12 mei

Overweging 12 mei 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezingen: Psalm 23 en Johannes 10: 22-30.

 

Verhaal voor de kinderen ‘Meneer Schaap en het speelveldje’

Elke middag als de kinderen uit school komen is op het speelveldje in de buurt meneer Schaap al bezig. De ene dag loopt hij met tennisballen, de andere dagen met doeltjes, weer een dag later met hoepels. Elke dag zorgt meneer Schaap dat er wat te spelen valt op het veld. En dat is leuk. Met z’n trainingspak aan en zijn fluitje om de nek, deelt meneer Schaap iedereen die mee wil doen in teams, legt uit wat de spelregels zijn en dan kan het sporten beginnen. Hij zorgt ervoor dat de teams gemengd zijn met kleine en grote kinderen, snelle en wat langzame. Zo is het voor iedereen leuk. Iedereen geniet!

Maar vandaag komt er een ander groepje kinderen bij het veld staan.

Van meneer Schaap mogen ze meedoen. Hij wil ze wel indelen. Maar nee, dat willen ze niet, in plaats daarvan vragen ze brutaal: ‘Ben jij hier de baas of zo?’. 

Meneer Schaap kijkt verbaasd. 

‘Voor iedereen die mee wil doen ben ik de baas’, zegt hij. Hoor maar! En hij blaast hard op z’n fluitje. Alle kinderen staan stil, en keren zich om naar meneer Schaap. ‘één, twee, drie’ roept meneer Schaap, en alle kinderen zeggen ‘Go!’. En daar gaan ze weer.

Op het hele veldje wordt gesport, alle kinderen weten wat de regels zijn en het is heerlijk.

Tenminste voor wie meedoen. Voor wie mee willen doen door te luisteren naar meneer Schaap.

 

Inleiding op de Schriftlezingen

Op deze zondag van de Goede Herder, gaat het over God en Jezus op wie dat oerbeeld van de herder, van Iemand die je leidt en beschermt, van toepassing is.

Het beeld van de herder is in het Oude Testament hét centrale beeld van een leider naar Gods hart. Abel was een herder, de aartsvaders, Abraham, Izaak en Jakob, en ook Mozes en Jozua, de koningen Saul en David. Allemaal waren ze allereerst gewoon herder en werden ze vervolgens herder van het volk Israel. Uiteindelijk wordt dit beeld van herder ook beeld van God zelf zoals in Psalm 23 ‘de Heer is mijn herder’.

Het beeld van God als herder is in onze tijd niet meer herkenbaar uit de dagelijkse praktijk. We zullen het beeld van een goede herder allereerst met de Bijbelse beeldspraak associëren.

In de tijd van Jezus was het beeld van een goede herder ook religieus geladen, het was een beeld van God of van de Messias. Dat Jezus van zichzelf zegt ‘Ik ben de Goede Herder’ wordt door zijn criticasters dan ook gezien als aanstootgevend. Wie denkt Jezus wel niet dat Hij is?

 

In de lezing uit Johannes vandaag is de setting die van een feestdag, het feest van de Tempelwijding, dat feest dat wij beter kennen onder de naam Chanoekah. Die tempel in Jeruzalem is de 2e eeuw voor Christus drie jaar lang door de heidenen ontwijd geweest, zij hadden hun afgodsbeelden op het altaar geplaatst. Nadat in het jaar 165 voor Christus de tempel is gezuiverd door de Makkabeeen is er opnieuw het eeuwig licht in ontstoken. En hoewel er maar olie genoeg is voor het branden van het licht gedurende één dag, brandt het licht 8 dagen. Vandaar dat de achtarmige kandelaar het symbool is van dit lichtfeest, Chanoekah, dat Joden nog steeds in de winter vieren. De lezing uit Johannes vindt plaats op het feest van Chanoekah, de vernieuwing van de tempel, en Jezus is op dat moment ook in de tempel. Het is niet voor niets dat Johannes deze gebeurtenis zo inleidt, het moment en de locatie zeggen alles over de relatie tussen Jezus en de tempel zoals Johannes die ziet. Jezus die zegt ‘breek de tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen’ (Joh 2: 19) is zelf de tempel, de plaats, waar mensen God kunnen ontmoeten. Met de nadruk op kúnnen, want daarvoor is wel nodig dat mensen naar Jezus willen luisteren, dat zullen we zo horen.

 

 

 

Overweging ‘Zij luisteren naar mijn stem’

 

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Toen ik op mijn 18e net een paar maanden theologie studeerde, kwam ik een oud-klasgenoot tegen die mij begroette als volgt: ‘Hé Jantine, en weet je het al, bestaat God nou of niet?’

Ik moest eraan denken door de vraag aan Jezus waar onze lezing mee begint: ‘houdt ons niet langer in het onzekere: ben je nu de Messias of niet?’.

 

Wat is dat voor een vraag?

Net zomin als je door een studie theologie ontdekt of God wel of niet bestaat, net zomin kan Jezus antwoord geven op de vraag of Hij de Messias is.

Beide vragen kan een ander niet voor jou beantwoorden. Beide antwoorden hangen niet af van feiten of van kennis. Beide vragen hangen samen met vertrouwen, die moet komen van de vragensteller zelf.

 

De Messias, de mens in wie God op aarde komt, is binnen het Joodse denken niet iemand die zichzelf zo noemt, maar iemand die door anderen als zodanig wordt herkend. De Messias dat is diegene van wie anderen zien, door wat Hij doet, en horen, door wat Hij zegt, dat Hij evenbeeld is van God, sprekend zijn Vader.

