22 maart

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Exodus 7: 8-25

 
Inleiding op de Schriftlezing
We lezen vandaag volgens het leesrooster verder in het 2e Bijbelboek Exodus, dat betekent uittocht. Het volk Israël gaat onder slavenarbeid gebukt in Egypte. Mozes is in de woestijn geroepen door God om zijn volk uit te leiden uit de slavernij. Maar de farao, de koning van Egypte, wil niet ingaan op de oproep van God om Zijn volk, de Hebreeërs, te laten gaan. De farao heeft geen boodschap aan de God van Israël, want hij ziet zichzelf als god.
En dan gaat het hard tegen hard. De farao zet de Hebreeërs nog harder aan het werk en weigert hardnekkig om het volk te laten gaan. Die hardnekkigheid wordt veroorzaakt door wat God bij monde van Mozes doet: God tast het gezag van de farao aan, door niet te wijken voor de farao. God blijft de farao aanspreken op dat mensonterende systeem waar hij voor staat. Maar de farao wil van een deze God niet weten en is onvermurwbaar. Over dit hard tegen hard van God en de farao ging het vorige week. Mijn overweging daarover is nog na te luisteren op kerkdienstgemist.
In de lezing vandaag gaat de machtsstrijd een nieuwe fase in. Eerst is er een krachtmeting tussen Aaron en de magiërs van de farao. Vervolgens vindt de eerste van 10 plagen plaats, waarmee de God van Israël aan de farao en de andere Egyptenaren laat zien wie Hij is.
De farao is er totaal niet van onder de indruk. Die trucs, eerst met een staf die een slang wordt en daarna van water dat in bloed verandert, die trucs kunnen de magiërs aan zijn hof namelijk ook. Dat is de reden dat de farao volhardt in zijn hardnekkigheid en het volk Israël niet laat gaan. De farao ziet niet in dat het de God van Israël niet om een truc te doen is, of om een wedstrijdje krachtpatsen, maar om mensen en om menswaardig leven.

Overweging

1. Als ook het water toch niet meer te drinken zou zijn…

Lieve mensen, laat ik voorop stellen dat ik bewust doorlees in Exodus zoals dat voor deze zondagen in de veertigdagentijd gepland staat. Dat doe ik vanuit de overtuiging dat passende Bijbelteksten voor deze tijden van corona, als ze al bestaan, voor mij moeilijk te vinden zijn. Liever zoek ik in de tekst van deze zondag een inzicht, of een betekenis die ons bemoedigen kan nu het menens is geworden.
 
Want dat is het, het is menens geworden tussen de mensonterende systemen waar de farao voor staat en de God van Israël, die mensen daaruit wil bevrijden.
Hard tegen hard gaat het tussen deze twee machten die aan elkaar gewaagd zijn.
De farao voert de werkdruk voor de Hebreeërs op en God volhardt in zijn claim aan de farao ‘Laat Mijn volk gaan’. En vervolgens laat God aan wie niet horen wil, ook voelen hoe groot zijn macht is. De staf die Aaron op de grond gooit, verandert in een slang. En als Aaron die staf geheven houdt boven de Nijl, verandert het Nijlwater in bloed.
Het antwoord van de farao op deze machtsvertoning van God is: ‘dat kan ik ook’. De magiërs van de farao imiteren Aaron. De stand lijkt daarmee 1:1, maar dat is het niet. Want kijk, de slang van de staf van Aaron is de andere staven de baas, hij verslindt ze. Dat is geen goed teken voor de farao.
Maar nog veelzeggender is wat de magiërs vervolgens doen. Bij het water van de Nijl dat in bloed is veranderd, voegen zij nog meer water dat in bloed verandert, zó dat nergens meer drinkwater te vinden is en de Egyptenaren ernaar moeten graven. In hun poging hun macht te bewijzen, maken de magiërs dus de ellende voor de Egyptenaren alleen maar groter en vernietigen ze nog meer levensbronnen.
 
En dat is kort gezegd waarin de macht van de farao en de macht van de God van Israël van elkaar verschillen. Ze verschillen in hun intentie en in hun bereik.
De macht van de farao leidt tot vernietiging en hoewel het voortkomt uit minachting voor de Hebreeërs en hun God, zijn juist de Egyptenaren er de dupe van.
De farao, we zagen het eerder, is zo bezig met het behouden van zijn goddelijk gewaande status, dat hij aan die status verslaafd raakt en niet meer terug kan, zijn hart niet keren kan.
Net zo kunnen de magiërs alleen maar meer water in bloed veranderen en niet het bloed in de Nijl terug veranderen in water. De farao draaft door in geweld als antwoord op geweld.
Terwijl God met alle geweld het kwaad juist wil keren. De macht van de God van Israël wil tonen wie deze God is, namelijk een God die opkomt voor bevrijding en gerechtigheid en die niet wijkt voor mensonterende systemen.
 
