27 nov

Eerste zondag van Advent
Lezingen: Jesaja 2:1-5 en Jakobus 5:7-8
ds. Wielie Elhorst


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Ik geeft het direct maar eerlijk toe: als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan wachten. Wachten in de rij bij de kassa waar de klant voor je wel heel erg op z’n gemak de dubbeltjes en de kwartjes op de toonbank legt. Wachten op de bus naar het station die al minuten over tijd is. Wachten in de trein die wacht voor het station tot er een spoor vrijkomt en zo de minuten wegtikken die jij nodig had om je overstap te halen. Wachten in een file die maar niet lijkt op te lossen. En zo kan ik nog wel een paar voorbeelden noemen. Het zijn allemaal luxeproblemen – ik weet het –, en ze vallen in het niet bij wie ook wacht, maar dan op iets wezenlijks: hulp, een dienst, een woord, een gebaar dat essentieel is om in het bestaan een volgende stap te kunnen zetten. Dan is wachten niet irritant, maar wordt het een kwelling en is bewegen op een zeker moment hoe dan ook niet mogelijk meer. Misschien kunt u van beide vormen voorbeelden aanwijzen in uw eigen leven. Ik kan het zeker. In bijna alle gevallen is wachten een uitdaging voor mensen – uitgezonderd de hele chille mensen, die we ongetwijfeld ook onder ons hebben.

Zojuist hoorden we hoe Jakobus de waarde van het wachten adresseert in zijn brief – een heel ander wachten dan het alledaagse wachten dat ongeduld oproept of  het wachten als een kwelling, omdat je niet ontvangt wat je minimaal nodig hebt voor een menswaardig bestaan. Al is Jakobus waarschijnlijk een van de oudste brieven uit het Nieuwe Testament en bestonden de gemeenten waar hij zijn brief voor schreef dus nog niet zo heel erg lang, toch lijkt er heel veel mis te zijn en dat heeft onder meer te maken met het uitblijven van de terugkomst van Jezus. Zijn belofte leek te zijn dat deze terugkomst spoedig zou zijn en dit werd ondersteund door de woorden van de apostelen die dit onderstreepten en zochten naar een goede en passende houding in de tijd van het wachten. Na verloop van jaren blijkt het wachten niet meer op te brengen. Wie leeft met de verwachting van de zeer nabij zijnde terugkomst van Jezus, hoeft verder niet echt bezig te zijn met de goede gewoonte en de goede orde van de gemeenschap, ook al deelde men een zelfde vurig verlangen. Deze niet-noodzakelijkheid leidde tot veronachtzaming en uiteindelijk tot misstanden. Van die misstanden vinden we voorbeelden te over in Jacobus: men liet zich leiden door driften, Men wenste aanzien door rijkdom. Woede en wangedrag leken de boventoon te voeren. Uit het geloof volgde geen handelen: weduwen en wezen werden niet bijgestaan in hun nood. Er werden mensen voorgetrokken op grond van hun uiterlijk, Men ging gemakzuchtig om met de wet. Men werd beheerst door jaloezie en egoïsme. Men wilde anderen de les lezen. En conflicten werden hartstochtelijk uitgevochten om de eigen hartstochten te kunnen bevredigen. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Geen gemeentes om over naar huis te schrijven.

Jakobus geeft in zijn betoog verschillende antwoorden op deze situatie. De bekendste daarvan is dat geloof leeg is zonder daden. Het veronderstelde geloof door werken – zo ongeveer een vloek in de tijd van de Reformatie – heeft er nog bijna voor gezorgd dat Jakobus niet in de protestantse canon was opgenomen. Maar het eerste advies dat hij geeft na een bijna eindeloze bespreking van alle genoemde missstanden en meer, is: heb geduld. Eigenlijk staat er zoiets als ‘Wees gepassioneerd in je verlangen’ – woorden met een toch iets andere lading. Het is een op het eerste oog wat merkwaardig advies. Bij de opsomming van wat er allemaal niet goed gaat, zou je denken dat Jakobus een reëel beeld heeft van de situatie in de gemeentes, dat hij goed ziet wat het effect is van een verwachting die niet direct wordt beantwoord. En je zou denken dat dat hem er toe zou brengen die horizon waarop het verlangen zich richt te nuanceren of anders te benaderen, of dat dat hem er tenminste toe zou bewegen enigszins barmhartig te zijn voor de mensen: wat niet goed gaat te blijven bekritiseren, maar net zo goed begrip op te brengen voor de situatie  - maar misschien kijk ik er dan te veel met een blik van deze tijd naar. Jakobus doet niet wat wij wellicht verwachten. Nee, hij doet helemaal niets af aan de belofte van de terugkomst en hij onderstreept nog eens de waarde van het wachten en hij positioneert die waarde met nog meer kracht door te speken over een ‘gepassioneerd verlangen’. Met zoveel woorden zegt Jakobus: loop niet weg van de houding die je in geloof aan mag nemen, maar omarm het. Omarm het, zelfs al tast je verder in het duister. Wachten is kennelijk niet alleen een fase of een middel, het lijkt ook een waarde in zichzelf.

Het is, hoe waardevol het ook is, eigenlijk jammer dat ons wachten in de weken van Advent een ritueel wachten is. Immers, we doen het in een bepaalde tijd en we kennen de uitkomst al. We weten al dat de belofte van de komst van God in een voor de wereld onzichtbaar kind, wordt vervuld. We verwachten, we kunnen anticiperen op de uitkomst. Dat is ook waardevol, maar het ontneemt ons de ervaring van het wachten dat schuurt, het wachten dat ook een vragen is, omdat het een nooit zeker weten is. Misschien dat het om die reden is dat het motief van de terugkomst van Jezus van oudsher ook meekomt in het wachten op de komst van het Kind. Misschien omdat men die lading van het wachten zo ook ervaarbaar kan maken. In dat wachten verkeren we in dezelfde situatie als de eerste christenen. Ook wij wachten tweeduizend jaar later nog steeds op de terugkomst van Jezus. Anders of meer dan tweeduizend jaar geleden, roept het nu wel de vraag op hoe reëel dit wachten nog is. Het roept bij mij ook de vraag op of het wel zo is bedoeld, of anders gezegd: of het nu nog wel zo bedoeld is. 

Opvallend is dat Jakobus niet in directe zin spreekt over de terugkomst van Jezus zelf. Hij zegt niet met zoveel woorden: het komt goed. Hij wijst ook niet aan wanneer en waar het zou kunnen gebeuren. Hij spendeert ook geen woorden aan de inhoud. Hij zegt er eigenlijk heel weinig over. Waarover hij wel spreekt is de houding van de mensen, over wat zij zelf kunnen. Met het voorbeeld van de boer maakt Jakobus duidelijk dat er, alhoewel er geen garantie is, ons niet anders te doen staat, dan te wachten. Juist door dat te onderstrepen en met het gebruik van het krachtige ‘gepassioneerd verlangen’ als uitdrukking van het wachten, geeft Jakobus aan dat het daarin zelf moet worden gezocht, dat het wachten actief wil worden omarmd, wil het betekenis krijgen. Het motief van de terugkomst van Jezus in de tijd van Advent, waar we deze zondag expliciet mee beginnen, is een uitnodiging om het wachten zelf te verkennen. Wat zou er gaan gebeuren, als we dat doen? Ik geloof dat we juist in de kwaliteit van het wachten de mogelijkheid ontsluiten voor God om zich aan ons te verbinden. Met andere woorden: wachten, of waken, met open oren en open ogen, met een open hart, creëert een houding in geloof waaraan God tegemoet wil komen. Niet gericht zijn op een einde aan het wachten, het wachten niet afhankelijk maken van de uitkomst, het wachten ook niet bestormen met gemakkelijke oplossingen of ‘quick fixes’, maar juist een wachten willen dat het niet weten serieus neemt, dat afhankelijk maakt, en dat zo ontvankelijk maakt. Anders dan we misschien zouden denken, veroorzaakt deze actieve manier van wachten zelf beweging, vooral in het afleggen en loslaten dat daar ook onderdeel van is. Wie loslaat, wie aflegt, is minder met zichzelf bezig, maar ziet hoe langer hoe meer de contouren van een ander, van dé Ander. Zo ‘bewegen’ wij naar God en ‘beweegt’ God zich naar ons. Wij zetten dat in de tijd achter elkaar, levend en gelovend van zondag tot zondag, totdat het wachten niet meer hoeft, maar misschien is die uitkomst van het wachten iets van elk moment, dat wil zeggen: als wij dat wachten niet meer in een periode van tijd zien als iets dat voorbij gaat, maar als een houding die actief mag worden gezocht, omdat in die houding God zelf steeds naderbij komt, als een uitkomst, als een perspectief, als de zekerheid van een tijd waarin alles anders zal zijn. Het gaat er mij niet om van wachten een deugd te maken, bijna in de zin van goed fatsoen, zo van: doe nou maar niet te moeilijk, hou je fatsoen, en wacht af. Wachten is een waarde in zichzelf die tot het pakket behoort van het vertrouwen dat het leven en de houding van een christen een basis geeft.

Ik kan niet wachten – ons thema voor de weken van Advent, samen met de Kinderkerk – het wil natuurlijk met deze woorden uitdrukken dat we gepassioneerd verlangen, naar de komst van het Christuskind met Kerst, maar misschien kunnen we vandaag voor onszelf bedenken wat het wachten zoals hier besproken, belemmert. Wat staat bij ons in de weg om dat wachten echt een kans te kunnen, een kans op overgave, op afhankelijkheid en op ontvankelijkheid die het licht in het duister van dat wachten dan beetje bij beetje binnenlaat, totdat wij in het volle licht staan, soms heel even en ieder geval ooit. Dat is ons beloofd.