Maar God herkennen in Jezus, in Hem de Messias zien, zover willen de Joden die de vraag aan Jezus stellen niet gaan. Zij stellen de vraag niet om vertrouwen te krijgen in waar Jezus mee bezig is. Zij willen van Jezus af. Zij hebben geen oren naar wat Jezus zegt en geen oog voor wat hij aan tekenen doet. Zoals vlak hiervoor als Jezus een blindgeborene geneest.

 

Jezus beantwoordt de vraag of hij de Messias is weliswaar niet met ‘ja’ of ‘nee’, maar doordat Hij het beeld gebruikt van schapen en hun herder, weten zijn critici genoeg. Het beeld voor God past Jezus toe op zichzelf. En als Jezus zegt ‘míjn schapen luisteren naar mijn stem’ dan zal dat in de oren van zijn tegenstanders hebben geklonken als: ‘mijn stem, is de stem van de Herder, de stem van God en jullie willen daar niet naar luisteren’. Nogal logisch dat ze het godslasterlijk én beledigend vinden.

 

2. Jezus maakt onderscheid tussen wie wel en wie niet luisteren naar zijn stem, naar wie wel of niet in zijn woorden en daden God herkennen.

 

Wie zíjn schapen zijn, zijn dat omdát ze luisteren naar zijn stem. Dat is hoe een kudde zich onderscheidt van andere schapen, als de stem van hun herder klinkt, richten ze zich allen op hem.

 

U en ik zijn die schapen, wij willen luisteren naar de stem van deze herder, daarom zijn wij hier vandaag gekomen. Om gespitst te zijn op wanneer deze herder spreekt, om onderdeel te zijn van deze groep mensen die zich wil afstemmen op deze stem.

Omdat wij willen horen naar deze stem, hóren wij ook bij deze Herder en staan we in verbinding met Hem.

Voor de één zal Jezus meer tot de verbeelding spreken, voor de ander God. Dat maakt niet uit, want zij zijn één. Niet één en dezelfde, maar wel één in woord en daad.

Daarmee verbonden willen zijn, daar gaat het om. Oren hebben naar wat van God komt, gehoor geven aan Wie zijn woorden spreekt.

 

3. In de tijd dat ik al theologie studeerde, maar mijn plek in de kerk niet kon vinden, heb ik mij regelmatig afgevraagd of ik nu wel bij de kerk hoorde, en wilde horen.

Als je niet uit de voeten kan met de woorden die in de kerk klinken, als je geen idee hebt of je die stem van God wel hoort, dan is dat beeld van een herder met schapen best ingewikkeld.

 

In die tijd kwam ik een dichtregel tegen van Huub Oosterhuis, die voor mij een keerpunt bleek, hij dichtte over God: ‘Nooit heb ik niets met jou’.

Oftewel altijd is er iets van een band, van een horen bij elkaar.

Het klinkt als maar heel weinig voor hen die veel geloof hebben, maar mij zei deze zin veel.

Er was en is in mij een verlangen om te horen naar die stem.

En daarom, ontdekte ik, hoor ik bij al die andere mensen die hun oren ook spitsen op de roep van deze Herder, op de woorden van God.

 

Dat neemt niemand mij af. Dat kan niet weggeroofd worden. Daarin vind ik telkens weer een nieuw begin. ‘Eeuwig leven’ noemt de evangelist Johannes dat. En hij legt dat uit verder op in het evangelie. Eeuwig leven, dat betekent leven in verbinding met God. (Johannes 17:3)

 

Betekent dat nou dat iedereen die bij de kerk hoort de stem van God hoort? Dat zou geweldig zijn.

Maar onze verbondenheid met God als Herder ligt denk ik allereerst hierin: namelijk dat onze oren gespitst zijn om zijn stem te horen, dat wij van God willen weten en God van ons.

Daarom komen we hier. Daarmee gaan wij op weg. Daarin vinden wij leven.

Amen.

 

 


Pasen 21 april

Overweging Paasmorgen 21 april 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing Lucas: 24: 1-27

 

1. Gemeente van de Levende Heer,

 

Wat is nou Pasen?

Lucas schetst ons een leeg graf, de afwezigheid van een lichaam.

Én hij beschrijft vrouwen die daarvan van streek raken, die schrikken van de verschijning van engelen, die zich woorden van Jezus herinneren en die gaan vertellen, maar die niet worden geloofd. Lucas vertelt ook van mannen die somber zijn en in verwarring gebracht en die traag zijn van begrip.

 

Al die mensen die Pasen op die eerste dag aan den lijve meemaken, reageren nogal menselijk, vind ik.

Hun valt niet acuut geloof te binnen. Zij zien niet ineens een groot licht, dat vrede geeft.

Hoogstens verschijnt er een lichtpuntje in hun misère. Een lichtpuntje dat beweging inzet.

De vrouwen herinneren zich de woorden van Jezus en gaan op weg naar de anderen om het te vertellen. De Emmaüsgangers krijgen gaandeweg de Schriften uitgelegd.

 

En dan begint het te dagen, dan gaan ze zien wat het is waarvan ze getuige zijn. Ze zijn getuige van de doorgaande geschiedenis van God met mensen. Nooit sprak Jezus over zijn lijden en dood zonder dat er sprake was van opstanding. O ja, de vrouwen herinneren het zich weer.

En denk aan Mozes en de profeten, aan al die verhalen in de Bijbel, waarin mensen niet ten onder gaan, maar juist tot leven worden gewekt.

Deze Paasnacht hebben we ze gelezen, de verhalen uit Genesis en Exodus, boeken van Mozes, over de schepping van het licht, de schepping van de mens die gevormd wordt uit leem en Gods Geest krijgt ingeblazen, verhalen over de uittocht uit Egypte, dat land waar angst heerste, over de doortocht door de Rode Zee.

Uit de profeten lazen we het visioen van de profeet Ezechiël, ook een scheppingsverhaal – dorre beenderen worden aangekleed en als mensen tot leven gewekt. Het is een beeld van het volk Israël dat in ballingschap is, maar dat God weer zal doen opstaan, letterlijk op de voeten zal zetten, moed geven, tot leven wekken. Het is niet afgelopen met hen, ze zullen weer terugkeren naar hun land. Zoals het ook niet afgelopen was met Jona in de walvis en de stad Nineve niet ten onderging. En ga zo maar door.

 

De woorden van Jezus en de verhalen uit de Bijbel gaan weer leven voor de vrouwen en de mannen en daarmee vervolgen ze hun pad als leerlingen van Jezus en komen ze de dagen door.


Deze woorden
Waarom zoekt u de levende onder de doden? 6Hij is niet hier, hij is uit de dood ​opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was:’ die woorden doen de vrouwen wegkeren van het graf, weg van de dood. Zij geven aan anderen door wat ze hebben meegemaakt, en zo vindt het woord van leven doorgang door hen.

 

Terug naar hoe het was, kan niet meer. Jezus komt niet meer terug. Maar de tijd met Jezus ligt ook niet achter hen, want Hij gaat voor hen uit, nog steeds.

En gaandeweg, alleen op die manier, zullen ze zich Hem herinneren.

Zoals de leerlingen op weg naar Emmaus. Zij vertellen hun verhaal en die derde houdt dat tegen het licht, het licht van de Schrift dat al eeuwen licht werpt op het leven van mensen.

En alles valt op z’n plek.


2. Het lege graf, zo essentieel in het Paasverhaal, vraagt erom eraan voorbij te gaan, daar vandaan te gaan en je blik te richten op die bron van leven en licht die Jezus voor mensen is en waarvoor hij zelf putte uit de Bijbel. Die bron die nooit dicht gaat.

 

En zo kwam ik bij dat lied 930:

Jij geeft mij vleugels en handen vol licht.                    Deut 32:11 Numeri 6:25

Jij leert mij leven zonder gewicht                                Matt 11:28-30

Lopen op water en spelen met vuur                           Matt 14:22-36 Hand 2:3  Lk 3:16

Jij maakt mij open, ik weet dag noch uur                    Mk 7: 31-35 Matt 25:13

 

Deze liedtekst staat vol verwijzingen naar bijbelgedeeltes.

(Wie het leuk vindt om te ontdekken hoe dat precies zit, kan het thuis nazoeken).

De Bijbelverhalen zijn in dit lied gevat in een beeld, een ervaring van gedragen worden door God als door een arend die zijn vleugels spreidt en zijn jong daarop draagt; ervaring van ontlast worden, ‘leven zonder gewicht’, noemt de lieddichter het, want Jezus zegt ‘mijn juk is zacht en mijn last is licht’. En zo voort.

 

We herkennen Jezus in het lied, maar tegelijkertijd is het ongrijpbaar hoe precies. En net als bij het lege graf, leidt het lied ons terug naar de Bijbel en belicht wat die verhalen ons geven, ons kunnen doen.

 

Zo anders komt het verhaal van God en mensen tot ons in dit lied.

Speels, als een tinteling, een dans, verrukking, ontroering. Zo ervaar ik het.

Weg van de zwaarte.
Anders dan die Bijbelverhalen die als een blok aan ons been kunnen worden als we daar teveel bij blijven vastzitten en over na blijven denken.

Het lied kan evenwel dezelfde vragen oproepen: Is dit waar, kan dit wel? Lopen op water, spelen met vuur? Wat bedoelt dit lied nu precies?

Tegelijk zegt dit lied: herinner je de verhalen, die Jezus vertelde, lees de Schriften, ga op weg! Het is allemaal één verhaal.

 

3. Pasen, dacht ik deze week, is zoveel subtieler, dan de jubelzang van deze morgen doet vermoeden. Zoveel menselijker ook dan de belijdenisformulieren verwoorden. Pasen is een weg van zoeken, met de moed der wanhoop, verblind door tranen, geschrokken door wat zo radicaal anders is dan je dacht en dan toch een lichtpuntje ontdekken.

 

Het lied laat mij nog iets anders ontdekken. Namelijk dat de weg die de Bijbelverhalen ons wijzen, de weg van Pasen, ook licht mag zijn, lichtvoetig, vol beelden. Dat het een weg is die je niet bewust inslaat, maar die je overkomt.

Een weg die je niet begrijpt met je verstand, maar die je voor een moment herkent door een woord van eeuwen dat tot je spreekt.

 

De vrouwen en de mannen in ons Paasverhaal gaan op weg om het te vertellen wat er is gebeurd, zij vertellen en geven handen vol licht door.

En dat is wat wij te doen hebben in deze wereld. Vertellen over dat ene verhaal van God met mensen, dat er doorgang is door de dood, door alle ellende. Op zoveel plekken in deze wereld, in deze stad, in ons hart, is het licht, is verlichting, dat woord hard nodig.