2. Dat inzicht in wie de God van Israël is, ontbreekt de farao en de magiërs.
Zij denken God de baas te zijn, door dezelfde wonderen te verrichten. Maar God zit niet in de wonderen die Hij doet, God zit in de Woorden die Hij spreekt tot de mensen, woorden die mensen bevrijden en aanmoedigen zich te bevrijden van welke onderdrukkende macht dan ook en die gericht zijn op leven, op het leven bewaren en het leven met elkaar mogelijk maken. Die woorden kun je met geen enkel geweld teniet doen.
 
Jonathan Sacks, opperrabbijn van Groot-Brittannie, ik noemde hem al eerder, schreef een boek over Exodus. Daarin vergelijkt hij het geloof in magie in het oude Egypte, met het geloof in techniek in onze tijd van wetenschap. Hij zegt: ‘dat geloof gaat soms zover dat mensen denken daarmee boven God te staan en daarmee ook boven mensen. Elk wonder dat ze kunnen verklaren of imiteren, beschouwen ze als een ontmaskering van God. Alsof wetenschap en God elkaars tegenpolen zijn, op dezelfde lijn staan’.
Dat is, zegt Jonathan Sacks, een heidense manier van denken, geen Bijbelse. 
God zit niet in wonderen die we nog niet wetenschappelijk kunnen verklaren, maar in woorden die leven geven en ruimte scheppen.
 
De Nijl is de levensader van Egypte, de vruchtbare grond eromheen zorgt voor economische welvaart. Maar er kleeft bloed aan. De economie drijft op slavenarbeid. Dat bloed maakt leven onmogelijk. De vissen sterven, de mensen hebben geen drinkwater. Het leven wordt aangetast en het enige wat het hof van de farao kan doen, is het nog verder aantasten.
Niet de vraag hoe het leven te redden valt, maar de vraag wie de baas is, voert de boventoon. Die machtsstrijd zal doorgaan totdat de farao in het hart geraakt wordt en zijn eerstgeboren zoon verliest. Dan laat hij het volk Israël gaan. 
 
3. Ik heb al gezegd, het ‘verheugt u’ van deze zondag is in de lezing niet te vinden. Het bloed en het geweld kunnen ons onmogelijk bemoedigen in deze tijd waarin we voor ons leven en de leefbaarheid van ons samenleven vrezen.
Maar dit inzicht brengt het ons wel: de macht van de farao leidt enkel tot vernietiging van leven en de macht van God leidt tot het bewaren van leven. De God van Israël staat voor wat leven mogelijk maakt: voor recht doen aan een ander, voor zorgzaamheid en voor opkomen voor wie kwetsbaar is en God weerspreekt de macht van diegenen die anderen minachten, ondermijnen en geen leven gunnen.
Farao wil dat iedereen voor hem buigt, God wil dat mensen leven.
 
Dit is waar het ook vandaag om gaat: maak elkaar het leven mogelijk.
Amen.

15 maart

ds. Jantine Heuvelink

3e zondag van de veertigdagentijd

Schriftlezing: Exodus 6: 2-9, 28-7:7

 
Inleiding op de Schriftlezing
We lezen vandaag verder in het Bijbelboek Exodus, Uittocht, waarin het van kwaad tot erger gaat.
Het volk Israël gaat onder slavenarbeid gebukt in Egypte. Mozes is in de woestijn geroepen door God om zijn volk uit te leiden uit Egypte.
Mozes werpt van alles op tegen deze roeping: wie ben ik, wie bent U, ze zullen me niet geloven, ik kan niet goed praten, stuur een ander…
Al die tegenwerpingen getuigen van de onmogelijkheid van wat God van Mozes vraagt. Ze zien Mozes aankomen. Hij, een herder uit de woestijn, die zich meldt bij de machtige farao van Egypte in zijn paleis, de farao die als godheid vereerd wordt en zichzelf ook zo ziet.
Maar Mozes gaat, met zijn broer Aaron als woordvoerder, en roept de farao op de Israëlieten, die goedkope slaven, te laten vertrekken drie dagreizen ver de woestijn in om hun God offers te brengen. (Ex 5:1-3)
God? Wie is die God? Daar heeft de farao geen boodschap aan. Hij is zelf god.
 
Wie die God is, dat weet Mozes net als het hele volk, dat is de God van hun voorouders, Abraham, Izaak en Jakob. Maar God is meer dan toen, ook de God van nu, die zal uitleiden, die zich bekend maakt met de Naam ‘Ik ben die er zal zijn’ en die gekend zal worden aan deze bevrijdende zaak: ‘Die jullie uit de slavernij van Egypte geleid heeft’.
Dat staat te gebeuren.
Maar de Farao staat ook.
 
