30 mei

Trinitatis (Zondag van de Drie-eenheid)
Lezing: Johannes 2:23-3:21
ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Het gebeurt in mijn LHBTI-werk nog wel eens dat ik in gesprek met iemand of met een groep mensen vooral het gevoel heb dat de posities of de perspectieven over en weer onoverbrugbaar lijken. Tussen mij en mijn gesprekspartners gaapt een diepe kloof en het lukt niet om een brug te slaan, om tot overeenstemming te komen, of zelfs maar tot een zekere herkenning. In zulke situaties gaat het vrijwel altijd over gelovige gesprekspartners. Het is een ervaring die altijd weer bevreemdend is. Je zit al dan niet letterlijk aan tafel met mensen die in dezelfde traditie staan, van het christelijk geloof, die bekend zijn met dezelfde verhalen, en toch domineert de ervaring van twee werelden die nagenoeg niets met elkaar te maken lijken te hebben. Je spreekt in principe dezelfde taal en toch klinken de woorden heel verschillend, lijken ze een heel andere betekenis te hebben. Het is frustrerend en soms ontmoedigend de rijkdom van het gezamenlijke vocabulaire, van de Bijbel, van het Evangelie, niet aan te kunnen spreken als een gedeelde schat die voor verbinding kan zorgen, en dat is nog wat anders dan het precies met elkaar eens zijn. Het is nog extra frustrerend als de goede intentie van een gezamenlijke uitkomst er wel is. Misschien is het de tragiek van het verhaal of van de boodschap van elke traditie die langer mee gaat: dat die uiteenlopend kan neerslaan in verschillende tijden en in verschillende omstandigheden en in verschillende groepen mensen. Op zichzelf is dat nog niet eens zo erg, het is zelfs onvermijdelijk. Maar als die neerslag, en dan gehouwen in steen, het uitgangspunt wordt, en de dynamiek die essentieel is voor de boodschap, verdwijnt, is er reden voor zorg.

Het is een ervaring van alle tijden, en ik herken deze in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Het gesprek is zo bizar dat het bijna lachwekkend is. Er zijn twee mensen in gesprek, maar ze praten volledig langs elkaar heen. Jezus zegt: je kunt alleen het koninkrijk van God zien, als je opnieuw geboren wordt. Nicodemus antwoordt: hoezo, opnieuw geboren worden, dat kan toch maar één keer? Jezus geeft nadere uitleg, spreekt over water en geest, over ‘van omhoog geboren worden’, en spreekt Nicodemus aan op zijn kennis, maar het schiet niet op.  Nicodemus blijft vragen: hoe kan dit? Of het tussen de twee tot begrip, tot verstaan is gekomen, blijft in het ongewisse. Je kunt Nicodemus onvermogen verwijten, maar Jezus net zo goed. Het lijkt Hem niet te lukken zijn boodschap over te brengen. De twee komen niet nader tot elkaar.

Het diepe niet begrijpen, het diepe niet kennen, het bijna totale onvermogen de kloof te overbruggen, deze tweedeling, is typerend voor het Johannesevangelie. Het kennen en het niet kennen, het zien en het niet zien, het licht en het duister, het goede en het kwade, de wereld en het koninkrijk van God zijn voorbeelden van woordparen die Johannes opvoert om duidelijk te maken dat Jezus van een geheel andere orde is en dat Hijzelf de sleutel is tot wel kennen, wel zien, wel verstaan. Nog vorige week waren we, toen we Pinksteren vierden, getuige van een gesprek tussen Jezus en Filippus, een leerling van Jezus. De diepte van het onbegrip is hier zo mogelijk nog groter. Jezus zegt letterlijk: wie mij kent, kent de Vader, waarop Filippus het bestaat het te vragen: laat ons de Vader dan maar zien, Jezus; terwijl, hij, Filippus, anders dan Nicodemus, voortdurend bovenop de neus van Jezus zit. Een bijna logische vraag ergens, maar ook eentje die de tragiek van het onvermogen van Filippus, van ons mensen, pijnlijk aan het licht brengt. Het past ons niet hard te zijn in ons mogelijke oordeel over Nicodemus en Filippus. Hun vragen zijn uitdrukking van de tragiek die ons aller deel is. Niet kennen, niet zien, in het duister tasten, niet verstaan, is eerder ons deel, is eerder wie we zijn als mens, dan wel zien en wel kennen. En of we deel uit maken van de kerk, maakt daarbij niet zo veel verschil, integendeel zou ik zelfs willen zeggen. Wij zitten met onze neus op de verhalen, maar zien en kennen, een wel verstaan is daarmee niet automatisch gegeven.

Het tegenover in het Evangelie naar Johannes, scherper aangezet dan in de andere evangeliën, vinden we ook het doorgaande gesprek van Jezus met de Farizeëen. Vlak vóór de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus, althans in dit evangelie, treffen we Jezus in de tempel in Jeruzalem. Hij jaagt alle handelaren er uit, en zegt: breek deze tempel maar af. Ik bouw die in drie dagen weer op. Ook daar weer volledig onbegrip. Hoezo in drie dagen? Het heeft 46 jaar geduurd voor deze tempel er stond. De toon wordt direct aan het begin van het evangelie al goed gezet. En het gesprek met Nicodemus is er een voortzetting van. Er staan twee werelden tegenover elkaar. Mensen spreken dezelfde woorden, gebruiken dezelfde beelden en toch is zien en kennen, verstaan, onmogelijk geworden.

Nicodemus spreekt Jezus aan als zijn gelijke. Zijn eerste woorden aan het adres van Jezus zijn bijna een belijdenis: Rabbi, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. En zo is het, toch? Maar Jezus antwoordt en nu even in mijn woorden: het gaat niet om de wonderen op zichzelf, om hoe je die beoordeelt, het gaat er om of je kunt zien welke dynamiek, welke verandering daarachter schuilgaat, en dat kan alleen als jezelf onderdeel wordt van die dynamiek, van die verandering. Het gaat hier niet om een verandering binnen de orde van wat we kennen, maar om een verandering buiten alle gebruikelijke orde, en dat kun je pas echt op waarde schatten, als je zelf geen onderdeel meer uitmaakt van die oude orde, waarin je, zoals in net leven van Nicodemus alleen nog maar kennis overhebt, kennis die het leven klemzet in steeds weer nieuwe regels die dat leven proberen te beheersen. Wij doen dat voortdurend, en des te erger als het in Gods Naam gebeurt. 

Het is vandaag zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid. Het is pijnlijk illustratief dat we juist vandaag het verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus horen. Immers, de Drie-eenheid is het voorwerp van hetzelfde onvermogen dat we in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus ontmoeten. Als er een uitdrukking is die de dynamiek van wie God is duidelijk probeert te maken, dan is het wel het artikel van de Drie-eenheid. In de loop van de geschiedenis is het echter een leerstuk geworden, dat vooral is gebruikt om God te verklaren, te bewijzen, terwijl het vooral een geloofsuitspraak is, die als een venster op God iets van hun geheim, van de dynamiek van deze God wil laten zien. Kennis hebben van dit artikel, dit leerstuk betekent helemaal niets, als je niet zelf onderdeel bent van de dynamiek van de Drie-eenheid, in de nieuwe driehoeksverhouding, de nieuwe relatie tussen God, mensen en wereld. Zo persoonlijk is het. Zo persoonlijk maakt het Evangelie naar Johannes het, keer op keer. Het gaat Jezus niet om Nicodemus de Farizeeër, het gaat hem om de mens die tegenover Hem zit.

Maar hoe kan dat dan? De vraag blijft recht overeind en mag, nee moet steeds weer gesteld worden. Jezus ontmoet Nicodemus in de nacht van Pasen, Pesach. De nacht is betekenisvol in de traditie van de Bijbel. Juist in de nacht komen dingen aan het licht, breekt het kennen door, worden de dingen geopenbaard. Dat het nu de nacht van Pasen is, is veelzeggend. Al staan Jezus en Nicodemus nagenoeg onoverbrugbaar tegenover elkaar, er is toch iets dat hen met elkaar verbindt, en dat is het verhaal van Pesach. Het is het verhaal van de bevrijding van het joodse volk uit slavenhuis Egypte; dit verhaal anders dan alle andere verhalen; dit verhaal van een geheel andere orde; dit verhaal van een gebeurtenis die nooit iemand had verwacht, klemgezet in een slavenbestaan; dit verhaal van vrijheid die de orde van de mensen, die de orde van ons samenleven, die de orde van georganiseerde religie te boven gaat; die ergens anders vandaan komt; die het mensenbestaan, ons leven in een heel nieuw licht zet. Wie had dat gedacht van dit slavenvolk, wie had dit gedacht van deze man uit Nazareth, deze zoon van een timmerman? Het gaat er niet om of we dit kunnen verklaren, het gaat er ook niet om of we het overal kunnen aanwijzen, het gaat er om of wij ons eigen leven en het samenleven steeds weer willen zien tegen de achtergrond van deze andere orde, die bevrijding uit het slavenhuis, die overwinning van de dood, die tweede geboorte ‘van omhoog’. Wie dat doet, loopt nooit vast, of: breekt steeds weer vrij, is onderdeel van de dynamiek die met de komst van Gods geest ons deel is geworden. Dat doen, zo willen kijken, zo willen zien, zo kunnen zien en kennen, is niet een eens en voor altijd. Wij zijn en blijven mensen, moeten de verhalen van Pesach en Pasen steeds weer delen, tegen elkaar uitspreken, voor God belijden dat we in de geest van deze verhalen willen leven en naar het leven willen kijken. Maar we hebben het verhaal, we weten van bevrijding, we hebben deze Jezus, we hebben deze verhalen, deze mens als een belofte die altijd blijft. En daarvan te bestaan is meer dan voldoende.

