9 sept

Overweging 9 september 2018 startzondag Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink 

Lezing: Marcus 8:27- 9:1

 

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus een tekst waarin het er nogal heftig aan toe gaat. Jezus stelt zijn leerlingen eerst confronterende vragen over wat ze nu werkelijk van Hem denken. Dan kondigt Hij aan dat Hij moet lijden en sterven (en zal opstaan), waarop een confrontatie volgt tussen Jezus en Petrus. En daarna zegt Jezus ook nog dingen als ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn ​kruis​ op zich nemen en zo achter mij aan komen’.

Voer voor theologen is het. Een tekst om daadwerkelijk uit te leggen als predikant in een preek. En dat heb ik ook gedaan. Vorig jaar rond deze tijd preekte ik over vrijwel dezelfde tekst, want toen was de parallelle lezing uit het evangelie van Mattheüs aan de beurt. En in die preek ben ik ingegaan op moeilijkheden in deze tekst. Die preek ligt voor u klaar bij de uitgang, u kunt hem vandaag meenemen en thuis lezen. (preek is op te vragen via )

Vandaag wil ik wat anders doen met deze Bijbellezing en dat heeft alles te maken met ons jaarthema ‘Een goed gesprek’ en het thema van vandaag ‘Goede vraag!’.

Het horen van de Schriftlezing is vandaag voor ieder van ons een opmaat en een aanmoediging om te bedenken welke vraag over geloof ons het meest op het hart ligt. Want ook daar gaat het in de Schriftlezing om, om het hardop stellen van de meest wezenlijke vragen rond geloof.

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

‘Een rijke schat van wijsheid’ – ‘Gods woord gordt mensen aan (…) stil het kruis te dragen achter hun Heiland aan’.

Twee zinnen uit dat ene lied dat we net zongen, met nogal een verschillende nadruk op hoe je aan kunt kijken en om kan gaan met de woorden uit de Bijbel.

En wat voor een woorden! Sommige misschien maar al te bekend, maar wat betekenen ze voor ons, vandaag, in de praktijk?

Daarover gaan preken over het algemeen. Maar wat kunnen we leren van elkaar?

 

‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’. Jezus brengt alle vragen die er zijn rond zijn verschijning nu eens concreet ter sprake. Wat wordt er zoal gedacht over Hem?

En, nog belangrijker, ‘Wie ben ik volgens jullie?’. Al een lange tijd trekken de leerlingen met Jezus op en ze hebben al van alles gehoord en gezien, van genezingen en hoe Jezus spreekt over God. Nu wil Jezus weten hoe zijn leerlingen tegenover hem staan.

 

De vraag van Jezus ‘Wie ben ik volgens jullie?’ is geen vrijblijvende vraag. Het is geen vraag naar kennis, het is geen vraag van het hoofd, maar een vraag naar het hart.

Waar staan jullie, leerlingen, ten opzichte van mij? Kunnen jullie me volgen?

Petrus zegt van wel, hij geeft het goede antwoord, ‘U bent de Messias’, maar trekt daar conclusies uit, over niet hoeven lijden, die niet kloppen bij wat Jezus duidelijk wil maken over wat dat betekent. En dus staat Petrus Jezus totaal in de weg. ‘Ga achter mij aan’, zegt Jezus.

 

De vragen die gesteld worden in de Bijbeltekst helpen ons om te begrijpen wie Jezus is. En in plaats van dat we ons de antwoorden op die vragen inprenten, is het beter om ons de vragen eigen te maken.

Bijvoorbeeld die vraag ‘Wie ben ik volgens jullie?’.

We kunnen repeteren ‘messias’, maar dat is een antwoord uit het hoofd. Als we aan onszelf of een ander die vraag stellen ‘Wie is Jezus volgens jou?’ dan gaat het hierom: ‘Hoe staan wij in ons leven tegenover Jezus, hoe leven wij met geloof?’

Als we Jezus een vriend noemen, de verlosser, of een wijze man, dan zeggen we daarmee ook iets over onszelf.

 

In alle openheid – zoals Jezus ook in alle openheid sprak over wat staat gebeuren.

Wat niet zonder risico is.

Mensen kunnen struikelen over je woorden. Zoals Petrus deed bij Jezus.

Je de mond willen snoeren, zoals Jezus deed bij Petrus.

 

Het komt er bij die beiden op aan. En het brengt mij bij de vraag, hoe dat voor ons is.

Mogen wij alles zeggen wat we denken? Of voelen alleen de geijkte antwoorden goed?

Mag je ook hier in de Oranjekerk er het jouwe van denken?

Of kun je dan een bestraffende toon verwachten, zoals Jezus en Petrus overkomt?

2. Dit seizoen begin we bij de vraag: ‘Welke vraag over geloof ligt ons nou het meest op het hart?’ Is dat de vraag wie Jezus is, of over het kruis dat we op ons moeten nemen? Of is een heel andere vraag voor ons prangend, bijvoorbeeld over hoe belangrijk de Bijbel is in ons leven of de kerk?

U hebt een hartje gekregen, waar u deze vraag die u op het hart ligt op mag schrijven.

Het is de bedoeling dat we straks al onze vragen ophangen op grote vellen bij het uitgaan van de kerk. En u kunt dan ook de vragen lezen die anderen hebben. Ook de kinderen schrijven vandaag hun vragen op.

En als u wilt, mag u ook toevoegen met wie u over die vraag zou willen praten.

Dus: welke vraag over geloof ligt u nou het meest op het hart?

U mag het nu opschrijven.

………

(is er nog iemand die z’n vraag wel wil noemen?)