En zo gaat het vandaag hard tegen hard. Farao is hard tegen de slaven en wil niet wijken voor de God van Israël. En God wijkt evenmin. 
 
Overweging ‘Hard tegen hard’
1. Hard tegen hard gaat het vandaag.
Aan de ene kant staat de machtige farao, de koning van Egypte, die als godheid wordt vereerd door zijn volk en die zichzelf ook zo ziet: als ultieme heer en meester, godenzoon.
 
Aan de andere kant is er de God van Israël, met die onuitsprekelijke naam die je enkel bij benadering kan vertalen als ‘Ik ben die er zal zijn’. Zijn vertegenwoordiger kan niet goed uit zijn woorden komen en daarom is het zijn woordvoerder die spreekt: ‘Dit zegt de Heer, laat mijn volk gaan’.
Zo staan ze tegenover elkaar: de farao van Egypte en de God van Israël.
 
Bij dit alles is er één opmerking die al eerder (4:21) en ook nu voor grote verwarring zorgt.  God zegt tegen Mozes: 73Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten. 4Ook dan zal de farao niet naar jullie luisteren. Daarom zal ik de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen zwaar straffen, en ik zal mijn volk, de Israëlieten, in groepen geordend uit Egypte leiden. 5De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik mij tegen hen keer en de Israëlieten bij hen weg leid.’
 
‘Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert’. Huh? Zorgt God voor de hardheid van de farao? Hoe zit dat?
Wie deugt er nu eigenlijk niet, de farao niet, of God niet? 
 
Het helpt om te bedenken dat ‘ervoor zorgen dat’ niet hoeft te betekenen, dat God direct met het hart van de farao aan de gang gaat, maar dat het zo is dat God iets doet dat gevolgen heeft voor het hart van de farao.
Zoals wanneer wij iemand irriteren, dan ben je niet bezig met het hart van iemand anders, maar door wat jij doet creëer je een situatie waarin de ander zich ergert.
 
God zorgt voor het verharden van het hart van de farao, want God weerspreekt de farao en tart daarmee zijn gezag.
De hele situatie dat er een andere God zou zijn die iets te zeggen zou hebben over de slaven van de farao, beleeft de farao als een aantasting van zijn goddelijk gewaande status.
 
Luisteren naar Mozes, gehoor geven aan de oproep om het volk Israel te laten gaan, zou betekenen dat de farao zich door iemand anders laat gezeggen en dat past niet bij wie de farao is en bij het systeem waar hij voor staat.
Dat systeem waarin onbarmhartig met mensen wordt omgegaan, waarin geen ruimte is voor menselijke waardigheid.
Er is maar één manier om dat systeem in stand te houden, om de eigen goddelijke status te behouden en dat is door onaantastbaar te blijven en het hart te verharden, zoals de farao doet.
 
Zorgt God daarvoor?
Nee de farao doet dat.
 
Hoe harder de woorden van God morrelen aan zijn systeem, hoe harder de farao reageert. Eerst voert hij de slavenarbeid van de Hebreeërs op maar daarna laat hij ook zijn eigen volk, de Egyptenaren, lijden. Tien plagen treffen de Egyptenaren, maken het leven onleefbaar, en toch blijft de farao hardnekkig weigeren en geeft geen millimeter toe aan de God van Israel. Totdat, bij de 10e plaag, de farao toch in het hart wordt geraakt, door de dood van zijn eigen eerstgeboren zoon.
 
2. Hard is het, keihard. Toch ook van de God van Israel, om de Egyptenaren zo zwaar te straffen, te laten lijden onder al die plagen. Wat is de zin van deze wedloop in grof geweld. Is het inderdaad nodig dat, zoals er staat: ‘5De Egyptenaren zullen beseffen dat ik de HEER ben, als ik mij tegen hen keer en de Israëlieten bij hen weg leid.’
 
Wat kunnen wij hieruit begrijpen over God en alles wat hard tegen hard gaat in deze wereld?
 
Jonathan Sacks, de opperrabbijn van Groot Brittannië, schreef een boek over Exodus (p.59), ik noemde het al eerder, waarin hij deze vraag bespreekt. Hij zegt het volgende:
 
Het kwaad heeft twee gezichten. Het eerste is naar buiten gekeerd, dat laat zien wat het kwaad met het slachtoffer doet. Het tweede gezicht is naar binnen gekeerd, dat is wat het kwaad doet met de dader. Het kwaad is een valstrik die de dader in het ongeluk stort. De dader van het kwaad verliest zijn vrijheid en wordt niet de meester, maar slaaf van het kwaad.
 
We zien dat gebeuren bij de farao (en ook bij andere tirannen, in het verleden en het heden). Hij wil zijn positie als onaantastbare godheid niet opgeven en die status wordt steeds meer een obsessie waar zijn volk aan onderdoor gaat en hijzelf uiteindelijk ook.
De farao heerst over alle mensen behalve over zichzelf. Hij is slaaf van zijn eigen status, van de gedachte dat hij en niet God, de geschiedenis bepaalt.
 
En dat brengt Jonathan Sacks bij de bevrijding en vrijheid waar het boek Exodus over gaat: dat is de vrijheid om zelf keuzes te maken. Niet alleen de Israelieten moeten bevrijd worden uit de slavernij, ook de Egyptenaren en de farao zelf, zijn slaaf van dat machtssysteem dat menselijke waardigheid minacht.
 
Rabbi Ben Zoma zegt: ‘Wie is machtig? Niet iemand die zijn vijanden overwint, maar ‘iemand die zichzelf beheerst’.’
En Viktor Frankl, overlevende van Auschwitz stelde ‘de nazi’s beroofden ons van elk spoor van menselijkheid, maar er was één vrijheid die ze ons niet konden afnemen: de vrijheid om te beslissen hoe we reageerden.’
 
In Exodus gaat het om geloof in die vrijheid en een handleiding daartoe: het vermogen om nee te zeggen; om het geweten te laten heersen over de instincten; om de waanzin van de massa en de idioten te weerstaan. Het vraagt discipline en moed om soms buitenstaander te zijn, om gehoor te geven aan een andere stem.
De farao werd vrij geboren, maar werd zijn eigen slaaf. Mozes werd onvrij geboren, maar leidde zijn volk naar vrijheid. Vrijheid is makkelijk te verliezen, moeilijk te behouden. Het is onze kostbaarste gave. Ze moet worden beoefend als je haar wilt behouden. De grootste kracht van die vrijheid vinden we daar waar we ons laten uitdagen door wat God van ons vraagt en ons daaraan schaven. Dat is het pad van de vrijheid en de genezing van de hardheid van ons hart.
 
3. Aldus Jonathan Sacks.
Beste mensen, tot zover had ik mijn preek af donderdag, toen ik opeens overgenomen werd qua aandacht en tijd door alle maatregelen rondom het coronavirus.
Het hard tegen hard van deze preek is iets wat ik terugzie in de wereld vandaag, in de situatie van vluchtelingen aan de grenzen van Europa bijvoorbeeld.
Maar nu is daar opeens dat coronavirus dat ons het zicht haast ontneemt op die machten in de wereld die zo verhard zijn en waar we dat zelf zijn.
En die vrijheid waar we voor kunnen kiezen, wat zegt dat ons als we ons onvrij voelen, onveilig in deze tijd?
 
Nou misschien dit: ‘God is er ook nog’.
Aan de grenzen van Europa, in het hart van de verdrukking in Egypte: daar waar mensen lijden aan de hardnekkigheid van heersers en systeem, daar moét wat gebeuren, daar geeft God niet op.
Daar geven wij God niet op.
 
‘Laat het volk drie dagreizen ver de woestijn ingaan om God offers te brengen’, vraagt Mozes aan de farao. Het lijkt een smoesje, maar het is veel meer dan dat. God en het volk Israel zijn met elkaar verbonden, daar komt de farao niet tussen.
Vieren zullen ze.
 
En wij ook, vandaag, op deze wijze, zo anders dan anders.
Als teken en bemoediging: God is er ook nog.
Amen.

1 maart

ds. Jantine Heuvelink

1e zondag van de veertigdagentijd

Schriftlezing: Exodus 3: 1-18            

 
Inleiding op de Schriftlezing
Drie zondagen geleden begonnen we met lezen in het Bijbelboek Exodus, wat betekent ‘Uittocht’, het 2e boek van ons Oude Testament.
Exodus begint met de namen van de zonen van vader Jakob die met hem naar Egypte waren gekomen waar zijn zoon Jozef al langer was. De nakomelingen van de zonen van Jakob, de Israëlieten, worden zo talrijk dat ze een generatie later het hele land Egypte bevolken. Dan treedt er een nieuwe koning aan, die geen boodschap heeft aan de geschiedenis van Jozef. Hij vindt de Israëlieten een bedreiging voor zijn land en dwingt hen tot slavenarbeid. Omdat de Israëlieten ondanks de onderdrukking steeds talrijker worden, beveelt de koning dat alle pasgeboren jongetjes van de Hebreeërs - dat zijn de Israëlieten-  in de rivier de Nijl moeten worden gegooid en zo gedood moeten worden. De vroedvrouwen, Sifra en Pua, werken daar niet aan mee uit ontzag voor God. En ook de moeder van een klein Hebreeuws jongetje kiest een andere levensreddende weg voor haar zoon. Zij maakt een arkje en legt het kind daarin op het water van de Nijl, terwijl zijn grote zus de wacht houdt. De dochter van de farao vindt het kind, ziet het en krijgt medelijden met het huilende jongetje. Zij stemt in met het plan van de zus dat een Hebreeuwse vrouw het kind zal voeden. Daarna brengt die vrouw, de moeder zelf, het kind naar het Egyptische hof waar het verder opgroeit. De prinses die tegen het bevel van de farao in, het kind redde uit het water van de dood, noemt hem Mozes.  
Het verhaal dat daarop volgt, klonk hier vorige week niet. Het speelt wanneer Mozes volwassen is geworden en zich keert naar zijn volksgenoten en voor hen opkomt. Hij ziet dat  een Egyptenaar een volksgenoot slaat. Daarop slaat Mozes die Egyptenaar dood en moet vluchten. Mozes komt terecht in Midjan, waar hij de 7 dochters van de priester Jethro ontmoet bij de bron en hen redt van herders die hen lastigvallen daar. Jethro nodigt hem uit voor de maaltijd en Mozes besluit bij hem te blijven en trouwt zijn dochter Zippora. Het kind dat zij krijgen, heet Gersom, ‘vreemdeling’, want, zegt Mozes, ik ben een vreemdeling in dit land.
En dan staat er dit: 23Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt. Ze klaagden luid en hun hulpgeroep steeg op naar God. 24God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. 25Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan.
 
Schriftlezing: Exodus 3: 1-18   
 
Overweging – een goed verhaal

 
Wie ben ik?
Wie ben ik dat ik lijd onder beelden die ik zie in de krant en op de televisie. Beelden van Oeigoeren in heropvoedingskampen in China, beelden van kindslaven in Ghana, beelden van gezinnen op de vlucht in Syrië, in kampen op Lesbos.
Wie ben ik? Medemens, geraakt, maar het is ook ver weg.
Zij lijden, ik niet. Ik geniet van mijn warme bed.
 
Wie ben ik?
Wie ben ik dat ik soms niet weet waar ik het zoeken moet in de Godverlatenheid, de woestijn van mijn leven. Ik doe wat ik dagelijks doe, maar voel tegelijk hoe onbestemd het is. Ik maak me zorgen over hoe nu verder, met mijzelf, met alle mensen die lijden, met U, God.
 
Wie ben ik?
Wie ben ik dat deze vraag op mijn pad komt, ik moedig alle levensreddende initiatieven in deze wereld aan, maar wie ben ik, dat alles nu opeens van mij af lijkt te hangen?
Ja, het zijn mijn broeders en zusters en ja, U bent mijn God, en de ellende die U ziet, die ken ik, die zie ik ook. Maar dat betekent toch niet automatisch dat ik dan ook iets moet doen… ik zie het mijzelf niet doen!
 
‘IK ZAL BIJ JE ZIJN’.
EN DE NAAM WAARMEE JE MIJ BIJ DE ISRAELIETEN BEKEND KAN MAKEN IS DEZELFDE: ‘IK BEN DIE ER ZAL ZIJN’.
 
Oké – dat is dan best een moeilijke naam om te begrijpen. Ook wat abstract.
In tegenstelling tot dat vuur in die struik, dat is warm, dat voel je, en dat is fel, dat zie je– dat is lekker concreet. Hoewel, niet dat je er dichtbij kan komen, of mág komen….
 
Maar God komt dus wel dichtbij mij!
De bevrijding van mijn volksgenoten uit Egypte, die bevrijding wil God laten gebeuren via mij! God hoort hun jammerklacht, ziet hun ellende en kent hun lijden. Hij is afgedaald om hen te bevrijden uit de macht van de Egyptenaren en daarom stuurt hij mij.
 
Ze zien me aankomen: de Israëlieten, de oudsten van het volk en de farao...
 
Hun hulpgeroep dat gaat om God, ze roepen om God, niet mij! Gód roept mij.
God roept mij… om te doen wat Hij gaat doen: zijn volk uitleiden uit Egypte.
 
Zoals Hij ooit heeft beloofd. Ja die verhalen over Abraham en Isaak en Jakob, die ken ik, daarin schreef God geschiedenis en meer nog, daarin schreef God toekomst. Voor mijn voorvaderen was God niet ver weg.
Maar nu, op dit moment, komt God wel erg dichtbij.
 
Nu doe ik ineens mee in die geschiedenis.
En raak ik de regie over mijn eigen leven kwijt.
 