Ergens las ik een verhaaltje van een geestelijk verzorger in een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Een slechtziende hield niet op te zeggen, veertien jaar lang inmiddels: ‘Jezus heeft mij nieuwe ogen beloofd’. Het is in veertien jaar niet gebeurd, maar die beperking was geen belemmering voor geloof. Als je begrip afdwingt, of een wonder, gebeurt er niets. Als je leeft van vertrouwen, dan gaat de hemel open en wordt je opnieuw, van boven, geboren, steeds weer. 

Amen

 

LHBTI staat voor: lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse.


2 mei

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 15: 1-8


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we uit het evangelie van Johannes de laatste van de zogenaamde ‘Ik ben’- woorden van Jezus. Zeven keer komt het voor in het Johannesevangelie dat Jezus een uitspraak doet die begint met ‘Ik ben’ en ik heb ze op de liturgie allemaal even onder elkaar gezet.
  • Ik ben het Brood des Levens (Johannes 6:35)
  • Ik ben het Licht van de Wereld (Johannes 8:12)
  • Ik ben de Deur (Johannes 10:9)
  • Ik ben de Goede Herder (Johannes 10:11,14)
  • Ik ben de Opstanding en het Leven (Johannes 11:25)
  • Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14:6)
  • Ik ben de ware wijnstok (Johannes 15:1)
Wat opvalt aan deze uitspraken van Jezus is dat ze beginnen met de woorden ‘Ik ben’. Daarin klinkt de naam van God door, de naam ‘Ik ben die ik ben’. Jezus is dus met de naam van God verbonden. En wat ook opvalt is dat die woorden zoals de weg, het licht, de herder, de wijnstok allemaal voorkomen in verhalen in het Oude Testament die gaan over hoe God verbonden is met zijn volk. Denk aan de weg door de Schelfzee, het brood in de woestijn en herders zoals Mozes en David.
Kortom de ‘Ik-ben’ uitspraken van Jezus zeggen iets over hoe Jezus verbonden is met God én deel uitmaakt van de verbondenheid van God met mensen.

Vandaag lezen we ‘Ik ben de ware wijnstok’. Dat beeld van de wijnstok heeft een belangrijke plaats in de Bijbel. Ik wil het u schetsen aan de hand van een paar Bijbelteksten. Als u wilt kunt u dat nalezen, de overweging is terug te vinden op de website of na te vragen bij mij. Dat mag u overigens altijd doen, ik stuur het u dan toe. Over de wijnstok:

Het eerste wat Noach doet na de zondvloed is dat hij een wijngaard aanlegt (Gen 9:20),  teken van een nieuw begin en hoop.
Als de verspieders het beloofde land Kanaän in gaan, nemen ze bij terugkomst een druiventros mee die zo groot is dat ze hem met z’n tweeën moeten dragen (Numeri 13:23), teken van een toekomst in overvloed.
De profeet Micha (4:4 en ook in 1 Kon 5:5) spreekt over een toekomst waarin iedereen veilig onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom zit.
De wijnstok is in deze verhalen een teken van goede aarde en van nieuwe toekomst.

De wijngaard is ook een verbeelding van het volk Israël dat leeft in verbondenheid met God. De profeet Jesaja (5:1-7) heeft het Lied van de wijngaard, waarin God van heel Israël een goede wijngaard wil maken, maar de wijngaard verwildert vanwege alle onrecht dat plaatsvindt. De wijnstok kan beschadigen, daarover gaat Psalm 80.
 
Als Jezus zegt ‘Ik ben de ware wijnstok’, dan krijgt dat oude beeld van het volk Israël dat  verbondenheid is met God een nieuwe invulling. De wijngaard blijft het volk Israël zelf en de wijngaardenier is God. Maar Jezus is de wijnstok, onderdeel en beginsel van de wijngaard. Vandaag horen we Jezus zeggen: ‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken’. Dat belooft wat!

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Blijf in mij, Ik blijf in jou’. Blijven, verblijven, verbonden blijven, daar gaat het om.
Als je een druiventros aan een tak voorstelt, of Bijbels gezegd: een rank aan een wijnstok, dan kun je je voorstellen hoe die beide verbonden zijn. Maar, en dat is belangrijk om toe te lichten bij de vertaling, Johannes schrijft dat zij niet verbonden zijn mét elkaar of áán elkaar, maar ín elkaar. In de Griekse tekst en ook in de Nederlandse vertaling zit er innigheid in. De rank is niet letterlijk afhankelijk van de wijnstok, maar er innig mee verbonden.

Jezus wil met dit beeld aangeven hoe de leerlingen verbonden zijn met Jezus en met God. Want daar komt het op aan als Jezus straks weg zal zijn. Daarom lezen we deze tekst tussen Pasen en Pinksteren. Want de vraag is: hoe kunnen we verder gaan?

2. ‘Blijf in mij, Ik blijf in jou’. Dat klinkt alsof wij een bepaald standpunt moeten kiezen. En de uitspraak ‘Ik ben de ware wijnstok’ kan overkomen als een definitie die Jezus van zichzelf geeft.

Maar dat is teveel Nederlands gedacht.
‘Ik ben’ is in de Bijbel letterlijk een werkwoord, een woord dat alles te maken heeft met beweging en met doen. De Godsnaam, die bestaat uit de 4 Hebreeuwse letters van het werkwoord ‘zijn’, laat zich vertalen als ‘Ik ben die ik zijn zal’, of ‘Ik ben er voor jou’.

Net zo is de uitspraak ‘Ik ben de ware wijnstok’ niet een naam of een titel voor Jezus, maar een aanduiding hoe Jezus, en wij in Hem, verbonden zijn met God.
Dat is een actief gebeuren. Daar stroomt, zoals bij de wijnstok, levenssap doorheen.
In het tweede deel van deze tekst, die volgende week op het rooster staat, licht Jezus toe wat er stromen moet. ‘Heb elkaar lief’ zegt Jezus - dat is de verbinding waarin we met elkaar staan. Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. (Joh 15: 9-10)

Elkaar liefhebben dat gaat dus om het doen van de geboden, recht doen aan elkaar, elkaar het goede leven niet onthouden.
De ‘Ik ben’ namen van Jezus zijn ook telkens verbonden met wat Jezus doet. Jezus is wat hij geeft. Hij geeft de mensen brood bij de wonderbare broodvermenigvuldiging en Jezus is het brood, Hij geeft de mensen wijn in Kana en Hij is de wijnstok, Hij wekt mensen tot leven en is het Leven.

3. ‘Blijf in mij, Ik blijf in jou’, is dus geen statisch gebeuren, niet een toestand of een mystieke ervaring, maar het is een oproep tot handelen. Blijf innig verbonden met die woorden van Jezus, met Jezus zelf, en zo met God, omwille van het vruchtbaar zijn. Want daar gaat het om: vrucht dragen.
Daar zijn de woorden van Jezus op gericht. Hij zegt zelfs tegen zijn leerlingen ‘jullie zijn al rein door wat ik jullie gezegd heb’, letterlijk staat er ‘jullie zijn al bijgesnoeid’ (Joh 15:3).

God is de wijnbouwer, Jezus is de wijnstok die zelf geen vruchten draagt, maar de wijnstok leeft in de ranken die vrucht geven.

Alle ‘ik-ben’ woorden zijn zo inclusief, onmiddellijk volgt erop ‘jullie…’.
Ik brood – jullie moeten uitdelen
Ik licht – jullie niet in duisternis wandelen
Ik wijnstok- jullie ranken, vrucht dragen
Ik weg – jullie geboden onderhouden
Ik herder – jullie luisteren naar mijn stem
Ik deur –  jullie in en uitgaan

De Messias kan niet zijn wie Hij is als ‘jullie’ niet doen als Hij.

Doen we dat? Tot welke vruchten leiden de woorden van Jezus en onze verbondenheid met Hem? Hoe snoeien de woorden van Jezus ons zo dat we komen tot daden? In hoeverre stroomt het levenssap van de wijnstok, die liefde, door ons heen tot vruchten, tot daden, die de wereld bereiken?

Deze vraag volgt uit de lezing vandaag. Maar ook vorige week kwam dit ter sprake op de Oranjekerk in de Praktijk avonden waarin we spraken over hoe wij als gemeenteleden van de Oranjekerk verbonden zijn met God en met elkaar, maar ook over hoe dat betekenis heeft in de wereld, in de buurt, in onze naaste omgeving. Wat merken anderen van de goede dingen die wij hier ervaren? Welke vruchten komen daaruit voort en delen we uit?

4. Nadenkend over het beeld van de wijnstok blijf ik haken bij de innige verbondenheid.
Naar mijn idee splitsen we die verbondenheid in de kerk en in onze gesprekken vaak op.
Óf we hebben het over wat we geloven. Óf we hebben het over wat we doen of zouden willen doen als activiteit in de kerk of elders.

In de beeldspraak van de wijnstok en de ranken die vrucht dragen, is er sprake van een doorgaande stroom van voeding en van leven dat je krijgt en doorgeeft.
Liefde en recht doen, daar gaat het om.

Maar als wij nu moeten zeggen wat het is dat we in onze innige verbondenheid met Jezus’ woorden en Jezus zelf ontvangen en tot welke daden ons dat aanzet, wat is dat dan?

Deze dagen denk ik aan bevrijding als iets om door te geven – dat je de ruimte die je van God krijgt ook aan anderen wil geven. Maar nogmaals, wat is ons doorgeefding?

5. Het een na laatste vers kan ons op het goede spoor zetten: ‘Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren’.

‘Vragen wat je wilt’ dat gaat niet om van alles kunnen vragen, het gaat om vragen vanuit die innige verbondenheid met Jezus en met zijn bevrijdende woorden. Als we in die verbondenheid staan, bijvoorbeeld op zondagmorgen in een moment van bezinning, welke vraag, welk gebed voor deze aarde, voor deze buurt komt dan in ons op?
En wat hebben wij dan door te geven?

Amen.

18 apr

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Johannes 21: 15-25


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag is de 3e zondag ván Pasen, want de paastijd duurt 50 dagen, tot Pinksteren.
Het paasfeest is geweest, maar de paasboodschap blijft: Jezus is gestorven en opgewekt, een nieuw begin is mogelijk.
In hoofdstuk 20 van het Johannesevangelie lezen we hoe Jezus na de opstanding zich laat zien aan Maria, aan zijn leerlingen en aan Tomas. En de één na de ander belijdt ‘Ik heb de Heer gezien’. En Jezus zendt hen uit. Pasen is in alle opzichten een nieuw begin.

Maar hoe moet het nu verder? Zoals wij, wij zijn nog steeds wie we waren, niet opeens andere mensen. Dus hoe gaat dat nieuwe begin van Pasen dan in z’n werk?
Terwijl de evangelist Johannes in hoofdstuk 20 zijn evangelie afrondt, komt er toch nog een hoofdstuk 21 dat dat uitlegt. Zeven leerlingen van Jezus zijn teruggegaan naar Galilea. Petrus neemt het initiatief om te gaan vissen en de anderen gaan met hem mee, maar de hele nacht vangen ze niets. Tegen de morgen roept iemand van de kant hen toe dat ze het net over de andere boeg moeten uitgooien. Als ze dat doen, raakt het net overvol. De leerling van wie Jezus hield, herkent de man aan de kant het eerst. ‘Het is de Heer!’ zegt hij tegen Petrus. En Petrus aarzelt geen moment, trekt zijn bovenkleed op en springt in het water. De andere leerlingen zeulen het net met de vissen mee. Als ze dan aan land komen, brandt daar een vuurtje met vis erop en brood en biedt Jezus de leerlingen die maaltijd aan.

Dan volgt er een gesprek tussen Jezus en Petrus. Dat is onze lezing vandaag. Simon Petrus, de leerling bij uitstek, wordt in het evangelie vaak bij naam genoemd. De naam Petrus kreeg hij van Jezus bij hun eerste ontmoeting, die naam betekent rots. (Joh 1:42)
In het gesprek krijgt Simon Petrus driemaal de vraag of hij Jezus liefheeft. En Petrus beaamt dat, waarop Jezus aan Petrus de opdracht geeft herder van zijn schapen te zijn.

Pardon? Dit is toch een bizarre wending in de relatie van Jezus met Petrus? Als je bedenkt wat hieraan voorafgaand is gebeurd. Petrus heeft Jezus driemaal verloochend, toen het erop aankwam liet hij Jezus compleet in de steek en zei hem niet te kennen! En nu gebeurt dit!

Vandaag zoomen we in op Petrus. Want wat hier gebeurt, dat Jezus Petrus aanwijst als herder, na alles wat hij gedaan en vooral nagelaten heeft, dat wil ons ongetwijfeld iets leren over wat Pasen nou eigenlijk betekent in de praktijk.

Hoe Petrus Jezus driemaal verloochent dat horen we op Goede Vrijdag. Sytze de Vries schreef het ‘Lied van Petrus na zijn verloochening’ daarbij. Dat lied vindt zijn antwoord in de Schriftlezing van vandaag. Daarom beginnen we met het lied om zo het goede nieuws van Pasen te kunnen horen zoals Petrus dat te verstaan krijgt. 

Overweging ‘Zoals Petrus’
1. Gemeente van Jezus Christus,

Nooit zou Petrus Jezus afvallen. Anderen zouden het misschien doen, maar hij niet, dat durfde hij te bezweren. (Matt 26:33) Hij deed het toch, driemaal zoals Jezus had gezegd.
In andere evangeliën lezen we hoe Petrus bij het kraaien van de haan in tranen uitbarst. (Mk 14:72, Matt 26:75, Lk 22: 62)
Bij Johannes lezen we hoe Petrus verdrietig wordt als Jezus driemaal vraagt of hij Hem liefheeft. Je kunt je het schuld- en schaamtegevoel van Simon Petrus voorstellen…

‘Heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’ vraagt Jezus.
‘Ja Heer, u weet dat ik van u houd’, antwoordt Petrus.
‘Meer dan de anderen’ hoor je Petrus niet meer zeggen. En ook gebruikt Petrus een ander woord ‘houden van’ om te antwoorden op de vraag van Jezus ‘heb je me lief’?
Petrus is in alle opzichten bescheidener geworden.
En hij weet wat hij aan Jezus heeft als die tegenover hem staat.
Jezus ziet hem zoals hij is, niets is voor Hem verborgen: ’Heer, u weet alles’, zegt Petrus.
 
Jezus weet alles en stelt alleen deze vraag ‘Heb je mij lief?’.
Drie keer stelt Jezus die vraag, de drievoudige verloochening wordt niet verdoezelt.
En Jezus spreekt hem bij die vraag aan als ‘Simon, zoon van Johannes’. Dat is de naam die Simon had voordat Jezus hem de naam Petrus, rots waar ik op kan bouwen, gaf. (Joh 1:42)

Jezus begint met Simon opnieuw. Hij geeft hem de opdracht ‘hoed mijn schapen’ en ook ‘volg mij’. Zoals Jezus een herder is voor wie hem volgen, zo zal ook Petrus dat zijn.
Hij krijgt die opdracht met als basis enkel het antwoord op de vraag ‘Heb je mij lief’.
Drie keer antwoordt Petrus ‘U weet dat ik van u houd’. Meteen bij de eerste keer krijgt hij al die opdracht ‘Weid mijn lammeren’. Drie keer bevestigt Jezus die opdracht.
Niet Petrus de alleskunner, maar Petrus die weet dat hem veel vergeven is, zal herder zijn.

2. Terug naar de vraag wat Pasen in de praktijk kan betekenen.
Petrus weet hoezeer hij tekort is geschoten, dat verleden is niet weg én Petrus heeft Jezus lief, meer dan hij weet dat hij waar kan maken. Jezus weet dat ook.
Niet vanwege bewezen competenties, of een onberispelijk cv krijgt Petrus deze opdracht, maar om zijn liefde voor Jezus, die zich laat kennen in zijn liefde voor mensen.

