25 dec

'Kerst zonder voorbehoud’ kerstmorgenviering
ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Jesaja 9, Lucas 2: 1-20, Johannes 1: 1-14


Inleiding op de Schriftlezingen met lezing uit de Profetie van Jesaja 9

De hele Bijbel door is er licht. Licht dat opgaat, dat aanstoot, dat verheldert, dat omstraalt.

En ook: licht dat leven geeft. Licht om naar uit te zien. 

Bij de profeet Jesaja lezen we: ‘… Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen, worden door een helder licht beschenen…

Dat licht en die woorden vinden we terug bij de evangelisten ons vertellen over de komst van Jezus in de wereld. Vandaag horen we eerst het kerstevangelie van Lucas, dat we omlijsten met het zingen van kerstliederen. Aansluitend horen we hoe de evangelist Johannes zijn evangelie begint met woorden die we kennen uit het eerste Bijbelboek Genesis. Over hoe alles begon met God die sprak: ‘er zij licht, en er was lichtIn mijn korte overweging ga ik in op de veelzeggende woorden van Johannes. Laten we ons oor te luister leggen. 

Overweging ‘Kerst zonder voorbehoud’ 

1. Gemeente van Jezus Christus,

De evangelist Johannes ziet in Jezus van Nazaret God zelf. Licht in de duisternis, zoals door profeten voorzegd. Johannes getuigt met heel zijn evangelie dat dat woord van het begin, dat licht dat God schiep, dat dat onder mensen is komen wonen in deze mens, kind van God. Niets kan dit licht verduisteren. Wij kunnen het niet maken of breken. Het hangt ook niet van ons af. Wat wij wel kunnen doen is het aannemen, het vertrouwen en zo kind van God worden. 

En dat bracht mij op de titel voor deze overweging ‘Kerst zonder voorbehoud’. In dit jaar waarin zo’n beetje alles onder voorbehoud op de agenda stond en nog steeds staat, geldt dat niet voor deze dag. Het ís kerst – zonder voorbehoud.

Johannes vertelt over Jezus’ komst in de wereld, dat goedheid en waarheid met Hem kwamen. En in de verhalen die volgen, licht Johannes toe hoe Jezus het licht is voor de mensenHij is Gods bevrijdende woord in levende lijve, mensen staan op en komen tot leven door wat Hij doet en zegt. En dat Woord, dat licht, deze mens laten zich niet wegdouwen, laat zich niet verdonkeremanenniet ondermijnenDat kan niet stuk.

Johannes heeft het licht gezien. En door zijn woorden kunnen wij het ook zien. 

Johannes was zelf niet het licht. En net zo hoeven ook wij het licht niet te zijn, we hoeven het niet waar te maken dat licht van God, we hoeven er alleen maar van te getuigen. 

 

2. Johannes begint zijn evangelie met dat licht van den beginne en wijst ons Jezus aan als startpunt van ons levensverhaal. Als we Jezus vertrouwen en hem volgen dan komen we terug bij onze oorsprong, bij hoe God de wereld schiep

Jezus belichaamt het principe van de wereld zoals God die bedoeld heeft.

Jezus is niet de uitzondering die ingaat tegen hoe deze wereld in elkaar zit. Nee, in Jezus herkennen we de grondslag van de schepping: goedheid, waarheid, liefde en mededogen.Daarop zijn wij mensen gebouwd. Dat is de basis van ons bestaan. En niet het recht van de sterkste, het eigen schuld dikke bulen al die andere onbarmhartige regels die het leven zoals God het bedoeld heeftonmogelijk maken.

De wereld zoals die echt is, zegt Johannes, leren we kennen in hoe Jezus leefde als kind van God. Daarin liggen waarheid en goedheid. Waar de duisternis geen macht over heeft. 

Dat Woord, dat licht, dat Jezus heeft belichaamd, dat is het basisidee, waar ons leven mee begonnen is en waarin onze toekomst ligt - voor ieder die het wil vertrouwen.

Amen.

20 dec

4e Advent, ‘Dauwt hemelen’

Ds. Piet Kooiman

Preek over Lucas 1 : 26 – 38 (naast 2 Samuel 7 : 11b – 16)


Lieve mensen in de Oranjekerk

en vandaag in het bijzonder ieder die er op een andere plek bij is,

‘En de engel ging van haar heen.’ Gabriel bracht zijn boodschap aan Maria. Maar nu zit zijn taak er op. Want Maria heeft ja gezegd. De engel weet genoeg. Het zit goed. Er gaat iets nieuws beginnen. Licht in het donker, nieuwe moed voor kleine mensen. Dat gaat niet vanzelf, maar Maria heeft een beslissend woord gesproken. Ze heeft ‘ja’ gezegd, ingestemd, toewijding toegezegd. Het gaat echt gebeuren. Gabriel heeft daarboven iets te melden en dat geeft hem vleugels.

Het is bijna Kerstfeest. In de krant en op tv gaat het over het bijzondere van dit feest, in dit merkwaardige jaar. Of nou ja, het gaat over wel heel verschillende dingen. Bijvoorbeeld over lekker eten en royaal gedekte tafels met heerlijke spijzen voor prettige prijzen. Maar het gaat ook over de beperkingen van de loc down, mensen die elkaar niet mogen opzoeken, eenzaamheid en somberheid.

Dat laatste komt denk ik dicht in de buurt van het gevoel van gewone mensen in Nazareth, het kleine stadje waar Maria woont. Want hun land is bezet door een vreemde mogendheid. Romeinse soldaten in de straten. Ze zijn daar arm. Alleen aan het hof van koning Herodes tiert de weelde. Gewone, arme mensen hebben weinig te verwachten. Als je voor een dubbeltje geboren bent, dan word je nooit een kwartje. Galilea heeft ook al geen beste naam. En over Nazareth gaat het gezegde: ‘Kan van Nazareth iets goeds komen?’ Je zal er maar wonen, Maria..

Ze is alleen thuis. Het verhaal vertelt niet wat ze aan het doen is. Op schilderijen doet ze soms huishoudelijk werk, of ze zit stil te mediteren. Ook zie je haar wel lezen, wat haast niet kan kloppen. Een arm meisje in die tijd kón helemaal niet lezen. Maar ze is waarschijnlijk lezend afgebeeld omdat in het verhaal dat er over haar wordt  verteld allerlei elementen uit Tenach, de bijbel van die tijd, een rol spelen. Het Boek komt zo in beeld.

Gabriel, zijn naam betekent ‘gabber /man van God’. Hij komt rechtstreeks uit het bijbelboek Daniel het Evangelie binnen. Ook in het Eerste Testament spreekt hij degene die hij bezoekt, Daniel, vriendelijk aan. Er gaat iets gebeuren en jij mag het weten. Want je bent zeer bemind! (Dan. 9:23) En nu tegen Maria: “Wees gegroet begenadigde, de Heer is met jou.”

Verder borrelt dit stukje evangelie van woorden en thema’s uit het Eerste Testament. Bijvoorbeeld: namen als David en Jozef; Maria heet hier Mirjam (in het Grieks: Mariam) net als de zus van Mozes; en de Geest van God waait hier maar ook al in het scheppingsverhaal; ook in Genesis de gedachte dat voor God niets te wonderlijk is (Gen. 18:14), denk aan de geboorte van Izak; de Allerhoogste wordt bezongen in de psalmen (Ps. 118:26);  en dan de naam van het kind dat geboren zal worden: ‘Jezus’, komt van Jozua en betekent God brengt redding. Het Eerste Testament klinkt ook in het Evangelie.

Maria is op schilderijen altijd alleen in het huis. Alleen thuis zijn. Dat kennen wij tegenwoordig maar al te goed. Overgeleverd zijn aan je eigen gedachten. Nogal eens word je daar niet vrolijk van. Je kunt je niet alleen opgesloten voelen in je huis maar ook in jezelf. Want je hebt echt contact met anderen nodig! De Schepper zag het scherp toen hij bij zichzelf zei: “Het is niet goed dat de mens alleen is” (Gen. 2:18).

En toch, juist in dat alleen zijn, terwijl ze denkt dat er niemand aan haar denkt, blijkt ineens dat er iemand omziet naar Maria. Ze hoort iets waar ze zelf niet op zou komen. Ze wordt gezien en bemind. Goeie genade, het gaat over mij! Wie had dat gedacht?! Als er al iets zou gebeuren van betekenis dan toch niet in dit achterafstadje, bij iemand zo onbetekenend als ik?

Je zou wél kunnen denken aan Jeruzalem. Nou was daar ook wel iets gebeurd toen Gabriel in de tempel de geboorte van Johannes aankondigde. Maar juist de priester die dat bericht ontving kon er eerst niets mee. Hij was sprakeloos. Begrijpelijk. Maar pas later zag hij het licht.

Je zou ook nog kunnen  denken aan koning Herodes. Die had tenminste macht. Daar zou je wat van kunnen verwachten. Maar Lukas maakt in zijn evangelie duidelijk dat je gebeurtenissen van betekenis, die hoop geven, niet aan het hof van koning en keizer moet zoeken. Dat komt omdat God anders kijkt en is. Hij ziet Maria. Hij verwacht iets van mensen van wie niemand iets verwacht.

Ik moet denken aan de manier waarop in deze tijd mensen in beeld komen. In de nieuwsberichten, zeker in dit jaar, zijn de camera’s gericht op deskundigen en ministers. Zij beslissen hoe het verder moet met de pandemie. Zij bepalen het beeld en het nieuws. Zij zijn belangrijk en gewichtig.  

E zijn ook andere berichten. Over gewone mensen in de straat en wat zij nu voor elkaar betekenen. Initiatieven van enkelingen soms, waar je zomaar blij van wordt. Iemand die door de lock down haar winkel moet sluiten en zich onmiddellijk aanbiedt als kinderoppas. Of tieners die hun wiskundeleraar verrassen met een golf van waardering via zijn laptop. En hoe goed hem dat doet!

Bij het eerste soort berichten kun je misschien boos worden of onverschillig. Er iets van vinden of het langs je heen laten gaan. Maar bij het tweede soort berichten kun je het gevoel krijgen: hier gaat het om. Hier is de menselijkheid in het geding en komt aan het licht wat echt van waarde is. Dat kan mij meer ontroeren dan welk bericht over welke vaccinatiedatum ook.

Misschien gaat het wel over zóiets in het bericht van Lukas over Maria en Gabriel. Dat er iets nieuws kan beginnen juist waar je het niet verwacht.

En Maria zegt ja. Niet letterlijk, maar daar komt het wel op neer. ‘Ja’ is een van die woorden waarvan je kunt zeggen dat ze iets veranderen. Een woord waarmee je zelf iets kunt veranderen. U kunt zich vast wel een moment herinneren waarin het woordje ‘ja’ iets voorgoed veranderde. Het kan de bevestiging zijn van iets dat er al was en tegelijk een nieuw begin op gang brengen.

Zoiets gebeurt ook in het Evangelie. God heeft al een geschiedenis met mensen. Hij kiest vóór een volk dat leeft in slavernij in Egypte. Tegen de onderdrukker. Hij is de Ene die bevrijdt. Hij gaat met hen mee naar een land vol belofte. Nu komt Hij opnieuw als licht in het donker, als een kind in ons midden, als een koning die heerst door te dienen.  Het Evangelie doet dat uit de doeken.

Dat gebeurt niet zomaar, niet automatisch. Maria wordt ingeschakeld in deze beweging. Haar ‘ja’ is beslissend. Ze vertrouwt zich toe. Zo werkt Gods Geest. ‘Zoon van de Allerhoogste’ zal het kind daarom worden genoemd. Niet als enige want ieder die zijn regel over de liefde ter harte neemt is ook een ‘zoon’ of een kind van God. (Luk. 6:35)

Nog enkele dagen dan is het Kerstfeest. Zonder nachtmis. Maar niet zonder licht. En ook niet zonder vrolijkheid. Want het ‘ja’ van Maria op de belofte van een nieuw begin, dat is toch eigenlijk een vrolijk bericht? ‘Ja’!     

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

13 dec

3e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Johannes 3: 22-30


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag net als vorige week over Johannes de Doper. Johannes bereidt de mensen voor op de komst van Jezus. In alles wat Johannes de Doper doet en zegt, wijst hij van zichzelf af naar die Ander die na Hem komt. En hij noemt zichzelf getuige, getuige van het licht dat komt, getuige van de Messias.

Eerder is al verteld dat Johannes de mensen oproept om zich te bekeren en dat hij hen doopt ten teken van een nieuw begin. Vandaag horen we hoe de leerlingen van Johannes zien dat heel veel mensen ineens naar Jezus toegaan om gedoopt te worden. Wat krijgen we nou, vragen de leerlingen van Johannes zich af, ze gaan allemaal naar die ander.

Maar Johannes zegt: dit is precies wat gebeuren moet! Dat alle mensen naar Jezus toegaan dat is de bedoeling. Dat is geweldig, dat vervult mij met grote vreugde.

Die vreugde van Johannes is precies wat profeten en psalmen noemen als kenmerk van het moment dat de Messias komt. In de lezing uit de profetie van Jesaja (65: 17-25) die hoort bij vandaag staat het zo ‘Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Er zal alleen maar blijdschap zijn en groot gejuich om wat ik schep. Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde.’

Psalm 126 is de psalm van deze zondag en ook daarin wordt een beeld geschetst van grote vreugde. We horen eerst die gezongen psalm en daarna het evangelie van Johannes.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Die vreugde van Johannes, daar gaat het vandaag om. Die vreugde die overweldigt, die groter is dan een mens, die komt als God en mensen met elkaar verbonden raken.

Want dat is wat er gebeurt met al die mensen die naar Jezus toe gaan. Daar ontstaat een verbinding tussen God en mensen, de mensen ontvangen wat door de hemel gegeven wordt.

Het is goed en vreugdevol wat er gebeurt. Nu kan het feest echt beginnen.

Feest is het andere beeld dat Johannes gebruikt. De bruid vindt de bruidegom, dat is een Bijbels beeld voor de verbintenis van het volk Israël of de gemeente met God. (o.a. Jer 31:3, Hooglied). Die verbintenis, zegt Johannes, vindt hier plaats en Johannes staat erbij als getuige, als vriend, als ‘best man’. En wat wil je in die rol nou liever dan dat de bruid en de bruidegom elkaar gevonden hebben? Dus ja, Johannes is blij. Alle mensen gaan naar Jezus, goed zo.

2. Gaudete, verheugt u, zo heet deze zondag en we doen ons best: er schijnt steeds meer licht en het kleurt deze zondag roze. Maar blij? Hoe blij zijn wij?

Misschien rijzen er bij ons ook wel vragen, net als in het verhaal.

Een Jood, bedoeld is iemand van de gevestigde religieuze orde, stelt vragen over de doop als reinigingsritueel. En de leerlingen van Johannes stellen vragen bij al die toeloop naar Jezus.

Blijkbaar gaan de dingen niet zoals ze horen te gaan of naar verwachting zouden gaan.

Op verschillende punten doet ons verhaal vandaag denken aan het verhaal in het hoofdstuk hiervoor over de bruiloft te Kana (Johannes 2: 1-11). Daar staan op een bruiloft zes stenen watervaten klaar voor het reinigingsritueel. Als de wijn opraakt, dreigt de feestvreugde te verstommen. Op aanwijzen van Jezus scheppen de dienaren de watervaten van het reinigingsritueel tot de rand toe vol met water. Als de dienaren daaruit scheppen en de ceremoniemeester ervan laten proeven, getuigt deze dat het water wijn geworden is. De beste wijn komt op het eind. Het bruiloftsfeest is gered en de vreugde is compleet.

Het hing heel anders dan verwacht op dat bruiloftsfeest met die vaten voor dat reinigingsritueel en met de rol van Jezus en de wijn.

Als we dat verhaal van de bruiloft te Kana in ons achterhoofd houden, zien we overeenkomsten met de vragen die nu gesteld worden bij dat dopen wat Jezus doet en al die mensen die erop afkomen. Johannes getuigt met zijn uitleg dat dit is waar het om gaat: Jezus is de Messias. Door Jezus ontvangen de mensen wat uit de hemel van God komt. Dat de mensen naar Jezus toekomen, laat zien dat Hij de bruidegom is. En Johannes hoort de stem van de bruidegom, herkent hem, zoals een schaap zijn herder, en wordt blij. De tijd is gekomen van het feest, waar hij de mensen op heeft voorbereid.

3. Welk feest is dat?

Is dat kerst? Ja, dat God mens geworden is en in Jezus onder mensen heeft gewoond, daar getuigt Johannes van. Maar het is evenzeer Pasen. Want er is definitief een nieuwe tijd aangebroken, waarin God zich met mensen verbindt door de doop in Jezus’ dood en opstaan.

Johannes hoort de stem van de bruidegom en wordt blij. Is die blijdschap voor ons herkenbaar?

Misschien komt het wat opgelegd over.

Het is goed om te zien dat in de Bijbeltekst vreugde niet iets is wat je kunt bedenken, of bevatten. Het is iets dat je overkomt. Ik heb op deze plek al eerder mijn tante geciteerd met haar uitspraak: ‘De hemel geeft, wie vangt die heeft’.

Het kan je overkomen, dat je hart oplicht, dat iets je raakt, dat je iets ziet gebeuren wat goed is, of God, dat je vult met vreugde.

Dat hoeft niet groot en uitbundig te zijn.

Ik zal nooit vergeten hoe zeven jaar geleden een mij dierbaar iemand mij opbelde om te vertellen dat er eindelijk na al die jaren van wachten een positieve test was van een zwangerschap. Het was nog heel pril en het kon, net als al die andere keren, nog helemaal misgaan, maar, zo klonk aan de andere kant van de lijn: ‘vandaag zijn we blij’.

Kwetsbare blijdschap.

Zo zie ik ook de blijdschap van Johannes. Want vergis je niet, er is niets naïef aan zijn blijdschap. Die blijdschap vlakt alle pijn en verdriet en angst niet uit. Zoals al staat aangekondigd, zal vlak hierna Johannes worden gevangen genomen en vermoord.

De blijdschap is kwetsbaar, is niet de euforie van de overwinning, maar het verheugen op iets nieuws dat al begonnen is. Het is blijdschap die je even optilt uit de dagelijkse zorgen, een lichtpuntje te midden van duisternis.

Het is blijdschap die ons kan overkomen als we het avondmaal vieren, als we vooruitgrijpen op een tijd die al begonnen is toen God in Jezus mens werd. Dat God zich met mensen verbindt, dat wij die verbondenheid kunnen ervaren en vieren, dat stemt ons tot vreugde.

Vandaag zijn we blij om de stem die we horen en herkennen.

Luister en verheug je.

Amen.

29 nov

1e Advent

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Marcus 13: 24- 37


Inleiding op de Schriftlezing
In de Oranjekerk volgen we een 3-jarig leesrooster. In het A-jaar lezen we uit het evangelie van Matteus, in het B-jaar Marcus en in het C-jaar Lucas. Het evangelie van Johannes klinkt op bepaalde zondagen tussen door. Dit oecumenisch leesrooster start op de eerste zondag van het kerkelijk jaar, op 1e Advent. Dat betekent dat we vandaag de overstap maken naar een ander evangelie. In dit B-jaar is dat het evangelie van Marcus.

Een nieuw kerkelijk jaar, dat belooft heel wat, maar zo nieuw is het niet, want we gaan gewoon verder waar we gebleven waren. We belanden bij Marcus vandaag opnieuw bij de afscheidsrede van Jezus, bij de laatste woorden die Jezus tot zijn leerlingen spreekt voor zijn dood. Uit die afscheidsrede lazen we de afgelopen weken ook bij Matteüs en een groot deel van de tekst overlapt. Ook Marcus schetst het beeld van een beslissende eindtijd waarin het erop aan komt. En dus horen we ook vandaag weer die oproep: ‘wees waakzaam, wees alert, op wanneer de Heer komt’.
Zoals eerder uitgelegd: we moeten die oproep tot waakzaamheid niet verstaan als een dreigement, maar als een oproep tot het aannemen van een bepaalde levenshouding, een bereidheid om God te ontmoeten en te ontvangen in dit leven.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Mijn eerste reactie op de lezing van vandaag was deze: ik word er moe van. Al weken horen we die oproep ‘wees waakzaam, wees alert, wees attent op die ander in wie je God kunt ontmoeten’. En ik doe mijn best, maar ik word er moe van om zo in het leven te staan én ook om telkens weer, al vier zondagen lang, jullie hiertoe op te roepen.

Gelukkig komt er in de tekst vandaag een lichtpuntje voor, een teken van een geheel andere kant, buiten mensen om. Een vijgenboom. Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.
Bij alle geweld van de tekst, bij alle actie en doenerigheid en menselijkheid is deze gelijkenis van de vijgenboom ineens als een weldadig stilleven. Leren van de vijgenboom vraagt om een andere attentheid dan tot nu toe werd gevraagd. Een houding die actief is, maar niet doenerig. Want die groei en die bloei van de vijgenboom, daar ben ik niet voor nodig. Die hoef ik alleen maar te zien en op te merken. (Zoals we de vijgen in het bloemstuk kunnen opmerken).

2. Marcus beschrijft met woorden uit de profeten een tijd waarin alles tot een einde komt, de zon wordt verduisterd en de maan geeft geen licht meer, hemel en aarde vergaan. Misschien voelt het voor ons wel als deze tijd. In ieder geval zal het beeld herkenbaar zijn geweest voor de vroegste gemeente in het jaar 70 na Christus waar Marcus voor schrijft. De eerste christenen hadden het zwaar te verduren en gingen gebukt onder vervolging. Hen bemoedigt Marcus door te wijzen op de heer des huizes die weliswaar buiten beeld is, Jezus, maar die terug zal komen. Richt je daarop, zegt Marcus, wees waakzaam, want dit is het einde niet!

Jezus zegt: ‘… want jullie weten niet wanneer de heer des huizes komt, ’s avonds, of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai, of ’s morgens vroeg. Laat hij jullie niet slapend aantreffen wanneer hij plotseling komt’.
Deze ene zin bevat alles wat in het evangelie meteen hierna komen zal in het lijdensverhaal. Want de leerlingen van Jezus zullen in slaap vallen als het erop aan komt, vlak voor Jezus gevangen wordt genomen in de hof van Getsemane. En de leerlingen zullen onverwachts overvallen worden door duisternis op het middaguur als Jezus sterft, door hanengekraai bij de verloochening, door een open graf ’s morgens vroeg.
Dus de evangelist Marcus schrijft hier hoe Jezus een oproep doet aan zijn leerlingen om waakzaam te zijn, die ze vervolgens een paar hoofdstukken later totaal niet blijken waar te maken.

Misschien is mijn moeheid niet eens zo gek?

3. Maar wat moet ik ermee?
Dit valt op: bij alles wat wankelbaar is en fout kan lopen, staan twee dingen vast. De vijgenboom die uit zal lopen én Jezus’ woorden, die nooit zullen verdwijnen. Die woorden heeft Jezus toevertrouwd aan zijn leerlingen en aan ons. En als Jezus de man des huizes is die op reis gaat en zijn woorden in beheer geeft aan zijn dienaren, dan is aan ons om met die woorden deurwachter te zijn en alert te zijn om open te doen als de Heer komt.

Opendoen. Dat is ook doen, maar toch anders.
De afgelopen zondagen lag de nadruk op dat we niet het risico moeten lopen buiten te blijven staan, zoals de dwaze meisjes. Maar nu verandert het accent. Wij moeten niet de kans lopen de Heer buiten te laten staan. Waakzaamheid wordt opmerkzaamheid. Let op het nieuwe dat komt, dat al is begonnen.

Dat is de boodschap van Advent. Bij alles wat wanhopig maakt en stuk gaat in deze wereld, keer je om en sta open voor wat blijft, voor wat niet stuk gaat. Stel je open voor wat je niet verwacht. Laat je verrassen – je zult niet voor niets zitten te wachten. Het gebeurt.

4. ‘Uitkijken’ is de dubbelzinnige titel die ik aan mijn overweging gaf en die past bij de lezing. Van uitkijken als waarschuwing of oproep tot alertheid, zou ik willen overgaan naar uitkijken, zoals je dat doet naar bezoek waar je je op verheugt.
Dat uitkijken dat gepaard gaat met verheugen, met voorpret, met kopjes klaarzetten, naar het raam toelopen, nog even iets opruimen, een hart dat opspringt.

Dat uitkijken past bij Advent, het zit in kleine dingen.
Dat uitkijken past bij het waken met Pasen, het verlangend uitzien naar het licht.
Ik moest denken aan dat lied: (Lied 601 ‘Licht dat ons aanstoot in de morgen)
Licht, van mijn stad de stedehouder, aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder, draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.    
 

Nog even over die moeheid. Als het evangelie ons iets leert dan is het dat je, ook als je in slaapt valt, niet af bent. Ook voor de leerlingen van Jezus die in slaap vielen, werd het Pasen.
Alleen ze hebben een belangrijk moment gemist en dat is zonde.  

De theoloog Tom Naastepad vat de lezing van vandaag zo samen: het is niet duidelijk wanneer het einde komt, maar wel dat er iets nieuws is begonnen. Volgens hem gaat de waakzaamheid die Jezus ons opdraagt erom dat we in ons dagelijks leven bedacht zijn op deze twee vragen: Eén: waar ben ik mee bezig? En twee: waar is God mee bezig?

Dat laatste is een kijktip.
Als het lijkt of de wereld vergaat, leer van de vijgenboom.
Verwacht het onverwachte, maak ruimte in jezelf en om je heen voor het ware, het goede en het schone – kijk uit je ogen of ergens al de wereld daagt waar mensen waardig leven mogen en elk zijn naam in vrede draagt.

Amen

22 nov

Ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Matteüs 25: 31-46


Inleiding op de Schriftlezing
We lezen uit het Evangelie van Matteüs het laatste gedeelte van de zogenaamde afscheidsrede van Jezus. Jezus bereidt zijn leerlingen voor op zijn dood en de tijd dat Hij er niet meer zal zijn. Jezus schetst aan de hand van gelijkenissen een beeld van wat de mensen dan te doen staat en waar het uiteindelijk op aan komt in dit leven.  
Het hoofdstuk begint met de gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze meisjes. Jezus verbeeldt hiermee een oproep tot waakzaamheid, tot alert blijven en gericht zijn op God. ‘Leef zo, dat je altijd voorbereid bent om God in een ander te ontmoeten’.
In de daarop volgende gelijkenis over de talenten verbeeldt Jezus hoe zijn leerlingen aan de slag moeten met de woorden en daden die ze van Jezus ontvangen. Jezus vertrouwt hun zijn levenswerk, zijn leven, toe. ‘Leef daaruit en deel daarvan’.
In het derde en laatste deel van dit hoofdstuk gebruikt Jezus opnieuw een beeld. Dit keer van een koning die op zijn troon zit en die scheiding maakt tussen mensen die wel deel hebben aan zijn koninkrijk van de hemel en die daar geen deel van uitmaken. Ook dat beeld is bedoeld als oproep om voorbereid te zijn op de ontmoeting met God in dít leven. ‘Leef zo dat je deel hebt aan dat koninkrijk, omdat je, net als Jezus, dienstbaar wil zijn aan wie je naaste is, aan de meest kwetsbaren onder de mensen’.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Ieder mens is breekbaar. Hoe kwetsbaar we werkelijk zijn, ervaren we het scherpst als we te maken hebben met ziekte, met ouderdom en in tijden van rouw. Onzekerheid en afhankelijkheid van anderen, pijn en verdriet maken dat je je kwetsbaar voélt.

Jezus spreekt aan het einde van zijn leven over mensen in de meest kwetsbare omstandigheden: mensen die honger hebben en dorst, mensen die vreemdeling zijn, die naakt zijn, mensen die ziek zijn of gevangen zitten. Hij noemt deze mensen de ‘onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters’. Mensen in zulke benarde omstandigheden zijn mensen zonder aanzien, of mensen ‘niet om aan te zien’. Deze mensen aanzien, confronteert ons met onze eigen kwetsbaarheid én wekt het verlangen naar een andere wereld.

Jezus spoort in zijn afscheidsrede aan tot bewust leven, tot leven uit vertrouwen en nu tot belangeloze liefde. Onze inzet voor de meest kwetsbaren in onze wereld, brengt ons bij God.

2. Hoe werkt dat dan? Waarom is dit zo belangrijk?
In het hele evangelie zien we hoe bij God en bij Jezus alles omgedraaid is. Wie macht heeft, staat aan de zijlijn. Wie weerloos is, staat in het midden. En hoewel sommige presidenten en anderen het tegenovergestelde beweren is het in de Bijbel toch echt zo dat God staat aan de kant van wie kwetsbaar is en dat Jezus juist is gekomen voor wie geen aanzien hebben.

Jezus wijst zijn leerlingen en ons daar telkens weer op. Kijk anders naar de ander, kijk niet op anderen neer, kijk niet tegen anderen op, zie de ander als je naaste die is als jij.

Van onze kwetsbaarheid kunnen we leren, dat we elkaar nodig hebben.
Van mensen in nood kunnen we leren, wat er nodig is, om deze aarde een goede aarde voor alle mensen te laten zijn.
Jezus verbeeldt met zijn opsomming niet alleen de kwetsbaarheid van onze naasten en daarmee ook van onszelf, maar geeft ook zicht op zijn eigen kwetsbaarheid. De woorden van Jezus zullen meteen hierna daden worden. Hij wordt de onaanzienlijkste van alle mensen. Geslagen, vernederd, verloochend, gedood. Deze kwetsbare mens wordt gebroken, kunnen we dat aanzien en inzien dat dat tot op vandaag gebeurt? 

Jezus is de koning én de kwetsbare mens tegelijk. Dát is wat we van zijn leven moeten begrijpen. Dat is het geheimvolle en hoopvolle tegelijk.

3. Even terug naar dat beeld dat Jezus schetst. Mensen krijgen daarin een oordeel over hun leven dat bij beide groepen vragen oproept waar dat op is gebaseerd. Beide groepen zijn zich niet bewust van wat ze goed of niet goed deden. Het is belangrijk om te bedenken dat Jezus met dit beeld niet mensen wil veroordelen, maar juist inzicht wil geven hoe het aankomt op wat we doén. Het zijn niet onze woorden, maar onze daden die iets van de hemel dichterbij kunnen brengen.

In ons dagelijkse doen kunnen we voorbijgaan aan wat mensen in al hun kwetsbaarheid nodig hebben. Het gebeurt me vaker dan me lief is.
Maar mijzelf of een ander daarvoor veroordelen, heeft geen zin. Mijzelf voornemen en de ander oproepen om de volgende keer meer alert te zijn, dat heeft wel zin.

Jezus schetst ons niet hoe het in de toekomst zal gaan, maar roept op waar het nu vandaag op aankomt. Dat we open staan voor de kwetsbaarheid van het bestaan en voor het beroep dat een ander op ons doet. En dat we daarmee onze plek innemen in de wereld die God voor ons heeft bestemd. Iedere dag opnieuw.  
Willen we die ander aanzien en het onrecht dat er is onder ogen zien?
Doen we wat we kunnen om mensen in een kwetsbare positie te helpen?

4. Jezus wijst ons op dit leven, waarin we goed doen en soms ook niet.
Waarin we verbonden zijn met elkaar, door onze afhankelijkheid én door wat we voor de ander kunnen doen. Dat doet ertoe. Want daarin komen we God op het spoor en krijgen we oog voor dat Koninkrijk.

De woorden van Jezus vragen om daden in ons leven. Niet omdat wij de wereld zouden moeten redden, maar zodat wij ontdekken Wie deze wereld redt.
Je komt er niet als je uitgaat van wie krachtig en machtig zijn in deze wereld. We komen er wel als we uitgaan van de kwetsbaarsten onder ons. Als het met hen goed gaat, komt het immers ook goed met ons. 

5. En zo stuurt Jezus zijn leerlingen en ons de wereld in met woorden die waar worden als we ze doen, en daden waardoor we zicht krijgen op waar het om gaat in een wereld zoals God die voor ons bestemt.

Afgelopen week las ik een nieuw boek van Claartje Kruijff over kwetsbaarheid. Het ontroerde mij omdat ze woorden gaf aan wat ik herken: dat je juist als je kwetsbaar bent, zo scherp kan zien wat van waarde is. Dat je juist als je een kwetsbare ander ontmoet, ontdekt wat er werkelijk toe doet: dat niemand verpletterd wordt in dit leven.
 
Alles van waarde is weerloos.
Zie Jezus, die zegt: zie om naar elkaar. Amen.

1 nov

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Spreuken 9: 10; Matteüs 25: 1-13


Inleiding op de Schriftlezing
We naderen het einde van het kerkelijk jaar dat valt op 22 november, de zondag voor 1e Advent.
Deze laatste zondagen gaan de lezingen uit het Evangelie van Matteüs over het einde, over waar het op aankomt, over beslissende gebeurtenissen en keuzes. In zijn laatste toespraak aan zijn leerlingen schetst Jezus met gelijkenissen over het Koninkrijk van de Hemel een beeld van wat de mensen te doen staat. Vandaag roept dat beeld de mensen op tot waakzaamheid, tot alert blijven en gericht zijn op God.
Het gaat er niet om vooruit te kijken naar het moment dat de Mensenzoon terugkomt. Gericht zijn op God betekent om je heen kijken: zien of je nodig bent. Dat kan elk moment zo zijn. Daarom sluit de gelijkenis af met woorden die zeggen: leef daarom zo dat je altijd voorbereid bent om God te ontmoeten.

We lezen de gelijkenis over 5 dwaze en 5 wijze meisjes. Die woorden, dwaas en wijs, verwijzen in de Bijbel niet naar geleerdheid of intelligentie, maar ze verwijzen naar op God gericht zijn. De dwazen zijn niet gericht op God, de wijzen wel. In het Oudtestamentische boek Spreuken (9:10) staat deze tekst, die hoort bij vandaag: ‘Wijsheid begint met ontzag voor de Eeuwige, inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.’

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Hoe dom kun je zijn? Dat is niet de vraag waar het in de lezing om gaat.
Wat is wijs? Daar gaat het om.

Wijs is het om ontzag te hebben voor God.
Wijs is het te weten dat God altijd anders kan zijn dan we denken, zich anders kan aandienen dan we denken. Op een ander moment, vroeger of later dan we dachten. God kan zich aandienen in een ander mens, in wie we niet zagen aankomen. Wijs is het om niet de waarheid in pacht te denken te hebben over hoe dingen wel zullen gaan, maar om voorbereid te zijn op de ontmoeting met God wie weet waar.

Want anders mis je de boot. We kunnen te laat komen en de deur dicht vinden.
Wie kent niet dat gevoel van spijt om wat je achteraf gezien verkeerd had ingeschat, niet serieus genoeg had genomen. Dat je achteloos was en toen het erop aankwam niets te bieden had. Wie kent niet die ervaring dat je dacht ‘nog even dit afmaken’ en toen de ander in de kou hebt laten staan. Dat je zei ‘Het komt nu niet zo goed uit’ – maar achteraf gezien alles uit handen had moeten laten vallen. Dat kan, dat je te laat bent en de deur dicht vindt.

Is dan alles voorbij? Komt het dan nooit meer goed? Ben je dan niet meer welkom bij God?
Zo hard stelt de gelijkenis van de 5 dwaze en de 5 wijze meisjes het wel.
‘Ik ken jullie niet’ zegt de bruidegom.
Trouwens, over hard gesproken, de 5 wijze meisjes die niet van hun olie willen delen, dat is toch eigenlijk ook apart? Vijf broden en twee vissen bleken toch ook genoeg voor 5000 man?

De gelijkenis laat ons niet alleen kijken naar onszelf en naar hoe wij voorbereid zijn op de ontmoeting met God in onze naaste en zorg dragen voor brandstof in onszelf, geloof en moed.
De gelijkenis doet ons ook vragen stellen bij het beeld dat hier geschetst wordt van de wijze meisjes en van de bruidegom, en dan gaat het over God.
Niet delen en buitensluiten, klopt dat wel?

Nee, dat klopt niet. Dat zal blijken.
Na de laatste woorden van Jezus in deze afscheidsrede over hoe je te laat kan komen en de deur dicht kan vinden, hierna wordt het Pasen. (Matt 26:1-2)
En dan blijkt dat zelfs de doodlopende weg een doorgang heeft, dat we zelfs ondanks de onvergeeflijke fouten die we maken, niet afgeschreven worden. Dat de deur niet dichtgaat.

2. En voor ieder die denkt ‘Gelukkig maar, fieuw’ – is deze gelijkenis bedoeld. Want het doet ertoe hoe wij uitzien naar God, hoe wij ons voorbereiden in dit leven op de ontmoeting met God.
Wegkijken, of denken ‘het zal mijn tijd wel duren’ brengt geen lichtpunten in donkere tijden.
Met een voorraad aan wijsheid, trouw en geloof, hoop en liefde, ontvankelijkheid, aandacht, houdt je het uitzien naar het licht langer vol.

Laten we wel wezen, alle tien meisjes vielen in slaap. Voor iedereen kwam de bruidegom op een ander moment dan verwacht. Maar waar voor de wijze vijf het bruiloftsfeest meteen kon beginnen, waren de vijf dwaze meisjes niet van de partij. De feestvreugde ging aan hen voorbij.

En ook dat is belangrijk om even bij stil te staan – die vreugde.

Want dat is waar Jezus’ oproep tot waakzaamheid werkelijk over gaat. Dat gaat niet om waakzaamheid uit angst, het gaat in die waakzaamheid om een verlangen.
Die tien meisjes zijn met hun lampjes op weg naar een bruiloft, daar kijken ze naar uit. Vijf gaan er op weg zonder toewijding aan het licht. Zij zijn wel gericht op de bruidegom maar niet op hun taak om die bruidegom uit te lichten. Zij hebben niets bij te dragen aan het feest. Zij hebben niet rekening gehouden met een ander scenario, dat de bruidegom later komt.
De vijf wijze meisjes zijn wel toegewijd aan het licht. Zij zijn voorbereid om op het moment dat de bruidegom aankomt, hem in het licht te zetten zodat het feest kan beginnen.

Zo is het ook met de wereld waarin we God ontmoeten. Als wij God uitlichten, dan kan het feest beginnen. Verderop in deze toespraak van Jezus gaat het over dat uitlichten en ontvangen van God. Jezus zegt het zo “alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”
Wie de hongerige voedt en de naakte kleedt, dient God, zet God in het licht. (Matt 25: 35-40).
Daarom kan je naaste liefhebben niet wachten. God kan zich op elk moment en in ieder mens in nood aandienen. De ontmoeting met God in de ander brengt vreugde en laat je binnen in Gods nieuwe wereld.

3. We weten van Pasen en dat de deur niet gesloten blijft.
En we weten ook dat die ontmoeting met God hier en nu vraagt om waakzaamheid, om opletten op wie je nodig heeft. Want op een onverwacht moment kan God zelf je in de ander nabij komen.

Oké, wie van u vindt deze preek nu wel erg lang duren?
Ik zie dat verschillende olielampjes uit zijn.
Heeft iemand extra olie bij zich misschien?
Niet? Oké en nu?
Ik kan toch moeilijk hier nu weggaan en olie gaan halen.
Straks ben ik te laat terug voor het feest.
Ik denk dat ik me de volgende keer iets beter moet voorbereiden.

Hee, er is wél olie, kijk eens hoeveel er is ingebracht voor de voedselbank!
Is dat niet precies de olie die onze lamp brandend houdt?

Amen.

25 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Nehemia 7:72b – 8:18


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we volgens het alternatieve leesrooster éénmalig uit het Bijbelboek Nehemia. Nehemia behoort tot het gedeelte van ons Oude Testament dat ‘de Geschriften’ heet. In de Geschriften lezen we hoe mensen reagéren op het Woord van God.

Het zijn zangers, denkers en doeners die aan het woord komen.

Aan de zangers hebben we de boeken met Psalmen, lofliederen en Klaagliederen te danken.

Van de denkers komen de Spreuken en de filosofische betogen zoals van Job en Prediker.

En de doeners zijn bestuurders en politici zoals Ezra en Nehemia.

Even iets over Nehemia. De Judeeër Nehemia heeft een vooraanstaande positie aan het hof van de Perzische koning. Via zijn familie in Jeruzalem hoort hij hoe het de ballingen die terugkeerden uit Babylonië vergaat. De stad en het godsdienstig leven zijn een puinhoop. Daarop vraagt en krijgt Nehemia toestemming van de Perzische koning om de stadsmuren van Jeruzalem te herbouwen. Als de stadsmuren staan leest de priester Ezra te midden van het volk voor het eerst weer de Wet van Mozes voor. De wet van Mozes, daarmee wordt de Thora bedoeld, de eerste 5 Bijbelboeken van ons Oude Testament: dat zijn de verhalen waarin God direct spreekt tot bijvoorbeeld Adam, Abraham, Mozes.

Bij Nehemia is die tijd voorbij. Dan is God meer op afstand en verborgen. God spreekt mensen niet meer rechtstreeks aan. Het ‘Woord van God’ is een boek geworden. Het boek dat de priester Ezra aan de mensen voorleest.

Maar dat betekent niet dat God buitenspel staat. God is in het boek Nehemia de God die aangeroepen wordt. Nehemia probeert in alles te ontdekken en te doen wat God wil. 

Net als Nehemia willen wij ook God betrekken bij ons leven.

Als gebed bij de opening van de Schrift zingen cantor en zanggroep in wisselzang Psalm 119.

Overweging 

1. Gemeente van Jezus Christus,

Wat de ballingen in Jeruzalem doen, is precies wat wij hier op zondag doen: we luisteren naar het Woord van God en naar de uitleg van die woorden en we ondernemen actie, zoals ze in Nehemia eten en drinken delen, zo hebben wij vandaag de inzameling voor de Voedselbank.

In de lezing uit Nehemia valt op dat het horen van het Woord van God van alles teweeg brengt.

Mensen gaan staan, beamen hardop de lovende woorden, heffen hun handen op, knielen neer, buigen diep voor God, barsten in tranen uit, maken een feestmaal klaar, eten en drinken en delen ervan uit aan wie niets heeft en maken er een groot en vrolijk feest van. De volgende dag gaat het verder: de mensen begrijpen de woorden en de voorschriften, ze maken een loofhut, wonen erin, ervaren een enorme feestvreugde en vieren zeven dagen feest.

Indrukwekkend, al die acties, al die directe reacties op het opengaan van het Woord van God. Het is aanstekelijk om te lezen. Zo intens en uitbundig, de woorden komen blijkbaar aan.

Dát is bij ons denk ik niet helemaal hetzelfde.

Wij horen vandaag dan ook andere woorden dan de ballingen. Zoals gezegd: in Jeruzalem horen ze woorden uit de Wet van Mozes. In die Bijbelboeken spreekt God rechtstreeks mensen aan.

Wij lezen in Nehemia niet hoe God tot mensen spreekt, maar hoe de mensen reagéren op het Woord van God. Hun reacties stemden mij tot nadenken. Drie reacties wil ik uitlichten.

Allereerst het verdriet. De Israëlieten barsten in tranen uit als ze het Woord van God horen.

Het zijn tranen van schrik, van schaamte, van rouw en van verdriet. Als ze de woorden van God horen, de voorschriften hoe ze moeten leven en de belofte dat het ze goed zal gaan als ze zich houden aan de geboden, dan weten ze ook hoezeer ze tekortgeschoten zijn. Ze hebben nagelaten te leven vanuit die bevrijdende woorden.

Die tranen herken ik, die ervaring van een enorm contrast tussen hoe het gaat in deze wereld en in onze samenleving en hoe het zou moeten gaan. Heel openbaar zijn de tranen meestal niet, ik denk dat we ze vaak voor onszelf houden, evenals de pijn en het schuldgevoel. Maar ook wij kunnen er denk ik niet omheen en willen dat ook niet. Als je luistert naar de woorden van God dan wéét je hoezeer we tekort schieten. Het kán toch niet dat er zoveel mensen in nood zijn, dat we dat weten en toch niets doen. Zoveel in onze samenleving, in ons doen en laten, weerspreekt Gods wil. Wat doen wij met ons verdriet?

Een tweede reactie op het horen van het Woord van God is de liturgie. Liturgie betekent dienst aan God, en dat is precies wat de Israëlieten in een spontane vorm en wij in een daarop geënte vastere vorm doen: het staan, knielen en buigen, de lovende woorden, de gedeelde maaltijd, de uitleg en het begrip van de woorden, de wisselspraak, de feestelijkheid van de eerste dag die heilig is. In alles bevestigen deze liturgische handelingen wie God is en hoe wij God erkennen als eerbiedwaardig. Daarom dienen we God met woorden én daden.

Als de ballingen het Loofhuttenfeest vieren, herinneren ze zich hun afhankelijkheid van God en de voorlopigheid van alles wat wij soms als zekerheid beschouwen. Precies dat vieren wij ook in de liturgie. ‘Dit ene weten wij en aan dit één houden we ons vast in de donkere uren: er is een woord, dat eeuwig’lijk zal duren’.

Hoe belangrijk is de liturgie in tijden van corona? Volgens sommigen is de dienst aan God onmisbaar, kan God niet zonder. Maar de vraag die Nehemia bij mij oproept is ‘Kunnen wij wel zonder liturgie?’. En ook is de dienst aan God niet op elke plek in dit leven uit te voeren?

De derde reactie van het volk is er één die ik het minst herken en die daarom het meest tot nadenken stemt: dat is de vreugde.

‘Vreugde is niet een oppervlakkig gevoel, of een individualistisch geluk dat ons afsnijdt van anderen, maar zij is het rustige weten dat het leven zin heeft’ woorden van Prior Alois uit Taizé.

Dat zie ik terug in de grote feestvreugde van de Israëlieten. Zij zijn blij omdat ze inzien dat hun leven van God afhangt en daarmee niet ophoudt bij hun eigen tekort schieten – ze weten dat ze opnieuw kunnen beginnen, dat die bevrijdende woorden voor hen bestemd zijn.

Er staat: ‘Weest niet bedroefd, want de vreugde, die de Heer u geeft, is uw kracht’. Vreugde als tegenhanger van de tranen. Het is vreugde die het verdriet niet wil overstemmen of relativeren, maar die het in een perspectief plaatst. Deze dag is heilig. Deze eerste dag vieren we de vreugde om wat God ons geeft. Juist omdat er nog zoveel dagen volgen. Van deze vreugde moeten we het hebben. De vreugde om het Woord geeft ons de kracht om weerwoord te geven, om ons te laten raken, ons in te zetten en te doen wat ons te doen staat.

Door onze reactie op de woorden van God, door onze tranen, onze liturgie én onze vreugde hoeft God niet op afstand en verborgen te blijven. Het is aan ons om God te betrekken bij ons leven.

Nog één reactie uit de lezing van Nehemia wil ik noemen, het is de reactie die klinkt als het Woord van God geklonken heeft, dan staat er: ‘heel het volk antwoordde ‘Amen, amen’.’

11 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Ezra 1 en 3:1-6


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het alternatieve leesrooster uit het Oude Testament uit het Bijbelboek Ezra. Ezra gaat over de terugkeer naar Jeruzalem van de ballingen uit Babel. Net als de uittocht uit Egypte is die Babylonische ballingschap een beslissend gebeuren in de geschiedenis van het volk Israël. Even een schets daarvan:

In de 6e eeuw voor Christus (587v Chr.) verovert de Babylonische koning Nebukadnessar Jeruzalem, hij verwoest die stad en de tempel en hij voert een deel van Judeeërs, namelijk de elite, weg naar Babylonië. Die ballingen wonen daar in Babel als vreemdeling temidden van een andere cultuur, waar zij wel hun Joodse identiteit mogen behouden. Bijna 50 jaar later (539v Chr.) komt er een einde aan die Babylonische ballingschap als Babel veroverd wordt door de Perzische koning Cyrus. Deze Cyrus geeft de Joodse ballingen de vrijheid om terug te keren naar Jeruzalem. En meer dan dat, hij geeft ze de opdracht van God door om de tempel van Jeruzalem te herbouwen. Daarover gaat de lezing van vandaag.

Deze week vierden Joden Soekot, het loofhuttenfeest, één van de grote Joodse feesten. Ook hier in Amsterdam zijn deze week hutten gebouwd, op balkons, dakterrassen of op binnenplaatsen, als voorlopige plek onder de blote hemel. Het loofhuttenfeest brengt in herinnering hoe het volk Israël na de uittocht uit Egypte in de woestijn in hutten woonde en hoe afhankelijk toen en nu we zijn van God. Hoe voorlopig alles is, waarvan we wel eens denken dat het zeker is. Dat dak boven ons hoofd bijvoorbeeld.

Het loofhuttenfeest vieren Joden aan het begin van de 7e maand – dat is deze tijd. Dat is ook de tijd dat de teruggekeerde Judese ballingen zich verzamelen in Jeruzalem.

Overweging

1. ‘Als je niet bestond, vond ik je uit’ las ik eens.

Als de kerk nou niet zou bestaan, dit gebouw en deze gemeente er niet zouden zijn, zouden we er dan aan beginnen? En hoé zouden we er aan beginnen?

De Judeeërs die na jaren ballingschap terugkomen in Israël, hebben de opdracht gekregen om de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Wat opvalt is dat ze niet beginnen met de bouw van tempel, maar met het oprichten van het altaar, de plek waar God zich met mensen verbindt en de mensen met God. Ze bouwen dat altaar op de oude fundamenten van de tempel en ze offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes.

Én ze vieren feest – het Loofhuttenfeest, volgens de voorschriften. Dat feest hoort van oudsher bij de inwijding van de tempel. Tegelijkertijd verbeeldt het feest met al die hutjes van bladeren, dat elke vaste plek van mensen maar tijdelijk is. Dat feest herinnert ons eraan dat het leven een levenstocht is en dat het daarin niet gaat om het vastléggen van een plek van God, maar om het vasthoúden aan een vermoeden van een andere werkelijkheid.

Zo komt het dat de liturgische handelingen van offeren én feestvieren voorafgaan aan het bouwen van de tempel.

2. Daarmee stelt Ezra ons voor de vraag: wat is eigenlijk het belang van een vaste plek en van een gebouw? In deze coronatijd kunnen we tot de ontdekking komen hoe belangrijk een kerkgebouw voor ons is. Het kan zijn dat we ervaren dat ons geloof prima zonder zo’n vaste plek kan. Dat thuis vieren, in ons eigen hutje, om in de beeldspraak te blijven, net zo goed kan. Of we ontdekken dat we juist hevig verlangen om in de kerk te zijn en dat we deze plek nodig hebben.

Als gemeente bij elkaar komen, elkaar horen en zien, delen in wat feestelijk is zoals een belijdenis vandaag, dat is wat een gebouw mogelijk maakt.

Afgelopen maandag spraken we in de kleine kerkenraad van de Oranjekerk over waarom de ambtsdragers, ouderlingen en diakenen, zich inzetten voor de Oranjekerk. Dit was wat het meeste werd genoemd: zo’n plek als deze Oranjekerk moet er zijn en blijven. Hier kun je voor levensvragen terecht, vragen die je elders niet kunt stellen. Hier mag je verdrietig zijn en kun je troost vinden. Hier kun je je bezinnen en lukt het met geloof bezig te zijn, omdat je het niet in je eentje hoeft te doen. Hier kunnen we ons als gemeenschap inzetten voor een ander.

3. Voor de Joodse ballingen is Jeruzalem de aangewezen plek om de geloofsgemeenschap en de geloofspraktijk weer op te bouwen. En ze gebruiken daarvoor de oude fundamenten: letterlijk de fundamenten van de tempel en figuurlijk, het fundament dat ligt in de voorschriften in de wet van Mozes, in de rituelen, de feesten en met de priesters. Al die elementen dienen om die plaats voor God in het hart van Juda weer op te richten.

Het klinkt zelfverzekerd maar er is ook angst, voor de bevolking van het land. Voor diegenen die niet naar Babel zijn weggevoerd, maar altijd in Juda zijn blijven wonen. Hoe kijken zij er tegenaan dat de ballingen de godsdienstige praktijk weer opbouwen? 

4. Naar ik begrijp zijn er in de kerk heel wat mensen, collega’s ook, die bang zijn dat de kerk door deze tijd van verminderde kerkgang zal gaan verdwijnen. Dat mensen ontdekken dat ze wel zonder kerk kunnen en de kerken dus hun bestaansrecht verliezen.

Ik ben er niet bang voor. Want nooit zal alles verdwijnen.  

Kijk naar de ballingen, ze beginnen na 50 jaar opnieuw met wat er nog is aan fundament van de tempel en met wat ze nog over hebben van vroeger tijden; een priestergeslacht, de gouden en zilveren voorwerpen uit de verwoeste tempel, de voorschriften van Mozes.

Ze beginnen opnieuw, maar niet uit het niets.

Sterker nog, misschien hebben ze dóór hun ballingschap wel scherper door wát het is dat ze weer op willen bouwen. En wat daarvoor nodig en voorhanden is, tastbaar, kostbaar, onverwoestbaar. Zo hoop ik dat we in deze tijd waarin we niet meer vanzelfsprekend bij elkaar komen in de kerk, ook kunnen ontdekken wat we in deze tijd van ontheemd en vervreemd zijn, thuis aan geloofsvormen in ere blijven houden, welke oude schatten we koesteren en wat we weer willen opbouwen als het kan.

5. De ballingen weten wat hen te doen staat: die tempel voor God weer opbouwen in Jeruzalem. Hun Joodse identiteit en geloof krijgen weer voet aan de grond op die plek. Tegelijk komt de zekerheid die deze plek hen verschaft door het Loofhuttenfeest meteen weer in het licht te staan van de voorlopigheid. Niets is vanzelfsprekend. Leven met God betekent dat je, of je nu in ballingschap leeft of bent op de plek waar God woning vindt, dat je leeft met de verwachting dat wij eens terecht zullen komen.

Nogmaals de vraag: als zo’n plek en gemeenschap als deze niet meer zou bestaan, zouden we er dan opnieuw aan beginnen?

Ik denk het wel. Deze plek heeft bestaansrecht.

Ineke Dunharden die vandaag belijdenis zal doen van haar geloof, verwoordde het als volgt.

‘Dit is de plek waar ik af kan maken wat mijn moeder begonnen is met mijn doop’, en ze zei:

‘de eerste keer in de Oranjekerk voelde als thuiskomen’ en ‘ik heb me altijd gedragen gevoeld door God’. Bij de teruggekeerde ballingen die samenkomen in Jeruzalem herken is al die drie elementen: afmaken wat ooit begonnen is, thuiskomen en je gedragen weten.

Er is een groter kader waarbinnen we ons leven kunnen verstaan en het zin kunnen geven. Een kader van God met mensen onderweg. Een kader dat vorm krijgt in woorden, rituelen, feesten, een gemeenschap en misschien wel een gebouw. Oude schatten zijn er genoeg. Voor Ineke is dat 1 Korinthe 13 in de bewerking van Karel Eykman. Ik wil ermee afsluiten:

Zonder liefde ben ik nergens, zonder jullie stel ik niets voor.
Had ik jullie niet bij me dan ging ik er aan onderdoor.
Want liefde is echt en liefde is aardig, is open, oprecht en eerlijk, rechtvaardig.
’t Is liefde die ziet hoe opnieuw te beginnen die ieder verdriet ook de dood kan overwinnen.