‘IK ZAL BIJ JE ZIJN’
 
Dat is toch geen naam voor een God? Daarmee krijg je toch geen enkele grip op wie God is en waar je God kunt vinden? ‘Ik zal bij je zijn’ – dat is toch eerder een omhelzing, een duwtje in je rug, een motie van vertrouwen, een nabijheid, aanwezige kracht, een belofte van presentie, van worden, zijn, blijken, heten dunken voorkomen… ik dwaal af.
‘Ik zal bij je zijn’ dat is de naam van een God die zal blijken in de tijd, die ons doet worden wie we zijn, die er is zoals Hij er was bij onze voorvaderen en er zal zijn voor onze kinderen.
 
Als dat zo is, dan kan ik er niet omheen, dan kun je niet om God heen. Ik niet, wij niet, en de farao ook niet.
God is er en zal er zijn voor ons, maar hoe dat bepaalt alleen God.
 
Wie ik ben?
Ik ben Mozes, een Hebreeër, opgegroeid aan het Egyptische hof, gevlucht naar Midjan, gehuwd met Zippora, de dochter van Jetrho, ik hoed zijn schapen in de woestijn – maar dat doet er allemaal niet toe. Zelfs mijn naam ‘Hij die doet uittrekken door het water’ is ondergeschikt aan die Ene Naam: ‘Ik zal er zijn voor jou’.
 
Die Naam bepaalt mijn leven vanaf nu, die Naam geeft mij het vertrouwen dat God in mij heeft.
Met die Naam heeft mijn opkomen voor bevrijding en gerechtigheid zin, want toekomst.
Die Naam duurt tot op vandaag.

23 feb

Ds. Ari van Buuren

Jakobspreek Oranjekerk – ten afscheid


1
Jakob zie ik als een archetype, een oerbeeld van ons mens-zijn.
Hij is er een van een twee-eiïge tweeling, Jakob en Ezau. Eigenlijk zijn die twee al vanaf het begin water en vuur. Dat ligt meer aan Jakob dan aan Ezau. Jakob is een Streber. Hij streeft naar succes. De buit van het leven wil hij binnen halen.
Jakob ging voor mij als ziekenhuispastor een grote rol spelen.

2
In Deventer werd ik in 1982 ziekenhuispastor in een psychiatrisch ziekenhuis. Daar ontdekte ik, dat ik als theoloog te weinig bagage had om er pastor te zijn. Wat wist ik eigenlijk van psychiatrie?
Daarom besloot ik op zoek te gaan naar een psychotherapeutische opleiding. Dat werd een hele zoektocht. Vele opleidingen waren nogal religie-vijandig: religie is onzin, het is iets uit de ouwe doos; je houdt mensen voor de gek met sprookjes. Toch vond ik een opleiding, die religie wel serieus nam en respecteerde.
Na 4 jaren studie moest ik in 1994 een eindscriptie schrijven. En ik puzzelde: waarover? Aan de ene kant ben ik geestelijk verzorger, aan de andere kant ook psychotherapeut. Wonen er soms 2 mensen in mij? Wie is de een, wie de ander?

Kort daarvòòr had ik in de Deventer Lebuïnuskerk gepreekt over hetzelfde Jakobs-thema als nu. Toen wist ik ‘t! Ik doopte mijn scriptie met de titel: ‘Vechten met je engel’ en nam die preek er ter analyse in op. Aan de voorzijde plaatste ik een foto van Chagall’s schildering van het gevecht van Jakob met de Engel.
En ik begon te schrijven: “Als pastor ben ik iemand met een staf om te gaan. Als therapeut heb ik een stok om te slaan. Dit is een oergegeven. Als therapeut confronteer je mensen. Als pastor reik je mensen een staf om te gaan.”

In 1996 werd ik Hoofd van de Dienst Geestelijke Verzorging & Levensoriëntatie in het UMC-Utrecht. Meteen werd ik leider van het Project ‘Multi-culturele Geestelijke Verzorging’. Wij mochten als pioniers ook anderen dan katholieke, protestantse of humanistische collega’s binnenhalen: moslim- en hindoe geestelijk verzorgers.
De toenmalige inspecteur Gezondheidszorg Minderheden begeleidde ons team. Ik geef één voorbeeld uit een teamsessie. Onze moslim-collega’s legden de humanistische raadslieden voor: “Wij snappen echt niet dat er mensen zijn zoals jullie, die niet in een God geloven…” Het werd een diepgaande ontmoeting! Uiteindelijk vonden we elkaar.

3
Tijdens het multiculturele project in Utrecht kwam opnieuw het verhaal van Jakob en Ezau in mij boven. Het is zo’n bijzonder ontmoetingsverhaal…
Jakob was gevlucht met hulp van zijn moeder. Volgens de wetten van toen had hij Ezau geraffineerd de zegen ontfutseld. Na 20 jaren van ballingschap keert Jakob terug naar zijn vader- en moederland.
Dan komt zijn verleden op hem af. Jakob vraagt zich nu af: “Hoe zal de ontmoeting met Ezau zijn? Ik heb hem ondermijnd, pootje gehaakt. Hoe zal hij reageren?...”
Jakob is doodsbang. En ’s nachts bidt hij een nood-gebed.
Wat hij daarna doet is frappant. Hij besluit zo’n 600 dieren aan Ezau te geven. Hij lijkt boete te willen doen. Ondanks 20 jaren ballingschap heeft Jakob fantastisch geboerd! Per saldo geeft hij zogezegd 30 dieren per jaar ‘terug’: zo gezien niet eens zoveel, maar wel royaal.
Is dit een trucje, zoals we dat van hem kennen? Toch niet!

Jakob laat zijn knechten in 3 of 4 fases als in een ritueel spel geschenken naar Ezau brengen. Telkens moeten zijn knechten zeggen: “Dit is een geschenk van Jakob voor zijn heer Ezau. Jakob zelf komt achter ons aan.”
Betekent dit dan toch eindelijk erkenning? “Ezau, ik heb je belazerd, beduveld. Ik heb jou groot onrecht aangedaan. En nu noem ik je: ‘mijn heer’!”
Dit lijkt een variant op wat de verloren zoon zei: “Ik ben niet meer waard uw kind te heten….” Zo zegt Jakob met zoveel woorden: “Ik ben niet meer waard uw broer te heten…..”

Dit gebeurt na een eerste nacht. Straks volgt een tweede nacht.
Die nachten in het leven zijn me wat. Als ziekenhuispastores maakten we mee, dat mensen wakker konden liggen in de nacht. Of we werden ’s nachts opgeroepen om babies te komen dopen. We troffen hun ouders en grootouders in de nacht van hun leven. Zo’n Doop was geen start-ritueel voor een mooi leven, maar werd meteen een afscheids-ritueel… 

4
In de tweede nacht staat Jakob op.
Hij stuurt vrouwen en kinderen vooruit. Alleen blijft hij achter. Nu komt de ontmoeting met Ezau er echt aan.
Jakob zegt na een worsteling met een plots opgedoken onbekende tegen hem: “Ik laat je niet gaan tenzij je mij zegent.”

Wie is die ander? De eerste, die zegt dat het een engel is, is de profeet Hosea. De eeuwen door wordt gezegd: het is een engel of God zelf. Het is een demon of een riviergeest. Het is misschien zelfs wel Ezau. Of het is het kwade geweten, het andere ik van Jakob.
Ik denk, dat het dit alles bij elkaar is! Jakob had wel meerdere personen in zich – wie trouwens niet?
Die vreemdeling zegt: “Ik moet nu weg, want de zon gaat op.” Onlangs vond ik hierbij een geinig Joods verhaal. Dat vertelt, dat die onbekende misschien de Aartsengel Michael is. Elke ochtend dirigeert hij het Engelenkoor om God te loven. Daarom moet hij nu weg!....

“Ik laat je niet gaan tenzij je mij zegent” – dat is voor mij de kern!
Tegen de moslims in mijn Utrechtse team moesten wij dàt leren zeggen. Ook tegen hindoes en humanisten, tegen anders-denkenden en anders-gelovigen. We waren niet uit op elkaars bekering. We gingen gelijkwaardig met elkaar om. We stelden vragen aan elkaar. 
We leerden: elkaar aankijken! Mijn vraag aan ons en mijzelf is: kijken we elkaar ooit echt aan? We vermijden soms ook ons spiegelbeeld.
Onlangs had ik ruzie met een kleindochter. Op mijn voorstel keken we elkaar aan, maar dat was spannend. Het is makkelijker om even weg te kijken…

Elkaar aankijken is in onze samenleving zó belangrijk. Dit werd voor mij een leidend motief in mijn werk in de kerk en meer nog buiten de kerk.

5
“Ik laat je niet gaan tenzij je mij zegent”.
Ik geef een ander voorbeeld. Als het tot een scheiding in je relatie komt zou je ook zo  met elkaar kunnen omgaan. In het PKN-Dienstboek staat een Ritueel voor mensen, die afscheid van elkaar nemen. Dan zeg je zelfs als ex-partners tegen elkaar: “laten wij elkaar zegenen…”
De Bijbel heeft heel mooie taal voor elkaar aankijken. In het Hebreeuws heet dat: genade zoeken in elkaars ogen.
Betekent dat dus, dat ik genade in jòuw ogen zoek en jij genade in mìjn ogen? Is dat niet bijna liefde? In liefde elkaar aankijken is makkelijk. Maar hoe is dat, als er geen liefde in het spel is?
Nooit zal ik de ontmoeting vergeten met een verblijfspatiënte in het Deventer psychiatrisch ziekenhuis. Ze was lelijk als de nacht, klein als een dwerg. Maar zij had ògen! Zulke mooie ogen heb ik nooit meer gezien. Zij keek mij en ik keek haar aan.
En ik had het gevoel: nu is God present, hier gebeurt God…

6
Het Jakobsverhaal speelt zich af op micro-niveau, van mens tot mens.
Langzaamaan werd mij bewust: dit kan, dit moet ook op meso- en macro-niveau. In de samenleving moeten we elkaar meer echt gaan ontmoeten! Ontmoeten als christenen en moslims, als moslims en joden enzovoorts.
Maar de pest is nog steeds dat mensen met hùn cultuur of met hùn religie willen winnen. Zegevieren willen ze, de zege behalen! De christelijke Kruistochten waren er om te zegevieren. De heilige oorlogen van de moslims waren er om te zegevieren.
Maar Jezus zegt: “Neem je kruis op. En volg mij. Verlies je ego.” En Mohammed zegt: “Voer de Jihad, de heilige oorlog tegen jezèlf.” Dat is de kern.
Eigenlijk staan we dicht bij elkaar. Maar laten we het lef hebben om elkaar niet knock-out te slaan. Laten we niet de zege vieren, maar de zegen durven vieren!

Dat is één lettertje verschil, de ‘n’!
Dit verschil leer ik telkens maken. Uit die zegen leef ik.
Dit vind ik erg belangrijk voor iedereen in onze samenleving. Daarin gaat het er niet om, of – politiek gesproken – een cultuur homeopathisch vermengd zou zijn met het een en ander. Want gaat het ons om een ontmoetings-cultuur of om een overheers-cultuur?
We moeten gaan van zegevieren naar de zegen vieren!
 
7
Tenslotte nog een klein detail.
Ik ben opgeleid in Leiden. Afkomstig was ik uit een gezin uit de Biblebelt. In Leiden hadden we een fantastische Oud-Testamenticus: Professor Piet de Boer, zelf ook afkomstig uit de Biblebelt.
Hij schreef ooit een fameus artikel over Genesis 32. Daarin stelt hij ook de vraag: wat gebeurde met Jakob’s heup? “Die heup werd geconsacreerd”, zegt mijn leermeester.
Dit vind ik een prachtig beeld, ontleend uit de katholieke liturgie. Doordat Jakob voortaan mank liep werd hij voortdurend herinnerd aan zijn ego als op de loer liggend. Hij werd gehinderd in zijn autonomie. Daardoor ging hij anders leven.
Hij noemt die plaats Peniël, “want, zegt Jakob,  ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht. Toch ben ik in leven gebleven.”
Na de tweede nacht zegt Jakob rechtstreeks tegen Ezau: “Ezau, jòuw gelaat is voor mij het gelaat van God…”

Laten we genade zoeken bij God en bij elkaar.
Zien we elkaars gelaat als het gelaat van God?!
De Kerk heeft dat de eeuwen door geprobeerd. Laten we daarmee doorgaan, ook al slinken wij. We moeten afstand nemen van zegevieren – en de Zegen zoeken en vieren! Daar wil ik ons van harte voor uitnodigen.
Laten we het lèf hebben om elkaar echt face-to-face aan te kijken; zelfs mensen die onze vijand werden. Jakob had Ezau tot vijand gemaakt. We zijn niet alleen slachtoffers, maar ook daders…
In dat besef en geloof komen we heel dicht bij elkaar. Ik ben klein en jij bent klein.
En God openbaart zich daarin, in de wonden van het leven…..

Lof zij de God van Jakob en Ezau, lof zij Christus in eeuwigheid. Amen


Met deze samenvattende Jakobs-preek besloot ik mijn voorgaan in de Oranjekerk.
In Zoetermeer hield ik een serie van 4 Jakobs-preken ter afsluiting van mijn voorgaan. Sinds 1995 woon ik in Amsterdam-Oost. In Amsterdam trof ik Joke vd Velden weer. Joke en ik kennen elkaar uit Deventer: zij was predikant van de Lebuïnuskerk; ik was psychiatrisch ziekenhuis-pastor. Joke haalde mij als gast-voorganger binnen in de Oranjekerk. Met mijn vorige, overleden vrouw Yvonne Groen kwam ik hier. In december 2009 was ook hier in de Oranjekerk de presentatie van ‘De passie van leven, liefde en dood’: mijn boek over het ziekte- en stervensproces van Yvonne.
Op 16 mei 2008 ben ik in de Oranjekerk hertrouwd met Liesbeth! Ons trouwritueel was oecumenisch èn inter-religieus. Een imam en de pandita uit mijn UMU-team gaven hun zegen. Wijlen Pastor Nico Essen van de Hofkerk en Joke gingen voor in een Viering van Schrift & Tafel. Joke hield een gloedvolle trouwpreek over: Psalm 139.
Sinds 1 januari 2010 ben ik met pensioen.