Amen

20 nov

Eeuwigheidszondag

Lezingen: 2 Koningen 13:14-21

ds. Wielie Elhorst


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Tot mijn 29e levensjaar waren alle vier mijn grootouders nog in leven. Ik prees en prijs mij daarmee een gelukkig mens. Ik was me er ook altijd bewust van, van die vier oude mensen waarvan ik het resultaat was, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk. Ook al was ik duidelijk een kind van een andere tijd, ik voelde me verbonden met hen. Het toeval wilde dat de ouders van mijn vader in de stad woonden waar ik theologie studeerde: in Kampen. En de ouders van mijn moeder woonden één stad verder: in Zwolle. Bij opa en oma Elhorst at ik op zondag en we gingen samen naar de samenkomsten van het Leger des Heils, mijn toenmalige kerk. En naar opa en oma Van den Berg in Zwolle ging ik ook bijna wekelijks met een weekendtas vuile kleren, om aan het einde van de avond met een tas vol schone kleren weer naar mijn kamer in Kampen te gaan. Mijn opa Elhorst herhaalde wel heel erg vaak wat hij vroeger allemaal had gedaan – sommige verhalen heb ik minstens honderd keer gehoord – maar geen van vieren zijn ze het slachtoffer geworden van de ziekte van Alzheimer of een andere vorm van dementie. Ze stonden alle vier op hun manier nog midden in het leven. Toen mijn oma Elhorst na het overlijden van mijn opa alleen was, moest ik als ik wilde komen altijd eerst even bellen om te checken of ze er wel was, want ze was negen van de tien keer in haar karretje de hort op. Ik realiseerde me al jong dat mijn opa’s en oma’s niet altijd opa’s en oma’s zijn geweest, maar dat zij ooit ook ter wereld waren gekomen, dat ook zij ouders en grootouders hadden gehad, dat ze jong waren geweest en keuzes hadden gemaakt die een belangrijk deel van hun leven zouden gaan bepalen, dat ze elkaar hadden gevonden en besloten met elkaar door het leven te gaan, dat ze vreugde hadden gevonden in het leven van hun kinderen en kleinkinderen en er ook zorgen over hadden gehad. Over dat deel van hun leven waar ik geen onderdeel van was omdat ik er nog niet was, heb ik hen – soms uren achter elkaar – heel veel vragen gesteld. Soms was dat met een doel, omdat er alweer een huwelijksjubileum aankwam, maar vaak kwam het gesprek vanzelf op gang en altijd spraken ze er graag over, over die eerste decennia van hun leven. Nu kan ik de plek op het Engelse Werk vlakbij Zwolle aanwijzen waar mijn opa en oma Van den Berg voor het eerst alleen samen waren en waar de liefde op ging bloeien. Zo kwam ik erachter dan mijn opa Van den Berg tijdens de Tweede Wereldoorlog ternauwernood het Engelse bombardement op Middelburg had overleefd en bij thuiskomst kokend water over zijn arm had gegooid om te voorkomen dat hij voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland zou moeten gaan. Zo kwam ik er ook achter dat mijn oma Elhorst net als ik in Amsterdam heeft gewoond en dat zij daar op de Wittenburg een paar jaar naast majoor Bosschardt in een kindertehuis van het Leger des Heils heeft gewerkt. Zo wist ik dat mijn opa Elhorst als jonge man vaak naar de synagoge in zijn woonplaats Kampen ging om het begin van de sabbat mee te maken en dat hij als jonge luitenant van het Leger des Heils in de jaren’30 in het verre Emmer Erfscheiderveen minstens vier dagen per week Strijdkreten moest verkopen om elke avond iets te eten op tafel te hebben. En zo liep ik in Wapenveld over het zandpaadje dat er nog altijd was en waarover mijn oma als meisje elke dag naar school liep. Met alle antwoorden op mijn vragen, met alle verhalen die ik hoorde werd hun geschiedenis langzamerhand ook mijn geschiedenis. Dat was het al, natuurlijk, als hun nakomeling, maar nu had ik er ook echt kennis van. Het was soms net of ik er ooit bij was. Er zijn er allerlei plekken en ook herinneringen die ik als het ware maar aan hoeft te raken, of ze zijn er weer: mijn opa’s en oma’s. Bij mijn laatste nog levende grootouder: opa Van den Berg was ik er bij tot op het allerlaatste moment. Het was mijn beurt om te waken. Ik lag vlakbij mijn opa op een bed. Ik kon niet slapen. Ik moest luisteren naar de ademhaling van mijn opa die in de stilte van de nacht heel intens klonk. En toen was het moment opeens daar: zijn laatste ademtocht. Ik kon het niet geloven. Ik snelde naar de aanwezige verpleging en zij constateerden dat de dood inderdaad in was getreden. Ik heb dat moment die nacht nog tientallen keren opnieuw beleefd – niet omdat het me angstig had gemaakt, maar omdat dat moment zo natuurlijk en mysterieus tegelijk was geweest. Leven en dood – van de één op de andere seconde. Voor alle duidelijkheid: ik wil het niet mooier maken dan het is. De dood hoort bij het leven, maar ik vind het tegelijkertijd iets onbestaanbaars, gitzwart en niet te verteren. Dat wie je liefhebt, dat iemand die je na aan het hart ligt, dat de mensen van wie jij letterlijk de vrucht bent, dat de mensen met wie je geschiedenis hebt gemaakt, dat dat allemaal zomaar verdwijnt. Dat de innige omarmingen in het leven op een onherroepelijk moment verkeren in de omarming van de dood. Nee, de dood is een verschrikking. Het verbreekt en het maakt kapot. En dat mensen zeggen: laten we ons geen illusies maken, de dood is het laatste woord over alles en iedereen, dat begrijp ik heel goed. En toch kom ik mijn opa nog steeds tegen. Het is met de kracht van zijn leven nog steeds niet gedaan. Midden in de oorlog besloot mijn opa met mijn oma een wildvreemd gezin uit Rotterdam in hun huis in Zwolle te halen, omdat dit gezin in de kapotgeschoten havenstad geen leven meer had. De innige band die in die jaren is ontstaan tussen beide families, is in de tientallen jaren die volgden altijd hetzelfde gebleven en wordt nu bewaard in de generatie van de kinderen. Daar is mijn opa. In de beslissing ten leven die hij ooit nam in een schijnbaar hopeloze situatie. En daar wordt dan toch een barst geslagen in wat op het eerste gezicht het laatste woord lijkt te hebben. En waar wij als familie en vrienden zijn leven in herinnering aanraken, gebeurt dat steeds weer.

Niet geheel toevallig speelt in het verhaal uit de Bijbel deze zondag sterven ook een belangrijke rol. Het is een in onze ogen wat wonderlijk verhaal. Op het eerste gezicht lijken het eerder twee verhalen die maar weinig met elkaar van doen hebben, behalve dan dat de profeet Elisa in het ene verhaal op sterven ligt en in het tweede verhaal gestorven is. Het hele verhaal lijkt wel een scène uit ‘Lord of the Rings’, een mysterieus magisch ritueel en een al evenzeer magische opstanding uit de dood van iemand – we weten niet wie – die bovenop de beenderen van de gestorven profeet wordt gegooid. Wat heeft dit allemaal te betekenen? Het verhaal opent met de komst van koning Joas die zich nogal ontdaan aan het sterfbed van de profeet Elisa presenteert. Al eerder is in de verhalen over de profeet duidelijk geworden dat zijn verhouding tot het hof van de koning een behoorlijk nabije verhouding was geworden. De communicatie met de koning geschiedt steeds rechtstreeks. In de verhalen lijkt het wel alsof de profeet en de koning naast elkaar wonen en een tussendeur hebben. Elisa is dan ook de profeet die het koninkrijk Israël weer toekomst heeft gegeven, toen hij er voor zorgde dat de dynastie van koning Achab voorgoed van het toneel verdween en een nieuw koningshuis het kon overnemen – een koningshuis dat die nieuw gestichte toekomst ook invulde zoals God het voor zijn volk bedoeld had, of in ieder geval grotendeels. Hoe dan ook zijn profeten toekomstmensen, niet omdat ze die met een glazen bol kunnen voorspellen, maar omdat ze beschikken over vermogen tot onderscheid, omdat ze haarscherp zien wat de mensen in Naam van God wel en niet dient en wat daarvan de gevolgen zijn. Vanaf koning Jehu zijn die gevolgen goed, of laten we zeggen beter, en is het koningshuis van Israël geen gevaar meer voor de profeet. Elisa is zich ook zijn eigen toekomst zeker. Ik stel me voor dat Elisa veel over de vloer kwam in het koninklijk paleis en dat hij de kleine prins Joas heeft zien opgroeien en dat de profeet voor Joas bijna als een familievriend was. Dat verklaart wellicht de intieme aanroep van Joas als hij Elisa op zijn sterfbed op komt zoeken: ‘Vader, vader,’ roept hij huilend uit. Zijn woorden ‘strijdwagen en ruiterij’ verwijzen naar de dood van de voorganger van de profeet: Elia, waarmee Joas met zoveel woorden duidelijk wil maken dat hij zich bewust is dat het tijdperk ‘Elisa’ nu ook aan het voorbij gaan is. Zal met het sterven van Elisa de toekomst gesloten raken? Wordt de toekomst met het sterven van Elisa, de profeet die Joas ook zijn vader noemt, nu een zwart gat? Joas heeft nooit anders geweten dan te leven met toekomst, met een open toekomst, een goede toekomst en die dreigt hem nu met de door hem geliefde profeet te ontvallen. Geen wonder dat hij huilt en het niet meer weet. Hier wordt gestorven en gerouwd op hoog niveau, maar hoe herkenbaar is het toch. Het sterven van een geliefd familielid of een geliefde vriend kan tijdig zijn, – ‘het is goed zo’, zeggen we dan, – maar het kan evenzeer een verschrikking zijn, een gebeurtenis die ook de eigen levenskracht aanvreet en die de toekomst die altijd zo mooi en vrolijk leek, sluit. Elisa blijft ook op zijn sterfbed doen wat hij moet doen: hij legt zijn handen over de handen van de koning en hij ontsluit nog eens de toekomst. Het ritueel dat volgt doet wat vreemd aan, maar op de keper beschouwd is het troost die Elisa Joas biedt door hem te laten zien: dit is niet het einde, de toekomst blijft open, ook als ik er niet meer ben. Dat wordt dan in voor ons wat minder herkenbare geopolitieke woorden uitgedrukt, maar troost blijft het. Al lijkt het sterven van iemand die voor jou zo belangrijk was, jou eerst alleen maar in het duister te voeren, dat duister hoeft toch niet het einde te zijn, het hoeft niet het laatste woord te hebben. Al lijkt alles het te weerspreken, de uitnodiging is die troost dan toch in vertrouwen aan te nemen, dat raam dat op het oosten ziet, waar de zon opgaat, toch wijd open te zetten – om het licht dat toch weer op zal gaan in jouw duister tenminste een kans te geven om in die duisternis een bres te slaan; eerst één, dan nog één, en dan steeds opnieuw tot het duister verdwenen is en de toekomst opnieuw open. Het is in het verhaal wel de vraag of dat koning Joas echt lukt. Hij doet wat Elisa van hem vraagt, maar misschien toch niet met de innerlijke overtuiging die nodig is om de troost en de hoop die Elisa hem wil bieden, echt aan te nemen. Elisa doorziet het en vaart uit tegen de koning, alsof hij wil zeggen: wat voor reden heb jij, die altijd onder de zon van mijn open toekomst heeft geleefd, nu deze hoop zo half aan te nemen? Begrijpelijk, zou ik denken, als je recht in de ogen van een dergelijk groot verlies kijkt, maar het appèl is hier toch de toekomst die blijft niet volledig in het verdriet over het verlies en de angst voor toekomende onzekerheid op te doen gaan. Het appèl is toch te vertrouwen, omdat dat vertrouwen die schijnbaar gesloten toekomst uiteindelijk toch weer zal openbreken. En daar blijft het bij. Elisa is gestorven, horen we in een volgende scène die een nieuw verhaal lijkt in te leiden Toch is dat niet zo. Het is bij nader inzien eerder een wonderlijke onderstreping van wat Elisa bij leven nog in woorden over de toekomst duidelijk wilde maken. Als het seizoen daarvoor weer is aangebroken, vallen Moabitische bendes het land binnen om het te plunderen, zo hoorden we. Bij het graf van de profeet Elisa is net een uitvaart bezig. Met het naderende onheil voor ogen wordt de overledene snel in het graf gegooid, zodat de rouwstoet zich uit de voeten kan maken. Wat we dan nog horen is dit: zodra hij (de dode) in het graf in aanraking kwam met het gebeente van Elisa, kwam de dode weer tot leven en stond hij op. Einde verhaal. Zelfs na zijn dood hoeft de profeet, de man van Gods toekomst, slechts te worden aangeraakt of die toekomst wordt onmiddellijk zichtbaar, waar uit wat dood leek toch weer leven opstaat. Het is een ongelooflijk verhaal en dat is het en zo wil het ook gehoord worden. Wie in de realiteit van verdriet en angst ten onder dreigt te gaan, heeft ook niet minder dan een wonder nodig, te zien en te ervaren dat je dat verdriet en die angst niet hoeft te ontkennen, maar dat je het in de ogen mag zien, dat je het mag omarmen, dat je met tranen in je ogen de dode mag aanraken om dan te ontdekken dat de toekomst weer openbreekt, dat die al opengebroken is, dat het leven onstuitbaar is, dat zelfs in wat dood leek, de kracht van het leven niet verdwenen is.

Lieve mensen, de kracht die dit alles draagt: ons verlies, onze rouw, ons verdriet; de kracht die niets verloren laat gaan, geen enkel mens, niet onze geliefde mensen in dierbare herinnering geborgen; de kracht die ons leven draagt en blijft dragen, die zelf onze levenskracht is, om alles te omarmen wat het leven ons brengt, zelfs de bittere dood – dat is de liefde van God, de liefde die was en is, nu en alle dagen.

Amen

30 okt

Lezingen: 2 Koningen 5:1-19a

ds. Wielie Elhorst


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Naäman. Ik vind het altijd aardig de betekenissen op te zoeken van de namen van de mensen die in een Bijbelverhaal worden genoemd. Naäman bleek na niet al te veel speurwerk ‘de aangename’ te betekenen. ‘You could have fooled me,’ dacht ik, toen ik het las. Het kan verkeren. Ik weet niet hoe dat voor u is, maar zo aangenaam leek deze man mij niet. Direct aan het begin van het verhaal over zijn genezing wordt duidelijk dat het een alom geprezen veldheer is. Hij heeft, zo hoorden we, zelfs een grote overwinning geboekt dankzij God. Dat maar even duidelijk wordt hoe groot deze Naäman is. Maar ‘aangenaam’? Nee, wat mij betreft niet. Is het ook onder zijn leiding dat er strooptochten door de omringende landen trekken, die willekeurig families voor altijd uit elkaar trekken? Het lijkt er wel op. Groot is hij, Naäman, maar dan, zo lijkt het vooral om het geweld dat hij tot zijn beschikking heeft en waarop hij een monopolie lijkt te hebben. Bijna terloops wordt gezegd dat hij een huidziekte heeft. In het Hebreeuws staat er naast de grootverklarende woorden alleen dat ene woord ‘huidziekte’. Er zijn letterlijk geen woorden die de grote woorden met dat ene woord ‘huidziekte’ verbinden, en het in de lopende zin opnemen. Het staat afgescheiden, op zichzelf. Dit ene woord zorgt ervoor dat het verhaal in één klap anders wordt. Grote man, ja, maar met vlek: letterlijk, op de huid, maar ook op het blazoen. Onzin, zouden wij zeggen. Ziek is ziek. Maar dat was toen niet zo. Een ziekte had ook altijd een sociale en religieuze betekenis. Een huidziekte betekende vrijwel altijd dat je geruimd werd, nou ja, niet letterlijk, maar zeker wel figuurlijk. Je moest buiten de stadsmuren gaan wonen. En dát je een ziekte had, moest wel een afrekening zijn voor een zonde die jij of jouw ouders hadden begaan. Het zal in de Aramese cultuur van Naäman niet anders zijn geweest dan in de joodse cultuur. Toch lijk het op Naäman geen vat te hebben. Hij leeft niet geïsoleerd en van enig zondebesef lijkt ook geen sprake. Het heeft waarschijnlijk alles met zijn status te maken, verheven boven de regels en de wetten die gewone stervelingen zouden treffen in een soortgelijke situatie.

Al die macht, die hoge status, dat aangename leven van Naäman kan niet verhinderen dat zijn huidziekte hoe langer hoe meer de aandacht op gaat eisen. Het krijgt het laatste woord, letterlijk, na alle grote woorden. En het zou bij die constatering van ‘huidziekte’ blijven met de onbeschreven maar onvermijdelijke consequentie, als dan niet de stem van een klein meisje klinkt. Het blijkt de joodse slavin van de vrouw van Naäman te zijn. Ze krijgt geen naam, maar het zijn háár woorden die het verhaal, die het leven van Naäman weer in beweging zetten. Het zijn niet de grootse daden van veldheer Naäman zelf die verschil maken, maar de woorden van een klein meisje, die klein als ze is en ver van huis als ze is, de woorden heeft bewaard, die nu letterlijk richting geven: ‘Och, kon mijn meester maar eens naar de profeet in Samaria gaan, die zou hem wel genezen.’ Ze is niet vergeten waar ze vandaan kwam. Al kon ze er gezien haar leeftijd nauwelijks herinnering aan hebben, het is toch in haar in leven gebleven.
De nood moet behoorlijk hoog geweest zijn, want het meisje wordt niet terzijde geschoven, – dat had zomaar kunnen gebeuren – nee, haar woorden worden gehoord. Ook als haar woorden de koning van Aram bereiken, verliezen ze niet aan kracht, worden ze niet gesmoord, maar worden ze opnieuw gehoord. Bij Naäman zou je nog kunnen denken: die grijpt elke strohalm als een laatste kans, ook al moet hij naar Israël, naar een of andere profeet die hij niet kent. Maar bij de koning was toch meer reserve op z’n plaats geweest. Zijn grootste maar ook kwetsbare veldheer wegsturen, en waarom zou hij waarde hechten aan de krachten van een vreemde profeet, die bovendien een andere God aanhangt, en ook nog een God die kennelijk niet in staat is zijn mensen te beschermen tegen vreemde mogendheden, met bendes die willekeurig op strooptocht kunnen gaan. Kennelijk zijn de woorden van het kleine meisje ook voor de koning van Aram onweerstaanbaar.

Naäman gaat op reis en hij neemt enorm veel mee. Misschien verwacht hij dat de behandeling veel zal kosten, met al zijn goudstukken, en waarschijnlijk verwacht hij dat de behandeling van zijn huidziekte volgens een precieze procedure zal verlopen, want hij heeft tien sets kleding mee, zwempakken staat er als je het woord ‘kleren’ in het Hebreeuws van vandaag de dag vertaalt. Maar het verloopt anders dan verwacht. Hij, Naäman, groot veldheer van Aram, staat voor de deur van de profeet, maar hij krijgt die niet eens te zien. Elisa laat hem weten dat hij zich zeven maal moet onderdompelen in de Jordaan. Näaman ontploft zo ongeveer. De woorden ‘kwaad’ en ‘veront-waardigd’ doen zijn reactie geen recht. Hij is aan het schuimbekken en hij is woedend. Hij keert om en vertrekt. Naäman gedraagt zich nogal ‘entitled’ zoals we dat tegenwoordig zeggen over mensen die opeisen wat ze denken dat hun toekomt. Dan maar niet, als hij niet naar zijn hoge staat wordt behandeld.

En dan opnieuw zorgen de mensen die geen status hebben er voor dat er zich een wending voltrekt, die er niet was geweest als het aan Naäman had gelegen. Zijn dienaren benaderen hem – ik vermoed als hij weer wat is afgekoeld – en overtuigen hem op een slimme manier: als u een ingewikkelde procedure al had willen ondergaan, dan is dit wat de profeet voorstelt toch een fluitje van een cent. Baat het niet, dan schaadt het niet. En zo geschiedt: Naäman daalt af in de Jordaan en na zeven keer onderdompelen is zijn huid dat van een kleine jongen: alsof hij opnieuw geboren wordt, krijgt hij een nieuwe kans in een nieuw leven.

Naäman is oprecht dankbaar, zoveel is duidelijk, maar opnieuw put hij zich uit, nu in dankformaliteiten, die helemaal niet nodig blijken te zijn. Je hoort Elisa denken: kan het allemaal even wat minder misschien. Als Naäman zich ten slotte met letterlijk een nogal grote omhaal van woorden bij voorbaat verontschuldigt daarvoor dat hij zich waarschijnlijk toch weer zal neerbuigen voor de eigen god Rimmon, is de maat voor Elisa vol, die nog slechts zegt: ‘Ga in vrede’. Dat was ongetwijfeld welgemeend, maar het klinkt mij ook een beetje in de oren als ‘Ja hoor, Naäman. Mijn zegen heb je. En hoepel nu maar weer op.

Ik denk dat de bedoeling van een verhaal als dit was de koningen van Juda en Israël in verlegenheid te brengen. Hoe groot is het contrast tussen het bijna argeloze vertrouwen van de koning van Aram in de woorden van een meisje enerzijds en de koning van Israël anderzijds die overduidelijk door wantrouwen beheerst wordt en bij de brief van de koning van Aram alleen maar kan denken: die zoekt ruzie met mij. En met het verhaal wil men, denk ik, ook laten zien dat God niet alleen de God van Israël is, maar van alle volken. Aan het begin van het verhaal kunnen we zien dat het God is die Aram een grote overwinning heeft geschonken en in de wederwaardigheden van Naäman zien we dat het deze buitenlandse veldheer niet onthouden wordt van zijn huidziekte te genezen.

Toch wordt mijn aandacht vandaag, juist vandaag, naar iets anders getrokken. Het is dat kleine meisje. Voor zowel haar spreken, als dat van de dienaren van Naäman en van de profeet wordt het woord ‘dabar’ gebruikt, dat zoveel betekent als: scheppend spreken, of: door je spreken werkelijk iets tot stand brengen, door je woorden verandering veroorzaken. In het verhaal is vooral Naäman aan het woord, maar zijn woorden zijn vooral ‘gepraat’. Het spreken dat echt verschil maakt, komt niet van de hoogverhevenen, maar van de laaggeplaatsten. Het lijkt niets, die woorden van dat kleine meisje. Ze hadden zo terzijde geschoven kunnen worden, genegeerd, maar klein als ze is en onbeduidend als haar woorden lijken, ze vallen als zaad in de bodem en schieten daar wortel. Uiteindelijk materialiseren ze in de vrucht van het nieuwe leven dat Naäman ten deel valt, met een huid zo jong als dat van het kleine meisje. De oogst is wonderbaarlijk – natuurlijk om de genezing zelf, maar vooral om hoe het begon: woorden als het kleinste zaad dat zo weggeblazen had kunnen worden, maar ‘against all odds’, tegen alle verwachting in, toch deed wat het moest doen: vrucht dragen, en hoe!

God is ook met ons, in deze tijd, maar het komt er voor ons als geloofsgemeenschap dan wel op aan te onderscheiden wanneer de woorden die mensen spreken de woorden van God zelf zijn, zoals in het geval van de woorden van het kleine meisje. Het verhaal lijkt te zeggen: let op. Misschien zitten de woorden van God – zoals ‘in’ het kleine meisje – verborgen in een boodschap van een onverwachte persoon of een onverwachte groep. Misschien is het goed, net als de koning van Aram, goed van vertrouwen te zijn en het vreemde te omarmen, zelfs al doen we dat op basis van intuïtie. Want als het woorden van God zijn, dan creëren zij, brengen zij iets tot stand, dan komt er wat van: heling, vrede, innerlijke rust.

Amen

9 okt

Lezingen: Lucas 17:11-19 en Romeinen 12:1-2

ds. Wielie Elhorst


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Bij de voorbereiding van deze overdenking schoten mij de woorden van een liedje van Robert Long te binnen: ‘dankbaar moet je zijn, nederig en klein’. Mijn ouders hebben heel wat met hem te stellen gehad, met Robert Long, toen zij officier van het Leger des Heils waren in Sliedrecht. Er ontstond in het dorp een rel, toen hij met Leen Jongewaard de voorstelling ‘Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen’ in het plaatselijke theater zou komen opvoeren. Dat was in 1983, als ik het mij goed herinner. Blasfemisch vonden veel mensen die voorstelling, ook in het korps, de lokale gemeenschap van het Leger. Mijn ouders moesten hun positie bepalen, maar zij – vooral mijn vader – vonden de liedjes van Robert Long, die ook nogal tegendraads waren, eigenlijk wel leuk, en ik ook. We hadden een cassettebandje met zijn nieuwste liedjes en die hebben we een periode lang helemaal grijs gedraaid, dat wil zeggen: ik vooral. En in één van die liedjes zat deze regel ‘Dankbaar moet je zijn, nederig en klein’. Robert Long, die zelf nogal traditioneel gelovig was opgevoed, maar daar afstand van had genomen, fileerde de naar zijn mening afgedwongen en geveinsde religiositeit uit zijn jeugd. Hij legde wat mij betreft vaak terecht de zere vinger bij de hypocrisie van de verschillende uitdrukkingen van het geloof en hij kon er absoluut niet tegen dat het geloof of eigenlijk de kerk de mensen klein maakte en klein wilde houden. Het waren natuurlijk liedjes bij de eigen observaties van Robert Long, maar in hun scherpte gaven ze altijd te denken - in ieder geval gaf het mij te denken bij mijn geloof en de praktijk die daarbij hoorde. Veel mensen en misschien ook u in die tijd hebben het heel anders beleefd – ik in ieder geval, maar toch komt de connotatie bij het woord ‘dankbaarheid’ opgeroepen door Robert Long, niet totaal vreemd over. In dit geval staat het voor een bepaalde veronderstelde levenshouding van christenen, dat je een deugdzaam leven moet leiden, nederig, jezelf wegcijferend, je bewust van je positie en vooral dankbaar voor wat God je schenkt, zelfs al ervaar je zelf dat er alleen maar dingen en mensen uit je leven worden weggenomen. Je vraagt je wel eens af welk woord in onze traditie niet belast is met negatieve associaties door hoe het door theologen en kerken misschien soms huns ondanks in bepaalde tijden is begrepen en gebruikt. Om nog te verstaan wat de grondwoorden uit onze traditie te zeggen hebben, hebben we soms een driedubbele vertaling nodig, zo lijkt het wel, door taal-, cultuur en interpretatiebarrières heen. En toch ligt het soms ook aan de oppervlakte, bijna voor het grijpen. Vandaag krijgen we de kans kennis te maken met dankbaarheid als het midden van de liturgie van het leven, niet afgedwongen, maar als het van binnenuit komende resultaat van geloof dat waarde hecht aan een woord, van Jezus, dat alles én niets kan betekenen. Geen dankbaarheid uit fatsoen (en wat zeg je dan? dank je wel), maar dankbaarheid als een basishouding uit geloof in heling, terwijl daar geen enkele garantie voor kan worden gegeven, maar dat toch doet opstaan en gaan. Dankbaarheid is niet bedoeld om mensen op hun plek te houden. Het is de uitdrukking van heling, van bevrijding, van het herstel van relatie, van weer echt mens kunnen zijn.

Dankbaarheid is mooi – zingt Robert Long ten slotte
Maar niet voor elke fooi
Want anders leef je strakjes in een grote klerezooi
Dankbaar zijn jawel
Maar nimmer op bevel
Al word je dat ook ingegeven met de paplepel
Dankbaar zijn is goed
Maar nooit wanneer ’t moet
Omdat je daar uiteindelijk toch meestal zelf voor bloedt

Robert Long rekende af, met wat niet meer ging in zijn tijd en met wat hypocriet bleek te zijn. Hij was van die generatie. Maar het afrekenen was niet alleen wegdoen en achterlaten. Het was ook een impliciet appèl op integriteit, op echtheid, op echt gezien worden als mens. Ik denk dat dat zijn liedje met het verhaal van vandaag verbindt, die intentie erachter.

Ik zei het al bij mijn inleidende woorden: we bevinden ons met dit verhaal over Jezus en de tien melaatsen nog steeds in het deel van het Evangelie naar Lucas dat de leerlingen van Jezus, zijn eigen leerlingen en die voor wie Lucas zijn evangelie schreef, wil toerusten in een leven zonder Jezus in hun directe nabijheid. Dat gaat tien hoofdstukken zo door: in gesprekken met de leerlingen zelf, met de Farizeëen, in de tekenen die Jezus doet en in de gelijkenissen die Hij vertelt. Steeds weer lezen we dat Jezus al doende en sprekende onderweg is naar Jeruzalem. Geen enkel teken, gesprek of verhaal staat op zichzelf, maar wordt gedragen door beweging. Heel Lucas leest hoe dan ook als een verhaal dat gaat. Lucas heeft dat vast niet voor niets gedaan. Een beweging die zijn leider kwijt raakt, kan de neiging tot settelen, tot stil staan gaan krijgen om vervolgens mogelijk te verstenen. Lucas houdt ons voor: de betekenis van Jezus’ woorden komt onderweg tot stand, daar waar Jezus in zijn leerlingen, in de gewone mensen, in de representanten van de instituten het leven zelf ontmoet. Daar blijkt wat zijn boodschap te betekenen heeft en wat geloven eigenlijk is, tot het z’n doel bereikt in de ultieme beweging dwars door de dood, maar daar zijn we nog niet. In het verhaal van vandaag krijgen we de essentiële betekenis van die beweging nog eens geconcentreerd in negen verzen aangeboden, met in het midden vertrouwen en dankbaarheid.
Een collega in het preekteam had alle woorden van het verhaal die beweging uitdrukken een kleurtje gegeven. Zo zichtbaar gemaakt bleek het verhaal een steeds gaan, terugkeren, opstaan en weer gaan. Meer dan andere verhalen laat dit verhaal zien dat in die beweging de woorden van Jezus werkelijkheid worden. Onderweg naar Jeruzalem komt Jezus buiten de grenzen van een gehucht tien melaatsen tegen. Het verhaal benadrukt de afstand tussen Jezus en deze tien melaatsen, maar laat tegelijkertijd zien dat die afstand ook overbrugd kan worden. Zodra het met stemverheffing geroepen ‘ontferm U’ Jezus bereikt, keren deze woorden, gehoord, direct terug met de oproep aan de tien mensen om te gaan. En onmiddellijk gaan zij dan ook. Merkwaardig. De ziekte waar de tien mensen aan lijden, wordt niet geadresseerd, er wordt nog geen woord over genezing aan besteed. Je zou denken: eerst dat woord van heling en het zichtbare bewijs en dan pas gaan, maar nee, het is precies andersom. En het werkwoord dat voor ons ‘gaan’ wordt gebruikt, is een gedecideerd gaan, een beweging met overtuiging; hetzelfde werkwoord dat op sommige plaatsen in het Evangelie naar Lucas voor het gaan van Jezus naar Jeruzalem wordt gebruikt. Misschien komt het, dat zij direct gaan, omdat Jezus zegt dat ze zich aan de priester moeten tonen. Dat deed iedereen die genezen was. De instemming van de priester betekende weer mee kunnen doen: verbonden zijn met het samenleven, de goede dingen kunnen doen die de religieuze wetten van je verlangen. Maar de intentie van de woorden en het in één beweging beschrevene van roepen en gaan suggereert meer. Het suggereert, het laat, denk ik, zien, dat zelfs in de meest uitzichtloze situatie enkel en alleen vertrouwen kan maken dat mensen gaan. En in dat gaan, in dat niet afwachten, verandert de werkelijkheid van de tien melaatsen. Wie verandering wil, die moet gaan, net als Jezus, in vertrouwen. Dat is wat anders dan blind volgen. Het is ongrijpbaar aanvoelen, weten dat je gehoor vindt en dat er hoe dan ook een woord van heling, van heelmaking, van redding, van bevrijding over jouw leven wordt uitgesproken. Het is om niets anders dan dat woord dat je gaat, niet om voorgespiegelde vergezichten en grootse beloftes.

Je zou denken: en daarmee is het verhaal klaar. De melaatsen zijn genezen. Ze kunnen de draad van hun leven weer oppakken. En Jezus kan weer verder, naar Jeruzalem. Maar dat is hier toch niet het einde van de beweging. Een van de tien mensen keert terug. Dat in vertrouwen de werkelijkheid van de tien is veranderd, is kennelijk niet het laatste woord, en dat onttrekt zich al zozeer aan alles wat wij mensen normaalgesproken kunnen verwachten. De genezing, de geheelde werkelijkheid wordt op een nog hoger plan getrokken: de betrouwbaarheid van de woorden van Jezus wordt beleden. Het verlangen genezen te worden verdiept zich in het vertrouwen op een stem. Dat enkel en alleen die stem de werkelijkheid voorgoed kan veranderen, drukt zich uit in het prijzen van God en het danken van Jezus. De bron van de geheelde werkelijkheid wordt onderscheiden, in het woord van Jezus, in Jezus zelf, die zijn woorden spreekt namens God, die voor mensen niets anders wil dan bevrijding van wat hen weerhoudt te leven, Gods eigen woorden te leven. En pas na het belijden van de betrouwbaarheid van dat woord en het onderscheiden van de herkomst, zegt Jezus: uw geloof heeft u gered. De genezing was niet het wezenlijke, maar het vertrouwen, en het belijden daarvan, het hardop zeggen. Vertrouwen, tegen alle verwachting in, brengt redding, bevrijding. En daarmee verandert de grondtoon van het leven, in dankbaarheid. Dan staat de man op, zoals Jezus op zal staan, en hij gaat. En pas dan is de beweging van dit verhaal, de beweging van het goede woord van Jezus, compleet. Het trekt mee in het gaan van de mens die van vertrouwen weet en er van leeft.

En daar ga je dus echt anders van leven: je moet niet dankbaar zijn, je zult het zijn. Zelfs waar geen enkele garantie voorhanden is dat onze werkelijkheid zal veranderen, dat wij heelgemaakt zullen worden, belijden wij het goede woord van Jezus dat zegt: ga en kom met mij, niet om abacadabra een eind te maken aan je tekorten, maar omdat gaan, onderweg zijn de enige optie is; op een weg die vraagt om onze overgave en om een levenshouding die wil rusten in vertrouwen en die zich zal uitdrukken in dankbaarheid, niet gericht op een geheelde kwaal – om met de woorden van het Lucasverhaal van vandaag te spreken - maar op Jezus zelf die uiteindelijk voorging in de grootste daad van overgave en in het allerdiepste vertrouwen. En zo komt de mens, geheel onverwacht, tot haar bestemming.

Lucas probeert duidelijk te maken: als Jezus er niet lijfelijk meer is, dan zijn die overgave en dat vertrouwen des te harder nodig. Alleen deze woorden die gaan, beleden in woord en daad en verwijzend naar God in Jezus, maken verandering mogelijk en maken duidelijk wie die mensen zijn die Jezus volgen. Dat zijn ten diepste dankbare mensen; mensen die weten dat de werkelijkheid niet op zichzelf bestaat, dat we er niet aan zijn overgeleverd, maar dat deze bestaat onder het woord van God die zei dat het goed was, onder het woord van Jezus die zei: het is volbracht, én onder onze woorden sinds Maria als eerste getuige die zei: Hij is opgestaan.

Dat de werkelijkheid van ons leven en van onze werkelijkheid is veranderd, is aan onze wereld nauwelijks te zien, met de ene crisis die de andere opvolgt en met het in de samenleving steeds maar verder eroderen van het vertrouwen van mensen onderling en van een leven dat dankbaarheid uit wil drukken, dat is: een open houding die zoekt naar verbinding. Net als die melaatse mensen ooit, bijna weggeteerd onder de last van hun werkelijkheid, doen wij er goed aan zonder garanties toch met intentie onderweg te blijven, vertrouwen te hebben, te weten, te geloven dat het goed komt en onder alle omstandigheden God te blijven loven en Jezus te blijven danken voor de weg in vertrouwen die wij in deze God hebben gevonden, of, anders gezegd: die ons door God in Jezus is geschonken. En dan niet alleen hier op zondag in de kerk, maar in het leven zelf. Dat is de ware eredienst. Als wij zeggen te heten naar Jezus Christus, dan kunnen wij niet anders. Die levenshouding van dankbaarheid geeft ook grond aan ons bidden. Het richt onze woorden en doet ze niet zomaar opgelost in de grote ruimte van het niets verdwijnen. Het geeft richting aan ons hele leven. En als wij daarin geloven en daarnaar bestaan, dan keert niet maar één mens tot Jezus, maar dan maakt uiteindelijk de hele wereld die beweging.

Ik moet er eigenlijk wat meer over zeggen, maar ik hou het nu kort: wij kunnen hier niet negeren dat het een Samaritaan was, die zich tot Jezus keerde, als de bron van zijn vertrouwen en zijn reden voor een leven dat van danken weet. Het wil ons tot slot zeggen dat wij het misschien niet in eerste instantie in eigen kring moeten zoeken maar in de beweging van alle mensen, vooral van hen die wij liever op afstand houden. God sluit niemand uit van de mogelijkheid Hem aan te roepen en een leven te leiden dat gaat voor vertrouwen en dat weet en laat zien wat een leven in dankbaarheid is. We kunnen er met zekerheid niets over zeggen, maar uiteindelijk zal de hele wereld opstaan: alle mensen, alle dieren ook, de aarde zelf – geheeld en bevrijd.

Amen

4 sept

Lezing: Psalm 24

ds. Wielie Elhorst


Thema: ‘Van God is de aarde’ (start seizoen over duurzaamheid)


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Weet u nog wanneer u zich voor het eerst bewust werd van het milieu, dat wil zeggen: dat wat we met onze omgeving doen een gevoel van urgentie bij u opriep?

Ik weet het nog heel goed. U zult er misschien wel om moeten lachen, maar dat incident was voor mij het begin van bewustwording. Ik was met mijn ouders en jongere broer op vakantie naar Engeland. We verbleven in een eenvoudig hotel van het Leger des Heils die je daar toen, eind jaren ’70/jaren ’80, nog overal langs de kust had. We gingen veel naar het strand, maar we maakten ook uitstapjes naar historische plaatsen of we deden iets sportiefs, meestal hield dat in: midgetgolfen of golfen op een middelgrote baan. Ik geloof dat ik 9 of 10 was, mijn broer twee jaar jonger. Het was leuk, maar ook nog een hele tocht, en om de moed er een beetje in te houden, kregen we geregeld iets te snoepen. De snoepjes waren in een papiertje gewikkeld. Op een zeker moment kreeg mijn vader in de gaten dat ik de snoeppapiertjes gewoon weg gooide, op het keurig bijgehouden gras van de golfbaan. Hij liep achter me en ontstak met stemverheffing in grote woede. Hoe ik het in mijn hoofd haalde zomaar dat papiertje weg te gooien. Ik kromp ineen, stamelde nog iets van ‘zijn toch maar kleine papiertjes’ en ‘de wind neemt het toch wel mee’, maar dat maakte het er niet echt veel beter op. Hoe schijnbaar onbetekenend ook, mijn vader was oprecht boos. Ik weet niet eens precies meer wat hij nou allemaal gezegd heeft. Vooral zijn boze verontwaardiging staat mij nog bij. Het woord kende ik nog niet, maar ik voelde urgentie, ook protest tegen onfatsoen, maar vooral urgentie om een andere houding: eentje die blijk geeft van bewustzijn van de omgeving en dat die jou niet gegeven is om er mee te doen wat je wilt, maar dat je er met respect mee om moet gaan, omdat jij en anderen daar niet buiten staan, maar daar volop onderdeel van zijn. Of het nou opvoedkundig de beste strategie was, weet ik niet, maar ik kan geen stukje papier meer zien in de publieke ruimte of ik moet aan dat voorval denken en aan hoe hoog het mijn vader zat.

Een tweede moment, nog niet zo lang geleden, ook met die lading van urgentie, was tijdens de Jacoba van Tongerenlezing die jaarlijks door onze Protestantse Kerk Amsterdam wordt georganiseerd en die in 2021 door Marianne Thieme invulling werd gegeven. U kent haar vast als de oprichter van de Partij voor de Dieren. Zij is geen lid meer van de Tweede Kamer, maar zij maakt zich – dat mag niet verbazen – nog altijd druk over de verandering van het klimaat en  hoe deze vooral door de mens wordt veroorzaakt. Wat zij op een zeker moment zei, wist ik al wel, maar zij bracht het voor mij op dat moment met een grotere klaarheid en met veel gevoel voor consequentie. Thieme, zelf ook een gelovig mens, wees er op dat de grote religieuze tradities, in ieder geval zeker het christendom, de noodzaak van de bevrijding vooral in het individuele leven van afzonderlijke mensen was gaan situeren. Verlossing, bevrijding is een centraal begrip in het christelijk geloof, maar lijkt alleen op mensen van toepassing – op z’n best ook nog voor gemeenschappen van mensen, maar daar houdt het dan wel mee op. Klopt dat wel, vroeg Thieme zich af. Het klinkt een beetje raar, maar hebben dieren niet ook verlossing nodig, en geldt dat ook niet voor de wereld zelf? En zouden wij ons bevrijd kunnen wanen, zolang de dieren en de wereld niet vrij zijn – en dát dat zo is, dat lijkt hoe langer hoe moeilijker te ontkennen. De leer van de verlossing in de christelijke traditie, zo zei Thieme, krijgt pas echt betekenis als we die verlossing in samenhang zien. Geen verlossing van de mens, zonder verlossing van dier en wereld. En ik zeg haar dat graag na. Onze blik is vernauwd. We moeten weer leren denken in samenhang. Dat is niet eens een keuze. Het moet. Wij zijn van hetzelfde materiaal als onze omgeving. Wij denken misschien dat de dieren vooral van ons afhankelijk zijn, maar het is net zo goed andersom: geen bijen bijvoorbeeld – en dat is een reëel gevaar – is geen  bevruchting van gewassen en dus ook geen opbrengst. Wij moeten niet alleen onszelf verstaan in relatie tot God. Wij moeten niet alleen elkaar verstaan in relatie. Datzelfde verstaan moet ook onze leefomgeving gelden: dier en wereld. Vandaag helpt Psalm 24 daarbij – niet in de laatste plaats, denk ik, omdat die samenhang die ik noemde ook een Bijbelse intentie is. En wij mensen worden hier in het bijzonder bij betrokken.

Dat dat zo is, dat wij verantwoordelijk zijn, dat weten we natuurlijk ook wel. We hebben het aan het begin van de dienst in de lezing uit Genesis 1 en 2, het Lied van het Begin, weer gehoord: dat het geschapene ons ten dienste staat en dat wij er over moeten heersen, dat wij het onder ons gezag moeten brengen. Bedoeld is die verantwoordelijkheid, zorg om wat aan ons is toevertrouwd, maar de woorden ‘heersen’ en ‘onder je gezag brengen’ roepen toch iets anders op en hebben dat in werkelijkheid in de loop van de geschiedenis ook gedaan. We zijn dier en wereld als een object, als een ding gaan zien, dat op afstand staat en dat we kunnen behandelen zoals we dat goed achten. Dat is ook wat de woorden ‘heersen’ en ‘onder je gezag brengen’ oproepen, al is het zeker niet zo bedoeld. Genesis 1 is een al vreugde. Dat wordt tot uitdrukking gebracht in de woorden ‘En God zag dat het goed was’ die als een refrein steeds terugkeren. Diezelfde vreugde zou de woorden ‘heersen’ en ‘onder je gezag brengen’ moeten kleuren. Als je die woorden goed verstaat, is het een vrolijke verantwoordelijkheid. Het is toch anders gegaan en hoe deze woorden echt Bijbels verstaan willen worden is in het geweld dat ‘heersen’ en ‘onder je gezag brengen’ is geworden, verloren gegaan, en dat ligt uiteraard niet alleen aan de hier in Genesis gekozen woorden.

Nee, dan Psalm 24, die dezelfde intentie heeft, maar die voor wat betreft de positie en de verantwoordelijkheid van de mens toch in een heel andere toonzetting geschreven is. De inzet laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Van God is de aarde, al wat daarop leeft en al wie haar bewonen.’ Al wil je de grondvesting van de aarde in het verhaal van de schepping vooral zien als een ode, als een lied, als een prachtig getoonzette hymne, dan nog blijft de visie op onze relatie met de aarde die hieruit voortvloeit van essentieel belang: de aarde en alles wat daarop is, is een geschenk, een geschenk in bruikleen, dat we als het allerkostbaarste dat we kunnen bedenken, moeten behandelen. In deze psalm die een pelgrimspsalm is voor mensen onderweg naar Jeruzalem, wordt God als Schepper-God gepresenteerd, en de mensen mogen met Hem meelopen, naar het middelpunt van zijn Schepping: de berg Sion, de plek die door zijn heiligheid de plek is waar alles wat God bedoeld had met hun Schepping als het ware verankerd is. Ook de mens mag deze plek betreden, maar anders dan in Genesis 1 is hier geen sprake van ‘heersen’ en ‘onder je gezag brengen’, maar wordt er een hoog ethisch appèl op de mens gedaan. ‘Er zijn’, zoals God, in het midden van zijn Schepping, verlangt zuiverheid en een volledig afzien van leugens en bedrog. De mens die met God in het midden van haar Schepping staat komt ook zelf tot haar bestemming. Die leeft zoals God het ooit bedoeld had. Dat morele appèl op zuiverheid, op integriteit is daarmee geen keiharde eis, maar een uitnodiging. Niet voor niets klinkt het appèl in een pelgrimslied dat het einde van de pelgrimage bovendien als een processie bezingt, als God in de psalm uiteindelijk de tempel binnenschrijdt. Evenals Genesis 1 is de beweging van Schepper-God, die zich bekend heeft gemaakt als ‘Ik ben die ik ben’, de beweging van een lied, sterker nog: het is liturgie. De beweging van Schepper-God is een liturgische beweging, een beweging dus die Schepper-God en zijn Schepping wil vieren. Als in een beurtspraak wordt God twee keer van op de stadsmuur toegeroepen: wie is het precies die hier zijn intrek wil nemen, die hier met zijn mensen in het midden van zijn Schepping wil wonen? En de respons in deze overslaande liturgie, die Schepper- God en zijn mensen wil vieren, is: het is God zelf, die oneindig veel groter is dan de poorten verdragen, waardoor Hij naar binnen zal trekken. Deze God die koning wordt genoemd, is niet vol majesteit om zijn bestuurlijke kwaliteiten, omdat Hij goed kan heersen en kan onderwerpen, maar omdat Hij in wie Hij is volkomen zuiver is, integer, omdat zijn Naam ‘Ik ben die ik ben’ is en Hem dus in volledige overgave alle vertrouwen gegund kan worden.

Reine handen hebben, een zuiver hart, je niet met leugens inlaten, niet bedrieglijk zweren – integer zijn, een mens uit één stuk. Het klinkt als je het zo hoort als een onmogelijke opgave, maar dat is het niet. Het is in de voortgaande viering die de Schepping wil zijn met God als voorganger een hartelijke uitnodiging, waarvan de inhoud werkelijkheid wordt als je die uitnodiging aanneemt. Wie gaat meelopen in de processie, hoe onwennig eerst ook, die houdt op een gegeven moment vanzelf gelijke tred. Wie gaat meezingen in de viering van de Schepping, die stemt hoe langer hoe meer af en vindt de samenklank. Wie mee gaat doen in de liturgie van de viering van de Schepping, hoe houterig eerst ook, wordt op een zeker moment zelfs Gods mede-schepper, in alles wat die Schepping dient en tot haar bestemming brengt.

Die van God gegeven samenhang willen zien tussen Haarzelf, de mensen, de dieren, de wereld, is die te gaan vieren als het mooiste geschenk dat we ooit gekregen hebben. Onze verantwoordelijkheid, onze zorg begint er mee die te vieren in de schoonheid en de zuiverheid van de Schepping. Daarmee zijn die zorg en die verantwoordelijkheid niet in de eerste plaats een opdracht die als een last voelt, maar werkelijk een vrolijke uitnodiging, en het aannemen daarvan, dat is: mee gaan vieren, leidt als vanzelf tot alle consequenties van dien, je kunt ook zeggen: doet als vanzelf de vruchten daarvan groeien tot ze overrijp zijn en bijna te zoet om nog te eten. In die Geest zongen we het ook in het antwoordlied bij Psalm 24, Lied 880, niet ‘happy go lucky’, niet naïef, maar omdat wat ons gegeven is in de Schepping in de allereerste plaats een reden is tot dank en lof, tot feest dus, en daar wil onze zorg en verantwoordelijkheid op gebouwd worden.

Het leven op aarde is vreugde en rijkdom,
ontvouwt zich in schoonheid, fris groen brengt haar mee,
het kleurt de seizoenen, alle bergen en dalen,
van ster tot onstuimige zee.

Ons leven op aarde: fontein vol van goedheid
stroomt over in arbeid, in passie en pijn,
in de hectische steden en de stilte van wijsheid
in elk kind, onbevangen en klein.

Dit leven op aarde: een bron van genezing,
welt op in ons lachen, zingt mee in ons lied.
Brengt zorg voor de armen, geeft gemeenschap en liefde,
bevrijdt onze ziel van verdriet.

Dus houd van het leven, geef dank aan de Schepper,
wees blij met het licht van de Zoon dat ons tooit.
Voel de kracht van de Geest en volg het pad van de vrede
tot ons leven zijn tijd heeft voltooid.

Amen

28 aug

Voorganger: Nelly Versteeg, pastoraal werker Willem de Zwijgerkerk

Lezingen: Deuteronomium 24: 17-22; Jakobus 2: 1-13; Lucas 14: 1-14


Inleiding op de dienst van het Woord
Het jaarthema van de landelijke kerk voor het komende seizoen is ‘Aan Tafel’. Oranjekerk en Willem de Zwijgerkerk hadden eerder dit jaar in de veertigdagentijd het project ‘Aan Tafel’ rond het
kunstwerk van Peter Slegers, waarin hij reflecteerde op het werk ‘het laatste avondmaal’ van
Leonardo da Vinci. Het was een kapstok om diverse activiteiten aan op te hangen. ‘Aan tafel’ is ook een thema met raakvlakken met tal van bijbelse verhalen. Zoals in het evangeliefragment van deze zondag.

Jezus is uitgenodigd voor een maaltijd op sabbat in het huis van een vooraanstaande farizeeër. Er
wordt scherp op Jezus gelet. Hij heeft wat te zeggen, over tafelmanieren (zou je kunnen zeggen):
over hoe je idealiter - in Gods werkelijkheid - met elkaar omgaat. En wat zich in het klein aan tafel
afspeelt ,weerspiegelt de wereld in het groot. Wie neemt welke plaats in? Wie nodig je uit? Wie
mag aanschuiven en meedoen? En voorafgaand aan de gesprekken aan tafel geneest Jezus een
man. Nog maar kort geleden verloste hij - ook op sabbat! - een vrouw van haar ziekte waardoor ze
helemaal krom was (Lucas 13: 10-17). Nu verlost hij een man van diens waterzucht (oedeem). De
wet van Mozes verbiedt nergens om iemand op sabbat te genezen. Jezus maakt van de sabbat een bevrijdingsdag. Een bevrijding die bij de omstanders soms tot felle kritische reacties leidt (in het verhaal over de vrouw) of tot stilzwijgen (in het verhaal over de man). En de ‘zieken’: zij krijgen
hun leven terug. Ik denk dat het daar om gaat: mensen een plek, een leven gunnen.

Dat klinkt ook in de eerste lezing over het driemaal herhaalde gebod om iets van de oogst van het
graan, de olijven en de wijn te gunnen aan vreemdelingen, weduwen en wezen die geen akkers en
boomgaarden en wijngaarden bezitten. Ook Jacobus stelt de kwestie van de vooraanstaande plaatsen en het onthaal van de armen aan de orde met het oog op de geloofsgemeenschap.

We wisselen de lezingen af met verzen van lied 1001 ‘Deze wereld omgekeerd’
Het woord van God wil deze wereld omgekeerd: geen honger en dorst, geen vluchtelingen, alleen
mensen met een toekomst. Uiterlijk vertoon doet er in die wereld niet toe.
Zijn dromen dan toch ‘bedrog’ of hebben we dit visioen nodig om - hoe bescheiden ook - mee te
werken aan die ‘nieuwe wereld’ van recht en geluk?

Overweging
Gemeente van God, lieve mensen hier in de Oranjekerk, nóg een verhaal.
Een rijke jood ging met zijn slee, warm weggedoken in zijn nieuwe bontmantel, op bezoek bij rabbi
Mendel. Bij het huis van de rabbi botste hij op een arme mijnwerker die ook voor de rabbi kwam.
De rijke man liep recht naar de rabbi, maar merkte tot zijn verontwaardiging, dat rabbi Mendel
eerst de arme mijnwerker begroette. Als weldoener van de gemeente – hij had onlangs nog een
nieuw dak voor de synagoge betaald – wilde hij graag wat uitleg over de voorkeur voor die arme
mijnwerker. De rabbi antwoordde met een vraag: ‘Is die nieuwe bontjas van u echt een warme
jas?’ ‘Ja, zeker!’ zei de man. ‘Kijk, die bontjas van u houdt alleen uzelf warm. Terwijl de kolen die
deze mijnwerker gedolven heeft, het hele dorp warm houden.

Actualiteit
Wat doe je wanneer je wordt uitgenodigd? Wat doe je wanneer je een maaltijd organiseert of een
feest geeft? De setting is vandaag hoe je aan tafel met elkaar omgaat. En ‘aan tafel’ staat dan
symbool voor: hoe zijn onze onderlinge verhoudingen op allerlei plaatsen waar we ons leven
leven? Wat zijn onze manieren - als je te gast bent of als je gastvrouw / -gastheer bent? Waar ga je zitten? Voor wie is de tafel gedekt? Wie mag aanschuiven en meedoen? En wie moet het met de
kruimels of nog minder doen…?

Hoe actueel het verhaal is, ervoer ik bij de beelden afgelopen week van sommige mensen die we
liever op afstand houden, achter een hek, in de buitenlucht bij een aanmeldcentrum, voedsel dat
door een raampje naar mensen gegooid wordt. Voor wie is de tafel gedekt? Het zijn vragen die
schuren, die niet gemakkelijk zijn. En ook de antwoorden zijn niet gemakkelijk; die gaan we niet
vanochtend even vinden. Nog los van het verschil tussen een viering waarin we nadenken wat het
geloof betekent en de politieke beslissingen van alledag.

De situatie in Ter Apel is door de voorzitter van onze landelijke synode ‘godgeklaagd’ genoemd. En
de directeur van Artsen zonder Grenzen, voor het eerst in 40 jaar operationeel in Nederland, zegt
dat het hier niet gaat om een vluchtelingencrisis maar om een beleidscrisis. Omdat we met elkaar
in ons land op een of andere manier mensen weren van onze tafel. Ik denk dat ze het met recht en
reden zeggen. Ik voel er een grote onmacht bij. Vooral omdat die onmacht veroorzaakt wordt door
een breed gedeelde politieke en maatschappelijke onwil van mensen die willen dat er strenger
opgetreden wordt, mensen die bang zijn dat we iets kwijtraken als we hier ruimhartig zijn. Mensen
die tegelijkertijd vanuit een oprechte zorg reageren. Daar wil ik niets aan af doen. Ik zie de woorden van Jezus, die ons vandaag ter overdenking gegeven zijn, als spiegels om ons zelf in te bekijken. En zoals dat gaat met kijken in de spiegel, daar word je niet altijd vrolijker van.
concreet mens in nood.

In veel leesrooster wordt het stukje over de genezing (vs. 2-6) overgeslagen. Dan gaat het alleen
over het gesprek van Jezus met de gasten en de gastheer. Mij intrigeert dan waarom je deze
verzen zou weglaten als Lucas het er zo nadrukkelijk bij zet. Het is de vierde keer dat Lucas in zijn verhaal van Jezus vertelt van een genezing op sabbat. Gebeurt hier niet al iets heel wezenlijks? Iets dat Jezus doet en waarop hij later in woorden terugkomt? Eerst daden en dan woorden - om het zo te zeggen. Jezus die zelf scherp in het oog gehouden wordt, ziet de nood van de man die aan waterzucht leed; een man die niet was uitgenodigd. En ik stel me zo voor dat er rond zo’n tafel waar veel hooggeplaatsten zich verzamelen ook mensen rondscharrelen die hopen dat er ook voor hen iets van hun gading overschiet.

Bescheiden in plaats van berekenend
Daarop volgend vertelde Jezus de genodigden een gelijkenis, want Hij had gezien hoe ze de
ereplaatsen voor zichzelf kozen’. En wat wil hij dan met deze gelijkenis zeggen? Dring je zelf niet te veel naar voren. Je loopt kans op je nummer gezet te worden. Ga liever maar wat achteraan zitten. Is dat waar het hier om gaat? Bescheidenheid? Jezus besluit zijn korte gelijkenis met een ferme uitspraak: ‘Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden’. Dat klinkt helderder dan het is, als je er even wat langer over nadenkt.
Moet je jezelf dan bewust achteraan plaatsen, in de verwachting naar voren gehaald en beloond te
worden? Ja, dat kan. Dan ga je wel uiterst berekenend te werk – de zogenaamde valse
bescheidenheid. ‘Let maar niet op mij’, en dat dan zo vaak en zo nadrukkelijk zeggen, dat iedereen
het opmerkt. Valse bescheidenheid, omdat het eigenlijk een verkapte manier van trots is. Kijk mij
eens bescheiden zijn.. Is dat waar Jezus mensen voor op hun nummer zet?
Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Volgens mij is dat ‘berekenende’ nu juist wat Jezus aan de kaak stelt. Wie alleen met zichzelf bezig is, heeft geen oog voor de ander. Dat is misschien wel waar het in wezen om gaat. Als je samen aan tafel gaat, moet je juist oog hebben voor de ander. Let je op elkaar. Of die ander, jouw gast, jouw mede tafelgenoot er wel goed bij zit – letterlijk, figuurlijk. Dan gaat het dus niet om berekening, maar om rekening houden met de ander.

Gul en grootmoedig
Als ik de gelijkenis lees als een oproep om aandachtig en attent te zijn voor elkaar, krijgt dat een
uitbreiding in het tweede deel van de scene. Dat hangt er dan mee samen. Over wie je moet
uitnodigen. Niet je vrienden en kennissen, die jou op hun beurt ook weer uitnodigen. Het is, vind
ik, een bizarre oproep. Ik heb nog nooit overwogen mijn verjaardag te vieren met armen,
vreemden, zieken, mensen die ik niet ken en geen betrekking op heb. Mag ik niet omgaan met de
mensen die ik ken en waar ik me vertrouwd mee voel?
Ik denk het niet. Ook hier gaat het om die ‘berekening’, het mechanisme van ‘voor wat, hoort wat’.
Laten we dat nu eens doorbreken: ik doe iets, omdat ik verwacht dat jij wel weer iets voor mij
terug doet. En dan is gastvrijheid pas echte gastvrijheid als je ook rekent met mensen die niets
hebben om terug te doen, zoals die zieke man die wel iets verwachtte maar niets te bieden had.
Het gaat dus niet om uitsluiten, maar insluiten. Vooral insluiten wie ogenschijnlijk niets te bieden
heeft. Is dat zo, dat die zieke, die vreemdeling, die wees, die weduwe, al die mensen die vaak geen plek hadden aan de tafel, niets te bieden hebben? En dan denk ik weer aan dat verhaal van de rabbi waarmee ik begon. Hij zag iets in die mijnwerker dat de rijke man in zijn bontjas niet zag.

In Godsnaam: geluk scheppen
Maar, moet je dan echt iedereen bij jou aan tafel laten aanschuiven? Geen aanmeldcentrum meer,
geen toetsing in een asielprocedure, alle grenzen weg…?
Het treft me wel dat Jezus de man geneest - en hij is natuurlijk niet zelf de gastheer - maar hij
stuurt hem wel weg. De man schuift niet automatisch aan tafel aan.
Het gaat niet om idealisme; het gaat niet om voor alles en iedereen ruimte en plek maken; het gaat
om een andere manier van kijken, een andere manier van doen.
‘Wat als we het zo doen?’ vraagt Deuteronomium. Wat als we ons niet door gierigheid en
gulzigheid, door eigenbelang, door hebben en houden laten leiden, maar op elkaar letten, voor
elkaar zorgen, met elkaar delen, wat er overschiet aan de randen een ander gunnen? Waar de
rijken delen van hun rijkdom met wie minder heeft en niet het onderste uit de kan proberen te
halen?'
‘Wat als we het zo doen?’ vraagt Jakobus. Wat als we ons niet door uiterlijkheden en eerste
oordelen laten leiden, maar als we eens reageren met barmhartigheid, met een warm hart?
‘Wat als we het anders doen?’ vraagt Jezus. Wat als onze eerste beweging omlaag is? Zien zoals
God ziet: Hij, onze God, die troont zo hoog, slaat op het diepste diep zijn oog’ (psalm 113), waar we de dienst mee begonnen. Wat als we beginnen met oog te hebben voor wie buiten de boot vallen? Wat als we bij hen gaan zitten, hen uitnodigen, onze macht en welvaart met hen delen in het vertrouwen dat het onze toekomst niet schaadt maar kan verrijken?

Is dit niet de goede boodschap van vandaag - de uitnodiging gul en grootmoedig te zijn? Dat we
hier in dit leven - aan tafel waar we ook wekelijks herinnerd worden aan een tafel die we ook af en
toe symbolisch met elkaar vieren als we avondmaal vieren - herinnerd worden aan het geheim dat
we ook zelf genodigd zijn. Niet om wat we doen, om onze grootsheid, maar gewoon om en
ondanks wat we zijn: arm, kreupel, verlamd, blind. En daarin zijn we allemaal hetzelfde. Daarin hebben we niet altijd iets geweldigs te bieden, zijn we afhankelijk van de genade, van het goede dat God ons geeft. En daarin komen we als gelijken, als de schooiers en de zielenpieten die we zijn. Niet om het zwaar of ernstig te maken, maar uiteindelijk maken we onszelf toch niet? Genen, een gezin, opleiding, kansen, gezondheid, een netwerk van vrienden en ja, ook je eigen harde werken kunnen allemaal bijdragen aan waar je nu staat in het leven, aan wat je bereikt hebt. Hoeveel kansen heb je daarin ontvángen?

Gelukkig is wie dat beseft. En die mensen in minder fortuinlijke omstandigheden niet uitsluit maar
insluit, niet wegwerkt maar samenwerkt met hen. Want wie al die rijkdom niet heeft, die weet zich
afhankelijk. Die voelt het aan den lijve. Wat als er voor ieder van ons een plaats is aan de tafel is? In lied 388 dat we straks zingen, klinkt het refrein: Vol vreugde ziet God naar mensen die recht doen: zij scheppen geluk!

Voor geluk geschapen … Ligt het onze handen om - heel bescheiden, maar toch - misschien
anderen ook een beetje geluk te gunnen.
AMEN

21 aug

Laatste gezamenlijke zomerdienst

Lezingen: Jesaja 30:15-21 en Lucas 13:22-30

ds. Wielie Elhorst


Beste mensen, gemeente van Jezus Christus,

Wie ben jij? Wie ben jij, als Ik er niet meer ben?
Wie ben jij, als Ik er niet meer ben, en jij zegt Mij te kennen.
Wie ben jij, als Ik er niet meer ben, en jij zegt Mij te kennen. Weet ik dan wie jij bent. Ken ik jou?

Jezus is onderweg naar Jeruzalem, onderweg naar zijn uur u; dat moment waarop zal blijken wie Hij is – als alle uitleg in zijn leven, wordt blootgelegd in zijn sterven. Als er een het recht heeft om zijn leerlingen, om de mensen om hem heen, om ons de vraag te stellen: wie ben jij?, dan Jezus. Eigenlijk stel ik de vraag nog niet nauwkeurig genoeg. Het gaat hier wel degelijk om een essentiële vraag, om een vraag naar onze identiteit, maar Jezus – die voor honderd procent in zijn eigen joodse traditie staat – zou niet vragen: wie ben je, maar: wat doe je, of: wat heb je gedaan? En daarin klinkt vandaag ook de vraag mee: wat doe je niet, of: wat heb je niet gedaan?

Goed, laten we nog even een stapje terugzetten, even hernemen, voor we wat nauwkeuriger stilstaan bij die vraag, die zo indringend bedoeld is als deze nu overkomt. Ik stem graag in met de woorden van collega Van Katwijk die hier vorige week voorging, en die zich afvroeg hoe gelegen de woorden van Jezus eigenlijk zijn, woorden over vuur toen: reinigend maar ook verzengend, op een zondag die toch al de dertig graden aantikte, en minder gekscherend: in een werkelijkheid waarin de ene crisis de andere opvolgt, sterker nog: zij nu allemaal tegelijk lijken te komen, en we meer hebben aan een Jezus die een verzoenend woord spreekt dan aan een Jezus die naar eigen zeggen verdeeldheid komt brengen. Polarisatie hebben we al genoeg en het er is sinds de coronacrisis niet veel beter op geworden – ook niet in onze bredere kerkelijke gemeenschap. Een terechte vraag, maar goed, zo gaat dat met dit Woord dat deze wereld omgekeerd wil en dus inderdaad eigenlijk altijd ongelegen komt. Ook vorige week ging het om een woord uit het Lucasevangelie dat zich in hetzelfde deel van dit evangelie bevindt: een deel dat uit tien hoofdstukken bestaat en dat vanuit allerlei invalshoeken spreekt over de tijd na Jezus’ hemelvaart. Wat betekent het christen te zijn in een tijd waarin Jezus er niet meer is, in die tussentijd waarin ook wij leven tussen het ‘al reeds en het nog niet’. Wat is in die tijd waarachtig leven, echt mens zijn? Hoe herkennen wij elkaar, hoe herkennen anderen ons, hoe herkent Jezus zelf ons als mensen die toegewijd en stug op de weg blijven gaan, die Hij begonnen is te gaan?

Onderweg naar Jeruzalem, zo vernemen we, stelt iemand de vraag: ‘Heer, zijn er maar weinigen die worden gered?’ Het verhaal zegt ‘iemand’, maar met de kennis van de doorlopende gesprekken in dit deel van het Evangelie naar Lucas, kunnen we wel vaststellen dat het waarschijnlijk weer iemand is die de gevestigde religieuze orde vertegenwoordigt. De vraag lijkt zo weg te lopen uit de Catechismus: ‘Zijn er maar weinigen die worden gered’, evenals die vraag uit het verhaal dat u twee weken geleden heeft gehoord, toen deze bij de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan luidde: ‘Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’ ‘Hemeltje lief’ denk ik bij dit soort vragen. U misschien ook. Het woord ‘Heer’ inleidend op de vraag van vandaag, de aanspreektitel voor Jezus, suggereert oprechte belangstelling voor het antwoord, maar we weten dat de meeste vragen door genoemde vertegenwoordigers werden gesteld om Jezus klem te zetten, Hem vast te laten lopen, waarschijnlijk omdat zij in Jezus oprecht een gevaar zagen voor de wankele orde in een land waar weliswaar de eigen religie mocht worden gepraktiseerd, maar toch heel duidelijk was dat de uiteindelijke zeggenschap bij de bezetter lag: de Romeinen. Je vraagt je wel eens af: wat is er in die twintig eeuwen sindsdien veranderd, ik bedoel aan deze wijze van elkaar zo, vooral angstig en strategisch te benaderen? Toch wil ik de vraag waarmee ons verhaal van deze zondag opent, wel serieus nemen. Ook al ging de vraag mogelijk gepaard met een strategie gemotiveerd door angst en wantrouwen – het maakt de vraag niet minder belangwekkend. Dat laat Jezus ook zien in zijn antwoord, al antwoordt Hij niet zoals we dat misschien zouden verwachten. Hij antwoordt hoe dan ook in lijn met het vraag- en antwoordgesprek van zijn traditie: geen direct tegenantwoord dus. Jezus zegt niet ‘ja’ of ‘nee’. Hij geeft ook geen percentages. En Hij presenteert ook geen predestinatieleer die probeert te vatten hoe de uitverkiezing van mensen door God werkt. Wat Jezus oppikt uit de vraag is gevoel voor urgentie. Jezus neemt er uit op wat Hij belangrijk vindt, waar het op aan komt, wat er echt toe doet, wat verschil maakt. Hij antwoordt: probeer met alles wat je in je hebt door de smalle deur te gaan. Met die smalle deur, die Hij natuurlijk niet letterlijk voor ogen heeft, illustreert Hij de urgentie van het leven in een tussentijd, dat is: een tijd die niet in zichzelf bestaat of gekeerd is, maar die leeft van een belofte die is waargemaakt én van verwachting en van verlangen om de voltooiing daarvan. Jezus zegt niet: zus of zo zit het. Hij start bij een houding die gevoel voor urgentie aangeeft en Hij vraagt om dat gevoel, die houding te delen, dat zó dan tot beweging leidt, dat ons in beweging zet. Het lijkt allemaal nogal Spartaans: niet veel aan achter Jezus aan. Je mag niks of zo. Het is streng, streng, streng. Maar dat is toch niet wat Hij bedoelt. Die smalle deur staat voor wat en vooral wie je niet uit de weg kunt, als je achter Jezus aan wilt. En die deur is smal omdat dat wel wat van je vraagt. Er wordt achter Jezus aan steeds weer een appèl op je gedaan om niet weg te duiken of weg te vluchten, toch een andere weg te kiezen, je in je eigen bubbel op te sluiten en zeker niet door op te gaan in religieuze rituelen. Als God ergens een hekel aan heeft, dan zijn het wel religieuze rituelen die losgezongen zijn van de werkelijkheid, van dat appèl. Sla het Eerste Testament er maar op na. Wie gehoor geeft aan het appèl dat wordt gedaan, die gaat op de weg van Jezus’ en die doet het rijk van God, waar het Jezus om te doen is, even werkelijkheid worden, die laat die werkelijkheid even oplichten. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan is er een voorbeeld van: de Samaritaan geeft gehoor aan het woordeloze appèl dat de gewonde mens langs de kant van de weg op hem doet en wordt naaste, zo hoorden we van dominee to be Dorien Keus twee weken geleden. Jezus maakt de abstracte vraag naar redding concreet, en Hij maakt van deze vraag die op een moment buiten deze werkelijkheid is gericht – als ik eenmaal dood ga, ben ik dan gered of niet? – tot een vraag die voor het hier en nu relevant is. Als een echte jood spreekt Jezus over het goede handelen én/dus verbindt Hij de vraag naar redding aan de ander. Ik geloof dat dat gegeven juist voor onze tijd erg belangrijk is. Wij zijn in de loop van de tijd gaan denken dat geloof draait om onze persoonlijke verlossing. Dat is ook zo, maar zo over redding denken in Naam van Jezus is onvolledig. Er is geen redding zonder de relatie met de ander van wie je naaste bent of wordt, en ik zou er in onze situatie nadrukkelijk aan toe willen voegen: er is geen verlossing zonder de verlossing van onze aarde, waaruit wij gemaakt zijn. Ik bedoel dat niet streng, maar om de relaties die bestaan in wat verlossing vandaag zou moeten betekenen.

Jezus gaat weer flink tekeer. Hij was me er wel eentje. Rechtsverkrachters zijn jullie, zo laat Hij zich ontvallen. Toe maar. Hij zegt: als je denkt dat je er bent door quasi vroom in mijn aanwezigheid te verkeren en ‘Here Here’ te roepen en ‘oh’ en ‘ah’ bij mijn woorden, dan heb je het mis. Geloof is geen geloof als het niet wil materialiseren, als het niet ingrijpt in onze werkelijkheid, als het geen daadwerkelijk antwoord is op ongerechtigheid. Het gaat niet op in vroom christenleven. Het bestaat in het daadwerkelijke antwoord op het appèl dat anderen op ons doen, dat de wereld op ons doet, dat God op ons doet. Als je daaraan tegemoet komt, bén je dat feestbanket aan het organiseren waar Jezus zijn uitleg mee eindigt. Na het begin van zijn uitleg, dat lijkt te suggereren dat er inderdaad maar weinigen gered zullen worden, is er ten einde opeens sprake van overvloedigheid. Dat feestbanket, beeld van het rijk van God, is niet compleet als de feestzaal niet tot de nok toe gevuld is. Dat is het doel: een plek zonder onderscheid, waar iedereen tot haar of zijn of hun recht komt, waar genoeg is voor iedereen en de wijn nooit opraakt, én de wijn altijd even lekker is. De hele wereld zit aan tafel: Oost, West, Zuid en Noord. Jezus’ boodschap is een radicale en onderstreept steeds de noodzaak van het goede handelen, maar het laatste woord is feest, overvloed, genadige overvloed. Dat is andere koek, of: taart – zo u wilt. Een wereld waarin de laatsten de eersten zullen zijn en de eersten de laatsten.

Lieve mensen, noch de Thomaskerkgemeente, noch de gemeentes die huizen in de Willem de Zwijgerkerk en de Oranjekerk hoeven de last van alle anderen of van de hele wereld op zich te nemen. Het kan niet en het hoeft niet. Wel is het aan ons op onze plek in ons eigen leven en in onze gemeenschappen open te staan voor het appèl dat op ons wordt gedaan. En ik ben absoluut niet van het doemdenken, maar ik heb het gevoel dat dat appèl meer dan ooit op ons wordt gedaan. In de Oranjekerk gaan we het komende seizoen aan de slag met het thema ‘duurzaamheid’ – een beetje laat, maar beter laat dan nooit. We hebben niet de ambitie het uitsterven van de bij te voorkomen, maar we kunnen wel heel concreet aan de slag met mogelijkheden in ons eigen leven en met wat er in dit bijna 120 jaar oude gebouw kan worden aangepakt. Dit is niet alleen doen wat in deze tijd belangrijk is. Het is een daadwerkelijk antwoord op dat appèl dat Jezus doet: om wat niet deugt tegen de gaan en de hemel de aarde te laten raken. Het is echt niet moeilijk om op andere concrete thema’s te komen. Wij weten ook heel goed wanneer in ons leven dat appèl wordt gedaan dat wij eigenlijk niet mogen ontwijken, waar wij niet voor mogen wegduiken. Wij voelen haarfijn aan waar in dat appèl God zelf aan het woord is. Maar één ding: laat dit niet verkeren in een heilig moeten dat een meetlat wordt waar we anderen mee gaan waarderen. We horen Jezus’ appèl in onze werkelijkheid, we geven er gehoor aan, we werken er aan, maar ons geloof gaat daar niet in op en het is zeker geen uitgangspunt voor een oordeel over anderen. Ons geloof bestaat in wat deze hele beweging op gang brengt: de werkelijkheid van het grote feestbanket. Ons geloof bestaat in die genade, want dat is het – die genade die zelf de grond is van alles wat we doen. Als we ons oog gericht blijven houden op die werkelijkheid, als we geloven dat ons alles wordt gegeven, dan gaat dat appèl dat een uitnodiging blijkt te zijn, aan ons niet verloren. Dan zijn wij zelf deze wereld omgekeerd. Ik heb een voorstel: zullen we in de eerste gezamenlijke zomerdienst van 2023 met elkaar uitwisselen wat ons is gegeven te doen, welke uitnodiging we ontvangen hebben van de Geest, hoever we al zijn met ónze uitnodigingen aan Oost en West en Zuid en Noord en het inrichten van de feestzaal voor het grote banket? We zullen elkaar als vanzelf herkennen en het feest is helemaal compleet als de feestmeester ons herkent, van wie wij niet alleen vandaag, maar elke dag een uitnodiging ontvangen.

Amen