 

3. Nog even over dat stekelvarkentje: wie kende dat lied al voordat u het vandaag hoorde?

Het mooie van dit liedje is dat het gesprekje van de ouder met het kind je inneemt voor zo’n klein stekelvarkentje dat met z’n stekeltjes moet leren leven en ze waarderen, zoals iedereen een bepaalde eigenheid heeft die we kunnen leren kennen en waarderen.

In mijn ervaring in het pastoraat, bij Bijbelkringen en met de catechesegroep is het openlijk benoemen van je vragen rond geloof een manier om de ander te laten zien wie je bent.

Het maakt je kwetsbaar, maar geeft daarmee ook ruimte voor herkenning, openheid, verbondenheid. En je ontdekt daarmee ook wat voor jou van wezenlijk belang is.

De rijke schat van wijsheid, dat woord dat mensen aangordt (lied 313), vráágt om een goed gesprek met een ander.

 

Als u wilt, zeg ik erbij. Want soms is dat andere ons genoeg: de stilte, het zingen, samenwerken en bidden.

Dat het ons allemaal tot zegen mag zijn. Amen. 



26 aug

Overweging zomerdienst 26 augustus 2018 Willem de Zwijgerkerk ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Marcus 8: 1-21

 

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus.

Daar staat tussen het verhaal van de genezing van een dove en de genezing van een blinde in, het verhaal van een tweede broodvermenigvuldiging.

De wonderbare spijziging komt in de Bijbel 6x voor, bij Johannes en bij Lucas 1x. En bij Marcus en Matteus is sprake van een eerste en een tweede broodvermenigvuldiging, die op elkaar lijken maar ook verschillen. Of beter nog: de tweede is een aanvulling op de eerste.

Bij het eerste teken van het brood zijn er 5 broden en 2 vissen en daarmee worden 5000 mensen gevoed, waarbij er ook nog 12 manden met brood overblijven.

Bij het 2e teken van het brood, waarover we vandaag zullen lezen, is er sprake van 7 broden en een paar visjes. Daarmee worden 4000 mensen gevoed en er blijven 7 manden over.

Nu denkt u misschien, wat een getallen. Maar deze getallen zijn symbolen en ik wil u vertellen wat ze betekenen. 5 broden en 2 vissen, daarmee zijn de 5 boeken van Mozes en de verzamelingen van Profeten en Geschriften bedoeld. 5000 mensen worden gevoed, dat is het volk Israël, want zie 12 manden, 12 stammen van Israël blijven over.

Zeven broden, een voller getal bestaat niet, voeden 4000 mensen. 4000 dat zijn Bijbels gezien meer

mensen dan die 5000 van het volk Israël. Het zijn alle 4 windstreken bij elkaar, de hele wereld, de heidenen, alle volken worden gevoed. En dan blijven er 7 manden over. Er is meer dan genoeg van dit brood dat Jezus deelt. Er is meer dan genoeg van het levensbrood dat Jezus ís voor Israël en alle volken.

 

Maar wat doen de leerlingen en wat doen wij met dat brood?

Durven we het te delen of houden we het voor onszelf?

Is dat brood onze bron van leven of is het een bron van zorg?

 

Na de lezing zingen we een lied (Untill all are fed, we cry out) dat ik meenam van de viering afgelopen donderdag van de 70e verjaardag van de Wereldraad van Kerken.

 

Het lied stelt de vraag: hoe lang zullen we doorgaan met zingen, bidden, praten, hoe lang nog voordat we het goede doen, gaan zien wat we moeten doen, mensen gaan bijstaan?

Het refrein is het antwoord: totdat iedereen gevoed is, zullen wij blijven roepen, totdat iedereen brood heeft. Zoals de Ene die ons en ieder lief heeft, zo zullen we ons inzetten totdat iedereen gevoed is. Zoals toen.

 

Samen zingen we nu het gebed bij de opening van de Schrift: ‘Kom, Geest van God’

 

 

 

 

 

 

 

 

Overweging

 

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

We zongen: Hoe lang nog tot we het goede gaan doen en het licht gaan zien? Hoe lang nog?

En we antwoordden: tot iedereen te eten heeft!

 

Maar na de lezing uit Marcus kun je cynisch zeggen: zelfs dan, als iedereen te eten heeft, gaan we het licht niet zien.

 

Want de leerlingen van Jezus zitten er met hun neus bovenop en werken er zelfs aan mee om duizenden mensen te voeden. Zij reiken Jezus brood en vis aan, zij delen uit wat Jezus hun geeft. Zij halen de korven met overgebleven brood en vis op. Ze horen wat Jezus bidt, ze zien wat overblijft. Iedereen is gevoed (all are fed) en toch blijven de leerlingen roepen. Help, we hebben geen brood!

 

2. Het is gemakkelijk om versteld te staan van de domheid van de leerlingen, de onwetendheid, van ook het gênante gegeven dat ze zich hardop afvragen wie er in ‘s hemels naam in staat is om in de woestenij duizenden mensen eten te geven. Au! Dat zeg je toch niet als Jezus naast je staat?

Herinneren ze zich dan niet het manna in de woestijn?

Herinneren ze zich dan niet de broodvermenigvuldiging van pas geleden?

Ja, die herinneren ze zich wel, ze kunnen het zo opzeggen als Jezus erom vraagt.

Maar het zégt hen niets als opnieuw de nood aan de man is.

 

Herkenbaar. Toch?

De verhalen uit de Bijbel kennen, dat is één ding, maar erop vertrouwen, dat is iets heel anders.

De leerlingen slagen er niet in om het teken van het brood te verstaan, het teken dat Jezus zelf is.

Jezus vergelijkt de leerlingen met de Farizeeën, beiden noemt hij hardleers.

Ze weten alles, maar ze snappen er niets van.

Herkenbaar?