Dus om op de vraag uit het lied van Petrus in te gaan: Nee het is niet te laat, het is nooit te laat om te laten weten dat je van Hem houdt.
Dat is wat Pasen is in de praktijk, dat is waar je opnieuw kunt beginnen, met antwoord geven op die vraag ‘Heb je me lief’ en ingaan op die opdracht ‘volg mij’.

Jezus volgen zal bij Petrus eindigen met de marteldood. Dat zegt Jezus hier al. Meteen richt Petrus zich op die andere geliefde leerling van Jezus die er telkens bij is en hen nu ook volgt. Wat zal er met hem gebeuren, zal hij ook sterven?
Maar Jezus geeft aan dat hij een andere weg zal gaan.
Zoals er niet één manier van geloven is, zo is er ook niet één manier van Jezus volgen.
Petrus zal herder zijn en zal Jezus navolgen in liefhebbende daden. De geliefde leerling blijkt de evangelieschrijver Johannes te zijn, hij zal Jezus navolgen door zijn woorden en daden door te geven. Beiden getuigen van Jezus.

3. Dan nu Pasen in onze praktijk.
In het evangelie van Johannes staat Petrus model voor dé leerling van Jezus. Is hij voor ons ook een voorbeeld? Als Petrus met Pasen opnieuw mag beginnen, dan u en ik ook, toch?

‘Heb je mij lief’ is de enige vraag die Jezus stelt.
‘U weet dat ik van u houd’ is het antwoord en de belijdenis van Petrus.
Hij weet dat hij meer gekend wordt dan hij zichzelf kent.
Hij weet dat hij Jezus meer liefheeft, dan hij waar kon maken. Zijn liefde is wat telt. Die liefde voor anderen maakt hem tot herder, genoeg om Jezus te volgen.

De vraag die Jezus stelt, doet Petrus opstaan.
Liefde is sterker dan haat, waarheid is sterker dan leugens.
Hier begint nieuw leven. Neem dat maar aan. Amen. 

4 apr

Overweging Paasmorgen

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Marcus 16: 1-8


Inleiding op de Schriftlezing
Deze dagen lezen we uit het evangelie van Marcus. Op donderdag en vrijdag hoorden we over het lijden en sterven van Jezus, dat zette ons stil. In de Paasnacht hoorden we het Paasevangelie, dat zette ons in het licht. Vandaag horen we het Paasevangelie opnieuw met nu ook het laatste vers, waarin de vrouwen vol angst en schrik wegvluchten bij het lege graf en tegen niemand iets zeggen. Ze zijn ontzet. Het lied na de Schriftlezing sluit daarbij aan.

Stilgezet, in het licht gezet en ontzet. In de overweging stel ik de vraag welke betekenis de opstanding voor ons heeft. Zoals ik daar ook afgelopen weken met sommigen van u over sprak. In gesprek gaan over opstanding, dat vergt enige moed. Ik hoop dat we elkaar als gesprekspartners weten te vinden.

Overweging ‘het houdt gewoon niet op’
1. Gemeente van de Opgestane,

Dit kan het einde toch niet zijn? Het verhaal dat de evangelist Marcus vertelt, lijkt niet af. Na de mannen in Getsemane, vluchten nu ook de vrouwen weg en zeggen niets, want ze zijn bang. Waarom zijn die vrouwen zo geschrokken?
Wat er is gebeurd viel te verwachten, toch? Jezus heeft tijdens zijn leven meerdere keren zijn dood én opstanding aangekondigd. (Marcus 8,31; 9,31; 10,34 en vooral 14,28).
En zijn hele leven heeft Jezus laten zien hoe de grenzen tussen leven en dood niet absoluut zijn. Denk aan de genezingsverhalen en de opwekkingsverhalen, zoals van het dochtertje van Jairus. (Marcus 1,31; 2,9-12; 3,3; 5,15,41,29; 6,16; 9,27).

De vrouwen schrikken terwijl ze ook opgelucht zouden kunnen zijn, elkaar om de hals zouden kunnen vallen. Yes, Hij leeft!
Maar in plaats daarvan zijn ze ontzet.
En waar Jezus bij vele genezingen waarschuwt ‘zeg er tegen niemand iets over’ (Mk 1: 44), en mensen dat dan toch doen, moeten de vrouwen nu aan de leerlingen een boodschap overbrengen, maar doen ze het juist niet.
Het is maar een geluk dat de evangelist het ons vertelt, anders hadden we van niets geweten…

2. De vrouwen weten niet wat hun overkomt, wat ze moeten denken van de opstanding. Wat ze moeten zeggen, ze vinden er geen woorden voor. Het bericht maakt hen aan het wankelen en bang.
Dit is de dag die de Heer heeft gegeven zoals de Psalmist het zegt, dit is de 1e dag, de dag van de opstanding en ze weten niets te zeggen.
Dit is dus waar Pasen over gaat: over niet uit je woorden komen en niet precies weten wat je met deze boodschap over opstanding moet, behalve dan het te vrezen.
Als de mensen die erbij waren en de evangelist het al niet onder woorden weten te brengen, waarom zouden wij het dan wel moeten kunnen? Ook achteraf is het niet makkelijk praten…

Hoewel. Dat is niet waar. In de brief van Paulus aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus over de betekenis van de opstanding. Hij was er niet bij, maar weet het wel te duiden vanuit de Schriften. Paulus schrijft (1 Kor 15: 3) ‘Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat’.
Heldere taal voor wie thuis is in de woorden van Paulus. Maar dat zijn we lang niet allemaal.
Het is theologische taal, niet makkelijk te verstaan, gemakkelijker nog mis te verstaan.
3. En zo bestaan er meerdere reacties op die opstanding van Jezus van Nazareth, in de Bijbel en onder ons. De één kan Paulus beamen en zeggen dat Jezus is gestorven voor onze zonden en ons zo heeft gered. De ander staat net als de vrouwen bij het lege graf met de mond vol tanden. Ook dat is getuigen van de opstanding – niet weten wat je ervan denken moet, niet onder woorden kunnen brengen wat er nu eigenlijk is gebeurd.

De éne duiding is niet meer waar of meer Bijbels of meer gelovig dan de ander.

De boodschap die klinkt vanuit het lege graf is: ‘Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’
‘Ga naar Galilea’, dat betekent ga terug naar waar alles begon. Voor ons als lezers betekent het, blader terug naar het begin van het evangelie, lees opnieuw en zie hoe alles uit dit leven van Jezus, Zoon van God, samenhangt en betekenis krijgt.

Maar dat teruggaan naar het begin lukt ons vaak niet, want dat vraagstuk rond de opstanding ligt velen van ons zwaar op de maag, staat ons als de zware steen voor het graf in de weg. Hoe rollen we die steen weg en kunnen we met elkaar spreken over wat opstanding met je doet?

4. Wat het met de vrouwen doet is dit: ze zijn ontzet. Of ze worden ontzet, worden op een ander been gezet. Niets blijkt tot stilstand gekomen, alles ligt weer open. Opeens is dit werkelijkheid: dat verhaal van Jezus van Nazareth dat houdt gewoon niet op. Er is geen ‘eind goed al goed’ en geen klinkende overwinning. Er is enkel een vraag opnieuw te beginnen en Jezus te volgen.
 
Is die vraag teveel van het goede?
Hoe raakt deze opstanding ons?
Hoe ontzet Pasen ons van wat ons in de greep houdt?

5. Er zijn mensen in beweging gekomen. Precies wat de bedoeling was. En wat de bedoeling is: dat we in beweging komen. Dat we doorgaan of weer opnieuw beginnen met dat leven van Jezus voor ogen.
We zitten niet vast, we zitten niet in een houdgreep, dat is wat Jezus de mensen leerde.
Hij moedigde de mensen aan de ruimte te nemen en vrij te zijn van wat benauwd.
Hij wees mensen op een nieuw begin dat mogelijk is.
Ga op weg, ontmasker wie hun macht misbruiken, leg je niet neer bij uitsluiting, doemdenken.

Zou het kunnen dat we die vraag ‘Hoe raakt de opstanding jou?’ aan elkaar durven stellen, vrijmoedig, zonder angst dat het geen goed antwoord is wat je geven kunt. Zouden we dan samen dichterbij dat geheim van geloven kunnen komen?

De vrouwen blijven bevreesd achter. Als er mensen vrezen in het evangelie dan is dat vaak een moment waarop hen iets duidelijk wordt van wie Jezus als Messias is.
Ze zijn dus niet gewoon bang, nee, ze komen iets op het spoor en dat bevreest hen.
De boodschap van deze mens houdt gewoon niet op, maar blijft van kracht. Dienstbaar zijn aan mensen, niet heersen door overmacht, het bestaat, het is een begaanbare weg.  

6. Opgewekt zet Hij ons aan tot beweging. Dat Hij ons voorgaat, dat betekent dat wij uitgenodigd zijn om te volgen. Het is een beweging die we samen maken, als in een dans.
Doe maar mee.
Amen.

28 mrt

Een goed verhaal ‘ter herinnering aan haar’ Palm- en Passiezondag

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Marcus 11: 1-11 en 14: 1-11



Inleiding op de schriftlezingen

De lezingen vandaag spelen zich afwisselend af in Bethanië en Jeruzalem.

Jeruzalem is de koningsstad, de stad van koning David, waar de tempel staat en het centrum van de religieuze macht zich bevindt. Daar is Jezus met zijn leerlingen naar op weg, daar zal zijn overlevering plaatsvinden, heeft Jezus gezegd.

Als Jezus Jeruzalem als koning binnengaat, raakt het volk enthousiast over Jezus en de belofte die van Hem uitgaat.

Jezus zelf raakt in hevige discussies verwikkeld met de hogepriesters en schriftgeleerden.

Buiten Jeruzalem ligt het dorp Bethanië. Letterlijk betekent de naam Bethanië ‘Huis van de armen’. We kunnen het ons voorstellen als een sloppenwijk even buiten Jeruzalem, een achterstandswijk buiten de ring. Daar trekt Jezus zich terug wanneer hij overdag in de tempel is geweest. Daar verblijft Hij bij mensen thuis. Bij mensen die leven aan de rand van de maatschappij, die weten van nood en dood.

Dit alles daar in Jeruzalem en Bethanië vindt plaats vlak voor het Joodse Pesachfeest. Het feest waarbij de uittocht uit Egypte, de bevrijding uit de slavernij herdacht en gevierd wordt. Deze achtergrond van het Joodse Paasfeest speelt een grote rol. Het schept verlangen naar een nieuwe tijd van gerechtigheid. Én het feest brengt een volksmassa op de been die je als religieuze leiders niet tegen je wilt krijgen…

Jezus lijdensweg (zie Mc 8:31, 9:31, 10:33-34) is definitief begonnen – maar het is slechts een enkeling die dat begrijpt. 

Vandaag vertel ik als overdenking een goed verhaal ‘ter herinnering aan haar’.  

Een goed verhaal ‘ter herinnering aan haar’

Ik wil jullie vertellen wat er vandaag is gebeurd.

Ik was vandaag in het huis van Simon, dat is iemand uit mijn dorp die ik nog ken van vroeger. Jarenlang hadden we geen contact omdat hij een zwervend bestaan leidde, hij was ziek. Maar Jezus heeft hem genezen en daardoor is Simon er weer, terug hier in het dorp. En vandaag was er in zijn huis een feestmaal, ik was uitgenodigd en Jezus was er met zijn leerlingen. We lagen allemaal aan voor die maaltijd.

Er komt een vrouw binnen met een flesje olie en ze gaat naar Jezus.

Ze breekt de hals van het flesje en giet zo alle olie over het hoofd van Jezus.

…. Ik ruik het nog het is het heerlijkste parfum dat ik ooit heb geroken

Ik zie het gebeuren en ik denk: ‘Wat doet ze nou?’. Ik kijk naar haar en naar Hem – olie over een hoofd uitgieten dat deden de profeten om iemand tot koning te zalven. Iemand balsemen dat doe je als iemand begraven wordt…

‘Wat doet zij nou’ hoor ik hardop zeggen.  

Anderen zien het ook, maar zij zien vooral die kostbare olie.

Zonde – zeggen ze, zonde van die olie om die zo te verspillen. Als je die verkoopt kun je er zo een jaarsalaris voor krijgen, dan kun je er iets goeds mee doen, iets voor de armen.

De vrouw zegt niets, maar Jezus wel.

Of ze haar met rust willen laten.

Zij heeft iets goeds voor mij gedaan, zegt Jezus, zij heeft gedaan wat ze kon, zij heeft gegeven wat ze had, ze heeft mij gezalfd met het oog op mijn begrafenis.

Dus toch…

Is Jezus dan op sterven na dood?

Jezus zegt nog iets ‘de armen zijn altijd bij jullie en kun je altijd weldoen, maar ik ben niet altijd bij jullie’.

Die woorden komen aan, dat zie ik.

Als er iemand aandacht heeft voor de armen dan is het Jezus. Niet voor niets komt hij heel vaak in Bethanië. Maar wie van de anderen heeft er ooit eerder zoveel aandacht voor de armen getoond?

En wie heeft er aandacht voor Hem?

Weet je die vrouw, dat is geen vrouw van naam, geen rijke vrouw.

Waarschijnlijk is dat flesje olie haar enige bezit. Rijk zou ze pas zijn als ze het zou verzilveren. Maar nee, ze giet het royaal uit. Kostbaar is het, wat ze doet.

Waarom ze het doet, ik weet het niet, ze zegt niets.

Maar Jezus lijkt het maar al te goed te begrijpen.

Alsof zij de enige is die ziet wat er staat te gebeuren, een koning die gaat sterven.

Het is wel duidelijk dat wat zij doet met dat royale gebaar, van grote betekenis is. Want Jezus zegt: Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’

En ik wil het vertellen, ik vertel het jullie nu, maar ik weet haar naam niet eens.

Terwijl, het was het huis van Simon, die kan ik noemen,

Ehm Judas Iskarariot was er, ook een bekende naam. Je zou verwachten dat Jezus hem naar voren zou halen. Maar hij bleef op de achtergrond, was op een gegeven moment ook weg.

Ik blijf achter met een onbestemd gevoel. Die vrouw wist zo goed wat ze voor Jezus kon doen. Zij was de enige die niet op afstand bleef. Alsof zij wist wat ze aan Hem had, en Jezus wist ook wat Hij aan haar had. Zij waren van elkaar gediend, maakten deel uit van elkaars verhaal. Terwijl de anderen… die leken met heel andere dingen bezig. Alsof het hun niet aanging wat deze vrouw en Jezus met elkaar deelden.  Alsof dit hele gebeuren bijzaak is, en geen wereldnieuws.

Nu denk ik:

Zoals Jezus die vrouw zag, voor haar opkwam, haar daden op waarde schatte…

dat is Jezus ten voeten uit. Zo is Hij naar mensen toe.

En zij zag het als enige en gaf alles wat ze had, zij gaf wie ze is.

Het moment is voorbij. Wat moet ik nou?

Hier sta ik. Hoe kan ik deel uit gaan maken van dit verhaal?

Hoe kan ík ooit beantwoorden aan die ongekende liefde van Jezus voor mensen?

Ik zal dit verhaal blijven vertellen, ter herinnering aan haar, zoals Hij heeft gezegd.

Hier sta ik, oog in oog met zijn ongekende liefde.

Lied ‘Met liefde ongekend’ (t. S. de Vries/m. J. Ireland uit ‘Liefste lied van overzee’)

21 mrt

Zondag Judica

Ds. Piet Kooiman

Joh. 12:20-36


Lieve mensen in de Oranjekerk en u / jij die er bij bent via het wereldwijde web,

Over twee weken is het Pasen. Dat het dichtbij komt hoor je ook in de evangelielezing. ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven’. In een andere vertaling staat dan dat het uur is gekomen. Een kenmerkend woord voor dit evangelie. Die concentratie op het beslissende moment. Tot nu toe was het steeds: “Mijn uur is nog niet gekomen”, maar nu is het zover. Dat levert een geweldige spanning op. Jezus doet een aantal uitspraken en er klinkt zelfs een stem uit de hemel.

De evangelist Johannes vertelt het verhaal van Jezus op zijn eigen manier. En eerlijk gezegd, het is niet echt gemakkelijk. Het klinkt nogal verheven. De andere drie evangeliën vertellen van het lijden van Jezus. Dat maakt indruk, omdat er zoveel ander menselijk lijden is waar dat aan raakt. Dat klinkt ook door in de jaarlijkse tv-registratie van ‘The Passion’ en op een weer heel andere manier in de muziek van Bach. Dat raakt ons!
Maar het woord ‘lijden’ komt in het Johannesevangelie niet voor. Het is alsof Jezus daarboven staat. En daardoor niet dichtbij ons.

Hoe komt het dat Jezus zo anders over zijn dood spreekt dan je zou verwachten? Hij noemt de kruisiging al bij voorbaat zijn ‘verhoging’. Dat is dubbelzinnig. Niet alleen wordt hij dan letterlijk van de aarde omhoog geheven. Maar het betekent ook dat hij weer naar zijn hemelse Vader gaat met wie hij heel zijn leven verbonden is. Ik en de Vader zijn één zegt hij. En van die verhoging zegt hij nu: “Maar hiervoor ben ik juist gekomen.”

Het is alsof in dit evangelie Jezus’ sterven, opstanding en Hemelvaart in dit ene begrip samenkomen: ‘verhoging‘.

Daarbij is het goed te bedenken dat dit evangelie, elk evangelie (!), geschreven is na Pasen. Over het kruis kan alleen maar iets worden gezegd vanuit de opstanding.

Jezus krijgt het benauwd daar in Jeruzalem. De leiders in de tempel hebben al besloten hem uit de weg te ruimen. Nu komen de Grieken als vertegenwoordigers van de hele wereld naar hem toe. Om hem te zien. Eerst zien en dan geloven. Ze hebben wel gehoord van de tekenen die Hij heeft gedaan, maar dat is voor hen niet genoeg.  

De NBV zegt het zo: ‘Nu ben ik doodsbang!’ Hier staat een woord dat ook wordt gebezigd voor een aardbeving. De andere drie evangeliën vertellen van de innerlijke strijd van Jezus in de hof van Getsemane. Johannes vermeldt die strijd hier in één kort regeltje. Maar het zegt evenveel. “Nu ben ik doodsbang.” Het is een citaat uit psalm 6 en als je die psalm ernaast legt blijkt hoe goed de vertaling hier is: het gaat daar over een mens, die het angstzweet uitbreekt.
In het liedboek:
Ik word verteerd door vrezen
o Heer, kom mij genezen,
mijn hart is droef en bang.

Jezus is voluit menselijk! De dood roept angst op. Instinctief. Kinderen die met de dood te maken krijgen, al is het van een huisdier, kunnen daar angstdromen van krijgen. Als je een raar soort pijn in je lijf voelt denk je: het zal toch niets ernstigs zijn? Het is normaal als een mens reageert met angst wanneer de dood zich meldt. En bij Jezus gaat het ook nog om een gewelddadige dood.

Dagblad Trouw had in afgelopen week een artikel over de strafkampen in de SU. Over marteling en gevangenen die worden doodgeslagen. Je weet dat het voorkomt, maar als het dan weer eens zwart op wit staat roept het afgrijzen op.

Dat iemand als Navalny er toch voor kiest om vanuit het vrije westen terug te keren naar zijn vaderland waar hem zo’n lot wacht, dat kan toch bijna alleen maar vanuit een diepgevoeld innerlijk moeten. Er kan een moment komen dat je niet meer terug kunt achter de keuze die je gemaakt hebt. De keuze van verzet. Hij moet hebben gedacht: Ik kan niet anders dan daar zijn waar het onrecht openbaar moet worden. Daar moet ik mijn stem, mijn tegenstem laten horen. Kome wat komt.

Had Jezus kunnen afhaken? Zo ziet hij het zelf niet: Wat zal Ik bidden: Vader, red mij uit dit uur? Maar nee, daarom ben ik in dit beslissende uur juist hier!

Zo overwint hij zijn angst in een klein gesprek met zijn hemelse Vader. Aan Hem vertrouwt hij zich toe. Hij houdt vast aan zijn opdracht om Gods liefde voor mensen met heel zijn leven vorm te geven. Daar kan en wil hij niet achter terug. Het is de weg waarop hij kiest voor het licht, tegen het duister.

Licht en duister. Twee tegengestelde begrippen.
Duister voor onrecht, moedeloosheid, het uitzichtloze.
Licht is Gods eerste woord bij de schepping.
Het is leven, vreugde, hoop en toekomst.

Dichtregels die de betekenis van het licht treffend tot uitdrukking brengen zijn in Amsterdam te lezen op de muur van het HM van Randwijk plantsoen, aan het Weteringcircuit. Dat plantsoen is genoemd naar de verzetsstrijder die deze regels dichtte:
Een volk dat voor tirannen zwicht
Zal meer dan lijf en goed verliezen.
Dan dooft het licht.

Johannes begint zijn evangelie met te wijzen op het Woord dat schept en het Licht dat leven is. En hij verbindt dat met Jezus. Het licht der wereld.
Jezus gelooft dat het licht wint van de duisternis. Want het licht komt van de Eeuwige, die liefde is en daarom betrouwbaar. Vanuit dat geloof kiest Hij zijn weg. Kome wat komt. En hij vertrouwt erop dat zijn leven zó vruchtbaar is.

Om dat toe te lichten komt hij met dat sterke maar ook kwetsbare beeld van de graankorrel. In die tijd een universeel beeld. De graankorrel die in de aarde valt en sterft maar juist daardoor veel vrucht draagt. Het is dit beeld uit de natuur dat Goede Vrijdag en de eerste Paaszondag met elkaar verbindt.

De graankorrel vertelt dat wie leeft voor zichzelf, krampachtig vasthoudt aan wat hij/zij heeft, het zal verliezen. Die blijft op zichzelf, alleen. Maar wie zijn leven kan loslaten, zich verbindt met de ander, die zal het behouden.
Royaal leven, dat is vruchtbaar.
 
Lieve mensen, kan ik Jezus daarin volgen? Is dat niet te hoog gegrepen?
Dat hoeft niet, want hij zegt dat Hij allen tot zich zal trekken. Allen, hoe royaal is dat!
Wij hoeven niet hoog te grijpen, maar ons eenvoudigweg laten inspireren door zijn vruchtbare woorden. Woorden die beloven dat de Eeuwige met ons gaat, bij ons is, als wij niet voor onszelf leven maar ten dienste van elkaar. Dan komen wij tot bloei!
Dat is Pasen.

In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

14 mrt

4e zondag veertigdagentijd

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Johannes 6: 1-15

 

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’, Jezus stelt deze vraag aan Filippus, terwijl Hij het antwoord al weet. Hij stelt de vraag om Filippus te testen. Het antwoord ligt voor de hand, maar Filippus ziet het niet. Hij komt er niet op om te zeggen: ‘nou Jezus, gezien wat je bij de bruiloft laatst in Kana deed met de wijn en gezien al die andere wonderen, denk ik aan jou, dat jij de enige bent die al deze mensen kan voeden’.

Filippus ziet het niet, hij heeft nog steeds niet begrepen wie Jezus is. Hij rekent daarentegen de vraag van Jezus economisch door en schat dat je met tweehonderd ​denarie, tweehonderd daglonen niet voldoende hebt om iedereen een klein stukje brood te geven.

Andreas komt aan met een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, en hoewel hij die 5 broden onmiddellijk zou kunnen herkennen als een verwijzing naar de 5 boeken van Mozes, de Torah, verwacht Andreas dat je daar in deze omstandigheden niet echt wat aan hebt, toch?

En dan begint Jezus te onderwijzen. Eerst door te doen, en daarna door uit te leggen.  

2. Alle mensen die Jezus gevolgd zijn om de tekenen die Hij doet, moeten in het gras gaan zitten. Jezus neemt de 5 broden, spreekt het dankgebed uit en deelt het brood uit en ook de vissen. Iedereen krijgt zoveel als hij wil, iedereen eet volop en alles wat overblijft vult 12 manden en niets gaat verloren. Dat is wat er gebeurt, een wonderteken.

De uitleg van dit wonderteken staat in het vervolg van dit hoofdstuk. (Joh 6: 22-59)

Want de volgende dag komen de mensen opnieuw naar Jezus toe en zij vragen Jezus om een nieuw wonderteken, iets zoals hun voorouders die manna in de woestijn kregen, brood uit de hemel. ‘Geef ons altijd dat brood’, zeggen ze.

En Jezus antwoordt: ‘Ik ben het brood dat leven geeft’.  

Dat is nog even iets anders.

3. Jezus’ woorden wijzen ons op het begin van onze lezing waar staat: Het was kort voor het Joodse pesachfeest’. Pesach, Pasen is het feest waarmee het volk Israël haar bevrijding uit de slavernij in Egypte gedenkt. Met het oog op dat feest, wijst Jezus op zichzelf als het brood dat leven geeft.

Want toen het volk Israël door de woestijn zwierf, kreeg het honger. In het onzekere leven na de bevrijding uit Egypte, kwam toen de vraag op naar de zin van het bestaan. Hongeren in de woestijn. Is dit nou leven?

Het antwoord op die vraag kwam in de vorm van manna, brood uit de hemel. Het manna vulde de maag, maar was meer dan dat, het was Woord van God. Dagelijks brood én een woord dat richting geeft, dat wijst op recht en gerechtigheid, dat laat weten waartoe je op aarde bent.

Zoals toen het manna, is Jezus nu, het brood uit de hemel voor de mensen.

Jezus geeft zijn leven aan mensen, hij voedt hen met brood en met het Woord van God. Hij is het woord van God dat zin geeft, Hij is het brood dat leven geeft.

De mensen zien in Jezus een profeet zoals Mozes die het brood en het woord van God doorgaf. Maar Jezus is geen profeet. Geen nieuwe doorgever van het woord van God. Hij is het brood zelf.

4. Jezus zorgt ervoor dat iedereen het brood kan krijgen dat hij nodig heeft, dat iedereen volop eet, en dat wat overblijft, verzameld wordt zodat niets, beter niemand, verloren gaat.

Jezus maakt het woord van God behapbaar. Excuus dat dit wat oneerbiedig klinkt.

Zoals Jezus met mensen omgaat, hun dagelijks bestaan voedt en richting geeft en alle mensen laat delen in die werkelijkheid die uit Gods woord spreekt, zo kan iedereen zich dat Woord eigen maken. Het brood dat Jezus is en deelt, laat niemand verloren gaan, zo wordt het Pasen.

5.  Jezus is het brood dat leven geeft. Voedt Hij ons ook? En hoe dan?

Met de verkiezingen zo vlakbij, valt mij deze boodschap van Jezus extra op:

  • Er is meer dan genoeg voor iedereen, als je deelt. Dan kan het niet op.
  • De wereld is groter dan wat jij overziet, anderen horen er ook bij.
  • Kijk niet weg van mensen in nood, dit is onze wereld, deel wat je hebt.
  • Als je deelneemt, wordt je ook deel van iets, dan verandert er iets in jou.
  • Niemand mag verloren gaan.

Deze boodschap van Jezus voedt mij, wijst mij een richting, laat mij een andere werkelijkheid zien.

Ook die zin uit het Onzevader ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ klinkt nu anders.

Namelijk als een gebed om elke dag onze basis te vinden in hoe Jezus het woord van God belichaamde. Elke dag hebben we dat opnieuw nodig: brood voor het lichaam én het Woord van God voor onze ziel.

Als je liefde wilt vermenigvuldigen, moet je haar delen.

Dat geldt ook voor de liefde van God, zichtbaar in deze ene Mens, die het brood is dat leven geeft.

Amen

21 feb

‘Waarom in het nauw?’, 1e veertigdagentijd 
ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Psalm 91, Marcus 1: (9-11), 12-15


Liedboek 941 ‘Waarom moest ik uw stem verstaan’

1. Gemeente van Jezus Christus, 

Waarom moest ik uw stem verstaan? De stem die uit de hemel klinkt en zegt ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugdeWaarom? Is dat genade?

Want de Geest die in een duif op Jezus neerdaalt, voert Jezus meteen daarna de woestijn in, waar niet een duif maar de duivel op Hem wacht.

De duivel, satan, is letterlijk de aanklager, iemand die je verdacht maakt, bij God of bij mensen. ‘Zoon van God ben jij, oh ja, dat zullen we nog wel eens zien.

En zo is dit in het kort een schets van heel het leven van Jezus, als geliefde Zoon van God in een wereld die Hem vijandig gezind is, een leven dat in het nauw wordt gebracht. 

Waarom? Waarom wordt Jezus zo in het nauw gebracht? Doet God dat? 

Of is dat precies de spanning waar je mee te maken krijgt, ook wij, als je de stem van God wilt verstaan én in deze wereld leeft. Krijgt Jezus niet juist veel te verduren omdat Hij in deze wereld een andere stem en een andere waarheid wil aanhangen dan die van de heersende macht?

Jezus heeft die stem van God verstaan en gaat daarmee de wereld in en verkondigt het goede nieuws aan alle mensenheb vertrouwen in het koningschap van God, God staat bovenaan, houd dat voor waar hier en nu en vertrouw je niet toe aan andere machten.

2. 

Jezus is bij uitstek degene die ons laat zien dat als je vertrouwt op God je niet buiten schot zal blijven. Geloven is nooit kiezen voor de makkelijke weg. Sterker nog, wie oren heeft naar die woorden van God, komt in de wereld in het nauw. Want die woorden passen vaak niet bij hoe de mores zijn, bij hoe de hokjes zijn ingedeeld, bij hoe de dingen vaak nou eenmaal gaan. Hoon is je deel als je het spel niet mee wil spelen van wie aan de touwtjes trekken. En haat treft degene die de vinger op de gevoelige plek durft te leggen en aanwijst waar sprake is van mensen tekort doen, van discriminatie, machtsmisbruik, van blaming the victim, etc.

Je kunt zeggen, deze wereld brengt ons in het nauw. Maar even goed kun je zeggen dat het woord van God dat doet. 

Hoe vaak niet voel ik me machteloos omdat ik me neer moet leggen bij hoe het nou eenmaal gaat in procedures, omwille van de meerderheid, vanwege het geld, door wetten, de politiek enzovoort. 

Dat woord van God, dat ons op het pad zet van de menselijke maat, dat ons bewust maakt van heilzame en heilloze wegen, dat wekt vaak eerder wanhoop dan vertrouwen.

Want we schieten tekort, zoveel weerhoudt ons om ernaar te leven. 

Als we die woorden niet zouden horen, daar geen waarde en geen geloof aan zouden hechten, dan konden we ons wellicht eenvoudiger neerleggen bij hoe het nu eenmaal oneerlijk verdeeld is in de wereld, hoe we nu eenmaal het niet beter kunnen maken, maar gewoon mee moeten doen, hoe dit ons lot is. 

Hoe houdt je het uit als je in het nauw wordt gebracht? Als je klem zit tussen ideaal en werkelijkheid, tussen het goede nieuws van Gods koningschap en de wereld met alle machten van geld en status en autonomie. Een wereld die je geloof constant op de proef stelt en je doet afvragen: Ben ik nou gek? Te goed van vertrouwen, te soft, te arrogant, te naïef, te goedgelovig. kortzichtig? 

3. 

Hoe blijven we staande in deze wereld?

Hoe doet Jezus dat? Hoe zegt Hij dat? Hij zegt: ‘De tijd is aangebroken, het ​koninkrijk van God​ is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’

Alsof er niet net ik weet niet wat gebeurd is, daar in de woestijn. 

Jezus stelt de werkelijkheid, de waarheid die van God komt, hoe dan ook voorop.

Heel het evangelie zal Jezus daarin voorgaan, de woorden van God zeggen en doen. 

Het zal hem in het nauw brengen, maar Hij houdt het vol.

Want ook in die vijandige wereld is die andere werkelijkheid zichtbaar. 

Jezus die niet gekomen is om te heersen maar om te dienen, staat daarin niet alleen.

In de wereld met al die andere machten zijn er tekenen van dienstbaarheid

In de woestijn zijn er engelen die dienen, zoals later ook de vrouwen Jezus zullen dienen.

Geloof hechten aan dit goede nieuws, dat gaat niet zonder slag of stoot.

Het kan je vervreemden, verontrusten.

Het is een vreugde en een moeite. 

En of het ook genade is?

 

Huub Oosterhuis dichtte:

Dan nog, 

dan nog klamp ik mij 

klamp ik mij vast aan jou 

of je wil of niet

op ongenade of genade, 

ik zal red mij, red mij roepen

of zoiets als heb mij lief.

Amen

30 mei

Trinitatis (Zondag van de Drie-eenheid)
Lezing: Johannes 2:23-3:21
ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Het gebeurt in mijn LHBTI-werk nog wel eens dat ik in gesprek met iemand of met een groep mensen vooral het gevoel heb dat de posities of de perspectieven over en weer onoverbrugbaar lijken. Tussen mij en mijn gesprekspartners gaapt een diepe kloof en het lukt niet om een brug te slaan, om tot overeenstemming te komen, of zelfs maar tot een zekere herkenning. In zulke situaties gaat het vrijwel altijd over gelovige gesprekspartners. Het is een ervaring die altijd weer bevreemdend is. Je zit al dan niet letterlijk aan tafel met mensen die in dezelfde traditie staan, van het christelijk geloof, die bekend zijn met dezelfde verhalen, en toch domineert de ervaring van twee werelden die nagenoeg niets met elkaar te maken lijken te hebben. Je spreekt in principe dezelfde taal en toch klinken de woorden heel verschillend, lijken ze een heel andere betekenis te hebben. Het is frustrerend en soms ontmoedigend de rijkdom van het gezamenlijke vocabulaire, van de Bijbel, van het Evangelie, niet aan te kunnen spreken als een gedeelde schat die voor verbinding kan zorgen, en dat is nog wat anders dan het precies met elkaar eens zijn. Het is nog extra frustrerend als de goede intentie van een gezamenlijke uitkomst er wel is. Misschien is het de tragiek van het verhaal of van de boodschap van elke traditie die langer mee gaat: dat die uiteenlopend kan neerslaan in verschillende tijden en in verschillende omstandigheden en in verschillende groepen mensen. Op zichzelf is dat nog niet eens zo erg, het is zelfs onvermijdelijk. Maar als die neerslag, en dan gehouwen in steen, het uitgangspunt wordt, en de dynamiek die essentieel is voor de boodschap, verdwijnt, is er reden voor zorg.

Het is een ervaring van alle tijden, en ik herken deze in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Het gesprek is zo bizar dat het bijna lachwekkend is. Er zijn twee mensen in gesprek, maar ze praten volledig langs elkaar heen. Jezus zegt: je kunt alleen het koninkrijk van God zien, als je opnieuw geboren wordt. Nicodemus antwoordt: hoezo, opnieuw geboren worden, dat kan toch maar één keer? Jezus geeft nadere uitleg, spreekt over water en geest, over ‘van omhoog geboren worden’, en spreekt Nicodemus aan op zijn kennis, maar het schiet niet op.  Nicodemus blijft vragen: hoe kan dit? Of het tussen de twee tot begrip, tot verstaan is gekomen, blijft in het ongewisse. Je kunt Nicodemus onvermogen verwijten, maar Jezus net zo goed. Het lijkt Hem niet te lukken zijn boodschap over te brengen. De twee komen niet nader tot elkaar.

Het diepe niet begrijpen, het diepe niet kennen, het bijna totale onvermogen de kloof te overbruggen, deze tweedeling, is typerend voor het Johannesevangelie. Het kennen en het niet kennen, het zien en het niet zien, het licht en het duister, het goede en het kwade, de wereld en het koninkrijk van God zijn voorbeelden van woordparen die Johannes opvoert om duidelijk te maken dat Jezus van een geheel andere orde is en dat Hijzelf de sleutel is tot wel kennen, wel zien, wel verstaan. Nog vorige week waren we, toen we Pinksteren vierden, getuige van een gesprek tussen Jezus en Filippus, een leerling van Jezus. De diepte van het onbegrip is hier zo mogelijk nog groter. Jezus zegt letterlijk: wie mij kent, kent de Vader, waarop Filippus het bestaat het te vragen: laat ons de Vader dan maar zien, Jezus; terwijl, hij, Filippus, anders dan Nicodemus, voortdurend bovenop de neus van Jezus zit. Een bijna logische vraag ergens, maar ook eentje die de tragiek van het onvermogen van Filippus, van ons mensen, pijnlijk aan het licht brengt. Het past ons niet hard te zijn in ons mogelijke oordeel over Nicodemus en Filippus. Hun vragen zijn uitdrukking van de tragiek die ons aller deel is. Niet kennen, niet zien, in het duister tasten, niet verstaan, is eerder ons deel, is eerder wie we zijn als mens, dan wel zien en wel kennen. En of we deel uit maken van de kerk, maakt daarbij niet zo veel verschil, integendeel zou ik zelfs willen zeggen. Wij zitten met onze neus op de verhalen, maar zien en kennen, een wel verstaan is daarmee niet automatisch gegeven.

Het tegenover in het Evangelie naar Johannes, scherper aangezet dan in de andere evangeliën, vinden we ook het doorgaande gesprek van Jezus met de Farizeëen. Vlak vóór de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus, althans in dit evangelie, treffen we Jezus in de tempel in Jeruzalem. Hij jaagt alle handelaren er uit, en zegt: breek deze tempel maar af. Ik bouw die in drie dagen weer op. Ook daar weer volledig onbegrip. Hoezo in drie dagen? Het heeft 46 jaar geduurd voor deze tempel er stond. De toon wordt direct aan het begin van het evangelie al goed gezet. En het gesprek met Nicodemus is er een voortzetting van. Er staan twee werelden tegenover elkaar. Mensen spreken dezelfde woorden, gebruiken dezelfde beelden en toch is zien en kennen, verstaan, onmogelijk geworden.

Nicodemus spreekt Jezus aan als zijn gelijke. Zijn eerste woorden aan het adres van Jezus zijn bijna een belijdenis: Rabbi, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. En zo is het, toch? Maar Jezus antwoordt en nu even in mijn woorden: het gaat niet om de wonderen op zichzelf, om hoe je die beoordeelt, het gaat er om of je kunt zien welke dynamiek, welke verandering daarachter schuilgaat, en dat kan alleen als jezelf onderdeel wordt van die dynamiek, van die verandering. Het gaat hier niet om een verandering binnen de orde van wat we kennen, maar om een verandering buiten alle gebruikelijke orde, en dat kun je pas echt op waarde schatten, als je zelf geen onderdeel meer uitmaakt van die oude orde, waarin je, zoals in net leven van Nicodemus alleen nog maar kennis overhebt, kennis die het leven klemzet in steeds weer nieuwe regels die dat leven proberen te beheersen. Wij doen dat voortdurend, en des te erger als het in Gods Naam gebeurt. 

Het is vandaag zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid. Het is pijnlijk illustratief dat we juist vandaag het verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus horen. Immers, de Drie-eenheid is het voorwerp van hetzelfde onvermogen dat we in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus ontmoeten. Als er een uitdrukking is die de dynamiek van wie God is duidelijk probeert te maken, dan is het wel het artikel van de Drie-eenheid. In de loop van de geschiedenis is het echter een leerstuk geworden, dat vooral is gebruikt om God te verklaren, te bewijzen, terwijl het vooral een geloofsuitspraak is, die als een venster op God iets van hun geheim, van de dynamiek van deze God wil laten zien. Kennis hebben van dit artikel, dit leerstuk betekent helemaal niets, als je niet zelf onderdeel bent van de dynamiek van de Drie-eenheid, in de nieuwe driehoeksverhouding, de nieuwe relatie tussen God, mensen en wereld. Zo persoonlijk is het. Zo persoonlijk maakt het Evangelie naar Johannes het, keer op keer. Het gaat Jezus niet om Nicodemus de Farizeeër, het gaat hem om de mens die tegenover Hem zit.

Maar hoe kan dat dan? De vraag blijft recht overeind en mag, nee moet steeds weer gesteld worden. Jezus ontmoet Nicodemus in de nacht van Pasen, Pesach. De nacht is betekenisvol in de traditie van de Bijbel. Juist in de nacht komen dingen aan het licht, breekt het kennen door, worden de dingen geopenbaard. Dat het nu de nacht van Pasen is, is veelzeggend. Al staan Jezus en Nicodemus nagenoeg onoverbrugbaar tegenover elkaar, er is toch iets dat hen met elkaar verbindt, en dat is het verhaal van Pesach. Het is het verhaal van de bevrijding van het joodse volk uit slavenhuis Egypte; dit verhaal anders dan alle andere verhalen; dit verhaal van een geheel andere orde; dit verhaal van een gebeurtenis die nooit iemand had verwacht, klemgezet in een slavenbestaan; dit verhaal van vrijheid die de orde van de mensen, die de orde van ons samenleven, die de orde van georganiseerde religie te boven gaat; die ergens anders vandaan komt; die het mensenbestaan, ons leven in een heel nieuw licht zet. Wie had dat gedacht van dit slavenvolk, wie had dit gedacht van deze man uit Nazareth, deze zoon van een timmerman? Het gaat er niet om of we dit kunnen verklaren, het gaat er ook niet om of we het overal kunnen aanwijzen, het gaat er om of wij ons eigen leven en het samenleven steeds weer willen zien tegen de achtergrond van deze andere orde, die bevrijding uit het slavenhuis, die overwinning van de dood, die tweede geboorte ‘van omhoog’. Wie dat doet, loopt nooit vast, of: breekt steeds weer vrij, is onderdeel van de dynamiek die met de komst van Gods geest ons deel is geworden. Dat doen, zo willen kijken, zo willen zien, zo kunnen zien en kennen, is niet een eens en voor altijd. Wij zijn en blijven mensen, moeten de verhalen van Pesach en Pasen steeds weer delen, tegen elkaar uitspreken, voor God belijden dat we in de geest van deze verhalen willen leven en naar het leven willen kijken. Maar we hebben het verhaal, we weten van bevrijding, we hebben deze Jezus, we hebben deze verhalen, deze mens als een belofte die altijd blijft. En daarvan te bestaan is meer dan voldoende.

Ergens las ik een verhaaltje van een geestelijk verzorger in een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Een slechtziende hield niet op te zeggen, veertien jaar lang inmiddels: ‘Jezus heeft mij nieuwe ogen beloofd’. Het is in veertien jaar niet gebeurd, maar die beperking was geen belemmering voor geloof. Als je begrip afdwingt, of een wonder, gebeurt er niets. Als je leeft van vertrouwen, dan gaat de hemel open en wordt je opnieuw, van boven, geboren, steeds weer. 

Amen

 

LHBTI staat voor: lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse.