25 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Nehemia 7:72b – 8:18


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we volgens het alternatieve leesrooster éénmalig uit het Bijbelboek Nehemia. Nehemia behoort tot het gedeelte van ons Oude Testament dat ‘de Geschriften’ heet. In de Geschriften lezen we hoe mensen reagéren op het Woord van God.

Het zijn zangers, denkers en doeners die aan het woord komen.

Aan de zangers hebben we de boeken met Psalmen, lofliederen en Klaagliederen te danken.

Van de denkers komen de Spreuken en de filosofische betogen zoals van Job en Prediker.

En de doeners zijn bestuurders en politici zoals Ezra en Nehemia.

Even iets over Nehemia. De Judeeër Nehemia heeft een vooraanstaande positie aan het hof van de Perzische koning. Via zijn familie in Jeruzalem hoort hij hoe het de ballingen die terugkeerden uit Babylonië vergaat. De stad en het godsdienstig leven zijn een puinhoop. Daarop vraagt en krijgt Nehemia toestemming van de Perzische koning om de stadsmuren van Jeruzalem te herbouwen. Als de stadsmuren staan leest de priester Ezra te midden van het volk voor het eerst weer de Wet van Mozes voor. De wet van Mozes, daarmee wordt de Thora bedoeld, de eerste 5 Bijbelboeken van ons Oude Testament: dat zijn de verhalen waarin God direct spreekt tot bijvoorbeeld Adam, Abraham, Mozes.

Bij Nehemia is die tijd voorbij. Dan is God meer op afstand en verborgen. God spreekt mensen niet meer rechtstreeks aan. Het ‘Woord van God’ is een boek geworden. Het boek dat de priester Ezra aan de mensen voorleest.

Maar dat betekent niet dat God buitenspel staat. God is in het boek Nehemia de God die aangeroepen wordt. Nehemia probeert in alles te ontdekken en te doen wat God wil. 

Net als Nehemia willen wij ook God betrekken bij ons leven.

Als gebed bij de opening van de Schrift zingen cantor en zanggroep in wisselzang Psalm 119.

Overweging 

1. Gemeente van Jezus Christus,

Wat de ballingen in Jeruzalem doen, is precies wat wij hier op zondag doen: we luisteren naar het Woord van God en naar de uitleg van die woorden en we ondernemen actie, zoals ze in Nehemia eten en drinken delen, zo hebben wij vandaag de inzameling voor de Voedselbank.

In de lezing uit Nehemia valt op dat het horen van het Woord van God van alles teweeg brengt.

Mensen gaan staan, beamen hardop de lovende woorden, heffen hun handen op, knielen neer, buigen diep voor God, barsten in tranen uit, maken een feestmaal klaar, eten en drinken en delen ervan uit aan wie niets heeft en maken er een groot en vrolijk feest van. De volgende dag gaat het verder: de mensen begrijpen de woorden en de voorschriften, ze maken een loofhut, wonen erin, ervaren een enorme feestvreugde en vieren zeven dagen feest.

Indrukwekkend, al die acties, al die directe reacties op het opengaan van het Woord van God. Het is aanstekelijk om te lezen. Zo intens en uitbundig, de woorden komen blijkbaar aan.

Dát is bij ons denk ik niet helemaal hetzelfde.

Wij horen vandaag dan ook andere woorden dan de ballingen. Zoals gezegd: in Jeruzalem horen ze woorden uit de Wet van Mozes. In die Bijbelboeken spreekt God rechtstreeks mensen aan.

Wij lezen in Nehemia niet hoe God tot mensen spreekt, maar hoe de mensen reagéren op het Woord van God. Hun reacties stemden mij tot nadenken. Drie reacties wil ik uitlichten.

Allereerst het verdriet. De Israëlieten barsten in tranen uit als ze het Woord van God horen.

Het zijn tranen van schrik, van schaamte, van rouw en van verdriet. Als ze de woorden van God horen, de voorschriften hoe ze moeten leven en de belofte dat het ze goed zal gaan als ze zich houden aan de geboden, dan weten ze ook hoezeer ze tekortgeschoten zijn. Ze hebben nagelaten te leven vanuit die bevrijdende woorden.

Die tranen herken ik, die ervaring van een enorm contrast tussen hoe het gaat in deze wereld en in onze samenleving en hoe het zou moeten gaan. Heel openbaar zijn de tranen meestal niet, ik denk dat we ze vaak voor onszelf houden, evenals de pijn en het schuldgevoel. Maar ook wij kunnen er denk ik niet omheen en willen dat ook niet. Als je luistert naar de woorden van God dan wéét je hoezeer we tekort schieten. Het kán toch niet dat er zoveel mensen in nood zijn, dat we dat weten en toch niets doen. Zoveel in onze samenleving, in ons doen en laten, weerspreekt Gods wil. Wat doen wij met ons verdriet?

Een tweede reactie op het horen van het Woord van God is de liturgie. Liturgie betekent dienst aan God, en dat is precies wat de Israëlieten in een spontane vorm en wij in een daarop geënte vastere vorm doen: het staan, knielen en buigen, de lovende woorden, de gedeelde maaltijd, de uitleg en het begrip van de woorden, de wisselspraak, de feestelijkheid van de eerste dag die heilig is. In alles bevestigen deze liturgische handelingen wie God is en hoe wij God erkennen als eerbiedwaardig. Daarom dienen we God met woorden én daden.

Als de ballingen het Loofhuttenfeest vieren, herinneren ze zich hun afhankelijkheid van God en de voorlopigheid van alles wat wij soms als zekerheid beschouwen. Precies dat vieren wij ook in de liturgie. ‘Dit ene weten wij en aan dit één houden we ons vast in de donkere uren: er is een woord, dat eeuwig’lijk zal duren’.

Hoe belangrijk is de liturgie in tijden van corona? Volgens sommigen is de dienst aan God onmisbaar, kan God niet zonder. Maar de vraag die Nehemia bij mij oproept is ‘Kunnen wij wel zonder liturgie?’. En ook is de dienst aan God niet op elke plek in dit leven uit te voeren?

De derde reactie van het volk is er één die ik het minst herken en die daarom het meest tot nadenken stemt: dat is de vreugde.

‘Vreugde is niet een oppervlakkig gevoel, of een individualistisch geluk dat ons afsnijdt van anderen, maar zij is het rustige weten dat het leven zin heeft’ woorden van Prior Alois uit Taizé.

Dat zie ik terug in de grote feestvreugde van de Israëlieten. Zij zijn blij omdat ze inzien dat hun leven van God afhangt en daarmee niet ophoudt bij hun eigen tekort schieten – ze weten dat ze opnieuw kunnen beginnen, dat die bevrijdende woorden voor hen bestemd zijn.

Er staat: ‘Weest niet bedroefd, want de vreugde, die de Heer u geeft, is uw kracht’. Vreugde als tegenhanger van de tranen. Het is vreugde die het verdriet niet wil overstemmen of relativeren, maar die het in een perspectief plaatst. Deze dag is heilig. Deze eerste dag vieren we de vreugde om wat God ons geeft. Juist omdat er nog zoveel dagen volgen. Van deze vreugde moeten we het hebben. De vreugde om het Woord geeft ons de kracht om weerwoord te geven, om ons te laten raken, ons in te zetten en te doen wat ons te doen staat.

Door onze reactie op de woorden van God, door onze tranen, onze liturgie én onze vreugde hoeft God niet op afstand en verborgen te blijven. Het is aan ons om God te betrekken bij ons leven.

Nog één reactie uit de lezing van Nehemia wil ik noemen, het is de reactie die klinkt als het Woord van God geklonken heeft, dan staat er: ‘heel het volk antwoordde ‘Amen, amen’.’

11 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Ezra 1 en 3:1-6


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag volgens het alternatieve leesrooster uit het Oude Testament uit het Bijbelboek Ezra. Ezra gaat over de terugkeer naar Jeruzalem van de ballingen uit Babel. Net als de uittocht uit Egypte is die Babylonische ballingschap een beslissend gebeuren in de geschiedenis van het volk Israël. Even een schets daarvan:

In de 6e eeuw voor Christus (587v Chr.) verovert de Babylonische koning Nebukadnessar Jeruzalem, hij verwoest die stad en de tempel en hij voert een deel van Judeeërs, namelijk de elite, weg naar Babylonië. Die ballingen wonen daar in Babel als vreemdeling temidden van een andere cultuur, waar zij wel hun Joodse identiteit mogen behouden. Bijna 50 jaar later (539v Chr.) komt er een einde aan die Babylonische ballingschap als Babel veroverd wordt door de Perzische koning Cyrus. Deze Cyrus geeft de Joodse ballingen de vrijheid om terug te keren naar Jeruzalem. En meer dan dat, hij geeft ze de opdracht van God door om de tempel van Jeruzalem te herbouwen. Daarover gaat de lezing van vandaag.

Deze week vierden Joden Soekot, het loofhuttenfeest, één van de grote Joodse feesten. Ook hier in Amsterdam zijn deze week hutten gebouwd, op balkons, dakterrassen of op binnenplaatsen, als voorlopige plek onder de blote hemel. Het loofhuttenfeest brengt in herinnering hoe het volk Israël na de uittocht uit Egypte in de woestijn in hutten woonde en hoe afhankelijk toen en nu we zijn van God. Hoe voorlopig alles is, waarvan we wel eens denken dat het zeker is. Dat dak boven ons hoofd bijvoorbeeld.

Het loofhuttenfeest vieren Joden aan het begin van de 7e maand – dat is deze tijd. Dat is ook de tijd dat de teruggekeerde Judese ballingen zich verzamelen in Jeruzalem.

Overweging

1. ‘Als je niet bestond, vond ik je uit’ las ik eens.

Als de kerk nou niet zou bestaan, dit gebouw en deze gemeente er niet zouden zijn, zouden we er dan aan beginnen? En hoé zouden we er aan beginnen?

De Judeeërs die na jaren ballingschap terugkomen in Israël, hebben de opdracht gekregen om de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Wat opvalt is dat ze niet beginnen met de bouw van tempel, maar met het oprichten van het altaar, de plek waar God zich met mensen verbindt en de mensen met God. Ze bouwen dat altaar op de oude fundamenten van de tempel en ze offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes.

Én ze vieren feest – het Loofhuttenfeest, volgens de voorschriften. Dat feest hoort van oudsher bij de inwijding van de tempel. Tegelijkertijd verbeeldt het feest met al die hutjes van bladeren, dat elke vaste plek van mensen maar tijdelijk is. Dat feest herinnert ons eraan dat het leven een levenstocht is en dat het daarin niet gaat om het vastléggen van een plek van God, maar om het vasthoúden aan een vermoeden van een andere werkelijkheid.

Zo komt het dat de liturgische handelingen van offeren én feestvieren voorafgaan aan het bouwen van de tempel.

2. Daarmee stelt Ezra ons voor de vraag: wat is eigenlijk het belang van een vaste plek en van een gebouw? In deze coronatijd kunnen we tot de ontdekking komen hoe belangrijk een kerkgebouw voor ons is. Het kan zijn dat we ervaren dat ons geloof prima zonder zo’n vaste plek kan. Dat thuis vieren, in ons eigen hutje, om in de beeldspraak te blijven, net zo goed kan. Of we ontdekken dat we juist hevig verlangen om in de kerk te zijn en dat we deze plek nodig hebben.

Als gemeente bij elkaar komen, elkaar horen en zien, delen in wat feestelijk is zoals een belijdenis vandaag, dat is wat een gebouw mogelijk maakt.

Afgelopen maandag spraken we in de kleine kerkenraad van de Oranjekerk over waarom de ambtsdragers, ouderlingen en diakenen, zich inzetten voor de Oranjekerk. Dit was wat het meeste werd genoemd: zo’n plek als deze Oranjekerk moet er zijn en blijven. Hier kun je voor levensvragen terecht, vragen die je elders niet kunt stellen. Hier mag je verdrietig zijn en kun je troost vinden. Hier kun je je bezinnen en lukt het met geloof bezig te zijn, omdat je het niet in je eentje hoeft te doen. Hier kunnen we ons als gemeenschap inzetten voor een ander.

3. Voor de Joodse ballingen is Jeruzalem de aangewezen plek om de geloofsgemeenschap en de geloofspraktijk weer op te bouwen. En ze gebruiken daarvoor de oude fundamenten: letterlijk de fundamenten van de tempel en figuurlijk, het fundament dat ligt in de voorschriften in de wet van Mozes, in de rituelen, de feesten en met de priesters. Al die elementen dienen om die plaats voor God in het hart van Juda weer op te richten.

Het klinkt zelfverzekerd maar er is ook angst, voor de bevolking van het land. Voor diegenen die niet naar Babel zijn weggevoerd, maar altijd in Juda zijn blijven wonen. Hoe kijken zij er tegenaan dat de ballingen de godsdienstige praktijk weer opbouwen? 

4. Naar ik begrijp zijn er in de kerk heel wat mensen, collega’s ook, die bang zijn dat de kerk door deze tijd van verminderde kerkgang zal gaan verdwijnen. Dat mensen ontdekken dat ze wel zonder kerk kunnen en de kerken dus hun bestaansrecht verliezen.

Ik ben er niet bang voor. Want nooit zal alles verdwijnen.  

Kijk naar de ballingen, ze beginnen na 50 jaar opnieuw met wat er nog is aan fundament van de tempel en met wat ze nog over hebben van vroeger tijden; een priestergeslacht, de gouden en zilveren voorwerpen uit de verwoeste tempel, de voorschriften van Mozes.

Ze beginnen opnieuw, maar niet uit het niets.

Sterker nog, misschien hebben ze dóór hun ballingschap wel scherper door wát het is dat ze weer op willen bouwen. En wat daarvoor nodig en voorhanden is, tastbaar, kostbaar, onverwoestbaar. Zo hoop ik dat we in deze tijd waarin we niet meer vanzelfsprekend bij elkaar komen in de kerk, ook kunnen ontdekken wat we in deze tijd van ontheemd en vervreemd zijn, thuis aan geloofsvormen in ere blijven houden, welke oude schatten we koesteren en wat we weer willen opbouwen als het kan.

5. De ballingen weten wat hen te doen staat: die tempel voor God weer opbouwen in Jeruzalem. Hun Joodse identiteit en geloof krijgen weer voet aan de grond op die plek. Tegelijk komt de zekerheid die deze plek hen verschaft door het Loofhuttenfeest meteen weer in het licht te staan van de voorlopigheid. Niets is vanzelfsprekend. Leven met God betekent dat je, of je nu in ballingschap leeft of bent op de plek waar God woning vindt, dat je leeft met de verwachting dat wij eens terecht zullen komen.

Nogmaals de vraag: als zo’n plek en gemeenschap als deze niet meer zou bestaan, zouden we er dan opnieuw aan beginnen?

Ik denk het wel. Deze plek heeft bestaansrecht.

Ineke Dunharden die vandaag belijdenis zal doen van haar geloof, verwoordde het als volgt.

‘Dit is de plek waar ik af kan maken wat mijn moeder begonnen is met mijn doop’, en ze zei:

‘de eerste keer in de Oranjekerk voelde als thuiskomen’ en ‘ik heb me altijd gedragen gevoeld door God’. Bij de teruggekeerde ballingen die samenkomen in Jeruzalem herken is al die drie elementen: afmaken wat ooit begonnen is, thuiskomen en je gedragen weten.

Er is een groter kader waarbinnen we ons leven kunnen verstaan en het zin kunnen geven. Een kader van God met mensen onderweg. Een kader dat vorm krijgt in woorden, rituelen, feesten, een gemeenschap en misschien wel een gebouw. Oude schatten zijn er genoeg. Voor Ineke is dat 1 Korinthe 13 in de bewerking van Karel Eykman. Ik wil ermee afsluiten:

Zonder liefde ben ik nergens, zonder jullie stel ik niets voor.
Had ik jullie niet bij me dan ging ik er aan onderdoor.
Want liefde is echt en liefde is aardig, is open, oprecht en eerlijk, rechtvaardig.
’t Is liefde die ziet hoe opnieuw te beginnen die ieder verdriet ook de dood kan overwinnen.

4 okt

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Daniël 6


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we volgens het alternatieve leesrooster uit het boek Daniël. Dit boek is het jongste geschrift uit ons Oude Testament en het bestaat uit verhalen over Daniël (en zijn drie vrienden) en Daniëls visioenen. Hoewel het is opgezet als een historisch boek, is het boek Daniël het best te verstaan als een heldenverhaal, net als het verhaal over Esther.

Daniël leeft in de 6e eeuw voor Christus als Judese balling in Babylonië. Temidden van die niet-Joodse cultuur blijft Daniël trouw aan de Joodse wetten.

In het 6e hoofdstuk, dat wij vandaag horen, heeft Daniël inmiddels een hoge bestuursfunctie verkregen aan het hof van de koning. Daniël staat bekend om zijn betrouwbaarheid en zijn uitzonderlijke talenten, iets wat afgunst wekt bij de andere bestuurders. Zij zorgen dat hij in de leeuwenkuil terechtkomt, een doodstraf.

Daniël, de held van het verhaal, laat zien dat wie trouw is aan God, uiteindelijk zal overwinnen en dat zijn vijand verslagen zal worden. Zo iemand als Daniël, iemand die God dient en God hoger acht dan welke wet of machthebber dan ook, zo iemand maakt indruk, zo iemand maakt onze aarde tot een betere plek. Tot die conclusie komt zijn koning, de koning van de Meden en de Perzen.

We vertellen het verhaal zo met vier stemmen. Het is een lang verhaal, maar ik beloof u een korte preek. Nog één luistertip, er is in het verhaal sprake van 120 satrapen, dat zijn bestuurders.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Hij is overgeleverd aan de onveranderlijke wet van Meden en Perzen én aan de klauwen van zijn bestuurders, deze koning Darius kan geen kant op. Hij zit vast, klemgezet in de wet die hij zelf ondertekende. Was hij gevleid door het idee dat iedereen hem zou moeten aanbidden en deed hij dat vanuit grootheidswaan of was hij gewoon dom? Hoe dan ook, koning Darius tekende een wet waar hij zelf niet boven staat. Hij is niet bij machte zijn trouwe onderdaan Daniël te redden en te bevrijden. Dus wat doet die koning – de enige tot wie de mensen in zijn rijk een gebed mogen richten? Die koning bidt zelf tot de God van Daniël met het verzoek om Daniël te redden en te doen wat hij zelf, de koning van de Meden en Perzen, niet kan.

Daniël ondertussen, heeft zich overgeleverd aan een andere wet. Hij is trouw aan de wet van de God van Israel, die erop gericht is mensen te bevrijden van wat onderdrukt. Daniël kijkt driemaal per dag de kant op van Jeruzalem en knielt en bidt tot zijn God. Zijn trouw aan de wet van God maakt dat hij betrouwbaar is in zijn positie. Daniël houdt de koning hoog. En God nog hoger. De nieuwe wet van Meden en Perzen verhindert Daniël niet te doen wat hij altijd doet, hij blijft zich richten op God. En die God zal Daniël redden en daarmee ook de koning die geen moord zal begaan op zijn trouwe dienaar.

Eind goed, al goed. Mooi verhaal. Hoewel, die leeuwen die niet alleen de beschuldigende bestuurders, maar ook hun vrouwen en kinderen opvreten, zoiets is alleen maar te verteren als je het verhaal kunt horen als een heldenverhaal, vergelijkbaar met hoe ook veel kinderboeken in elkaar zitten, een verhaal waarin de bedriegers uiteindelijk bedrogen worden. 

Eind goed, al goed, dat kun je wel zeker zeggen over het bericht dat de koning schrijft aan alle volken op aarde. Volgens de Bijbel in Gewone Taal schrijft de koning:

‘Ik hoop dat het goed met u gaat. 27Vandaag geef ik het bevel dat de God van Daniël alle eer moet krijgen. Iedereen in mijn koninkrijk moet veel eerbied voor hem hebben. Want hij is de levende God, nu en altijd. Aan zijn macht komt geen einde. 28Hij redt mensen en bevrijdt hen. In de hemel en op aarde doet hij dingen die mensen niet kunnen begrijpen. Hij heeft Daniël gered van de leeuwen.’

Dat Daniël trouw is gebleven aan zijn God is indrukwekkend. Dat hij gered is van de leeuwen is ontzagwekkend. Maar dat koning Darius zich bekeert tot de God van Daniël en die God een redder en bevrijder noemt, dat lijkt in dit verhaal het grootste wonder te zijn. 

2. Daniël is de held in een spectaculair verhaal. Een verhaal waarvan veel elementen volgens mij behoorlijk aansluiten op onze wereld. Wetten van Meden en Perzen zijn er nog steeds. Wetten die niet gemaakt zijn om recht te doen. Wetten waarvan het lijkt of niemand bij machte is ze te veranderen, ook al zijn onschuldige mensen het slachtoffer.

Graag zoom ik nog even in op de rol van Daniël. Daniël houdt vast aan zijn geloof en zijn God temidden van een andere cultuur met wie hij zijn geloof niet deelt. Daniël deelt wél met hen datgene wat hij te bieden heeft aan talenten, wijsheid en betrouwbaarheid. Eigenschappen dit ook samenhangen met zijn geloof. Daniel is dienstbaar en op het goede uit. Dat hijGod hoog houdt daarmee bevrijdt en redt hij uiteindelijk ook anderen die niet geloven.

Daniël is voor ons een voorbeeld.

En, Fieke, ik heb het je deze week al gezegd, ik zie een verband tussen de rol van Daniël en de rol die jij bijvoorbeeld had bij Stichting ShivA, waarbij je geestelijke raadsvrouw was voor mensen met HIV en Aids. In een omgeving waarin jouw geloof niet vanzelfsprekend was of gedeeld werd, heb je hoog willen houden wat dat geloof voor jou betekent en daarmee ook wat jij (of God) voor anderen kon betekenen. Menswaardigheid en betrouwbaarheid voorop. Doorbreking van onmenselijke wetten. Bevrijding van wat belast. Jij en jouw geloof zijn door anderen als zegen ervaren.

In onze tijd en omgeving is geloven in God en daar tijd en aandacht aan besteden, misschien wel even onvanzelfsprekend als in de situatie van Daniël. Dat biedt een kans, nl. de kans om te ontdekken waar je  desondanks aan vast wilt houden. Zo wil ik toch ook deze tijd van nieuwe coronamaatregelen wel zien. Wat houden we hoog, wetten of mensen?

3. Koning Darius kan de slaap niet vatten en haast zich vroeg in de ochtend naar de leeuwenkuil en vraagt zich af of Daniël nog in leven is. Daniël, zijn naam betekent ‘God spreekt recht’, laat weten dat hij leeft doordat een engel van God de leeuwenmuilen sloot. Daniel is immers in Gods ogen onschuldig en hij heeft ook de koning niets misdaan. De steen waarmee de gegraven kuil was afgesloten, wordt weggeschoven en Daniël komt omhoog uit de kuil. Daniël leeft en ook de koning komt weer tot leven.

Het lijkt wel opstanding. Sterker nog, net als bij het opstandingsevangelie van Matteüs (Matt 28: 16-20) wil koning Darius dat alle volken weten: ‘De God van Daniel is de levende God die bestaat in eeuwigheid. Hij redt en bevrijdt’.

Stel je voor dat een heidense koning of wie dan ook die verder niets heeft met jouw geloof, dit over jouw God zegt. Dat is dan toch gewoon een goed verhaal?             

Amen.

13 sept

Startzondag, ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Matteus 18: (1) 15-20


Inleiding op de Schriftlezing

We lezen vandaag uit het evangelie van Matteüs een gedeelte uit de zogenaamde gemeentetoespraak van Jezus. Die toespraak begint met de leerlingen die aan Jezus vragen wie het belangrijkste is in het Koninkrijk van God. Jezus stelt als antwoord een kind in hun midden en legt uit dat wie niet klein en kwetsbaar wil worden, zoals een kind dat is, het Koninkrijk van God niet zal binnengaan.

Vervolgens vertelt Jezus de gelijkenis van het verloren schaap. Als een mens honderd schapen heeft en er raakt er één verdwaald, dan laat hij de negenennegentig achter om die ene te zoeken. Zo, zegt Jezus, is het met God, die wil niet dat er ook maar één mens verloren gaat.

En dan volgt onze lezing van vandaag, die gaat over de situatie waarin het misgaat in de gemeente, wanneer iemand ruzie met jou maakt of afhaakt. Jezus geeft een belangrijke leidraad voor wat je dan moet doen en dat heeft alles te maken met jezelf niet groter willen maken dan de ander, maar de ander ruimte bieden om zich weer te kunnen verbinden, zodat die niet afdwaalt.

Het is geen eenvoudige tekst en daarom heb ik twee luistertips vooraf:

De eerste: in de lezing gaat het over hoe je moet omgaan met iemand die zondigt. Nu heeft het woord ‘zonde’ in de Bijbel een andere betekenis dan hoe wij het meestal verstaan. Ik leg dat even uit.

Als je een beker melk omstoot dan zeg je ‘o, wat zonde’ en dat is het ook. Want er gaat iets mis, er is iets verstoord. De melk die was bedoeld om op te drinken, ligt nu op de grond.

Precies zo is de betekenis van ‘zonde’ in de Bijbel. Zonde dat is niet dat één iemand een morele misstap begaat en daarvoor gestraft moet worden, nee het is dat er iets misgaat, iets verstoord raakt in hoe de mens bedoeld is en in de verbondenheid tussen mens en God. Als een mens de verbondenheid met God verbreekt en een andere macht dient, zoals de macht van het geld of van de overheersing, dan komt er iets tussen de gemeenschap en God in te staan. Dan loopt het goede leven van mensen met elkaar gevaar. Dan verwaarloos je de vrijheid die God aan mensen gaf. En daarom is het van groot belang dat we mensen die het leven in de gemeente verstoren, die zondigen, er weer bij proberen te halen. Ten alle tijde moeten we willen voorkomen dat we mensen verliezen. 

En dat is meteen de 2e luistertip: bedenk bij het horen van de lezing dat de achtergrond is: dat God niet wil dat iemand verloren gaat, oftewel buiten het goede leven valt.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Het ene moment hebben we een kind in ons midden, klein en kwetsbaar, gedragen door haar ouders, door ons als gemeente en door God bovenal – het andere moment lezen we een complexe tekst over omgaan met iemand die zondigt in de gemeente en hoe het de hemel aangaat hoe wij daarmee omgaan.

Je kunt bedenken dat je die twee beter niet op startzondag probeert te combineren, maar dat is precies wat in het Bijbelverhaal wel gebeurt. Jezus begint met het in het midden zetten van een kind.

Een kind dat aantoonbaar onmondig is, afhankelijk, kwetsbaar, zonder status.

Bij alles wat Jezus tegen de gemeente gaat zeggen kunnen ze niet hier omheen: een klein en kwetsbaar mens. Wil je een rol spelen in Gods nieuwe wereld, dan zul je moeten worden als een kind, niet groter willen zijn dan een ander, maar het wagen je klein te maken.

Oftewel: Jezus volgen betekent afstand doen van macht en het afleggen van een gevoel van superioriteit. Als er ruzie is in de gemeente, als de ander jou wat heeft misdaan, dan is het eerste wat je moet doen de ander daar onder vier ogen op aan spreken. Help die ander die tegen jou gezondigd heeft om tot inkeer te komen en dan zonder gezichtsverlies. Ga niet óver de ander praten, maar mét diegene zelf.

(Dankbaar was ik, twee weken geleden, toen een gemeentelid mij belde over iets wat ik had nagelaten en wat niet goed was gevallen. Het gaf mij de gelegenheid om sorry te zeggen).

Als die ander niet wil luisteren, probeer het dan nog eens met twee getuigen. Die kunnen helpen om de ander te overtuigen van de verkeerde stap die hij of zij heeft gezet. Als dat niet helpt, schakel dan ook de rest van de gemeente in. En als de zondaar dan nog weigert terug te keren van zijn misstap – behandel hem dan als de heiden of de tollenaar.

Dat is een goede hersenkraker! Hoe behandelt Jezus ook al weer de heiden en de tollenaar?

Jezus sluit die niet buiten, maar haalt ze juist binnen. Dus Jezus’ woorden benadrukken nogmaals dat we de ander niet moeten uitsluiten maar insluiten, ondanks zijn zonde. Want ‘niemand mag verloren gaan’.

2. Zo kunnen we nu ook het volgende stuk van Matteüs lezen: Hoe wij hier in de gemeente, op aarde omgaan met iemand die zondigt, dat heeft betekenis voor hoe het met iemand verder gaat. Daar moeten we ons bewust van zijn. Als wij iemand afschrijven, vastpinnen op wat diegene ons misdeed, dan blijft dat tot in lengte van jaren aan hem of haar kleven. Tot in eeuwigheid, tot in de hemel.

Betekent dit dat God dit afschrijven nog eens opnieuw zal bevestigen? Dat lijkt me niet.

Het is eerder andersom, wij moeten het niet zover laten komen. Sterker nog, als we met elkaar alles op alles zetten om de boel bij elkaar te houden in de gemeente, dan weerspiegelen we wat God van ons vraagt. Dan zal dat zo gebeuren. Daar rust zegen op, dat is die hemel die bevestigt.

‘Want’, staat er dan, en dan komt de beroemde Bijbelse zin waar deze tekst mee eindigt: ‘waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden.’ Deze zin wordt te pas, maar vooral te onpas op zichzelf gebruikt, als zou het hier gaan over dat hoe klein het groepje gelovigen ook is dat bij elkaar komt, we toch ervan verzekerd mogen zijn dat God erbij is. Dat zal zo zijn, maar met de voorafgaande tekst erbij is duidelijk dat wat hier gezegd wordt veel dieper gaat. Eensgezind zoeken naar een manier om verder te gaan is heilzaam. Matteus verwijst hier naar een oude rabbijnse uitspraak die zegt: ‘Wanneer twee mensen bij elkaar zitten en de woorden van de Thora/Bijbel zijn hun woorden, dan is de Eeuwige in hun midden’.

Oftewel wanneer we met twee of drie mensen in de Geest van Jezus leven, doen wat Gods Woord ons zegt, dan is daarmee God in ons samenzijn tegenwoordig. 

3. En zo hebben we hier een handleiding voor hoe we met elkaar om dienen te gaan in de gemeente. De tekst biedt openheid: schrijf niemand af, zoek de gemeenschap, laat je niet weerhouden door je eigen gelijk of pijn, wees groots door niet je ego te laten gelden, vermijd ten alle tijde dat je de ander dan maar afschrijft.

In de praktijk is dat nog een hele opgave, want dit vraagt nogal wat van onze houding naar anderen toe.

Petrus bevraagt Jezus meteen hierna daarover als volgt (Matt 18: 21-22) ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’.

En Jezus antwoordt: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’

Het is oneindig dat wij ons best moeten doen om de ander te bekeren van een verkeerd ingeslagen weg.

En het is onze opdracht de ander te willen blijven zien als de naaste die is als wij, die God liefheeft.

4. Nu hebben wij in deze maanden waarin we om moeten gaan met de coronacrisis ook te maken met een verstoring in de gemeente, mensen die afhaken. ‘Zonde’ is het, in de Bijbelse zin van het woord, dat begrijpt u. Niemand is er op uit, maar door de omstandigheden is er sprake van minder verbondenheid. Tenminste zo ervaar ik het. (Misschien bent u het niet met me eens, dan mag u me daar om te beginnen onder 4 ogen op aan spreken.) Maar ik ervaar dat ik minder vaak in de kerk ben, u minder zie en spreek, dat ik minder aandacht heb voor de buurt, voor anderen, voor God misschien.

In een bijeenkomst vorige week hier in de Oranjekerk met 20’ers en 30’ers kwam ter sprake dat ook de verbondenheid met familie of vrienden te lijden heeft in deze coronatijd doordat het veel voorkomt dat naasten heel anders omgaan met de maatregelen die ze nodig vinden zoals afstand houden.

Hoe houden we de boel bij elkaar in deze tijd? Kan de gemeentetoespraak van Jezus ook daarin een weg wijzen? Ik zie drie dingen oplichten.

Het eerste is dat Jezus zegt ‘bespreek het’. In kleine kring of groter, als er iets is verstoord, zoek elkaar op, breng het ter sprake. De lijst met vragen die we vandaag rond delen heeft daarmee te maken.

Het tweede is de oproep van Jezus om ‘te worden als een kind’, je niet groot te willen maken, maar juist de aandacht te richten op kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Ik moet denken aan collegapredikant Otto Grevink die over gemeentezijn in coronatijd schreef: ‘pas je tempo aan, aan wie niet mee kan komen’. Nu we niet alles kunnen doen zoals we het voorheen deden in de kerk, en zolang velen niet kunnen komen, zullen we tijd moeten nemen om te bedenken hoe we wel verbonden met elkaar kunnen blijven, en zullen we open moeten staan voor nieuwe vormen van kerk zijn zodat iedereen aan kan haken.

Het derde wat ons kan helpen is de bemoediging in die laatste woorden ‘waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’. Als we elkaar weten te vinden in het verlangen om in Gods naam te zoeken naar een oplossing voor wat verstoord is, dan zijn we een eind op weg. Als mensen het verlangen delen om God hoog te houden en stappen durven zetten om de ander erbij te houden, dan is God aanwezig.

En bedenk: Jezus spreekt in zijn toespraak niet degene aan die zondigt, die verstoort. Hij spreekt ons allemaal aan als degenen die een ander erbij kunnen houden, die het samen met anderen waar kunnen waarmaken: dat God in ons midden is. Amen.   

 

23 aug

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Matteüs 16: 21-27

 

Opmaatverhaal ‘Ga weg’

‘Ik ga het niet doen hoor, opa’, zegt Peter, ‘jou hier alleen laten. Mooi niet. Ik ga gewoon niet meer naar school, maar ik blijf hier bij jou. Dat gedoe met die mondkapjes en dat afstand houden gaat mij niet gebeuren. Mij krijgen ze niet bij jou weg’.

Tranen staan in Peters ogen. Wat was dat erg om opa al die maanden niet te mogen bezoeken. Opa nog langer zonder bezoek in het verzorgingshuis, het idee is onverdraaglijk. ‘Dat gaat niet gebeuren, daar ga ik voorliggen!’ zegt Peter fel.

‘Ga weg’, zegt opa. ‘Wat?’, vraagt Peter.

‘Ga weg’, zegt opa nu wat harder terwijl hij zich omdraait. ‘Ga terug naar huis, je moet niet hier zijn bij mij, doe je best op school, dat is belangrijker, dat is je basis voor je toekomst. Ik ben trots op jou, dat weet je toch. Ga terug, doe wat je moet doen, ook als het niet leuk is. Doe dat voor mij, leef je leven, ook al kost het moeite, echt, ik weet waar ik het over heb’.

Ga terug en hou vol, ik red mij wel, echt, het komt goed.

 

Inleiding op de Schriftlezing

Het gedeelte uit het evangelie volgens Matteüs dat we vandaag lezen hangt nauw samen met het tekstgedeelte dat eraan voorafgaat, de zogenaamde ‘belijdenis van Petrus’ (Matt 16: 13-20).

Jezus is met zijn leerlingen onderweg en wordt regelmatig op de proef gesteld door Farizeeën en andere Schriftgeleerden. Dan komt het moment dat Jezus zijn leerlingen de vraag stelt ‘Wie ben ik volgens jullie?’. En Petrus antwoordt: ‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’. Daarop zegt Jezus tegen Petrus: ‘Petrus, zalig ben jij, jij bent zoals je naam zegt een rots, op jou kan ik bouwen!’.

Wat daarna gebeurt, lezen we vandaag als Jezus zijn leerlingen vertelt wat het betékent om Messias te zijn. Hij zegt dat Hij veel te verduren zal krijgen tot de dood toe. Nu protestéért Petrus: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’

Jezus zegt daarop tegen Petrus ‘Ga weg achter mij, duivels is het wat je doet, je vormt een obstakel op de weg die ik moet gaan’.

Het ene moment heeft Petrus het dus helemaal begrepen, God heeft hem als het ware aangeraakt, en het andere moment begrijpt hij het totaal niet, dan spreekt de duivel via hem.

Matteüs maakt met zijn beschrijving van beide gebeurtenissen duidelijk wat het betekent om een leerling van Jezus te zijn. Dat betekent dus niet dat je alles altijd goed weet en goed doet, maar wel dat je bereid bent om telkens weer van Jezus te leren.  

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen’, dat is wat Jezus Petrus verwijt. En Jezus wijst Petrus op zijn plek, namelijk niet voor Jezus, in de weg, maar achter hem, als volgeling.

Petrus heeft zijn hart laten spreken en het is zo begrijpelijk dat hij zegt ‘God verhoede dat dat gebeurt!’. Je wilt niet dat iemand die je liefhebt een lijdensweg moet ondergaan. Maar het is een reactie die Jezus niet kan gebruiken en zeker niet van Petrus. Zo volmondig als Petrus Jezus genoemd heeft: ‘Messias, Zoon van de levende God’ zo volledig wil Jezus dat ook zijn, Hij kan niet anders. Zonder water bij de wijn, zonder voorbehoud zal Jezus spreken over God en de vinger op de zere plek leggen. Het onrecht benoemen. Ook, zeker, als dat niet politiek correct is. Niet tactisch. En dus gevaarlijk.

Petrus kijkt niet verder dan naar dat gevaar voor lijf en leden. Petrus dacht dat Jezus daar als Messias wel boven zou kunnen staan. En nu voelt hij die angst voor wat hij te verliezen heeft. Petrus hoort dus ook niet wat Jezus nog meer zegt, namelijk dat Hij op de derde dag zal worden opgewekt. Jezus zal zijn leven niet alleen géven voor de zaak van God, maar daarmee het leven ook vínden. Een leven met God.

2. Om zó te kijken naar de weg die Jezus zal gaan en ieder die Hem volgen wil, dat is een hele opgave. Want het vereist dat Petrus, en ook wij, uitstijgen boven de angst om lijf en goed te verliezen.

Er is iets, er is Iemand, belangrijker en kostbaarder dan dat.

Jezus zegt het zo: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet?’.

Zo’n zin is vragen om misverstanden. Je zou haast kunnen denken dat Jezus zijn volgelingen opdraagt om zich te onthechten. Om hun eigen leven te relativeren en zichzelf weg te cijferen en om alle pijn die dat kost dan maar gewoon te incasseren. Alsof pijn je dichter bij God brengt.

Het lijkt mij niet de bedoeling van deze tekst. Het woordje ‘moeten’ in de Bijbel leidt vaak tot misverstanden. Zoals Jezus niet ‘moet’ lijden in de zin van ‘dat is de enige manier waarop je Zoon van God kan zijn’, zo ‘moet’ een volgeling van Jezus ook niet ‘zijn kruis opnemen en dus lijden’ om een goede volgeling te zijn.

Het is andersom. Doordat Jezus vasthoudt aan wie Hij is, Zoon van God, Messias, en dus de woorden van God spreekt, daardoor weet je zeker dat Hij op weerstand zal stuiten. ‘Dat moet wel misgaan’, kun je zeggen. Niet omdat het van iemand moet, maar omdat dat de consequentie is in deze wereld, als je je zo laat kennen.

Zo is het ook voor volgelingen van Jezus. Die ‘moeten’ wel lijden, niet van iemand, maar door de wereld waarin we leven. Want daar kom je eens mee in conflict, als je niet weg wilt kijken, maar je geroepen voelt op te staan en op te komen voor wat recht is, vast wilt houden aan het woord van God. Jezus niet verloochenen, is de pijn voelen bij alles wat in deze wereld zo tegengesteld is aan wat God ons belooft. Jezus volgen kan betekenen dat je tegen de orde en het goede fatsoen in moet gaan en jezelf op het spel zet, je status, je veiligheid. (…)

3. In deze week moet ik hierbij denken aan de situatie in Wit-Rusland waar mensen zoals u en ik over hun angst heen stappen en de straat opgaan, ook al weten ze dat ze niet zachtzinnig bejegend zullen worden door de zittende macht. Alles voor hun ziel, de ziel van het land, de vrijheid van mensen, de toekomst van hun kinderen. 

Zoveel meer mensen op andere plekken in de wereld steken hun nek evenzeer uit voor recht en vrijheid, om waar ze in geloven, terwijl ze weten dat ze dat met de dood kunnen bekopen. Maar wat zal het hen anders kosten als ze zwijgen en niets doen?

In de Stille Week van Pasen volgen we het lijden van Jezus op de voet, het hele jaar door zien we dat lijden terug in mensen in Wit-Rusland, bij vluchtelingen op Lesbos, bij mensen die opkomen voor homorechten, onderzoeksjournalisten die onthullen wat het daglicht niet kan verdragen en zo meer. Elke keer grijpt het me aan als ik zie dat mensen die opkomen voor een menswaardig leven van zichzelf of anderen zo gewelddadig worden bejegend, zelfs worden gedood. Waarom moet dat nou zo ongenadig hard gaan?

Nee het moét niet, maar het gaat wel zo.

Kan God dat niet verhoeden?

Of behoeden en bewaren die mensen die daaronder lijden juist God?

4. En hoe zit het met onszelf? Wat zeggen ons Jezus’ woorden over lijden dat we wel moeten ondergaan als we Hem willen volgen? Dat lijden dat een consequentie is van opkomen voor het kostbare en wezenlijke van ons leven?

Dat lijden is geen eenvoudig onderwerp om over te spreken. Bij Jezus en Petrus zorgt het zelfs voor afstand tussen hen beiden. Het is een onderwerp dat je naar de keel kan vliegen. Maar het lijden is er elke dag, in de wereld ver weg en in ons dagelijks leven.

Wat is het leven dat we willen behouden? En waarin verschilt dat van eigen lijfsbehoud?

Jezus stelt ons voor vragen. Vragen waarop we gaandeweg de antwoorden zullen vinden, achter Hem aan, met vallen én opstaan.

Amen


16 aug

Laatste zomerdienst

Lezing: Matteüs 15:21-38
ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

‘Sorry, er is geen complot.

In Amsterdam is een moord gepleegd. Een schokkende moord. Een groot verdriet voor alle betrokkenen. Het jonge slachtoffer, zijn familie, zijn vrienden.

Je zou denken: daar hebben we onze handen al vol aan.
Je zou denken: de enige reactie die hout snijdt is medeleven.
De naam van het slachtoffer in gedachten meedragen: Bas van Wijk.

Zoals we de naam van Meindert Tjoelker nog altijd in onszelf bewaren.

Omdat geweld zo gruwelijk is.

Maar nee.

Voor sommigen was het nog niet genoeg.
Er moest méér gezegd.

Medeleven is ook niet wat zij willen
Ze willen iets anders:
ze willen woede.

Woede tegen de dader?

Nee. Nog een grotere woede.

Roeren in de samenleving.
Uiteendrijven

Totdat de woede zich overál genesteld heeft

“In poep roeren”
zou mijn oma zeggen.

Dit is nu het verhaal: de dader is iemand met een Marokkaans-Nederlandse achtergrond.

Dit is het bijkomend verhaal[, met dank aan de Telegraaf]: Noord-Afrikanen [(kijk eens hoe keurig wij ons uitdrukken!)] terroriseren de Europese stranden!

Als je lang genoeg roert, lijkt het alsof “wij witten” bedreigd worden “door hen, de Noord-Afrikanen”

Lijkt.

“Wij witten” worden niet bedreigd. Dit is de werkelijkheid: witten bepalen. Zo’n beetje alles: de politiek, het management, de scholing, de normen en waarden, de financiële wereld, de IT - en niet alleen in Europa. De prijzen van grondstoffen worden op de westerse beurzen bepaald. Ook als ze uit Afrika komen, of Latijns-Amerika.

Er is geen dreiging.
Misschien zijn er schuivende panelen
- hoop ik, daar ben ik heel transparant in -

de meerderheid van de wereld (witten zijn de minderheid, wereldwijd) die haar plek opeist

Misschien is er een geboorte naar een wereld-voor-iedereen
dat kan zijn,

maar er is er is geen “wij witten worden bedreigd door horden”
Het is er niet.

En deze moord is geen enkel bewijs.

Hoe vreselijk ook,
dit zijn de feiten:

we hebben geen zekerheid over de huidskleur
of de achtergrond van de dader

en al hadden we die wel, dan nog.

Meindert Tjoelker is door leliewitte jongens vermoord.

eigenlijk hebben we slechts één zekerheid:
dat ons medeleven is gevraagd

en niets anders dan dat.’

Tot zover de column van Sybrand van Dijk, een collega, een hele welbespraakte, maar belangrijker: een heel betrokken collega, een collega die wel vaker de dingen tot zijn essentie weet terug te brengen: de moord op Bas van Wijk vraagt niet om uiteendrijven: zij tegen wij, maar om samenbrengen, samenbrengen in het delen van medeleven. Wat is het toch met ons mensen dat wij liever weten van scheiden, dan van verenigen, dat wij liever grenzen trekken, dan grenzen openen, dat wij liever terugvallen op eigen identiteit – zelfs al weten we nauwelijks wat dat is – dan anderen daarin toelaten, dat wij liever schijnveiligheid creëren in een eigen, hoog ommuurde groep dan ons laten uitdagen door een wereld die in beweging is.

De wereld is in beweging, meer dan ooit, corona of geen corona – en ja, dat is niet voor iedereen gemakkelijk. We moeten hier beslist ook barmhartig zijn. Ik kan me herinneren dat het nog overzichtelijk was: je had het kapitalistische Westen en het communistische Oosten en dan had je nog het zuidelijk halfrond, zo ongeveer de rest van de wereld en dat noemde je dan: de Derde Wereld. Met onder andere de val van De Muur in 1989 is daar langzaamaan een einde aan gekomen en gelukkig maar, want die overzichtelijkheid was voor miljoenen mensen geen leven. Maar dat einde luidde ook nieuwe beweging in, moeten nadenken over een nieuwe wereldorde en daar zitten we nu, denk ik, nog steeds midden in. De nieuwe vrijheid bracht niet zomaar een nieuwe wereldorde. In veel landen zien we dat men die nieuwe orde zoekt in een eigen orde die het eigen volk, of het eigen land, de eigen cultuur of de eigen religie vooropstelt – gevaarlijke identiteitspolitiek waar vooral minderheden in betreffende landen het slachtoffer van worden. En we zien dat helaas ook in ons eigen land, zoals het bijvoorbeeld in boosheid over een vreselijke moord zijn lelijke kop opsteekt. Begrijpelijk, maar toch zeer kritisch tegen het licht te houden.

Ik kwam de column van mijn collega tegen, toen ik aan het nadenken was over de twee verhalen uit Evangelie van Matteüs die we vanmorgen hebben gehoord: twee wat mij betreft geweldige verhalen, maar waar ik evenwel van dacht: wat moet ik daar nog over zeggen? Nou dit: dat voor een christen ‘eigen volk eerst’ een principiële onmogelijkheid is. Ik ben er niet zo van te zeggen wat een christen nu precies wel en niet is, maar in deze tijd wordt het wat mij betreft op bepaalde onderwerpen meer en meer een kwestie van belijden, een kwestie van onderscheiden in ’s hemels naam, in Jezus’ naam. In meer dan één Evangelie komen we de ontmoeting tegen van Jezus met een vrouw uit den vreemde, en Jezus’ eerste reactie op haar hulpvraag is: eigen volk eerst. Best wel schokkend. Een botte Jezus. Maar daar blijft het niet bij: de vrouw blijft op Jezus’ denkbeeldige deur kloppen en… Jezus geeft gehoor, omdat door haar geloof de etnische grenzen tussen haar en Jezus wegvallen. In de ontwikkeling van het jonge christendom zijn die grenzen ook inderdaad vervaagd, al was dat dan ook niet zonder slag of stoot; en na de spijziging van de vijfduizend in Matteüs in hoofdstuk 14 volgt dan na de ontmoeting van Jezus met de Kanaänitische vrouw niet voor niets nog een spijzigingsverhaal: van vierduizend, dat betekent van mensen uit alle windstreken, alle vier de windstreken van de wereld. Dit verhaal is niet bedoeld voor een mooi ‘Alle Menschen werden Brüder’-gevoel. Het gaat veel verder. Het is een principiële kwaliteit geworden van wat het betekent christen te zijn, dat is: de inwoner van een rijk dat onderscheid maakt op basis van het geloof dat in mensen wordt gevonden, niet het geloof dat een handtekening vraagt onder een set overtuigingen, - zo van: nu hoor je bij ons, ingelijfd, - maar een geloof dat weet waar, of, beter gezegd, bij wie we moeten zijn; voor de vraag op een antwoord wat het betekent mens te zijn, wat humaniteit werkelijk is, heelwording, voor een ander instaan, zoals de Kanaänitische vrouw voor haar dochter, al betekende dat dat ze het schier onmogelijke moest doen. Jezus ziet de mens. God zij dank. Dat is eigenlijk het hele adagium van het Evangelie naar Matteüs, te beginnen met de Bergrede.

Als we de Maaltijd van de Heer vieren, dan ontmoeten ook wij, in brood en wijn, Jezus zelf. Wij, christenen uit de heidenen, zijn de erfgenamen van die Kanaänitische vrouw, en van de Romeinse hoofdman, in een ander verhaal, en van de Ethiopische eunuch, in nog weer een ander verhaal. Omdat Jezus geloof vond in de Kanaänitische vrouw, eten wij tweeduizend jaar later niet meer van de kruimels van de tafel, maar zitten wij aan. In brood en wijn delen wij Jezus zelf; déze Jezus die wij vandaag ontmoeten in de twee verhalen uit het Evangelie naar Matteüs. Deze verhalen en nog vele andere maken duidelijk dat de Maaltijd van de Heer veel meer is dan een symbolische handeling, en ook meer dan iets tussen ons en de Heer of een mooi ritueel dat plaatsvindt in de beslotenheid van onze christelijke kring. Als wij de dis delen met déze Heer, als wij deze Heer zelf delen, dan vinden en zien ook wij als deze Heer principieel geloof in mensen, in álle mensen, dan ontvangen we de gave van het onderscheid te zien dat geloof de enige grond is van het leven en van het samenleven, en geen enkel ander onderscheid dat mensen tussen elkaar willen maken. De Maaltijd van de Heer heeft dus ook een publieke, een openbare betekenis, een politieke betekenis, een betekenis die werkelijkheid wil worden in óns leven, in óns samenleven, buiten de muren van deze kerk. Ik zeg daarmee eigenlijk niets nieuws, - de Maaltijd van de Heer was nooit vrijblijvend - maar de publieke betekenis van die Maaltijd wordt wat mij betreft wel steeds urgenter. Delen in de Maaltijd van de Heer is delen in het leven van Jezus zelf: de keus om mee te leven en niet de keus om ‘in de poep te roeren’ om het met de oma van mijn collega Sybrand van Dijk te zeggen, de keuze om te horen als er geklopt wordt op onze deuren en dan geloof te vinden in mensen die bij ons zoeken naar heelwording en niet de keuze om te zeggen ‘eigen volk eerst’ of zelfs ‘alleen eigen volk’.

Wij hoeven niet bang te zijn, als wij aan tafel gaan, terughoudend. We mogen er van overtuigd zijn dat Jezus geloof in ons heeft gevonden, dat Hij zelf onze tafelheer wil zijn, ook vandaag. Als wij maar weten van wie wij de erfgenamen zijn: mensen uit de vier windstreken, mensen van deze aarde, uit alle volken, uit alle landen, in geloof aan elkaar gegeven om één gemeenschap te zijn, te willen weten van en geloven in mede-leven.


Amen

12 juli

Overweging 1e zomerdienst

ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Matteüs 13: 1-9, 18-23; Prediker 11: 4-6.

 

Inleiding op de Schriftlezing

‘Wat heb je nodig als je gaat zaaien?’ vraagt de juf.

De kinderen weten het meteen.

Je hebt een kuiltje nodig in de grond en daar stop je het zaadje in.

En je hebt water nodig, en licht en warmte, dan gaat het zaadje groeien.

En je moet de zaadjes niet te dicht bij elkaar planten, want dan hebben ze niet genoeg ruimte om te groeien.

De juf zucht. Alles wat de kinderen vertellen is waar, maar zij wilde graag het verhaal vertellen van de Zaaier, het verhaal dat Jezus de mensen vertelt, waarin het ook gaat om de goede grond die je nodig hebt en dat zaait niet ontkiemt als het op de weg terechtkomt, of op rotsachtige grond, of tussen de distels.

Jezus vertelt de gelijkenis om te laten zien hoe het gaat met het woord van God dat overal wordt gezaaid, maar alleen daar ontkiemt waar goede grond is, namelijk in mensen die het Woord horen én doen.

Dat verhaal over de zaaier en alle soorten grond, dat wil de juf vertellen.

Maar de kinderen hebben er geen oren naar.

Zij zijn vol van hun ervaringen met tuinkers en eigen gekweekte zonnebloemen.

En ja, ook daarmee doen zij het verhaal van de zaaier recht.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Bij het horen van de gelijkenis van de zaaier, komen gemakkelijk beelden op.

Bekende beelden van de zaaier, zoals geschilderd door Vincent van Gogh. 

Of beelden uit de praktijk, van de vreugde om zaadjes te zaaien in eigen grond, de schrik als de vogels erop afkomen, de afwachting of andere zaadjes wel tot bloei zullen komen en de verwondering als dat inderdaad zo gaat.

 

De gelijkenis van de zaaier is de eerste van wel 8 gelijkenissen in dit 13e hoofdstuk van Matteus dat als kopje heeft ‘Gelijkenissen over het Koninkrijk van de hemel’. Jezus spreekt in gelijkenissen tot de mensen. In beeldtaal dus.

Jezus doet dat vaker, maar dit is één van de weinige plekken waar Jezus de gelijkenis ook uitlegt. Helaas wordt de gelijkenis daarmee niet op slag helder. Het blijft beeldspraak. We horen dat met het zaad het woord van God wordt bedoeld en dat goede grond staat voor mensen die dat woord van God horen en begrijpen. Wat nu precies hun vruchten zijn, dat blijft onduidelijk. En is de zaaier nu God of Jezus?

Het ligt voor de hand om bij deze gelijkenis in te gaan op de vraag welk grondsoort u en ik zijn. Zijn we als de weg, begrijpen we niets van het woord van God en is het dus binnen de kortste keren weer weggepikt uit ons hart? Of zijn we als de rotsachtige grond, oppervlakkig, zonder diepgang en dus gevoelig voor de minste of geringste tegenstand die we zullen krijgen? Of zijn we als de grond vol distels, zijn we vol van andere dingen in het leven en krijgt het woord bij ons dus niet de ruimte? Of zijn we goede grond, geven we gehoor aan de oproep ‘Laat wie oren heeft goed luisteren!’ en dragen we dus vrucht?

Het is een leuk gespreksonderwerp om na te gaan wat voor grond we zijn, vandaag misschien wat rotsachtig, morgen weer vol distels, maar dat is niet waar de gelijkenis om gaat. Het is immers niet de gelijkenis van de grondsoorten, maar de gelijkenis van de zaaier en het Koninkrijk.

 

2. Wat opvalt in de gelijkenis is dat er zo rijkelijk gezaaid wordt én volop geoogst.

De zaaier is een royale zaaier. Hij heeft blijkbaar zaad genoeg, want hij zaait maar in het wilde weg. Slordig zou je het kunnen noemen, dat er zulke grote delen van het zaad neerkomen op plekken waar ze geen vrucht zullen dragen. Wij zouden dat misschien zelfs zonde willen noemen, zonde van het zaad, maar de zaaier houdt niet in.

En wat de zaaier doet heeft resultaat. Wat hij zaait in goede grond geeft een royale oogst. Honderdvoudig draagt dat zaad vrucht. En soms iets minder, zestig of dertigvoudig, maar in principe, het uitgangspunt is: honderdvoudig!

Deze gelijkenis van Jezus is een bemoediging voor de mensen in zijn tijd en in de tijd van de evangelist Matteus. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen door wat mislukt bij de verspreiding van het Woord van God. Want ondanks alle tegenstand zal het Woord van God wel zeker verder gaan, in goede aarde draagt het vrucht, hoe dan ook en meer dan je denkt.

Ook in onze tijd komt de vraag op hoe het moet met dat Woord van God, als je ziet dat zo weinig mensen er oren naar hebben. Als het toch tegen dovemans oren is gezegd, waarom zouden we er dan nog de boer mee op gaan? Is het dan niet zonde om telkens weer nieuwe wegen te zoeken? Kunnen we dat uitdragen van het Woord van God niet beter beperken tot die plekken, bijvoorbeeld in de kerk, waar het de meeste kans maakt om gehoor te vinden?

De gelijkenis van de zaaier én de uitleg die Jezus geeft laten twee kanten zien van de werkelijkheid, onze werkelijkheid. Enerzijds zaait de zaaier overvloedig en draagt het zaad in goede aarde overvloedig vrucht. Anderzijds ontkiemt het Woord op veel plekken niet, alleen maar in goede aarde. Beide staan naast elkaar: de reikwijdte en kracht van het Woord van God en de ervaring dat het zonder goede aarde geen vrucht draagt.

Nogmaals, het is de kunst ons niet blind te staren op de grond. Dat doet de zaaier immers ook niet. Gods woord is er voor alle mensen, ga niet selectief te werk.

3. Geloven wij dat er op heel veel plekken goede aarde is, meer dan we kunnen overzien?

En geloven wij dat de opbrengst van het zaaien van Gods woord honderdvoudig kan zijn?

Ik vertelde u over de kinderen die opgingen in hun verhaal over het zaaien en groeien van tuinkers en zonnebloemen en die graag die ervaring wilden delen.

Daarmee raken zij aan de kern van het verhaal: de verwondering dat het zaad tot enorme groei en overdadige opbrengst in staat is. Dat is de bemoediging die van de gelijkenis uitgaat: geloof dat het groeien gaat. Zoals we ons kunnen verwonderen over de opbrengst van een zaadje, zo ook over het Woord van God: kijk in de wereld om ons heen hoevelen het op de been houdt en op de been heeft gebracht voor de goede zaak. Al die mensen die opkomen voor hun naasten, voor verdraagzaamheid, voor het milieu, omdat ze geloven dat het anders kan en moet.

Eén voorbeeld wil ik u niet onthouden: afgelopen week deed Geeske Hovingh van het Wereldhuis een oproep via Facebook: ze vertelde over ongedocumenteerde families in deze stad die aan de rand van de financiële afgrond staan doordat zij door corona hun informele baantjes nog niet terug hebben. Lege koelkasten is het gevolg. Aan haar oproep om €35 te doneren aan het ‘Project gevulde koelkasten’ van de diaconie werd zo veel gehoor gegeven dat Geeske 5 dagen later ‘sprakeloos’ liet weten dat er inmiddels €13.385 was gedoneerd.

Opkomen voor de mens in nood en ook het aandurven om anderen daarbij te betrekken en op te roepen om mee te helpen, het leverde ongelooflijk veel op.

Niet alleen aan gevulde koelkasten maar ook aan vertrouwen dat er veel goede grond is.

Jezus ziet dat wat Hij de mensen vertelt over het Koninkrijk van God, vaak niet gehoord wordt en niet begrepen. Maar dat weerhoudt Hem niet om door te gaan. Het royale gebaar van de zaaier blijft Hij maken, het Woord van God voor alle mensen, blijft Hij doorgeven. En telkens zijn er mensen die het wel verstaan en in wie het verhaal vruchtbaar wordt, ook dat gaat door.

4. De gelijkenis geeft ons oog voor de ruimharigheid van God en de kracht van het woord.

Een aanmoediging om die Woorden van God te blijven horen en volop door te willen geven, vind ik in deze tekst van Prediker waarmee ik wil afsluiten (11: 4-6):

‘Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe. Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. Zaai van de morgen tot de avond. Laat je hand niet rusten, want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal.’

Moge het zo zijn. Amen.