 

Pasgeleden nog vertelde een collega mij een prachtige uitleg van een Bijbeltekst. Wow, dacht ik, nu snap ik het, dit moet ik onthouden! Maar toen ik de preek las die ik drie jaar eerder over dezelfde Bijbeltekst had gehouden, ontdekte ik daarin diezelfde uitleg. Ik had hem dus al eens gehoord.

 

‘Zijn jullie dan zo hardleers?’

Ja. Iedere keer ben ik weer verbaasd als ik een ander wérkelijk ontmoet, dat die zo anders is dan ik dacht.

Wanneer zal ik leren iemand niet vast te leggen in het beeld dat ik heb?

 

‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’

Nee. De Bijbel staat er vol van en Jezus zegt het telkens weer, dat we bevrijd worden van onze angst als we niet vasthouden aan onszelf maar juist open staan voor de A/ander en vertrouwen hebben.

Het is maar goed dat we daar telkens weer op gewezen worden. Daarvoor heb ík de kerk nodig. 

 

‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’

Nee, we herinneren het ons niet, als niemand ons helpt herinneren.

We zien het niet, en horen het niet, we verharden gemakkelijk door wat zoveel luider klinkt.

 

Mariska van Beusichem verwoordt het zo:

 

‘Het zuurdesem van de angst

doordrenkt het brood

dat ons door machtigen wordt voorgezet.

‘Er is niet genoeg’, lispelt de angst.

‘Je staat er alleen voor, in deze verlatenheid is het ieder voor zich’.

 

Wie het brood eet van vertrouwen dat ons door Jezus’ hand wordt aangereikt, voedt zich met zijn bewogenheid om mensen en wordt zelf mededeelzaam zoals Hij dat is, onze Heer en Meester.

 

Zoals we elke dag moeten eten, zo moeten we ons ook dagelijks voeden met vertrouwen, vertrouwen op de woorden van God die Jezus sprak, vertrouwen op de Ander die naast ons staat, vertrouwen op wat wij in beweging kunnen brengen.

 

3. En zo krijgt dat lied dat we zongen een andere klank:

Ja we moeten blijven roepen om een eerlijke verdeling van voedsel en veiligheid, van recht en vrede voor deze wereld, en daarvoor moeten we keer op keer die verhalen willen horen, uit de Bijbel en van mensen, verhalen die ons voeden met vertrouwen dat we niet machteloos staan, verhalen die ons leren dat we niet duizenden moeten willen verslaan, maar één brood moeten willen delen, …

 

De leerlingen vertrouwen nog niet op dat ene brood. Dat levensbrood dat Jezus is.

‘Ze hebben nog een heel evangelie om het te leren vertrouwen’, schrijft Nico ter Linden bemoedigend.

 

En wij? Ik moest denken aan deze uitspraak:

 




Tell me and I will forget

Show me and I will remember

Involve me and I will understand

 

Vertel het me en ik zal het vergeten

Laat het me zien en ik zal het me herinneren

Betrek me erbij en ik zal het begrijpen

Dat vraagt om een open en attent hart, want een verzuurd hart heeft een benauwde blik.

Dat begríjpen we nu toch wel?

 

Amen

 


15 juli

Ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Genesis 11:27-12:9


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we een verhaal dat staat in het eerste boek van de Bijbel, Genesis, dat gaat over hoe het begonnen is dat mensen gingen optrekken met en geloven in God, de God van het volk Israël, de God van de Bijbel, van Joden en Christenen. We hebben het over een verhaal dat opgeschreven is rond 500 voor Christus en dat speelt in het Midden-Oosten.

In die tijd waren de culturen doordrongen van religie. Veel verhalen in de Bijbel verwijzen daarnaar. Er is één belangrijk verschil tussen de God van de Bijbel en de omliggende goden dat telkens nadruk krijgt in de verhalen die worden verteld. Goden van omliggende culturen zijn meestal natuurgoden, vruchtbaarheidsgoden, goden die samenhangen met de loop van de dingen. 

De God van Israël is niet die van het ritme van de seizoenen, van een cyclus, maar van een geschiedenis, van op weg gaan. En ook van zoeken naar een eigen weg.

Het eerste verhaal daarover horen we vandaag, het gaat over Abram.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Ga je mee verdwalen – ik weet de weg’

Het is één van de uitspraken van Loesje, u wellicht bekend. Een doordenker.

Afgelopen zondag was hier in de kerk een viering van en voor twintigers. Die twintigers waren deelnemers aan de catechesegroep die om de week bij mij thuis in de pastorie bij elkaar komt en de vrienden die zij hadden uitgenodigd.

Het thema van de viering was ‘verdwalen’ en we lazen het verhaal van Abram, dat we net ook hoorden.

 

Kun je vandaag de dag nog verdwalen? Op de weg is dat veel minder dan vroeger het geval, nu we met tomtoms en smartphones op iedere weg te weten kunnen komen waar we zijn.

Maar misschien wel veel meer dan vroeger is het mogelijk in deze tijd te verdwalen in het veld van geloof. Logische wegwijzers zoals vroeger zijn er steeds minder.

Met het hele gezin naar de kerk gaan? Als het al gebeurt, dan stopt het toch ergens. De hele straat die naar de kerk gaat, de school, de mensen die je ook op andere plekken tegenkomt? Nee.

Op de vergaderingen van de Kinderkerk komt het regelmatig ter sprake: als kerkgaand kind sta je vaak alleen. Met een beetje geluk zijn er op zondagochtend leeftijdsgenoten in de kerk. Maar niemand in je klas, niemand in je straat, niemand bij voetbal gaat naar de kerk.

Je moet wel een beetje de weg kwijt zijn, of je ouders dan, wil je bij een kerk verzeild raken.

Wat zegt dat deze kinderen en tieners over geloof?