Het verhaal vertellen, het verhaal zingen, het verhaal leven, daartoe vieren wij Pasen, elke zondag opnieuw.

Leve dat Woord.

 

Amen.


Palmzondag 14 april

Overweging palm- en passiezondag 14 april 2019 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Lucas 19: 29-40 en Lucas 23: 33-43

 

Inleiding op Palm- en Passiezondag

Deze zondag heeft twee namen, Palmzondag en Passiezondag, en ook twee sferen: opgetogen en ingetogen. De feestelijkheid van Palmzondag hebben we al ervaren met de intocht van de kinderen. Dat is de opmaat van deze week van Pasen die ook wel Stille Week of Goede Week wordt genoemd.

 

De naam Passiezondag verwijst naar wat er in de rest van deze week zal komen. De passie, letterlijk lijden, het lijdensverhaal. Op Witte Donderdag en Goede Vrijdag lezen we het hele lijdensverhaal uit Lucas. Op Witte Donderdag horen we over het laatste Avondmaal van Jezus met zijn leerlingen en over het verraad van één van hen, Judas. Op Goede Vrijdag horen we hoe Jezus gevangen wordt genomen en alle leerlingen hem afvallen, en over Jezus’ vernedering, zijn kruisiging, dood en graflegging. In de Paasnacht horen we tot slot over het graf dat niet gesloten blijft.

 

Vandaag op deze Palm- en Passiezondag staat in het tweede deel van de dienst het hele passieverhaal centraal. Vroeger en nog wel in sommige kerken wordt het hele lijdensevangelie in deze dienst gelezen. Zo is ook de Mattheuspassion voor deze dag gecomponeerd.

 

Hier doen we het vandaag zo: we horen als 1e schriftlezing het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem. En we zingen daarbij een vreugdevol lied dat verwijst naar hoe al eeuwen mensen uitkijken naar de komst van een koning zoals Jezus, rechtvaardig en zachtmoedig. We jubelen mee met wie in Jezus deze koning herkennen.

Als 2e schriftlezing horen we enkel een gedeelte uit het lijdensevangelie, namelijk het moment dat Jezus gekruisigd wordt en opnieuw ‘koning’ genoemd wordt, maar dan als vonnis en als spot door wie hem kruisigen. Drie keer wordt de spot met Jezus gedreven. Slechts één iemand verdedigt hem.

Deze lezing beantwoorden we met het zingen van een litanie, een gebed, dat geschreven is bij deze Stille Week en dat ingaat op alle momenten in deze week en waarbij elk couplet eindigt met het gebed: ‘Heer ontferm u’.

 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Twee weken geleden was ik op zondagmorgen in de Vredeskerk om het 25-jarig priesterjubileum van naaste collega Pierre Valkering mee te vieren. Het was een feestelijke binnenkomst, de kerk was bomvol, er stonden prachtige bloemstukken en de vele voorgangers droegen roze gewaden, want dat was de kleur van de zondag – Laetare – verheug u!

En even later werd ik bang. Heel bang. Dat was toen Pierre zijn boek aankondigde over zijn homoseksualiteit en -relaties. Ik dacht: ‘dit gaat helemaal mis’. In één keer was voor mij de feestelijke sfeer omgeslagen. Ik werd bang dat deze mens, mij dierbaar, ten onder zou gaan aan wat hij over zichzelf afriep. Ik maakte me ongerust. Want niet alleen als hij zou worden verguisd, ook als hij op het schild geheven zou worden als held, zou hij ongelooflijk kwetsbaar zijn.

 

Ik moest eraan denken in de voorbereiding van deze dienst, die totaal uiteenlopende gevoelens van vreugde en van angst om één persoon, van het ene op het andere moment.

 

Jezus wordt enthousiast onthaald in Jeruzalem, ze jubelen, de mensen en ze dichten hem terecht of onterecht de status van koning toe. Wij stemmen daarmee in. Maar dat doen we met angst in ons hart. Want we weten bij Jezus dat niet iedereen zo enthousiast is. De Romeinse overheersers niet. De leiders van het volk niet. En ook niet degenen die vlakbij Jezus staan en denken: wat doe je nou?!

En later, als de spot klinkt bij het kruis, ook om die titel van koning, dan doet dat pijn.

 

2. De namen waarmee Jezus bespot wordt, zijn opvallend: ‘Koning, messias, uitverkorene’ – allemaal namen die kloppen voor wie Jezus is, maar die worden gebruikt als spot, als was het een bespottelijk idee dat zo iemand aan een kruis zou kunnen hangen.

‘Red jezelf dan’ zeggen achtereenvolgens de leiders van het volk, de soldaten en een mede-gekruisigde. Zij redeneren: als Jezus zichzelf niet kan redden, dan kan hij de uitverkorene, de Messias, de koning toch niet zijn?

En ziedaar het ontzettend moeilijke van de kern van het christelijk geloof, de kern van wie Jezus is, wie God is. Een koning op een ezel, een God die lijdt aan het kruis. Het zou toch echt veel eenvoudiger zijn ons geloof aan de man te brengen als Jezus nu op het kruis een wonder zou doen, iets machtigs zou laten zien, iets raaks zou zeggen. Iets zou doen, wat dan ook, dat niet passief, maar daadkrachtig zou zijn. Iets waarmee iedereen die hem toen of nu bespotte, ongelijk bewezen zou krijgen.

 

Zoveel mensen kijken op hem neer, dat je zou willen dat je tegen Jezus op zou kunnen kijken. Dat hij nu op zou staan als held, wonderlijk, machtig! Het kruis als triomfmoment.

 

3. Maar nee. Jezus lijdt aan het kruis. Dat is geen overwinning van God en ook geen overwinning van degenen die hem veroordelen of bespotten. Er is hier géén sprake van winnen of verliezen.

 

We zien dat deze mens, aan het kruis gehangen, het heft niet in eigen handen neemt.

Want het ligt niet in zijn handen, wat er gebeurt. Hij kán zichzelf niet redden.

Zijn naam is immers Jezus en dat betekent: ‘God redt’. Zijn leven ligt niet in de handen van mensen, hij heeft het niet in eigen hand, zijn leven ligt in de handen van God.

 

De machteloosheid van Jezus aan het kruis en het besef dat deze mens zichzelf niet redden kan, confronteren ons met wat geloof niet voor ons kan doen: geloof kan ons niet optillen uit de ellende van ons bestaan, geloof kan niet verzachten wat hard en meedogenloos is in ons leven.

 

Jezus’ lijden laat ons zien hoe God lijdt aan deze wereld. ‘Kunnen jullie niet één uur met mij waken?’, vraagt Jezus zijn leerlingen in de Hof van Getsemane, waar ze in slaap vallen.

Willen wij het weten dat God lijdt? En kunnen we het verduren, met God mee te lijden aan deze wereld?

Jezus laat zien dat menszijn, niet buiten lijden om gaat. En dat dat lijden ook niet buiten God om gaat.

 

Geluk is het, eigenlijk, dat we niet een geloof hebben waarin lijden geen plek heeft. Dat ons geloof er niet om gaat hoe je het meeste kunt genieten, jezelf kunt verbeteren en ‘krachtig in je kwetsbaarheid’ kunt zijn. Ons geloof gaat niet om sterk zijn, om ‘er boven staan’.

Het gaat om mens zijn in deze wereld. Niet afstand nemen tot wat er gebeurt, niet met mooie woorden zeggen dat het wel ergens goed voor zal zijn, dat lijden van mensen, of dat het maar net is hoe je het bekijkt.

Waarlijk mens zijn, is in het leven staan en weten dat wij niet eigenmachtig zijn. 

Kwetsbaarheid is niet krachtig, maar het is wel waar, waarlijk.

Lijden is niet ontroerend, maar het is wel menselijk.

Deze God die mens geworden is en die lijdt, die redt ons niet van onze ellende,

maar die redt ons wel van de illusie dat het leven maakbaar is en in ónze handen ligt.

Deze God staat veel dichter bij ons leven dan we ons kunnen voorstellen.

 

4. Jezus, zijn naam zegt het en hij laat zien dat enkel ‘God redt’. Maar hoe dan?

 

We kunnen daarvoor kijken naar die beide misdadigers.

De ene zegt spottend: ‘Jij bent toch de ​messias? Red jezelf en ons erbij’. Hij kijkt op Jezus neer omdat hij niet tegen hem op kan kijken. Als Jezus niet een krachtpatser, een wonderdoener, of een held is, als Jezus niets voor hem kan betekenen, laat dan maar.

De ander kijkt met andere ogen. Hij ziet in Jezus’ lijden het lijden van God in deze wereld, hier en op al die plekken waar onschuldigen gestraft worden. Hij begrijpt dat deze Messias, deze uitverkorene, deze koning zichzelf niet redden kan, omdat alleen God redt. Hij is de enige die Jezus bij zijn naam noemt. En omdat hij zich tot God wendt, kan Jezus zeggen dat hij gered is ‘heden zul je met mij in het paradijs zijn’.

 

Zo wordt het kruis een keerpunt, de mogelijkheid van een nieuw begin: want God wijkt niet.

God redt het. En zijn koninkrijk begint waar mensen God hooghouden, waarlijk mens zijn.  

 

Deze week van Pasen vraagt ons om dat te willen zien: het lijden van de mens, dat het lijden is van God. En het vraagt ons te geloven dat alleen ontzag voor God, ontzag voor wat het leven leefbaar maakt, ons redden kan. Trouw blijven, de mensen lief hebben, waarheid zoeken.

‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt’.

Wij zingen het zo: ‘Neem mij aan zoals ik ben en leef in mij’. 

Amen


17 mrt

2e zondag van de veertigdagentijd

Lezing: Numeri 9 :1-5 en Lucas 22:14-23; 31-34

Ds. Piet Kooiman


‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten” Pesach is een feest en het is vooral een maaltijd.

De maaltijd brengt mensen samen. Samen eten betekent een rustpunt en je kunt daarna ook weer verder. Als het goed is kun je er jezelf zijn.

Sommigen van u weten misschien wel dat ik uit een groot gezin kom van elf broers en zussen. Een aantal jaren geleden hebben over onze jeugd met elkaar een boek geschreven met als titel: ‘De tafel van 13’. Dat roept het beeld op van elf kinderen met hun 2 ouders die met elkaar rond de tafel zitten. Dan denk je al gauw aan een maaltijd. Rond de tafel tref je elkaar na een dag waarin iedereen z’n eigen ding doet. Daar worden de verhalen verteld. De broer die de titel van het boek bedacht heeft goed aangevoeld dat samen eten een kernachtig gebeuren is. Een plek van ontmoeting waar het hele leven ter sprake kan komen. Een plek waar je veilig bent. Als het goed is, maar dat is het niet altijd…Aan tafel kan niet alleen respectvol aandacht aan elkaar worden gegeven, je kunt elkaar ook misverstaan of afkatten. En soms kan er iets aan het licht komen dat tot dan toe verborgen was. Ook dat komt in de evangelielezing aan de orde. Maar daarover later.

De verhalen van Marten Toonder over Heer Bommel en Tom Poes eindigen steevast met een door Joost bereide ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’. Het avontuur is voorbij. Men komt tot rust. Maar de lezer weet: het volgende avontuur zal niet lang op zich laten wachten.

In onze stad kun je in talloze restaurants met elkaar uit eten gaan. Maar er worden ook maaltijden georganiseerd om mensen uit een buurt, of mensen met een gedeelde interesse bij elkaar te brengen voor onderlinge ontmoeting.

En als er een jubileum wordt gevierd, dan leent de maaltijd zich daar uitstekend voor. Vieren is ook gedenken. En gedenken geeft betekenis. In diepere zin betekenis aan het leven zelf.

Ook bij de viering van de Eucharistie of het Heilig Avondmaal staat de tafel centraal. Brood en wijn worden er met elkaar gedeeld. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar soms overvalt mij bij de viering het sterke gevoel deel uit te maken van een gemeenschap. Natuurlijk, het kan ook in de kerk altijd beter en of je elkaar werkelijk ontmoet, met elkaar deelt wat van belang is in je leven, of voor je geloof, dat spreekt niet vanzelf. Maar in principe kan het. De oude gewoonte elkaar in de gemeente zusters en broeders te noemen stemt daarmee overeen.

Jezus viert Pesach met zijn leerlingen. De Paasmaaltijd die zijn oorsprong heeft in de bevrijding van de slavernij in Egypte. Wij hoorden vanmorgen over de tweede Paasviering één jaar daarna.

Bij Numeri 6: daar gaat het om ‘Pesach in de woestijn’ ter onderscheiding van ‘Pesach in Egypte’. De opdracht bij dat laatste was om het te vieren als ze in het land van belofte zouden zijn gekomen. Door de overtreding met het gouden kalf werd dat verhinderd. Het zou een lange tocht worden; veertig jaar in de woestijn. Maar dat weten ze nog niet. Nu krijgen ze de opdracht het toch te vieren. Onderweg. Na de mislukking met en van het gouden kalf voelt het als een nieuw begin.

Dit Pesach zal niet alleen een herinnering betekenen aan het eerste paasfeest. De viering die voorafging aan de uittocht, de bevrijding uit het slavenbestaan en het land van de dood. Het zal ook een teken zijn van hoop omdat ze worden herinnerd aan de opdracht het te vieren in het land van hun toekomst. Het land van belofte. Dit Paasfeest wijst terug maar ook vooruit.

In de evangelielezing van vandaag horen we dat ook Jezus vooruit kijkt. Niet alleen naar het lijden waarvan hij beseft dat het hem wacht, maar ook naar het aanbreken van Gods koningschap. “Ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.” Het valt hem niet alleen zwaar maar hij is ook vervuld van hoop.

Hij heeft er hevig naar verlangd dit Pesach met hen te eten. Naar dit samen-zijn met zijn leerlingen. Naar de sfeer en het ritueel van de Paasmaaltijd die hem onontkoombaar betrekken bij de bevrijdingsgeschiedenis van zijn volk die gestempeld is door de belofte van Gods trouw. Daaraan houdt hij vast.

Als wij het Avondmaal vieren dan gedenken we Jezus. Gedenken heeft te maken met verleden en heden. Wie gedenkt brengt zich iets te binnen uit het verleden dat voor het heden betekenis heeft, of krijgt.
Bij de viering gaat het bijna als vanzelf ook om de toekomst. En in het bijzonder om de komst van Jezus. Dat spreken we dan ook uit: aranatha! Kom Heer!
Je kunt daarbij bedenken dat zijn komst elk ogenblik te verwachten valt. En dat het dan de vraag is of wij hem herkennen.

Als wij brood en wijn delen met elkaar dan kan het heel goed zijn dat we het bestaan ervaren als een bestaan in de woestijn. Er kan onder de oppervlakte van onze Facebook profielen van alles rommelen en moeilijk zijn. Of verdrietig en teleurstellend. Maar dan toch, zijn daar het brood en de wijn. Het brood dat we als manna uit de hemel met elkaar delen; het brood dat Christus present stelt. Zozeer zelfs dat we kunnen zeggen: het lichaam van Christus, dat zijn wij. En we brengen ons te binnen dat we onderweg zijn totdat Hij komt.

Deze zondag heeft als naam op de kalender van de kerk: Gedenk (in het Latijn: Reminiscere) naar Ps. 25:6 ‘Gedenk uw barmhartigheid Heer, en uw gunstbewijzen, want die zijn van eeuwigheid.’ (NBV  Denk aan uw barmhartigheid, HEER, aan uw liefde door de eeuwen heen.)

Dat gedenken speelt ook een rol bij de eerste viering van het Pascha in Egypte. Mozes zegt dan: Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de Eeuwige. (Ex 12:14)

Zo zijn Jezus en zijn 12 leerlingen bijeen. Een soort van kras over deze viering van het Pascha is zijn uitspraak dat één van zijn leerlingen hem zal verraden. En daar komt nog zijn verzekering aan Petrus overheen: Jij zult nog deze nacht driemaal ontkennen dat jij mij kent. Petrus, die vurige leerling blijft niet overeind in de nacht waarin verbondenheid met de Rabbi uit Nazareth levensgevaarlijk kan zijn. Jezus zegt dan ook dat hij zich nog moet bekeren. Maar Petrus weet dat zelf nog niet. Wie zich niet beter voelt dan Petrus zal wel uitkijken zich op de borst te kloppen als een voorbeeldig gelovige. We zijn en blijven leerlingen en dat is ook genoeg.

Lieve gemeente, het thema in deze Veertig dagen op weg naar Pasen in de Oranjekerk is: Een nieuw begin. De bijbel vertelt ons vanmorgen dat een nieuw begin zelfs in de meest barre omstandigheden mogelijk kan zijn. Niet omdat wij zulke veerkrachtige optimisten zijn, maar omdat wij leven met een belofte. De belofte van Gods trouw. Niet alleen als het goed met je gaat. Maar ook en vooral door de diepte heen.

Moge dat zo zijn voor ieder van ons,
in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest

Zingen Lied 23b ‘De Heer is mijn herder’

10 mrt

1e zondag van de veertigdagentijd

Lezing: Lucas 19:45-48

ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Misschien was u er vorige week ook bij toen we hier hoorden hoe de profeet Jeremia voor de ogen van zijn stads- en landgenoten een mooie vaas in stukken brak en erbij riep dat het met Jeruzalem ook zo zou vergaan. Verbolgen over de houding van de mensen en van de leiders, kwaad over het gebruik van de tempel, zag hij geen andere mogelijkheid dan hardhandig duidelijk te maken hoe hij tegen de staat der dingen aankeek, in Gods Naam. Met de moed der wanhoop liet hij zien dat de wereld zoals de mensen die kenden: het land, de stad, en ook de tempel, zouden verdwijnen, als zij niet zouden horen wat hij te zeggen had, niet zouden zien wat hij recht voor hun ogen deed. Het mocht allemaal niet baten. De heilige verontwaardiging werd niet herkend en de profeet Jeremia werd afgevoerd. Een kleine zes eeuwen later lijkt de situatie niet veel beter, als we Jezus in Jeruzalem en in de tempel ontmoeten. Nog vóór Hij Jeruzalem binnenrijdt op een ezel huilt Hij over de stad en stelt evenals Jeremia het einde in het vooruitzicht. En als Hij in de tempel is, ontsteekt Hij in woede over wat Hij er aantreft. Hij schreeuwt dat de tempel niets minder is dan een rovershol. Deze woorden zullen niet minder hard aangekomen zijn dan de met geweld in stukken gebroken vaas van Jeremia. De stad en het land, de tempel, het gaat hen aan het hart. Ze snappen niet dat alleen zij lijken te zien wat de mensen te wachten staan en dat dat rechtstreeks verbonden is met hun eigen houding. En dat doet hen wat. Het doet Jezus wat, zozeer dat Hij ontsteekt in heilige verontwaardiging en er op los slaat. Hij keert de tempel om en jaagt de handelaars weg, die onder andere hun geld verdienden met het verkopen van offerdieren. Het beeld is wat ongemakkelijk. Ergens voel je sympathie voor Jezus. Hij is de held. Goed dat Hij een einde maakt aan die misstanden. Dat had al veel eerder moeten gebeuren! We hadden misschien zelfs nog wel een handje willen helpen. Maar aan de andere kant: is dit geweld nou de manier? Wij hebben afgeleerd zo te handelen. Zo breng je geen begrip tot stand. Zo gaan mensen niet naar je luisteren. Zo creëer je alleen maar afstand. En wat kunnen die mensen er nou helemaal aan doen? Zij verdienen gewoon hun geld. Het is natuurlijk hoe dan ook wat ongemakkelijk dat juist Jezus dit doet, dat Hij zich gedraagt als een soort jihadstrijder die zijn woorden slechts met geweld kracht bij kan zetten. Dat is niet de manier waarop nog graag zien dat iemand opkomt voor zijn overtuigingen.

Heilige verontwaardiging. We weten er niet zo goed raad mee. Ergens heeft het een enorme aantrekkingskracht, misschien wel door de emotie waar het mee gepaard gaat, maar ook als we de zuivere intentie er achter kunnen ontwaren. En aan de andere kant stoot het af, vooral als er vanuit die heilige verontwaardiging dan ook nog met een zelfde onverzettelijkheid wordt gehandeld. Het lijkt dan wat rechtlijnig, niet meer open voor andere argumenten of zienswijzen. Wij hebben geleerd dat alles meerdere kanten heeft en dat je moet relativeren. Er is niet één waarheid. Dat Jezus nu juist zó opgevoerd wordt op de eerste zondag van de  veertigdagentijd, een tijd waarin wij Hem zoeken te volgen in een antwoord op de vraag wat dat nieuwe begin betekent dat Hij uiteindelijk tot stand bracht, en wat dat voor gevolgen had voor wie Hij was en wat Hij deed. Het is op z’n minst wat ongemakkelijk.

Misschien helpt het nog eens te kijken naar Jezus’ missie. In Lucas 4 lezen we dat Hij is gekomen om het goede nieuws van het koninkrijk van God te brengen. Dat goede nieuws is een geweldig vergezicht, een ongeëvenaard nieuw begin, omdat het spreekt van heling en vergeving, van vrede en recht, van vrijheid, maar het schuurt eveneens. Het is een rijk dat geen kolonisatie duldt en waar dat wel gebeurt, ontstaat verzet. In het verhaal van vandaag zien we dat bijna letterlijk gebeuren. Het huis van gebed dat de tempel is, dé plek die het zicht op Gods bedoelingen met zijn volk en met de wereld open zou moeten houden, raakt langzaamaan overwoekerd, overmeesterd door de vreemde mogendheid van de handel en van het geld. In zoveel lawaai gaan het zicht op God en zijn rijk verloren. In zoveel drukte is het nauwelijks mogelijk de houding te vinden die de komst van dat rijk in ons leven en in de wereld recht doet. Is het een wonder dat Jezus boos wordt, dat Hij ontbrandt in heilige woede, dat Hem niets anders rest dan heilige verontwaardiging? Jezus’ boodschap van een nieuwe wereld wordt in het hart aangevallen, in de houding van verwachting die in het gebed wordt gezocht, een houding die afstemming zoekt en zich wil overgeven aan dat nieuwe begin, het nieuwe leven, die zich daartoe wil bekeren. En Jezus verzet zich tegen alles wat dat ongedaan probeert te maken.

Dat nieuwe begin dat Jezus verkondigt, het kan in deze wereld misschien niet zonder heilige verontwaardiging?  Geweld hoeft daarvan geen onderdeel te zijn, in die zin neem ik echt afstand van Jezus’ handelen, maar ik neem geen afstand van Jezus’ houding hier. Jezus neemt risico. Het kan niet zo zijn dat het huis dat een voorpost wil zijn van het rijk van God, dat huis dat de Tien Woorden bewaart, die herinneren aan de bevrijding uit een slavenhuis ooit, dat dat huis, die plek, die vrijplaats nu weer overmeesterd raakt door een aan dat rijk, een aan die vrijheid vreemde mogendheid. Om dat te voorkomen neemt Jezus risico, handelt Hij op een wijze die vragen oproept, die wenkbrauwen doet fronzen.

Ik wens ons toe dat we net als Jezus bereid zijn risico te nemen. Zonder dat, zonder die houding, houden we het zicht op zijn boodschap van het nieuwe begin in het rijk van God niet open. Onze wereld is niet anders dan die in Jezus’ dagen. Het rijk van God, het rijk van heling en vergeving, van vrede en recht, van vrijheid, staat nog altijd onder de druk. Het dreigt nog altijd gekoloniseerd te worden door mogendheden die willen verdelen, die zoeken naar macht, die mensen verslaven. Durven wij risico te nemen waar wij zien dat dit rijk, waar dit rijk voor staat, en waar wij ons als inwoners toe rekenen, geweld wordt aangedaan? (…) Jezus’ goede nieuws van het komende Rijk van God valt er niet mee samen, maar ik kan en wil er niet onderuit hier de Klimaatmars van vanmiddag te noemen. Al is meer dan ooit duidelijk dat de leefbaarheid van onze planeet onder druk staat, het gesprek erover wordt omgeven door complotdenken en door cynisme, en iets dergelijks geldt voor de positie van vrouwen waarvoor gisteren nog gemarcheerd werd. Ligt hier het risico dat Jezus ons vraag te nemen? Verbinden gelovigen, christenen zich terecht aan deze onderwerpen. Gaat het niet al te snel te zeggen dat je er als gelovige niet onderuit kunt je in te zetten voor een leefbare wereld en voor gelijkwaardigheid tussen mensen. Dat was toch niet de strekking van Jezus’ boodschap? Christenen zijn het er dan ook niet zomaar over eens. De inzet voor het klimaat wordt door velen, ook christenen, afgewezen, en het streven naar gelijkwaardigheid tussen vrouwen en mannen al helemaal. Maar als dat nieuwe begin van God in Jezus, in de overwinning van het leven op de dood, is wat wij zoeken en waar wij in geloven, dan is dat toch geen boodschap die ergens boven onze wereld blijft hangen, die onze werkelijkheid ongemoeid laat. Dan wil dat leven onze werkelijkheid ook echt bevrijden, dan wil het onze werkelijkheid dekoloniseren en terugwinnen op de vreemde mogendheid van de dood. En dan willen we het risico nemen anderen van ons te vervreemden, voor gekkies verklaard te worden, omdat we ons inzetten voor iets dat ons, dat God aan het hart gaat. Als het nieuwe begin van Gods rijk wordt gevonden in heling en vergeving, in vrede en recht, in vrijheid, dan kunnen wij niet anders dan daarnaar leven en ons verzetten tegen elke kracht die deze nieuwe werkelijkheid wil verhinderen.

De veertigdagentijd is een tijd van oefenen. Om dichtbij Jezus te komen zoeken we wegen in vasten, in aalmoezen en in gebed. Vandaag worden we opgeroepen te oefenen in heilige verontwaardiging. Wat moeten we daarvoor laten? Wat moeten we loslaten? Wat moeten we opgeven? Misschien ontdekken we daar iets van door het gewoon te doen, ons met alle mensen van goede wil te verbinden aan de risicovolle weg naar heling en vergeving, naar vrede en recht, naar vrijheid, bijvoorbeeld door mee te lopen in een klimaatmars. Wat onze heilige verontwaardiging in Gods Naam waard is of betekent vandaag, kunnen we alleen maar ontdekken door ondervinding, in vallen en opstaan, maar niet door niets te doen. De klimaatmars zou zomaar een stukje kunnen zijn van de weg die Jezus gaat. Laten wij er alsjeblieft voor zorgen geen afslag te missen, om niets anders dan het goede nieuws.

Amen

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur