakt, die je is afgenomen.

De tekst uit het profetenboek Jeremia is ook zo’n woord van hoop. Er zijn nogal wat pagina’s van het Eerste Testament gewijd aan het in ballingschap verkerende joodse volk. Wie had ooit kunnen denken dat het door God uit Egypte bevrijde volk het hun lang beloofde land weer zou moeten verlaten, nu niet weer tot slaaf gemaakt, maar toch opnieuw weer vreemdelingen in een land ver verwijderd van de stad waar ze zo graag zouden zijn: Jeruzalem, dicht bij God in zijn tempel, waar Hij gewoon onder hen woonde. Het Eerste Testament, de Tenach, viert de bevrijding van mensen uit slavernij, maar het is net zo goed een boek over verlangen naar bevrijding, een eind aan vervreemding, hopen op terugkeer, op verzoening, op een vernieuwd leven. De meeste teksten gaan over de vraag hoe het nu toch zover heeft kunnen komen, maar de tekst van vandaag brengt het diepe verlangen ineens heel dicht naar de werkelijkheid. Het gaat gebeuren, er komt een einde aan de vervreemding, je mag terug, een ander mens, nu eindelijk echt aan een nieuw hoofdstuk van je leven beginnen. Wees niet bang. Het ligt voor de hand hier bij de ballingen aan de jongeren te denken die in deze dienst centraal staan, hun vervreemding, wat zij hebben moeten achterlaten, wat hen is ontnomen – maar ik zou het plaatje hier toch graag wat breder willen trekken. Alle betrokkenen zijn hier van elkaar vervreemden, mensen van elkaar weggevoerd zijn in ballingschap, gevangen in de tragiek van een situatie die niemand zo had gewild, ook al zou je dat in eerste instantie niet denken. Niemand hoeft hier gestraft te worden, of om het met de forse woorden uit de Jeremialezing te zeggen: God wil niet dat er ook maar iemand tot nul wordt gereduceerd. God is niet uit op vernietiging. Hij zoekt naar ieders mogelijkheid tot verzoening, naar een plaats voor iedereen onder het dak van de wereld dat Hij voor álle mensen geschapen heeft. Zo wil Hij onder mensen wonen en niet anders. Het kan daarbij wel zo zijn dat de een in het zoeken en vinden van die verantwoordelijkheid tot verzoening iets harder zijn best moet doen dan de ander. Dat wel…

Amen

17 april

Overweging Pasen
ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Johannes 20:1-18


Inleiding op de Schriftlezing

Al maanden lezen we in de Oranjekerk uit het evangelie van Johannes. De afgelopen week zoomden we in op de laatste dagen van Jezus’ leven, hoorden we wat Hij zijn leerlingen meegeeft. Namelijk de opdracht om elkaars dienaar te zijn en de boodschap de vrede van God te blijven zoeken. En Hij geeft het voorbeeld wat de liefde van God voor mensen inhoudt, namelijk trouw zijn aan mensen. 

Jezus wijkt niet af van waar Hij voor staat, zelfs niet als dat zijn dood betekent. Hij verkondigt met zijn leven de boodschap van God dat de macht over jou niet ligt bij wie zich groter en verheven voelen boven anderen, mensen die menen over jou te kunnen beschikken, want God is er ook nog. Rechtvaardigheid, medemenselijkheid, dat iedereen telt, dat heeft bestaansrecht. God heeft de vrijheid en het leven van ieder mens op het oog.

Johannes vertelt zijn evangelie zo dat hij telkens verwijst naar wat komen gaat, dat zichtbaar zal worden dat Jezus werkelijk Zoon van God is, door Zijn dood én opstanding. Wij als lezer van het evangelie, weten dat. Maar Maria weet het nog niet. Zij weet alleen van de dood. Zij heeft alleen nog het dode lichaam van Jezus dat ze kan bezoeken, tenminste, dat denkt ze, daar gaat zij vanuit. 

Overweging

1. Gemeente van de opgestane Heer,

Voortschrijdend inzicht, zo zou je het wel kunnen noemen, wat er gebeurt bij het graf. Als Maria aankomt, ziet ze dat de steen van het graf is weggehaald, de geliefde leerling die komt aanrennen ziet de linnen doeken liggen en Petrus gaat het graf binnen en ziet dat de hoofddoek opgerold is en apart ligt. Voor de geliefde leerling is dat een teken en hij gaat geloven. 

Maria is nog niet zover. Zij zoekt verder, vraagt eerst aan de engelen in het graf en later aan de tuinman, waar Jezus kan zijn nu Hij blijkbaar is weggehaald.

Maria zit vast in haar gedachte dat bij alles wat ze al verloren heeft, nu ook dit laatste haar is afgenomen, het lichaam van Jezus. Een andere mogelijkheid ziet ze niet. En dat is niet gek, want in tijden van groot verdriet en rouw heb je amper ruimte om anders naar dingen te kijken. 

Maria komt niet op het idee dat Jezus niet is weggehaald maar is weggegaan, en dus ook weer terug kan komen. Ze ziet het niet voor zich. Als ze omkijkt ziet ze enkel een tuinman. Pas als ze haar naam hoort, Zijn stem, keert ze zich helemaal om en herkent ze Hem. ‘Rabboeni, meester’. 

Blijkbaar omhelst ze Jezus want Hij zegt tegen haar: ‘Houd me niet vast’ want Hij hoort niet bij haar, maar zij hoort bij Hem, zoals alle leerlingen bij Hem horen en bij zijn Vader, hun Vader en bij Zijn God, hun God. Wat Maria heeft gezien en gehoord dat moet ze gaan vertellen. En ze doet het ‘Ik heb de Heer gezien!’ zegt ze.

Het is anders dan ze voor mogelijk hield toen ze aankwam bij het graf. 

Deze werkelijkheid zag ze pas toen ze zich omkeerde. Toen ze zich aangesproken wist. Bij haar naam geroepen werd. 

Opnieuw blijkt dat God van een andere orde is. 

De woorden van de Bijbel, Jezus zelf, dat kan niet van je worden afgepakt. Want het is niet van jou, het ligt niet binnen de macht van mensen. Die woorden waaruit leven spreekt, God zelf onder ons, daar kan geen mens iets aan afdoen. Dat is van God. 

Het kan uit beeld raken, je in verwarring brengen, je kunt er afstand van nemen, het kan uit de tijd lijken, maar het houdt niet op te bestaan. Het Woord kan je ook weer tegemoet komen. Je aanspreken. Zoals Jezus Maria aanspreekt, haar tegemoet komt.

2. Toen ik de afgelopen dagen nadacht over deze paaspreek en het afscheid vandaag, schoot mij dit verhaal te binnen dat ik vertelde bij mijn intrede op 12 september 2010: 

In de Talmoed staat een verhaal over een koningszoon die was weggelopen.

Men zei: ‘Ga terug naar je vader’.

De zoon zei: ‘Dat kan ik niet’.

Toen stuurde zijn vader hem een boodschap:

‘Kom zo ver als je kunt terug, dan kom ik jou de rest van de weg tegemoet’.

Het hangt niet allemaal van ons af. Niet van wat wij vatten kunnen, begrijpen kunnen. 

Wat mij geraakt heeft de afgelopen jaren en ook weken hier in de Oranjekerk zijn de  gesprekken met velen van jullie die gingen over onzekerheid over het eigen geloof, of dat wel genoeg is. Een onzekerheid die ik herken.

Zoveel vragen die er leven, twijfels, niet uit de voeten kunnen met de oude dogma’s en beelden en dan te zien of te denken dat anderen dat wél allemaal kunnen. Wél geloven.

Als ik kijk naar de Bijbel, dan valt mij op hoeveel twijfel en ongeloof daaruit spreekt, bij de aartsvaders, in de psalmen en in de evangeliën van Jezus’ leerlingen zelf, zij die erbij waren. Tot aan het graf toe vatten ze het niet. Niet geloven ligt telkens meer voor de hand dan wel geloven.  

Ja, Maria heeft Jezus gezien en ook in onze tijd zijn er mensen die daarvan getuigen. 

Anderen, de meesten denk ik, moeten het hebben van horen zeggen.

Van de Heer niet voor je zien, maar toch vertrouwen. 

Van niet uit je woorden kunnen komen als het aankomt op zeggen wat je gelooft, maar ondertussen je geroepen weten te doen wat recht doet aan mensen. 

Van je aangesproken weten door verhalen, liederen, momenten die ons doen omkeren naar iemand die een beroep op ons doet, maar niet zeker weten of dat nou geloven is. 

Van weinig houvast over hebben en toch niet loslaten, blijven zoeken naar Hem.   

3. Priester Hildo Bos wijst in zijn paasgroet op de opstanding van Christus als levende realiteit die elke porie van ons leven hier op aarde kan vervullen met vreugde en betekenis. 

Het Koninkrijk van de opgestane Heer kan doordringen tot in elke cel van ons bestaan . 

In zijn woorden lees ik dat wij niet ruimte open moeten laten voor God, maar oor en oog moeten hebben voor al die plekken waar God ís. God is overal, behalve in zijn graf. 

Maria, hoort het eerst en ziet het dan. Zij kan Jezus niet vatten, dat moet ook niet, laat dat maar los, zegt Hij. Vertel wat je hebt gezien en gehoord, dat voortschrijdend inzicht in hoe God van een andere orde is, je levend voor ogen kan staan, je onverwacht in iemand tegemoet kan komen, Zijn stem in jou kan doen klinken, jou bij name riep. 

Pasen dat is loslaten wat je niet vatten kan en je bevrijd weten van wat benauwt, 

het is leven van de hoop, ruimte zien voor vreugde en daar anderen in mee willen nemen. 

En ja, dat mag gerust in de vorm van een dans. 

Amen


10 april

Overweging Palmzondag

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Johannes 12: 12-19


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag is de 6e zondag van de veertigdagentijd voor Pasen. De afgelopen weken lazen we hier in de kerk telkens hoe Jezus op weg is met zijn leerlingen naar Jeruzalem, naar de tempel waar het Joodse Pasen gevierd zal worden, het feest van bevrijding. Op die weg vertelt Jezus de mensen over God en laat zien wie God is. Daardoor komt Jezus telkens in conflict met de leiders van het volk en de religieuze leiders. Want Jezus legt als Joodse leraar de woorden van God die in de Bijbel staan zo uit, dat ze van alles teweeg brengen onder mensen. Hij geeft mensen die uitgesloten worden een plek en mensen die niet gehoord worden een stem. En daarmee schopt Hij de sociale orde in de war, ondermijnt het gezag van de leiders.
Jezus is heel regelmatig te vinden in het dorp Bethanië, letterlijk het ‘huis van de arme’. Daar heeft Hij zijn vriend Lazarus, die dood was gegaan, tot leven gewekt. Hij deed dat om te laten zien wie God is en hoe bij God opstanding en leven te vinden is. Door de opstanding van Lazarus gaan veel mensen in Jezus geloven. Het doet de hogepriesters en de Farizeeën, dat zijn Schriftgeleerden, besluiten dat Jezus dood moet.

De opstanding van Lazarus is een voorteken van wat komen gaat. En als even later Maria, de zus van Lazarus, de voeten van Jezus zalft met kostbare nardusolie, olie die gebruikt wordt om het lichaam van een dode te balsemen, dan spreekt Jezus ook openlijk over zijn begrafenis die komen gaat.

Dit alles gebeurt in de dagen voor het feest van Pasen, het feest waarbij de Joden (tot op vandaag) gedenken en vieren dat God hen bevrijdde uit de slavernij in Egypte en dat zij niet langer als slaven hoeven leven. Het Woord van God, waaronder de tien geboden, geeft richting om in vrijheid en verbondenheid te leven.

Dus dit is wat er speelt: 1. het Joodse Paasfeest is nabij, 2. steeds meer mensen zijn in Jezus gaan geloven omdat ze zien hoe Hij mensen nieuw leven geeft en 3. de religieuze leiders zijn bang voor wat die menigte aan ordeverstoring teweeg brengt en zij beramen plannen om Jezus definitief het zwijgen op te leggen.  


Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Palmzondag is een feestdag met een dreigende ondertoon. Pasen is in zicht, maar de bevrijding die daaruit spreekt, wordt bedreigd. Opstanding uit de dood is iets om feestelijk te vieren, een bron van leven en vertrouwen, maar het staat haaks op hoe de wereld in elkaar zit.
Dat was in de tijd van Jezus zo en dat is ook nu.
In Israël dat wordt bezet door de Romeinse macht lijken de religieuze leiders te bevestigen dat dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn en je beter niet kunt morrelen aan de bestaande verhoudingen. De bevrijdende woorden en daden van Jezus zijn van een andere orde en vormen daarmee een bedreiging. En dus moet Jezus dood.

Deze week waarin we toeleven naar Pasen, staan ook wij oog in oog met onmenselijke toepassing van regels en bedreiging van het leven van wie kwetsbaar is. Oorlog, machtsmisbruik, armoede, politieke spelletjes, mensen vermorzeld in procedures.

De mensenmassa die Jezus tegemoet gaat om hem feestelijk binnen te halen heeft gelijk, zij juichen toe wat Jezus heeft laten zien namelijk dat God er ook nog is. Rechtvaardigheid, medemenselijkheid, dat iedereen telt, dat heeft bestaansrecht. Daar willen we in geloven. Dat het niet allemaal verloren is en zal blijven zoals het is, maar dat verandering in de wereld mogelijk is. Zodat wie arm is wel een plek aan de tafel krijgt. En dat wie ten dode opgeschreven is, leven vindt.

De mensen herkennen in Jezus iemand die hen bevrijdt. En ze overladen Hem met lof, eer en glorie. Ze halen Jezus binnen als een koning door met palmtakken te zwaaien en Hem ‘koning van Israël’ te noemen.

Al eerder hebben de mensen Jezus koning willen maken, iemand die voor hen de strijd zal aangaan tegen de machthebbers van de tijd.
Maar net als Jezus’ woorden is ook Jezus zelf van een andere orde.
En dat laat Jezus zien door op een ezel te gaan zitten. Een ezel dat is geen hoogwaardig voertuig en daar win je geen oorlog mee. De ezel hoort bij een nederige koning, die staat voor rechtvaardigheid en vrede. (Zacharia 9: 9-10) Een ezel daarop zit je op ooghoogte met mensen.

Het is de zoveelste keer dat Jezus laat zien dat de Bijbel geen stok is om mee te slaan en ook geen zwaard is om mee te vechten, maar een Woord dat mensen recht doet, ieder mens, de hele wereld, omdat God niet over mensen heen kijkt, maar ieder mens ziet.

Je zou hopen dat Jezus de mensen die onderdrukken eens flink de waarheid vertelt, maar zo gaat het niet. Hij laat het zien voor wie er oog voor heeft en het wil verstaan. Een andere houding, een ander verhaal.

Wat heb je aan Pasen, wat heb je aan Jezus, als daarmee de wereld niet verandert?
De Farizeeën zien wat er wél verandert: de mensen, die opstaan en Jezus volgen. Die met andere ogen kijken naar wat of Wie in de wereld het meest stem moet krijgen.

En laten we wel wezen: wij zijn in deze wereld, wat krijgt het meeste stem in ons?
Kunnen wij ermee instemmen als sociale structuren open breken en stem krijgen wie eerder niet gehoord werden en daarmee onze vaste positie of overtuiging misschien op losse schroeven komt te staan?  

2. Palm- en Passiezondag heet het vandaag. En hoewel er passie genoeg is…, verwijst Passiezondag naar het lijdensverhaal van Jezus dat van oudsher op deze zondag al wordt gelezen. Denk aan de Mattheuspassion, die Bach voor deze zondag schreef.

Palmzondag heeft de ondertoon van Jezus’ lijdensweg, die Jezus wel moet ondergaan omdat Hij niet wil wijken van zijn boodschap dat bij God leven te vinden is ook als je geen leven hebt en dat God doorgang geeft ook als mensen dat met man en macht willen verhinderen.

Van een triomfantelijke intocht is geen sprake, daarvoor is de nood van de mensenmassa die Jezus tegemoet komt, te groot. Zij willen dat Jezus hun redt. Jezus deinst niet terug voor het beroep dat de mensen op Hem doen, maar Hij stapt wel af van de machtspositie die ze hem willen toekennen in de wereld.
Jezus ontleent zijn positie aan wat God vraagt, mens te zijn onder mensen, betrouwbaar en rechtvaardig.

Dat is een boodschap om gehoord te worden. Daarvoor komen we naar de kerk.
Ook als je in eerste instantie komt voor het feest. Het huwelijksfeest. Want, het is jullie keuze, Edith en Cneel, om de zegen over jullie huwelijk te vragen in deze gewone zondagse dienst. Omdat dit de plek is waar Edith al 35 jaar komt. Een plek waar je saamhorigheid ervaart en je opgenomen voelt in het geheel.
Een plek waar je steun vindt bij wat moeilijk is en machteloos maakt. En waar je trots op bent omdat hier plaats is voor ieder mens.

Het geloof, dat je je ten diepste geborgen weet, is voor jou de basis waaruit jij leeft.
En nu je iemand gevonden hebt die je ziet zoals je werkelijk bent en die jouw geloof koestert als wezenlijk onderdeel van wie jij bent, nu is dat geloof meer dan alleen van jou van waarde geworden.
Cneel, jij zei, het doet ook wat met mij. Je ziet wat het voor Edith betekent en het heeft je vredelievender gemaakt naar anderen.
Het maakt ook dat dit dé plek is waar jullie met anderen willen delen hoe jullie niet alleen samen in liefde en trouw verder willen gaan maar ook hoe jullie in het leven willen staan.
Jullie willen recht doen aan wie de ander is, zorg dragen voor wie op jullie pad komt en je daarbij laten inspireren door de verhalen en voorbeelden uit de Bijbel.
Zo samen op weg te gaan, daar rust zegen op.

3. Het is feest, in Jeruzalem en in Amsterdam. Dat staat voorop.
En tegelijkertijd betekent dit feest zoveel meer dan alleen maar vreugde.
Want we weten ook van de nood van mensen in deze wereld en het lijden van Jezus dat we deze week op de voet zullen volgen. We noemen het in onze gebeden. We nemen het mee in ons leven van alledag.
Ons vieren vandaag kan daarom zowel een beamende blijdschap als een hoopvolle verzuchting zijn: God is er ook nog.
Amen. 

6 mrt

1e zondag Veertigdagentijd

Jantine Heuvelink

Schriftlezing Johannes 11: 55 – 12: 11


Inleiding op de Schriftlezing
Twee weken geleden lazen we het verhaal over de opwekking van Lazarus. Lazarus en zijn zussen Maria en Martha wonen in Bethanië, in het huis van de Arme, vlakbij Jeruzalem. Jezus is bevriend met hen. In dat verhaal zegt Jezus ‘Ik ben de opstanding en het leven’. Alle drie, niet alleen Lazarus die dood is, maar ook Martha en Maria, staan op en gaan leven door hoe Jezus hen aanspreekt.
Wat we niet lazen is dat het verhaal eindigt met de hogepriesters en de Farizeeën die in Jezus een gevaar zien omdat zoveel mensen in hem gaan geloven. Zij willen Jezus doden. En daarom vertrekt Jezus met zijn leerlingen naar de woestijn.
Op dat punt begint onze lezing vandaag. Al snel is er sprake van een maaltijd. Aan tafel zijn Jezus en zijn leerlingen en Lazarus. Martha bedient en Maria dient op haar eigen manier. (zie ook Luc 10: 38-42) In die nabije kring aan tafel ontstaat onbegrip en afstand door wat Maria doet.
Wat ik hoop is dat we juist vandaag die hele kring aan tafel willen zien en erbij houden.
Daarom bidden we om Gods Geest, die niet verdeelt maar bijeenhoudt.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Als het zo dichtbij komt, de dreiging van dood, van gevaar, de poging van mensen met macht om die te behouden en de bereidheid om daarvoor over lijken te gaan. Wat doe je dan?
Wat kun je in je eentje in je eigen huis doen als je weet dat er verderop plannen beraamd worden die ook jou zullen treffen en dat waar jij in gelooft en wie jij liefhebt in gevaar zal brengen?

Maria doet iets ongelooflijks.
Ze geeft het kostbaarste wat ze heeft en zichzelf erbij aan waar ze in gelooft, in Wie zij gelooft. Zij bevestigt Jezus, erkent openlijk wie Hij is, de Gezalfde, en welke weg Hij zal gaan, die van lijden en dood. Met overvloed zalft zij Jezus’ voeten. Duur, rijkelijk is de nardusolie ook wel bekend als mirre. Zo kostbaar als het geschenk waarmee de magiërs uit het Oosten eens aankwamen in Jeruzalem op zoek naar het Koningskind (Matt 2). Hij was daar, in het centrum van de macht, niet.
Zo geurig als waar in het Hooglied de bruid haar bruidegom telkens mee bezingt (Hooglied 1:3, 1:12), de mirre druipt daar van liefde en lichamelijkheid (5,5).

‘De geur van de olie trok door het hele huis’, misschien ruikt u dat?

Bij de Bijbelkring vorige week stelde ik de vraag naar wat een dierbare geur is. Lavendel, koffie, de parfum van mijn moeder, vrieskou in de lucht, de nestgeur van thuis, het kwam allemaal langs. Geuren waaraan dierbare herinneringen zijn verbonden. Kostbaar, lieflijk, rijkelijk.

Maar past het in deze tijd om daar bij stil te staan?
De werkelijkheid is dat Maria heel goed weet wat er staat te gebeuren. ‘Zij doet dit voor de dag van mijn begrafenis’ zegt Jezus. Maar niemand gaat daarop in. De dreiging klinkt aan alle kanten. Niemand heeft het erover. Alleen Maria verbeeldt wat komen gaat.

Judas is haar tegenbeeld: niet de dreiging en de Mens die gezalfd wordt, hebben zijn aandacht,  maar de kostprijs van de mirre, wel een heel jaarsalaris, en de theoretische vraag of dat geld niet aan de armen had moeten worden besteed.

Dit is het moment voor ons om Judas erbij te houden. Hij is één van de leerlingen, hij zit aan tafel, hoort in de kring bij Jezus. Hij is geen vreemde, geen buitenstaander, hij is één van hen, één van ons. En hij verwoordt deze stem: ‘is dit niet overdreven, is dit nu wel nodig’. Zijn houding is die van afstand, van objectiviteit, van eigen belang. Van afwegen, doorrekenen.

De vraag die Judas stelt is niet gek en Jezus gaat ook serieus op die vraag in. Ook al zegt de evangelist Johannes dat Judas andere bedoelingen had, dan nog is dit een vraag die ook wij zouden kunnen stellen, niet waar? Je kunt geld maar één keer uitgeven. Ook voor een goed doel.

Het antwoord van Jezus lijkt wel gek en vraagt om goed lezen. Jezus zegt ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; de armen zijn immers altijd bij jullie, maar Ik niet.’
Het is een antwoord dat we gemakkelijk misverstaan. ‘De armen zijn immers altijd bij jullie’ komt uit het boek Deuteronomium waar het gaat over het beloofde land waar niemand tekort zal komen als iedereen zich houdt aan het woord van God. Omdat toen al en nu nog steeds wij ons niet houden aan dat Woord, staat er vervolgens ‘Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.’ (15:11)
Jezus zegt dus eigenlijk: armen daar moet je sowieso voor zorgen, permanent, consequent. Daar is geen uitruil op mogelijk. Maar Maria doet meer dan dat, Jezus die solidair is met de armen daar in Bethanië, die beter dan wie ook weet wat zij nodig hebben, die net als hen geen recht van bestaan heeft in de ogen van de machthebbers, Hem komt dit toe.

Judas wil dat niet zien, de armen niet, het gebaar van liefde niet, Jezus niet.

2. Maria geeft alles wat ze heeft en wie ze is en ze weet aan wie ze het geven moet.
Ik moest daar deze week aan denken, want je voelt dat je wat moet doen in deze tijd. Ik zie op Facebook collega’s die gebedsmomenten organiseren en zoveel mensen die zich inzetten om hulp te bieden. Grote, zichtbare gebaren. Ik moet zeggen, zelf weet ik nooit zo goed wat te doen.

Maria met haar kostbare gebaar vol overgave, kosten nog moeite worden gespaard, staat tegenover Judas die wel een mening heeft maar geen enkele verantwoordelijkheid neemt en niet gevoelig is voor wat er speelt. En waar staan wij?

Mij valt op dat Maria niets te verliezen heeft. Wat zij geeft, is zij niet kwijt, de dure olie besteedt zij precies aan wat haar alles waard is: Jezus die laat zien dat in Hem leven en opstanding te vinden zijn. Jezus heft het lijden en de dood niet op, maar laat zien dat het leven met God en de liefde van God daarvoor niet wijken. Jezus biedt Maria toekomst, ook al hangt Zijn dood al in de lucht.

Waar Maria niets te verliezen heeft, komt het mij voor dat Judas oftewel ‘die van Judea, die van de tempelreligie’ niets te geven heeft. Hij heeft geen idee wie die armen zijn over wie hij het heeft, anders zou hij Die aan tafel wel herkennen. Hij heeft geen gevoel voor het gebaar dat Maria maakt, geen genegenheid voor de liefde die daaruit spreekt. En ondanks de geur van mirre in huis en Jezus’ aankondiging van Zijn dood heeft Judas geen oog, geen oor, geen neus voor wat er werkelijk op het spel staat, een zaak van leven of dood, van met Jezus mee of van God los.

3. Weer brengt Maria lijfelijkheid in net als toen ze aan Jezus’ voeten zat. Nabijheid en overgave laat zij zien. Alle zintuigen doen mee. Aanraking en geur, luisteren en zien. (kunstwerk)
Judas blijft op afstand en laat zich niet raken. En daarmee ontgaat hem de mens die voor hem staat: kwetsbaar, afgeschreven, God zelf.

Maria heeft niets te verliezen, want zij weet wat van eeuwigheidswaarde is.
Judas heeft niets te geven, want hij ziet de ander niet.
En ik? Ik weet niet goed wat te geven en ben bang om te verliezen.
 Wat is dan nu evangelie, goed nieuws, voor u, voor mij?
Ik denk dit: dat we weten dat we kunnen kiezen. We kunnen kiezen om met de vingers in de oren en ogen dicht heel hard ‘lalala’ te zingen of een mening de wereld in te gooien. Of we kunnen kiezen voor ogen en oren open, luisteren en de ander willen zien. Zien wie lijden en weten dat God daar niet ver van staat. Daar bij blijven.
En zo getuigen dat goedheid sterker is dan ’t kwade, liefde sterker dan haat.
Licht sterker dan duister, leven sterker dan dood. (Lied Iona 17, tekst Desmond Tutu)
Jezus is daarmee begonnen. Daar ligt onze hoop, kome wat komt. Amen

20 feb

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 11:1-44    


Inleiding op de Schriftlezing
Het alternatieve leesrooster plande voor elke zondag van februari een gedeelte uit Johannes 11. Omdat dat verhaal zich moeilijk op laat delen, lezen we vandaag één lang stuk.
Boven dit hoofdstuk staat als titel ‘Lazarus uit de dood opgewekt’. Eerlijk gezegd waag ik het te betwijfelen of dat het centrale punt is van het verhaal. Dichter bij de kern komt denk ik de uitspraak die Jezus doet ‘Ik ben de opstanding en het leven’ of hoe Maria en Martha in die woorden geloven.
Het verhaal vindt plaats in Bethanië, letterlijk ‘Huis van de arme’. Het is een plaats vlakbij Jeruzalem waar Jezus vaker te gast is. Hij is bevriend met de zussen Maria en Martha en hun broer Lazarus. Lazarus betekent zoals gezegd ‘God helpt’.

De opwekking van Lazarus uit de dood loopt uit op het lijdensevangelie van Jezus. Daarom lezen we het voorafgaand aan de veertigdagentijd. Van het lijdensverhaal weten we dat het zal uitkomen bij opstanding uit de dood, Pasen. Het verhaal van vandaag heeft veel gelijkenis met Johannes 20, het Paasverhaal en dat is niet toevallig. Het is een opmaat voor Pasen.
Na de lezing zingen we het Lied van Lazarus, een nieuw lied van Sytze de Vries.  
Nu eerst zingen we het gebed om de Geest.

Overweging
1. Geliefde broeders en zusters van Jezus Christus,

Deze aanhef lijkt mij vandaag van toepassing.
Want dit is het uitgangspunt: de liefde van Jezus voor zijn naasten in het Huis van de Arme. Daarom is het ook zo opvallend dat Jezus niet meteen komt, als Hij hoort dat zijn vriend Lazarus is gestorven. Pas na twee dagen komt Hij, op de derde dag. En dat is dan weer niet vreemd. Jezus komt niet op de tijd van mensen, maar de tijd van God.
Want om God gaat het, zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Het gebeuren rond Lazarus loopt niet uit op zijn dood, maar op de eer van God en van zijn Zoon.  

Voor ons is dit een goede leeswijzer, het gaat dus behalve over dood en leven, ook of vooral over wie God is en Jezus in dit verhaal. Dat alles komt samen in wat de tekst zegt over opstanding uit de dood. Dat is iets van hier en nu: van de ontmoeting met Jezus.

Kijk maar naar de ontmoeting tussen Martha en Jezus. Als Jezus zegt dat haar broer zal opstaan uit de dood, antwoordt Martha ‘Ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’
Maar Jezus zegt: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven’.

Ik ben de opstanding en het leven’ dat is de vijfde ‘Ik ben’ uitspraak van Jezus waarvan er zeven voorkomen in het Johannesevangelie. IK BEN, daarin horen we de naam van God. De ‘Ik ben’- uitspraken gaan dan ook allereerst over wie God is. En dat is het beste in beelden te begrijpen (Ik ben de goede herder, Ik ben de ware wijnstok, Ik ben het licht der wereld).  
Elke ‘Ik ben’- uitspraak die Jezus doet, is verbonden met een teken, waaruit blijkt hoezeer Jezus in wezen één is met God. Denk aan de wonderbare broodvermenigvuldiging die verbonden is met de naam ‘Ik ben het brood des levens’.
Nu zegt Jezus ‘Ik ben de opstanding en het leven’ en het teken dat daarbij hoort, is de opstanding van Lazarus. Maar voordat het zover is, vraagt Jezus om geloof.
‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ En Martha zegt ‘Ja, Heer, ik geloof dat U de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’

Martha ziet het ineens voor zich, in Jezus ontmoet ze God. En in die ontmoeting is leven en opstanding meer aanwezig, meer waar, dan de dood. Ze vertrouwt wat Jezus zegt.
Net als Maria die, wanneer ze geroepen wordt, letterlijk opstaat en naar Jezus toegaat en zich aan zijn voeten werpt, die ze later zal zalven. Ook zij vertrouwt zich aan Jezus toe.

Ondertussen is Lazarus nog steeds dood. En dat is iets waar Jezus niet mee kan leven. Als de mensenmassa weeklaagt, ergert Hij zich dood en Hij huilt.
Jezus legt zich niet neer bij de werkelijkheid die de omstanders lijken te beamen, dat het allemaal afgelopen is met de dood, dat er geen toekomst is. Het tegendeel is waar, er is wel doorgang en wel toekomst bij God en dat moeten de mensen weten. Jezus maakt die naam van God ‘Ik ben de opstanding en het leven’ waar met een teken. Hij roept Lazarus uit het graf: ‘Kom naar buiten!’ Zijn woorden doen denken aan Exodus, de uittocht uit Egypte. Bevrijd, losgemaakt moet Lazarus worden. En dat gebeurt.

2. In dit verhaal over de opstanding van Lazarus komen de fysieke dood, die stinkt, en de dood als leven zonder God bij elkaar. Alle omstanders zien hoe Jezus als Zoon van God, die het leven schept en bevrijdt uit de dood, een dode terugroept in het leven.
Hij heeft mij uit mijn graf gered,
mijn nacht ontbonden,
mij onomwonden
opnieuw op weg gezet.
De stemloze Lazarus krijgt deze woorden door Sytze de Vries in de mond gelegd.

Hoe is dit evangelie goed nieuws voor ons vandaag?

Mij valt op dat dood en leven zoveel meer betekenis hebben in dit verhaal, dan hoe wij het vaak verstaan. Dood verliest de betekenis van definitief. Dood slaat ook op de situatie waarin de mens geen gehoor geeft aan de stem van God die roept. Situaties waarin mensen zich neerleggen bij hoe het nu eenmaal gaat in dit leven. Geen vertrouwen hebben in toekomst. Geen oren hebben naar woorden van hoop. Maar dat kan veranderen.
Je kunt zeggen dat alle mensen in dit verhaal in de aanwezigheid van Jezus opstanding en leven vinden. Maria en Martha komen beiden in beweging door hoe Jezus hen roept en aanspreekt. En ook over de omstanders staat verderop dat velen tot geloof komen.

‘Ik ben de opstanding en het leven’ dat betekent dat uiteindelijk het laatste woord bij God ligt, bij verbonden zijn in liefde en leven, bij geroepen worden bij je naam.
Meer dan het geroepen worden bij zijn naam heeft Lazarus niet nodig om te gaan leven.

Als dat ‘gaan leven’ en ‘opstaan uit de dood’ nou de kern is van dit verhaal en zelfs van het hele evangelie, hoe kunnen wij dan tegemoet komen aan deze oproep, aan Jezus?
Martha spreekt een belijdenis uit, Maria werpt zich aan Jezus’ voeten. Lazarus staat op. En wij?

Voor mij heeft het alles te maken met kyrie en gloria.
Kyrie, letterlijk de roep aan God om te helpen, nabij te zijn, gaat om de wereld waarin we ons bevinden, die stinkt, die radeloos maakt en duister is. De situatie van Lazarus.
En gloria dat is die eer van God, die volgens Jezus zal blijken uit wat Lazarus overkomt, maar die ook al eerder blijkt in hoe mensen opstaan. Dat is weerwoord, dat is opstanding als antwoord op de roep om hulp, het geloof dat er meer te zeggen is dan ‘einde verhaal’ of ‘zo gaan die dingen nou eenmaal’, dat is vertrouwen dat omkering mogelijk is, hier en nu.  

Blijven bewegen tussen kyrie en gloria, dat betekent voor mij telkens weer opstaan uit wat dood is of klein houdt. En wat nou als dat niet lukt? Als we vastzitten, geen uitweg zien? Zoals Maria die blijft zitten waar ze zit? Uiteindelijk roept haar zus haar.
Een stem die roept, daar begint het telkens mee bij God.
Die stem horen, die stem vertolken, die stem ons te binnen zingen. Zullen we dat doen?  Amen.

6 feb

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Lucas 5: 1-11


Inleiding op de schriftlezing
Vandaag is de laatste zondag na epifanie, de tijd van verschijning, de tijd waarin we lezen hoe Jezus in de wereld zichtbaar wordt als Zoon van God. Vandaag lezen we opnieuw over de roeping van de leerlingen, net als twee weken geleden, maar nu zoals Lucas dat beschrijft.  
Uit het Lucasevangelie lazen we ook in de tijd van Advent. U herinnert zich misschien nog de verhalen over Zacharias en Elisabeth en over Maria en haar lofzang dat ging over dat er met de komst van dat kind van alles zou omkeren.
En dat gebeurt ook. Jezus keert alles om. Hij geneest mensen, wijst ze nieuwe wegen, vertelt ze over God. Vandaag horen we dat de mensen zich opdringen aan Jezus omdat ze meer van hem willen weten. Daarom gaat Jezus in een boot zitten om op een afstand van de oever de mensen te kunnen vertellen over God. Als Hij klaar is met spreken, keert Hij zich naar de visser, de eigenaar van de boot. Deze Simon krijgt een vreemde opdracht, vangt een grote hoeveelheid vis, schrikt daarvan, knielt neer, wil weg, maar zal uiteindelijk met een nieuwe naam en een andere taak Jezus volgen.     

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd? – deze zin staat op het geboortekaartje van Ebba.

Als er iets door elkaar gegooid is in deze tijd van corona dan is het in mijn ervaring het tijdsbesef. Wanneer zaten we voor het laatst nou zo bij elkaar: in de kerk met ook de kinderen en de tieners? Wanneer ging mijn gezin voor het laatst mee naar de kerk?
En tegelijk – waar blijft de tijd, kijk naar de kinderen hoe ze zijn gegroeid.
Of de tijd ons nu stil doet staan, ons in beslag neemt, of ons door de vingers glipt– ze gaat door. Als eb en vloed, als kinderen die groeien. Als tijd die niet verloren gaat.

Vandaag brengen jullie, Marjolein en Arne, Ebba de wereld in. Vanuit de cocon van jullie gezin, maandenlang zo klein en kwetsbaar, is het nu tijd voor deze volgende stap: Ebba laten zien aan de wereld waarin ze haar weg zal gaan en waarin ook geloof een plek heeft. Dit willen jullie haar meegeven: deze gemeenschap waar ze bij hoort, deze plek om te leren wat van waarde is en waar je kunt ontdekken wie God is.
 
2. Als Jezus de wereld ingaat en de mensen vertelt over God dan legt Hij uit hoe God ruimte schept om te leven en wil dat mensen elkaar die ruimte geven. Jezus laat dat woord ook in de praktijk zien door mensen te genezen.
Vandaag gaat het ook over woord en praktijk, rondom de roeping van Simon. Jezus stapt bij Simon in de boot. En als Hij de mensen heeft verteld over God, dan is Simon degene die met dat woord van Jezus aan de slag moet gaan.

Simon krijgt de onlogische opdracht om naar het diepe water te gaan en daar vangt hij onvoorstelbaar veel vis. Zoveel dat de andere vissers moeten helpen om het binnen te halen. Wat dit teweegbrengt bij Simon staat in één zin beschreven:
Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op zijn knieën voor Jezus neer en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens.’

Op het eerste gehoor klinkt dat gek, stuurt Simon nu Jezus weg?
Ik denk dat we het zo moeten lezen: Simon ontdekt wie Jezus is, ‘Heer’ zegt hij. Hij ziet dat Jezus van God komt en gaat direct op zijn knieën. Hij kijkt op naar Jezus en omdat hij weet dat hijzelf alles behalve goddelijk is, noemt hij zichzelf een zondig mens. Niet omdat hij een fout mens is, maar hij is maar gewoon. Dus dat hij, Simon, ineens met Jezus in één boot zit, dat kan toch niet – ga toch weg, man, hou op met me!

Maar Jezus gaat niet weg. Die afstand die Simon creëert, past niet bij wat Jezus wil. Jezus heeft deze mens nodig. Simon is de eerste en echt niet de beste, maar wel iemand met wie Jezus op weg wil, op wie hij bouwen kan, Petrus, rots.

3. En dat brengt ons bij de tweede veelzeggende zin in deze tekst: Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen.’
Nu zijn wij het misschien die willen zeggen ‘ga toch weg’. Want dat ‘mensen vangen’ klinkt ons benauwd en niet oké in de oren.
Dat is reden temeer om goed te kijken naar wat hier eigenlijk staat.

Allereerst staat er ‘Wees niet bang’. Als Simon God herkent in wat er gebeurt schrikt hij, net zoals Zacharias en Maria en de herders schrokken toen een engel aan hen verscheen. Net als toen klinkt ook hier ‘Wees niet bang’ want ‘jazeker, ik ben aan het goede adres, jou heb ik nodig’. Nu is het aan deze gewone visser om te vertrouwen op wat God met hem voorheeft.

En dat is dit: ‘voortaan zul je mensen vangen.’
Het is een verwarrende vertaling van het Griekse woord dat hier staat. Want er staat zoogrein, en dat is vangen waarbij zoo- Zoo-dierentuin-leven het doel is. Het gaat hier letterlijk om vangen om in leven te houden. (Jozua 2:13, 6:25).
Jezus roept Simon om dat te doen dat wat Jezus ook zegt en doet.
Als Jezus het Woord van God uitlegt aan de mensen, dan leert Hij hen over bevrijding, over God die mensen ziet in hun ellende, en recht doet aan wie ongezien zijn, God bij wie de eersten de laatsten worden, en de goede schepping er is voor alle mensen.
Op het woord van Jezus vist Simon in de diepte van het meer en raken de netten en boten overvol vis. Het is een teken van de overvloed die van God komt.  
En het wordt ook een teken van wat de leerlingen in navolging van Jezus moeten doen: ze moeten mensen in het diepst van hun ellende opzoeken en daarvan redden. Want de diepte van het water waar Simon naar toe moest gaan, is de diepte van chaos en van dood, waarin mensen verloren dreigen te gaan. Mensen redden van wat geen leven is, dat is de opdracht die Simon en met hem ook Jacobus en Johannes krijgen. En ze geven gehoor aan die roeping, ze laten alles achter en beginnen een nieuw leven waarin ze Jezus volgen.

4. Jezus maakt zo duidelijk dat het niet de bedoeling is dat we God zo groot en heilig maken dat we zelf geen naam zouden mogen hebben of niet van belang zouden zijn.
Het is juist andersom. Wie God is, daar staan wij niet buiten. Zonder inzet van mensen wordt niemand gered en dat mensen kunnen leven, daar is Jezus op uit. Dus wij zijn nodig. Om elkaar bij te staan en gemeenschap te zijn. Om samen te zien waar mensen vast zitten en wat mensen onrecht doet. Stem geven aan onrecht, willen weten van de nood, zoeken naar het goede leven voor iedereen, dat is de roeping van Simon toen, en het is de roeping van ons als gemeente nu.
Dit is de tijd om niet op afstand te blijven, niet van God en niet van mensen, maar om te weten dat je nodig bent: jij, wees niet bang, kom, doe mee, schep levensruimte voor de ander, want een zee van ruimte schept God voor jou en mij.
Amen.