Voor de catechisanten is het net zo. Twintigers, volop in het leven, die veel of weinig hebben meegekregen van geloof van huis uit, zoeken in Amsterdam hun weg. Een studie, een baan, een kamer, een huis, een partner, een hobby, er zijn heel wat keuzes te maken.

Maar waar vind je een passende kerk?

Of meer nog: waar zijn leeftijdsgenoten te vinden, die zich bezighouden met bezinning en levensvragen, en meer willen weten van de christelijke traditie, zoals jij?

Vrienden, collega’s, partners soms, stellen vragen bij wat iemand mogelijk kan brengen bij zoiets als kerk, of catechese of een dominee.

Ben je dan soms niet goed zoals je bent, voel je je zondig als je niet gaat, heb je geloof nodig als antwoord op al je vragen?

Wat mooi is, is dat de catechisanten sinds twee jaar hun geïnteresseerde vrienden meenemen naar de catechese. En ze zelfs durfden uitnodigen voor de viering van afgelopen zondag.

‘Ga je mee verdwalen? Ik weet de weg.’

2. Misschien herkent u zich in de kinderen, de tieners en de twintigers – in die ervaring dat iedereen in uw omgeving de weg naar de kerk niet kent – en vragen stelt bij kerkgang. Bij de door hun veronderstelde vanzelfsprekendheid ervan.

En juist daar, bij die vanzelfsprekende weg, wil ik vandaag instappen.

Want die vanzelfsprekendheid vraagt erom om opgebroken te worden.

Niets aan geloven is vanzelfsprekend. Hoe komen mensen daar toch bij?

Is dat een beeld dat wij met z’n allen uitstralen? Hoe komt het toch dat mensen het zo zien?

Kijk naar Abram, die eerste gelovige die met God optrok. Abram verlaat zijn land en zijn familie en maakt zich los van alle vanzelfsprekendheid en zekerheid in zijn bestaan. Zeker in die tijd, was het hebben van familie en een woonplek een garantie voor de toekomst. Abram kiest er bewust voor om op weg te gaan, zonder te weten waar de weg hem brengt.

Abram trekt weg uit een cultuur en een religie waarin alles vastligt in de sterren en het ritme van de seizoenen, waarin vruchtbaarheidsgoden van hout en steen aanbeden worden en waarin de zin van het leven bestaat uit ‘alles gaat zoals het gaat, er is niets nieuws te verwachten’. Een samenleving waarin ‘potentie’ in de zin van wat je presteert en hoe vruchtbaar je bent, centraal staat. Een wereld die hoe dan ook wel doordraait, zonder dat het uitmaakt wie jij bent.

Abram breekt met die manier van denken en verbindt zich met een andere weg tegen de stroom in. Geen weg van zekerheid, maar van een open eind.

Abram laat zich leiden door een God, die niet vastligt en maar op één plek te vinden zou zijn, maar die je tegenkomt onderweg in het leven. Een God die je ziet - soms even, en niet vast kan leggen of in kan plannen.   

Het verhaal van Abram laat een God zien die niet te vinden is in vanzelfsprekendheid, maar die te ontdekken is als iemand of iets wat in beweging brengt uit de zekerheid en aanmoedigt om het aan te gaan om niet te weten waar je uitkomt.  

Dus als het zo is dat onze weg van geloof een standpunt is geworden waar alles vast is komen te liggen en er weinig ruimte is om een nieuwe stap te zetten, dan zou het verhaal van Abram ons in beweging kunnen brengen met vragen als:

  • Durven wij net als Abram te vertrouwen op onze intuïtie, op de stem van ons verlangen, of op God?
  • Kunnen wij loslaten wat comfortabel is in ons leven, als we daardoor dichterbij onze eigen weg van geloof kunnen komen?
  • Willen we een stap zetten in een richting waarvan we niet weten waar die toe leidt?
  • Kan onze toekomst liggen in wat we niet voor ons zien, maar waar we ons wel toe geroepen voelen? 

3. Vanzelfsprekendheid is in geloof niet het hoogste goed. Juist niet. Hoe anderen dat soms ook denken. De hele Bijbel staat vol verhalen waarin aartsvaders en profeten en Jezus en zijn volgelingen ingaan tegen de heersende orde, tegen wat verwacht mag worden.

Maar wat nu, als je net als de jongere generaties in deze gemeente snakt naar gewoon zijn, naar gelijkgezinden, naar een omgeving waarin je geen uitzondering bent? Helpt het dan om een verhaal van Abram te horen? Is dat bemoedigend? Misschien.

Maar ongetwijfeld zal het meer helpen als juist anderen in je omgeving dat verhaal van Abram ook zouden horen. Zoals hier afgelopen zondag gebeurde. Ongelovige vrienden die mee naar een viering komen en luisteren naar een Bijbelverhaal.

Vanzelfsprekend was het niet, voor niemand, om zo samen te zijn in de kerk.

Het was een eerste stap op een onbekende weg.

Wat een geluk als we die stap samen kunnen zetten.

Amen

1 juli

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Job 38 en 42:1-6

 
Inleiding op de Schriftlezing
Het oecumenisch leesrooster dat wij in de Oranjekerk volgen, geeft 5 zondagen lang een alternatief spoor aan met lezingen uit het Bijbelboek Job. Ik heb ervoor gekozen om twee keer uit dit boek te lezen. Drie weken geleden lazen we het begin en vandaag het einde.
Goed om te weten: het boek Job is een wijsheidsgeschrift en geen historisch verhaal. Het verhaal is een parabel en dat betekent dat het ons iets wil leren over wie God is en wie niet en wat de positie is van de mens ten opzichte van God.

Het verhaal in het kort:
Job is onvoorstelbaar rijk én staat bekend om zijn eerbied voor God. Maar hij raakt van de ene op de andere dag alles kwijt. Hij verliest zijn bezit en zijn kinderen, hij wordt ziek en zit in zak en as. Dat Job zoveel te lijden krijgt, dat kan hij niet rijmen met God. Hij heeft God toch immers altijd gediend? Job beklaagt zich over zijn lot en vervloekt de dag dat hij geboren is.
De vrienden van Job begrijpen wel hoe het zit met zijn ellendige situatie, Job heeft het er vast en zeker zelf naar gemaakt, dat kan niet anders! Hij kan maar beter zijn schuld bekennen.
Maar Job weigert dat. Hij weet dat hij geen schuld heeft aan wat hem overkomt. (Onschuldig lijden bestaat, leert ons het verhaal van Job) en Job wil niet geloven dat God dat niet ziet. Dit klopt niet. En dus gaat Job verhaal halen bij God. Hij roept God ter verantwoording en doet dat op niet mis te verstane wijze. (…)
Ze zegt hij: ‘God, denk niet dat ik slecht ben. Vertel me toch, waarom vecht u tegen mij? Hebt u er plezier in om mij te laten lijden? U hebt me toch zelf gemaakt? Waarom laat u mij in de steek, terwijl u slechte mensen helpt? (Job 10)
Het zijn vragen die ook voor ons dichtbij kunnen komen. Dit soort goede vragen van Job klinken hoofdstukken lang.
En dan, dan eindelijk komt er een antwoord van God, dat lezen we vandaag. En ook nog hoe Job daar dan weer op reageert.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Wie ben jij, Job? Wie zijn wij, mensen, dat wij God ter verantwoording denken te kunnen roepen voor wat ons overkomt?
Wat weten wij ervan, hoe het zit met het morgenrood, de diepten van de oceaan, de voorraadschuren van sneeuw en hagel? Wat hebben wij gedaan om deze wereld te scheppen zoals die is? Is het aan ons te danken dat er ruimte is en licht, dat er regen valt en het land vruchtbaar is om te kunnen leven?
Hoezo moet God antwoord geven, een antwoord zijn, op ónze vragen?
 
God zet Job met deze confronterende vragen ontzettend op z’n plek. En dat is goed. Want, die plek is niet een plek waar Job zich moet zitten schamen, een verdomhoekje. Die plek, dat is de plek van de mens in deze wereld en ten opzichte van God: de mens is niet het centrum van de wereld, hoe belangrijk we onszelf ook vinden. En wie God is hangt niet af van ons begrip, van hoe wij God zien. God hoeft niet te passen in de kaders van onze redeneringen en theologie.
 
God is anders dan Job dacht.
God geeft geen antwoord op de verwijten van Job.
God is van een andere orde.
Zoals God in den beginne het licht en het land schiep uit de chaos - hoe, daarvan hebben we geen idee – zo antwoordt God nu Job vanuit een storm, ook chaos, met woorden over de scheppingsdaden die niet te vatten zijn voor een mens.
En het antwoord van God brengt Job eindelijk troost. Hij ziet, ervaart dat God zich tot hem wendt. Niet de woorden van de vrienden, al hun theorieën over God en adviezen over hoe Job zich zou moeten gedragen brengen hem verlichting. Maar de indringende vragen van God die Job laten inzien ‘Je praat over zaken waar je niets van weet!’.
 
En Job zwijgt. Voor het eerst kan hij zijn redeneringen over hoe het niet klopt, niet eerlijk is wat hem overkomt, loslaten. God spreekt niet over straf en beloning en schuld en gaat niet op de redenering van Job in.
Job vindt dan ook niet troost in een antwoord op zijn vragen, maar in het feit dat God antwoordt vanuit een heel andere orde dan waar Job aan dacht. Er komt ruimte in de benauwdheid van zijn bestaan en dat bestaan maar op één manier kunnen zien en er tegen te vechten.
 
Alles heeft zijn tijd en zijn plaats, het is niet zinloos, maar het is niet aan mensen om dat te begrijpen. Leven met God is God God laten en niet willen inpassen in onze denkkaders.
 
2. Die zin, over dat Job troost vindt, die is op heel verschillende manieren vertaald. En wel zo dat je er ook een heel ander gevoel aan over kunt houden. Zo staat er in sommige vertalingen niet dat Job troost vindt, maar dat hij zijn woorden herroept of verwerpt.
Je kunt het opvatten en zo is dat ook wel gepreekt, als dat Job spijt heeft van zijn woorden, ze niet had mogen zeggen en onterecht zijn beklag deed bij God. Maar dan lijkt het alsnog of God Job op zijn plaats heeft gezet als dat hij een toontje lager moet zingen.
Terwijl God toch juist Job heeft opgericht, heeft getroost, zoals we zagen.
 
Het is God zelf die in het allerlaatste stuk van het boek dit idee dat Job misschien oneigenlijk tegen God heeft gesproken nog recht trekt. Dan zegt God tegen één van Jobs vrienden: ‘Ik ben boos op jou en je twee vrienden. Want jullie hebben niet de waarheid gesproken over mij. Mijn dienaar Job heeft dat wel gedaan’. (Job 42)
 
God geeft Job een eervolle plaats. Wat Job goed heeft gedaan, is dat hij tégen God heeft gesproken en niet óver God. Hij is God blijven zoeken, ook in zijn diepste ellende.
En God heeft zich ook niet van Job afgekeerd.
Niet dat Job tegen God heeft gesproken, maar de manier waarop hij God benaderde, de manier van redeneren, die laat hij los.
 
3. Zo bevat het boek Job veel wijsheden die we ter harte kunnen nemen:
- Dat God anders is dan wij denken,
- Dat wij niet over maar tegen God hebben te spreken en dat dat mag
- Dat onschuldig lijden bestaat
- Dat iemand troosten niet bestaat uit vertellen hoe jij denkt dat het zit
- Dat wij onszelf niet als de maat van alle dingen moeten nemen maar moeten erkennen dat de wereld niet van ons begrip afhangt.
 
Maar dan houden we nog deze twee over: er is lijden in deze wereld en er is God, hoe kunnen we met Job nu wel de samenhang tussen beide begrijpen?
God is groter dan de nood. We zingen altijd in aansluiting op ons gebed om ontferming voor de nood van deze wereld het gloria, een lofzang, omdat God boven die nood uitstijgt.
En als we dat doen dan verandert daarin, net als bij Job, ons perspectief op deze wereld als niet ónze wereld, maar Gods wereld.
En daarin ligt de troost.
Deze wereld gaat God aan. In die ruimte vinden wij leven.
 
De overleden predikant Jurjen Beumer heeft een boekje geschreven met de titel ‘Heeft de regen een vader?’. Daarin schrijft hij naar aanleiding van het verhaal van Job: ‘Het leven is gave, opgave en overgave: deze drie, maar de meeste is de overgave’.
 
Amen

10 juni

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Job 1 (en 2 en verder)

 
Inleiding op Schriftlezing
Het oecumenisch leesrooster dat wij in de Oranjekerk volgen, geeft voor deze weken een alternatief spoor aan met lezingen uit het boek Job. En dat is mooi, want het boek Job staat eigenlijk nooit op het rooster, maar één zondag in de 3 jaar, terwijl het boek zoveel herkenbare vragen over het menselijk bestaan en over God ter sprake brengt. 
 
Het is goed om te weten dat het boek een wijsheidsgeschrift is en geen historisch verhaal.  Het verhaal van Job is een parabel, het wil ons iets leren over wie God is en wie niet en wat de positie is van de mens ten opzichte van God. Het is een boek dat je met geduld moet lezen, zonder al te snel conclusies te trekken over Job en God.
 
Vandaag lezen we het 1e hoofdstuk en ik zal ook nader ingaan op het 2e hoofdstuk.
In deze hoofstukken wordt een scene geschetst van God die in de hemel een vergadering heeft met andere hemelbewoners en waar satan langskomt. Let op, deze satan moet je niet zien als de duivel zoals verderop in de bijbel, maar veel meer als iemand die optreedt als aanklager, tegenstander, uitdager. Iemand die kanttekeningen zet bij de woorden van God.
God vertelt satan dat er niemand zo rechtschapen en onberispelijk is als Job. De tegenstander vertrouwt dat niet en stelt: ‘jaja, die Job is steenrijk en gaat alles voor de wind, nogal logisch dat die vroom is. Dat komt heus niet uit hemzelf, als je zijn bezit afneemt, dan is hij heus zo vroom niet meer, wedden?’.

En deze weddenschap neemt de God van dit verhaal aan.
 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,
Voor wat hoort wat, toch?
Het bestaat niet dat mensen, zonder reden ‘om niet’ ontzag hebben voor God, zo redeneert satan als tegenstander van God. Geloof in God heeft altijd te maken met er voordeel uithalen, anders doen mensen het heus niet.  
De vraag is of hij gelijk heeft.
Zo op het eerste oog, heeft satan geen gelijk. Want aan het einde van het eerste hoofdstuk van Job, als hij alle rijkdom die hij bezat kwijt is, staat er dat Job de naam van God prijst en God geen enkel verwijt maakt.
Zoals we zongen: ‘Hoe ik ook ben, geworden tot niets, nog ziet mij die Ene’.
Job blijft ondanks de verschrikkelijke rampspoed vertrouwen hebben in God.
 
Vindt u dat normaal?
De tegenstander vindt dat niet. In hoofdstuk 2 dat we vandaag niet lezen, komt nogmaals een hemelse vergadering voor, waarbij de tegenstander beweert dat het anders zal zijn als Job daadwerkelijk tot op het bot getroffen wordt en zichzelf zal moeten prijsgeven. Dan zal er van zijn vroomheid niets meer over zijn. Weer stemt de God in dit verhaal toe in de weddenschap. Satan mag doen met Job wat hij wil als die maar blijft leven en hij treft hem met vreselijke zweren. Job wordt een schim van wie hij was. Jobs vrouw kan zijn vroomheid niet aanzien en zegt ‘vervloek God toch’. En dan staat er: 2.10Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.
 
Je zou kunnen zeggen: eind goed al goed. De tegenspeler heeft niet gewonnen, God had gelijk, Job is een voorbeeldig gelovige, dit is hoe het hoort.
 
Maar dit is pas het begin van het verhaal.
Want op de vraag van de satan, volgen de vragen van mensen: hoe zit dat met ‘voor wat hoort wat?’. Hoe werkt het met God in deze wereld en waar kunnen we op rekenen? Is het zo dat het lijden in deze wereld van God komt? En heb je dat te accepteren?
 
De zin ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen’ (1:21) is volgens sommige commentatoren één van de meest misbruikte zinnen uit de Bijbel. Alsof alles wat er aan ellende gebeurt in deze wereld uiteindelijk goed zou zijn.
Alsof je alles maar als van God gegeven (en genomen) moet accepteren.
Alsof vroomheid bestaat uit passief aanvaarden.
 
2. Zo is het in ieder geval niet bij Job. 
Want nadat zijn vrienden zijn gekomen om hem bij te staan in zijn ellende en zij zeven dagen zwijgend bij Job hebben gezeten, komt het moment dat Job zijn mond opendoet en de dag van zijn geboorte vervloekt. Job wenst dat hij niet geboren was. Hij wou dat hij dood was. Dat zijn heftige woorden van een andere toon. Ze geven aan hoe diep de ellende is waarin Job zich bevindt.
 
Tot nu toe onthielden de vrienden van Job zich van commentaar. Ze zagen de grote pijn van Job en zwegen. Maar nu na zeven dagen Job zo zijn geboortedag vervloekt, beginnen ze tegen hem te spreken en wel zo: ze willen Job ervan overtuigen dat hij het toch echt over zichzelf heeft afgeroepen als God hem zo straft.
Zij redeneren net als de satan: God zal toch niet zonder reden, om niet, laten gebeuren wat er met Job gebeurt? Job is vast en zeker schuldig aan zijn eigen lot. Hoofdstukken lang praten de vrienden op Job in dat hij toch echt iets verkeerd zal hebben gedaan en door zijn knieën zal moeten gaan. Zijn dat nou vrienden, kun je je afvragen. En dat vraagt Job zich ook hardop af.
Maar meer nog verzet Job zich voluit tegen hun woorden, tegen hoe zij redeneren over het aandeel van Job en van God in dit lijden. En Job verzet zich tegen zijn lot. Job weet dat dit lijden onverdiend is, dat onschuldig lijden bestaat, en hij wil niet geloven dat God dat niet ziet.
Job gaat de strijd aan met God. Hij roept God ter verantwoording.
De Job die heeft gezegd ‘De HEER geeft, de HEER neemt, de naam van de HEER zij geprezen.’ die Job laat het er niet bij zitten. Die Job verwacht iets anders van God.
Voor wat hoort wat? Niets daarvan.
Job lijdt onschuldig, dus waar blijft God?
 
3. Een antwoord op die vraag waarom hij zoveel te lijden heeft, zal Job niet krijgen.
Op die vraag naar het waarom van het lijden van mensen geeft het hele verhaal ook ons geen antwoord. Het verhaal van Job wijst ons alleen op wat het antwoord niet is: het is niet omdat het een straf is van God, of omdat de mens het er natuurlijk zelf naar heeft gemaakt.
 
Het verhaal laat ons ontdekken dat ‘voor wat hoort wat’ niet opgaat voor God en geloven.
God dienen betekent niet dat je erop kan rekenen dat jou geen ellende treft. Ellende ondervinden, betekent niet dat je dat verdiend hebt. Zo te redeneren is al te menselijk en doet geen recht aan al het leed in deze wereld en aan God.
 
De vrienden van Job, net als zijn vrouw, net als mensen in de 5e eeuw voor Christus en zovelen in deze tijd, gaan ervanuit dat er een systeem is rond het lijden dat mensen treft– dat je kunt weten hoe het zit en je daaraan moet onderwerpen.
 
Job doet daar niet aan mee. Daarvoor is zijn lijden te groot. Zijn bezit en zijn identiteit is hij kwijt, maar hij weigert God eraan te geven. Hij verlaat God niet om wie God is. God is immers hét adres om zijn beklag te doen, de Enige die een eind kan maken aan zijn lijden door hem het leven te ontnemen.
 
4. Ja, Job zal tot het eind toe zijn zoals God heeft gezegd ‘hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’ En dat zit in het niet toegeven aan een voor-wat-hoort-wat redenering, in niet lijdzaam accepteren van het onschuldig lijden dat hem treft. Job houdt vast aan God door vragen te stellen bij wat hem overkomt en geen enkel goedkoop antwoord te accepteren.
 
Satan heeft geen gelijk.
Het bestaat wel, dat een mens trouw is aan God, onder alle omstandigheden.
Job is trouw juist onder zijn luid protest.

Laten we dat vooral willen horen.
Amen

20 mei

Ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Genesis 11:1-9 en Handelingen 2:1-11


Inleiding op de Schriftlezing
Hoe word je mens, wat is nodig voor een bewoonbare wereld en een menswaardig bestaan? Daarover gaan de eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Genesis. Deze verhalen vertellen ons niet wat ooit eens gebeurde, maar ze gaan over wat altijd opnieuw en ook nu aan de hand is in het leven van mensen op deze aarde.
God schept de hemel en de aarde en ziet dat het goed is, zo begint Genesis.
Maar wij zien dat er veel niet goed is. Wat gaat er mis? Wat moet er gebeuren?

De eerste verhalen uit Genesis laten zien hoe God de aarde zo inricht dat er goed te leven valt.
God geeft de mens daarvoor een helper, een medemens, om tot samenleving te komen.
God geeft leefregels als bescherming tegen een grenzeloos en daarmee kwetsbaar bestaan.
God wijst op broederschap, op de mens die de ander nodig heeft voor een menswaardig leven.
En God doet een belofte met als teken een regenboog. God zal nooit meer inzetten op het vernietigen van het kwade maar op het behouden van het goede van mens en aarde.
Zo schept God ruimte om te leven.

En wat doen de mensen? Wat doen wij?

Vandaag horen we het verhaal dat eindigt met de Babylonische spraakverwarring waarmee God de mensen verstrooit over de hele aarde.
En we horen het Pinksterverhaal uit Handelingen waarbij juist vanuit de hele aarde mensen toestromen naar Jeruzalem.
Daar komt God opnieuw ter sprake. En hoe!

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Kent u dat verlangen om naam te maken, beroemd te worden, de wereld te veroveren, de hemel te bestormen…?

De mensen in de vlakte van Sinear zijn het vast van plan. Zij hebben de ambitie een stad te bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Een poort tot God moet het zijn, ‘Babel’. Eensgezind zijn ze in hun streven, zij verstaan elkaar in dit plan, samen staan ze sterk. Dit gaat wat worden! The sky is the limit!

Maar de goede verstaander hoort dat de kleiblokken die nodig zijn voor de bouw dezelfde zijn als die de slaven in Egypte maken. Slavenarbeid is dus nodig om deze ambitie waar te maken.
Een poort tot God is het idee, maar niet om God te bereiken, maar om naam te maken en roem te verwerven voor zichzelf, men wil zelf god zijn.
Met God heeft de hele onderneming sowieso niets te maken, want in alles is er contrast tussen wat de mensen bedenken en wat God wil. Ga maar na: de mensen hebben de opdracht gekregen: ‘wees vruchtbaar, wordt talrijk en vervul de aarde’. (Gen 9: 2)
Maar wat doen ze? Ze verspreiden zich niet, maar klitten bij elkaar.
Ze bewonen niet de aarde, maar concentreren zich op één plek met als doel: macht, als drijfveer: angst en als middel: éénheid van taal en identiteit.

Eenheid is belangrijk, alle neuzen dezelfde kant op, iedereen ondergeschikt aan dat ene plan, want stel je voor, als ieder mens een eigen manier van doen zou hebben, als je niet zou weten wat je van de ander mag verwachten, als de één grote plannen maakt en de ander daar niets voor voelt, stel je voor als alles niet zwart of wit is, maar genuanceerder ligt, dan kan de boel zomaar uit elkaar vallen. Waar kan je dan op bouwen? Dan kan het alle kanten op in de wereld. En dan is de mens, dan ben ik overgeleverd aan … wie ik ontmoet of…, ja…, aan God.

2. Babel betekent in het Babylonisch ‘toegang tot God’, maar datzelfde Babel betekent in het Hebreeuws ‘verwarring’. Als God ziet waar de mensen toe in staat zijn, tot het vormen van een totalitaire staat, waarbinnen enkel met één mond gesproken kan worden, dan grijpt God in.
God zorgt voor verwarring in de massieve, overtuigde eensluidende taal. De mensen verstaan elkaar niet meer en gaan vervolgens hun eigen weg. Die verwarring, dat is geen straf van God, God vernietigt daarmee niet het kwade, maar het zet in op wat goed is: namelijk dat ieder mens zijn eigen weg gaat op de aarde en daarmee de aarde tot in de uiterste hoeken bewoont.
Door de spraakverwarring komt er weer ruimte in het leven van mensen, zoals in al die verhalen van Genesis het scheppen van levensruimte doel was van God.
In de verwarring en de verspreiding die erop volgt, ligt een nieuw begin.

3. Toch is dat niet gemakkelijk, iedereen zijn eigen taal en zijn eigen manier van doen. Iedereen die wel eens naar het buitenland reist zal erkennen dat het toch wel heel gemakkelijk is als de mensen daar een woordje Engels spreken…

En in de eigen buurt of kerk werkt één taal of één stijl toch ook het beste? Dan weet je tenminste wat je aan elkaar hebt. Het is toch fijn om bij deze gezamenlijke dienst vooral veel te herkennen en gemeen te hebben met elkaar?

Met Babel in ons achterhoofd moeten we zeggen: hopelijk verstaan we niet alles wat hier gebeurt en begrijpen we niet alles van elkaar. Want waar brengt ons dat? Misschien wel bij het idee dat wij hetzelfde moeten zijn om het goed te hebben met elkaar.
Als we één taal spreken is er het gevaar dat we in plaats van alleen voor onszelf, voor het geheel denken te kunnen spreken en andere stemmen niet aan bod komen. Dan wordt het hebben van een goede naam, belangrijker dan luisteren naar ieders verhaal. Dan is er geen aanleiding tot ontmoeting met wie van buiten komt.

De spraakverwarring van Babel leert ons los te laten wat niet in onze macht ligt. Streven naar eenheid mag nooit leiden tot streven naar uniformiteit. Want dan krijgt de mens geen ruimte voor zijn eigen verhaal.
Overal op aarde leven mensen met hun eigen taal en eigen gewoonten. Overal in Amsterdam-Zuid zijn mensen met een eigen manier van doen en van spreken.
En gelukkig maar, want alleen in die verscheidenheid is ieder mens uniek en kunnen we de veelzijdigheid van God, naar wiens beeld we geschapen zijn, op het spoor komen.

4. In Jeruzalem komen ze samen om Pinksteren te vieren, de mensen die verstrooid zijn over de hele aarde, we horen dat alle windstreken vertegenwoordigd zijn van Rome en Asia, tot Egypte en Mesopotamië.  
Weer is er sprake van taalverwarring, maar nu is de verscheidenheid aan taal geen beperking van hoever mensen kunnen reiken, maar geeft het hen juist alle ruimte – want ieders eigen taal dient God. Ieder hoort in zijn eigen taal over de grote daden van God.

Dat er maar één manier van spreken over God is, dat is na Pinksteren niet vol te houden, dat past niet bij God en dus past het niet bij wie mensen zijn. Maar we kunnen wel één zijn als we allemaal geraakt worden door de grote daden van God, zoals daar in Jeruzalem.

En zo stuurt de Geest van Pinksteren ons de wijde wereld in om ieder op onze eigen plek en manier woorden te geven aan wat we van God ervaren. En dat ook van een ander te willen horen.
Binnen de kerk en daarbuiten hoeven we niet krampachtig te zoeken naar één overkoepelende structuur, één manier van zeggen, één identiteit. Het is niet aan ons de hemel te bestormen, maar de aarde te bewonen. Als prestigeprojecten komen stil te liggen komt er weer ruimte voor de menselijke maat, dan gaat het niet meer om roem en faam, om eigen identiteit en veiligheid, maar om de verscheidenheid van mensen en ieders eigen verhaal, om de ruimte die God geeft.

Kent u dat verlangen om een eigen naam te hebben, om gekend te worden door een naaste, en dat het dagelijkse er toe doet, dat je in eigen woorden mag spreken over God…?
Amen.

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur