10 juni

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Job 1 (en 2 en verder)

 
Inleiding op Schriftlezing
Het oecumenisch leesrooster dat wij in de Oranjekerk volgen, geeft voor deze weken een alternatief spoor aan met lezingen uit het boek Job. En dat is mooi, want het boek Job staat eigenlijk nooit op het rooster, maar één zondag in de 3 jaar, terwijl het boek zoveel herkenbare vragen over het menselijk bestaan en over God ter sprake brengt. 
 
Het is goed om te weten dat het boek een wijsheidsgeschrift is en geen historisch verhaal.  Het verhaal van Job is een parabel, het wil ons iets leren over wie God is en wie niet en wat de positie is van de mens ten opzichte van God. Het is een boek dat je met geduld moet lezen, zonder al te snel conclusies te trekken over Job en God.
 
Vandaag lezen we het 1e hoofdstuk en ik zal ook nader ingaan op het 2e hoofdstuk.
In deze hoofstukken wordt een scene geschetst van God die in de hemel een vergadering heeft met andere hemelbewoners en waar satan langskomt. Let op, deze satan moet je niet zien als de duivel zoals verderop in de bijbel, maar veel meer als iemand die optreedt als aanklager, tegenstander, uitdager. Iemand die kanttekeningen zet bij de woorden van God.
God vertelt satan dat er niemand zo rechtschapen en onberispelijk is als Job. De tegenstander vertrouwt dat niet en stelt: ‘jaja, die Job is steenrijk en gaat alles voor de wind, nogal logisch dat die vroom is. Dat komt heus niet uit hemzelf, als je zijn bezit afneemt, dan is hij heus zo vroom niet meer, wedden?’.

En deze weddenschap neemt de God van dit verhaal aan.
 

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,
Voor wat hoort wat, toch?
Het bestaat niet dat mensen, zonder reden ‘om niet’ ontzag hebben voor God, zo redeneert satan als tegenstander van God. Geloof in God heeft altijd te maken met er voordeel uithalen, anders doen mensen het heus niet.  
De vraag is of hij gelijk heeft.
Zo op het eerste oog, heeft satan geen gelijk. Want aan het einde van het eerste hoofdstuk van Job, als hij alle rijkdom die hij bezat kwijt is, staat er dat Job de naam van God prijst en God geen enkel verwijt maakt.
Zoals we zongen: ‘Hoe ik ook ben, geworden tot niets, nog ziet mij die Ene’.
Job blijft ondanks de verschrikkelijke rampspoed vertrouwen hebben in God.
 
Vindt u dat normaal?
De tegenstander vindt dat niet. In hoofdstuk 2 dat we vandaag niet lezen, komt nogmaals een hemelse vergadering voor, waarbij de tegenstander beweert dat het anders zal zijn als Job daadwerkelijk tot op het bot getroffen wordt en zichzelf zal moeten prijsgeven. Dan zal er van zijn vroomheid niets meer over zijn. Weer stemt de God in dit verhaal toe in de weddenschap. Satan mag doen met Job wat hij wil als die maar blijft leven en hij treft hem met vreselijke zweren. Job wordt een schim van wie hij was. Jobs vrouw kan zijn vroomheid niet aanzien en zegt ‘vervloek God toch’. En dan staat er: 2.10Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’ Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.
 
Je zou kunnen zeggen: eind goed al goed. De tegenspeler heeft niet gewonnen, God had gelijk, Job is een voorbeeldig gelovige, dit is hoe het hoort.
 
Maar dit is pas het begin van het verhaal.
Want op de vraag van de satan, volgen de vragen van mensen: hoe zit dat met ‘voor wat hoort wat?’. Hoe werkt het met God in deze wereld en waar kunnen we op rekenen? Is het zo dat het lijden in deze wereld van God komt? En heb je dat te accepteren?
 
De zin ‘De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen’ (1:21) is volgens sommige commentatoren één van de meest misbruikte zinnen uit de Bijbel. Alsof alles wat er aan ellende gebeurt in deze wereld uiteindelijk goed zou zijn.
Alsof je alles maar als van God gegeven (en genomen) moet accepteren.
Alsof vroomheid bestaat uit passief aanvaarden.
 
2. Zo is het in ieder geval niet bij Job. 
Want nadat zijn vrienden zijn gekomen om hem bij te staan in zijn ellende en zij zeven dagen zwijgend bij Job hebben gezeten, komt het moment dat Job zijn mond opendoet en de dag van zijn geboorte vervloekt. Job wenst dat hij niet geboren was. Hij wou dat hij dood was. Dat zijn heftige woorden van een andere toon. Ze geven aan hoe diep de ellende is waarin Job zich bevindt.
 
Tot nu toe onthielden de vrienden van Job zich van commentaar. Ze zagen de grote pijn van Job en zwegen. Maar nu na zeven dagen Job zo zijn geboortedag vervloekt, beginnen ze tegen hem te spreken en wel zo: ze willen Job ervan overtuigen dat hij het toch echt over zichzelf heeft afgeroepen als God hem zo straft.
Zij redeneren net als de satan: God zal toch niet zonder reden, om niet, laten gebeuren wat er met Job gebeurt? Job is vast en zeker schuldig aan zijn eigen lot. Hoofdstukken lang praten de vrienden op Job in dat hij toch echt iets verkeerd zal hebben gedaan en door zijn knieën zal moeten gaan. Zijn dat nou vrienden, kun je je afvragen. En dat vraagt Job zich ook hardop af.
Maar meer nog verzet Job zich voluit tegen hun woorden, tegen hoe zij redeneren over het aandeel van Job en van God in dit lijden. En Job verzet zich tegen zijn lot. Job weet dat dit lijden onverdiend is, dat onschuldig lijden bestaat, en hij wil niet geloven dat God dat niet ziet.
Job gaat de strijd aan met God. Hij roept God ter verantwoording.
De Job die heeft gezegd ‘De HEER geeft, de HEER neemt, de naam van de HEER zij geprezen.’ die Job laat het er niet bij zitten. Die Job verwacht iets anders van God.
Voor wat hoort wat? Niets daarvan.
Job lijdt onschuldig, dus waar blijft God?
 
3. Een antwoord op die vraag waarom hij zoveel te lijden heeft, zal Job niet krijgen.
Op die vraag naar het waarom van het lijden van mensen geeft het hele verhaal ook ons geen antwoord. Het verhaal van Job wijst ons alleen op wat het antwoord niet is: het is niet omdat het een straf is van God, of omdat de mens het er natuurlijk zelf naar heeft gemaakt.
 
Het verhaal laat ons ontdekken dat ‘voor wat hoort wat’ niet opgaat voor God en geloven.
God dienen betekent niet dat je erop kan rekenen dat jou geen ellende treft. Ellende ondervinden, betekent niet dat je dat verdiend hebt. Zo te redeneren is al te menselijk en doet geen recht aan al het leed in deze wereld en aan God.
 
De vrienden van Job, net als zijn vrouw, net als mensen in de 5e eeuw voor Christus en zovelen in deze tijd, gaan ervanuit dat er een systeem is rond het lijden dat mensen treft– dat je kunt weten hoe het zit en je daaraan moet onderwerpen.
 
Job doet daar niet aan mee. Daarvoor is zijn lijden te groot. Zijn bezit en zijn identiteit is hij kwijt, maar hij weigert God eraan te geven. Hij verlaat God niet om wie God is. God is immers hét adres om zijn beklag te doen, de Enige die een eind kan maken aan zijn lijden door hem het leven te ontnemen.
 
4. Ja, Job zal tot het eind toe zijn zoals God heeft gezegd ‘hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’ En dat zit in het niet toegeven aan een voor-wat-hoort-wat redenering, in niet lijdzaam accepteren van het onschuldig lijden dat hem treft. Job houdt vast aan God door vragen te stellen bij wat hem overkomt en geen enkel goedkoop antwoord te accepteren.
 
Satan heeft geen gelijk.
Het bestaat wel, dat een mens trouw is aan God, onder alle omstandigheden.
Job is trouw juist onder zijn luid protest.

Laten we dat vooral willen horen.
Amen

20 mei

Ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Genesis 11:1-9 en Handelingen 2:1-11


Inleiding op de Schriftlezing
Hoe word je mens, wat is nodig voor een bewoonbare wereld en een menswaardig bestaan? Daarover gaan de eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Genesis. Deze verhalen vertellen ons niet wat ooit eens gebeurde, maar ze gaan over wat altijd opnieuw en ook nu aan de hand is in het leven van mensen op deze aarde.
God schept de hemel en de aarde en ziet dat het goed is, zo begint Genesis.
Maar wij zien dat er veel niet goed is. Wat gaat er mis? Wat moet er gebeuren?

De eerste verhalen uit Genesis laten zien hoe God de aarde zo inricht dat er goed te leven valt.
God geeft de mens daarvoor een helper, een medemens, om tot samenleving te komen.
God geeft leefregels als bescherming tegen een grenzeloos en daarmee kwetsbaar bestaan.
God wijst op broederschap, op de mens die de ander nodig heeft voor een menswaardig leven.
En God doet een belofte met als teken een regenboog. God zal nooit meer inzetten op het vernietigen van het kwade maar op het behouden van het goede van mens en aarde.
Zo schept God ruimte om te leven.

En wat doen de mensen? Wat doen wij?

Vandaag horen we het verhaal dat eindigt met de Babylonische spraakverwarring waarmee God de mensen verstrooit over de hele aarde.
En we horen het Pinksterverhaal uit Handelingen waarbij juist vanuit de hele aarde mensen toestromen naar Jeruzalem.
Daar komt God opnieuw ter sprake. En hoe!

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Kent u dat verlangen om naam te maken, beroemd te worden, de wereld te veroveren, de hemel te bestormen…?

De mensen in de vlakte van Sinear zijn het vast van plan. Zij hebben de ambitie een stad te bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Een poort tot God moet het zijn, ‘Babel’. Eensgezind zijn ze in hun streven, zij verstaan elkaar in dit plan, samen staan ze sterk. Dit gaat wat worden! The sky is the limit!

Maar de goede verstaander hoort dat de kleiblokken die nodig zijn voor de bouw dezelfde zijn als die de slaven in Egypte maken. Slavenarbeid is dus nodig om deze ambitie waar te maken.
Een poort tot God is het idee, maar niet om God te bereiken, maar om naam te maken en roem te verwerven voor zichzelf, men wil zelf god zijn.
Met God heeft de hele onderneming sowieso niets te maken, want in alles is er contrast tussen wat de mensen bedenken en wat God wil. Ga maar na: de mensen hebben de opdracht gekregen: ‘wees vruchtbaar, wordt talrijk en vervul de aarde’. (Gen 9: 2)
Maar wat doen ze? Ze verspreiden zich niet, maar klitten bij elkaar.
Ze bewonen niet de aarde, maar concentreren zich op één plek met als doel: macht, als drijfveer: angst en als middel: éénheid van taal en identiteit.

Eenheid is belangrijk, alle neuzen dezelfde kant op, iedereen ondergeschikt aan dat ene plan, want stel je voor, als ieder mens een eigen manier van doen zou hebben, als je niet zou weten wat je van de ander mag verwachten, als de één grote plannen maakt en de ander daar niets voor voelt, stel je voor als alles niet zwart of wit is, maar genuanceerder ligt, dan kan de boel zomaar uit elkaar vallen. Waar kan je dan op bouwen? Dan kan het alle kanten op in de wereld. En dan is de mens, dan ben ik overgeleverd aan … wie ik ontmoet of…, ja…, aan God.

2. Babel betekent in het Babylonisch ‘toegang tot God’, maar datzelfde Babel betekent in het Hebreeuws ‘verwarring’. Als God ziet waar de mensen toe in staat zijn, tot het vormen van een totalitaire staat, waarbinnen enkel met één mond gesproken kan worden, dan grijpt God in.
God zorgt voor verwarring in de massieve, overtuigde eensluidende taal. De mensen verstaan elkaar niet meer en gaan vervolgens hun eigen weg. Die verwarring, dat is geen straf van God, God vernietigt daarmee niet het kwade, maar het zet in op wat goed is: namelijk dat ieder mens zijn eigen weg gaat op de aarde en daarmee de aarde tot in de uiterste hoeken bewoont.
Door de spraakverwarring komt er weer ruimte in het leven van mensen, zoals in al die verhalen van Genesis het scheppen van levensruimte doel was van God.
In de verwarring en de verspreiding die erop volgt, ligt een nieuw begin.

3. Toch is dat niet gemakkelijk, iedereen zijn eigen taal en zijn eigen manier van doen. Iedereen die wel eens naar het buitenland reist zal erkennen dat het toch wel heel gemakkelijk is als de mensen daar een woordje Engels spreken…

En in de eigen buurt of kerk werkt één taal of één stijl toch ook het beste? Dan weet je tenminste wat je aan elkaar hebt. Het is toch fijn om bij deze gezamenlijke dienst vooral veel te herkennen en gemeen te hebben met elkaar?

Met Babel in ons achterhoofd moeten we zeggen: hopelijk verstaan we niet alles wat hier gebeurt en begrijpen we niet alles van elkaar. Want waar brengt ons dat? Misschien wel bij het idee dat wij hetzelfde moeten zijn om het goed te hebben met elkaar.
Als we één taal spreken is er het gevaar dat we in plaats van alleen voor onszelf, voor het geheel denken te kunnen spreken en andere stemmen niet aan bod komen. Dan wordt het hebben van een goede naam, belangrijker dan luisteren naar ieders verhaal. Dan is er geen aanleiding tot ontmoeting met wie van buiten komt.

De spraakverwarring van Babel leert ons los te laten wat niet in onze macht ligt. Streven naar eenheid mag nooit leiden tot streven naar uniformiteit. Want dan krijgt de mens geen ruimte voor zijn eigen verhaal.
Overal op aarde leven mensen met hun eigen taal en eigen gewoonten. Overal in Amsterdam-Zuid zijn mensen met een eigen manier van doen en van spreken.
En gelukkig maar, want alleen in die verscheidenheid is ieder mens uniek en kunnen we de veelzijdigheid van God, naar wiens beeld we geschapen zijn, op het spoor komen.

4. In Jeruzalem komen ze samen om Pinksteren te vieren, de mensen die verstrooid zijn over de hele aarde, we horen dat alle windstreken vertegenwoordigd zijn van Rome en Asia, tot Egypte en Mesopotamië.  
Weer is er sprake van taalverwarring, maar nu is de verscheidenheid aan taal geen beperking van hoever mensen kunnen reiken, maar geeft het hen juist alle ruimte – want ieders eigen taal dient God. Ieder hoort in zijn eigen taal over de grote daden van God.

Dat er maar één manier van spreken over God is, dat is na Pinksteren niet vol te houden, dat past niet bij God en dus past het niet bij wie mensen zijn. Maar we kunnen wel één zijn als we allemaal geraakt worden door de grote daden van God, zoals daar in Jeruzalem.

En zo stuurt de Geest van Pinksteren ons de wijde wereld in om ieder op onze eigen plek en manier woorden te geven aan wat we van God ervaren. En dat ook van een ander te willen horen.
Binnen de kerk en daarbuiten hoeven we niet krampachtig te zoeken naar één overkoepelende structuur, één manier van zeggen, één identiteit. Het is niet aan ons de hemel te bestormen, maar de aarde te bewonen. Als prestigeprojecten komen stil te liggen komt er weer ruimte voor de menselijke maat, dan gaat het niet meer om roem en faam, om eigen identiteit en veiligheid, maar om de verscheidenheid van mensen en ieders eigen verhaal, om de ruimte die God geeft.

Kent u dat verlangen om een eigen naam te hebben, om gekend te worden door een naaste, en dat het dagelijkse er toe doet, dat je in eigen woorden mag spreken over God…?
Amen.

13 mei

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing Genesis 6:5-22, 8:1-14 en 9:8-17 ‘Noach’


Kinderverhaal
Alle kinderen zitten in de kring, want meester Bart gaat een verhaal vertellen.
Wie kent het verhaal van Noach?
(...)
Ja, Noach moet van God een doos bouwen, een ark, en daarin van alle dieren twee brengen, zodat die overleven als God de hele aarde onder water zet.

Als meester Bart klaar is met vertellen zegt hij: en nu zijn jullie aan de beurt!
Alle kinderen krijgen een groot vel papier, een doos met verf, een beker water en een kwast.
Ze mogen het verhaal gaan verven.
En iedereen gaat aan de slag.
Maar o jee, opeens stoot Kai zijn beker water om en het water stroomt over de tekening van Marlies. Mijn hele tekening is weg! roept ze. O nee!
Meester Bart pakt de tekening en hangt hem met twee knijpers aan een lijn op om te drogen.
Nu is er niets meer van over! zegt Marlies.
Jawel, zegt meester Bart, ik geef je een nieuw papier en kijk dat is je doos met verf. Begin maar gewoon opnieuw.
En dat doet ze. En iedereen werkt door.
Totdat opeens Sam roept: kijk, meester!
En hij wijst naar de tekening aan de lijn. En iedereen ziet het: ‘wow, de tekening is opgedroogd en nu de zon er doorheen schijnt zie je precies alle kleuren van de regenboog!’
Dat hebben jullie knap gedaan, zegt meester Bart lachend tegen Kai en Marlies.
Huh, zeggen zij, dat hebben wij toch niet gedaan?

Inleiding op de Schriftlezing
In deze tijd van Pasen tot Pinksteren lees ik met u uit het Bijbelhoek Genesis. Een boek dat gaat over hoe je mens wordt, verhalen die gaan over nu.
We hoorden over de eerste mens die een helper kreeg, een tegenover, waarmee samenleving mogelijk werd. We hoorden over Adam en Eva die zich lieten leiden door de wijsheid van de slang, die uitgaat van ‘zorg voor jezelf’. En we hoorden over de mens en zijn broer, Kain en Abel, waarbij Kain ontkende verantwoordelijk te zijn voor de kwetsbare ander.

Het verhaal van de zondvloed gaat over één mens, Noach, met wie God opnieuw begint. Toen God de hemel en de aarde schiep zag God dat het goed was. Maar in de tijd van Noach ziet God het kwaad op de aarde. De mensen zijn vol van zichzelf, dragen geen zorg voor elkaar, en leven zonder aandacht voor God. De orde die God heeft geschapen, is een wanorde geworden. De wereld een onderwereld. God heeft spijt van zijn schepping. En zoals ooit de chaos van de oervloed over de wereld lag en God droog land tevoorschijn riep als bewoonbare aarde, zo wordt nu de aarde weer onder een watervloed bedolven.
Noach is de énige die wel leeft met God. God geeft hem de opdracht om een ark, eigenlijk een kist te bouwen om daarin de goede schepping te bewaren, zodat God daarmee een nieuw begin kan maken.

Het verhaal over Noach is een lang verhaal verspreid over vier hoofdstukken. We lezen daaruit drie gedeelten die we met elkaar verbinden door het zingen van een lied.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Adam en Eva laten zich verleiden door de slang en kiezen voor eigen wijsheid in plaats van trouw aan God. Zij ontdekken de kwetsbaarheid van een grenzeloos bestaan.

Kain voelt zich niet verantwoordelijk voor zijn kwetsbare broer Abel, hij wil enkel van zichzelf uitgaan. Maar zonder broederschap blijkt hij ook zelf geen leven te hebben.

Wat nu kunnen we leren van het verhaal van Noach?
Van Noach horen we dat hij ‘genade vond in de ogen van God, dat hij leefde in nauwe verbondenheid met God en deed wat God hem opdroeg’. Noach is iemand aan wie we een voorbeeld moeten nemen. Leef zoals hij, in gehoorzaamheid en nauwe verbondenheid met God dan zul je leven, dat is de boodschap van de Bijbel, maar het lijkt mij niet de kern van dit verhaal. Daarvoor is Noach een te kleurloze persoon. Ga maar na: in het hele verhaal horen we nergens wat er in Noach leeft. Hoe kunnen we ons ooit in hem herkennen?

We horen, bijzonder genoeg, wél wat God voelt en denkt. God heeft spijt dat hij mensen heeft gemaakt en voelt zich diep gekwetst. God wil de mensen en de dieren van de aarde wegvagen. En als de grote vloed alles met levensadem heeft vernietigd, vergeet God Noach en de dieren in de ark niet. En God sluit een verbond met al wie leeft op de aarde en belooft dat er nooit weer een zondvloed zal komen om de aarde te vernietigen. En God stelt, voor zichzelf nog het meest, een boog als teken in de wolken ter herinnering aan dit verbond.

Het verhaal van Noach, gaat niet zozeer over Noach, maar vooral over God en over hoe God omgaat met mensen. En het stelt ons de vraag of wij met deze God in zee willen gaan.

2. De naam Noach betekent troost of rust. Waar zitten voor ons de troost en de rust in dit verhaal? Als je zelf het hoofd haast niet boven water kunt houden, of op dit moment van je leven geen vaste grond onder de voeten voelt, of overspoelt wordt door angst, dan is het wellicht confronterend om te lezen dat het God is die watermassa’s uitstort over de aarde om zo alles te vernietigen.

Laten we ervoor kiezen om, net als Noach, dicht bij God te blijven en oog te hebben voor wat in God omgaat. God schiep uit de chaos van de oervloed orde en land waarop de mensen vruchtbaar konden zijn. Maar de mensen hebben met onrecht de goede aarde bedorven. Niet God maakt een einde aan de goede schepping, dat doen de mensen door geen zorg te dragen voor al wat leeft en voor elkaar.
God vernietigt dan ook niet de goede aarde, maar het kwade op de aarde. En de watervloed is als de oervloed van het begin. Het schept ruimte voor een nieuw begin. Niet helemaal nieuw trouwens, God schept de goede aarde niet opnieuw, maar geeft de goede schepping, die bewaard is gebleven in een kistje, een nieuwe kans.
Dat gebeurt niet van vandaag op morgen. Tergend langzaam duurt de herschepping van de aarde. Jaren, maanden, dagen, horen we genoemd. En wat opvalt: er komt steeds meer ritme in de tijd. Totdat het gaat over 7 dagen wachten en de duif die drie keer weg vliegt. Heilige getallen. Volle getallen. De duif keert niet meer terug. De vrede daarmee wel.

3. Nog wel het meest misschien bij God. God had aan het begin van het verhaal spijt dat Hij de mensen had gemaakt, aan het eind heeft God spijt dat hij de aarde heeft vernietigd. ‘Nooit meer’ belooft God aan zichzelf en aan de mensen. Waarom? Omdat het uiteindelijk niet de weg is. Al het kwaad vernietigen om het goede te behouden, dat kun je één keer doen, maar het lukt maar ternauwernood. Vanaf nu zal God niet meer al het kwade vernietigen, maar inzetten op het goede. Op mensen die recht doen.

4. ‘Ik zou je het liefste in een doosje willen doen’. Heel het verhaal over Noach, of over God, laat zich lezen als een verhaal over Iemand die het liefste wat Hij heeft veilig opbergt in een doosje zodat het niet verloren gaat. God bewaart alles wat goed is van de schepping in een kistje, de ark en beschermt het tegen  het kwade in de wereld, door dat kwade te vernietigen. Het water van de vloed vernietigt alles, maar het kistje, wordt juist door dat water van de dood hooggehouden en gedragen.
Niet voor niets is dit verhaal van Noach een verhaal dat ook bij Pasen hoort en bij de doop, want door het water van de dood heen, ontstaat ruimte voor nieuw leven.

God legt zich niet neer bij het kwaad dat mensen elkaar aandoen. De schepping die goed begon, mag niet eindigen als mislukt. God houdt vast aan het oorspronkelijke plan.  En als de duif over het water zweeft en een plekje vindt om neer te strijken om te rusten, dan begint de schepping opnieuw. En God begint opnieuw met de mensen – met een nieuw verbond dat voor alle mensen geldt: Hij wil hen behouden.

5. God die spijt krijgt van zijn schepping en die vervolgens spijt krijgt van zijn vernietiging van de aarde. God die gekwetst is door wat mensen doen en die vervolgens zichzelf tot de orde roept: dit nooit weer.
Wat is dat voor God? Wat wil dit verhaal ons daarover leren? God zet alles op alles, niet om zichzelf veilig te stellen, maar om de mensheid te redden. God belooft beterschap. Het is haast te gek voor woorden. Waarom stelt God zich zo dienstbaar op aan mensen?
Goed beschouwd blijkt in alle verhalen uit het eerste deel van Genesis dat God gericht is op een goed leven voor alle mensen, en dat goede leven betekent dan samenleven in verbondenheid met God.
God geeft de mens daarvoor een helper, leefregels, en de belofte van de regenboog. Alles wat God doet, is gericht op het behoud van mensen.

6. Als dit het is: dat God alles op alles zet voor een bewoonbare aarde, voor een plek waar ieder van ons kan neerstrijken en kan rusten… dan wijst dit verhaal ons vooral op onszelf,  op onze verantwoordelijkheid om deze goede schepping te bewaren. Om zo te leven dat niet het kwade maar de menselijkheid de overhand krijgt.
De vraag: hoe worden we mens, krijgt met het verhaal van Noach deze nadruk: door het zelf te doén: door te beseffen dat wij aan zet zijn, wij nodig zijn, voor God, om het waar te maken. We moeten niet bang zijn voor onze vernietiging, maar geloven in schepping en scheppingskracht, in deze wereld en in onszelf.

Ik wilde hier ‘amen’ zeggen, maar toen viel mijn oog op deze woorden van Etty Hillesum, die zij schreef als Joodse vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog: ‘Ik zie geen andere weg, dan dat ieder van ons inkeert in zichzelf en in zichzelf uitroeit en vernietigt al datgene, waarvoor hij meent anderen te moeten vernietigen. En laten we ervan doordrongen zijn dat ieder atoompje haat dat wij aan deze wereld toevoegen haar onherbergzamer maakt dan ze al is’

En toen dacht ik aan deze God van Noach, die zichzelf tot de orde roept, om niet meer te vernietigen. Dit is de vaste grond onder onze voeten, God die zegt: ‘Mens, leef in vertrouwen op Mij op deze aarde, want om jou is het Mij te doen’. Amen.

22 april

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Genesis 4: 1-16

 
Inleiding op de Schriftlezing
In deze tijd van Pasen tot Pinksteren lezen we uit het Bijbelhoek Genesis over het ontstaan van de aarde, de mens en zijn medemens.

Vorige week hoorden we Genesis 3 over de mens en zijn vrouw die in de tuin voor een keuze komen te staan: leven ze in vertrouwen op God en verbonden met elkaar, of laten ze zich leiden door de wijsheid van de slang die uitgaat van de strijd om het bestaan, het ‘redt u zelve’, het ikke ikke ikke en de rest kan stikken. De mens en zijn vrouw volgen de wijsheid van de slang en houden zich niet aan wat God hen gebood. Ze verliezen de vrijheid die zij hadden in de tuin. Buiten de tuin moeten zij leven, als kwetsbare mensen.

Vandaag gaat het verhaal verder met de zonen van deze mens Adam en zijn vrouw Eva. Maar eigenlijk is het niet het verhaal van twee zonen. Het is het verhaal van de oudste zoon, Kain, ‘geschonken leven’ is zijn naam, die een broertje heeft, Abel, waar het amper over gaat. Dat broertje zegt niets, z’n naam betekent ‘dampje, ijle lucht’, hij stelt niet veel voor. Maar daar denkt God anders over. God heeft aandacht voor dat kwetsbare leven, en dat is iets wat Kain niet kan aanzien.
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
We zongen:    ‘Het bloed van Abel roept nog steeds tot ons geweten.
Wie ’t zingend overstemt is Kains deelgenoot’. (lied 272)
U snapt waarom ik dit lied koos om te zingen, maar wat een tekst! In twee zinnen worden we medeplichtig gemaakt aan het verhaal van vandaag. Het bloed van Abel roept tot ons geweten en zo niet, dan zijn wij als Kain.
 
Medeplichtig of niet, wij zijn sowieso als Kain. Want hij staat symbool voor de mens. Er is in dit verhaal geen keuze om je als Kain of als Abel te voelen. Het verhaal gaat met Kain mee en de uitdaging aan ons als lezer is om ons te identificeren met de dader en zo te leren hoe we op aarde moeten leven, te ontdekken dat het van levensbelang is hoe we samen leven met een ander.
 
Toen Adam nog alleen was, zag God dat het niet goed was, de schepping, en maakte voor de mens een tegenover, een helper. En Adam zag iemand net als hij, zijn eigen gebeente, zijn eigen vlees, en noemde haar ‘vrouw’.
Kain heeft ook een tegenover, iemand net als hij, het is zijn broer Abel, maar Kain ziet hem niet. Lucht is zijn broer voor hem. God ziet Abel wel.
 
Als Kain en Abel beiden een offer brengen aan God, dan heeft God alleen oog voor het offer van Abel.
Is dat gemeen van God, of juist logisch? Mag het dat God kijkt naar de jongste?
Er is wel gesuggereerd dat het offer van Abel beter was, meer recht uit het hart, vromer of zoiets. Maar dat staat hier allemaal niet. Dit staat er: God heeft alleen oog voor het offer van Abel en Kain wordt woedend, zijn blik donker. Is hij jaloers? Voelt hij zich gepasseerd?
 
Wat het ook is: Kain heeft geen oog voor datgene, of diegene, waar God oog voor heeft, zijn broer. En Kain doet daarmee maar de helft van waar het bij God dienen op aankomt: hij brengt een offer aan God, maar negeert zijn naaste. Terwijl die twee nu juist bij elkaar horen!
Liefde voor God en voor de ander zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
 
Waarom wordt Kain zo boos? Dat vraagt God hardop. ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’
God spreekt Kain aan en houdt hem bij de les: kijkt uit dat je niet in de greep komt van je woede, van je haat, wat dan gaat het mis. Dan verlies je de ander uit het oog.
 Het gaat mis. Kain slaat zijn broer dood. Waarom? Dat blijkt als God vraagt: ‘Waar is Abel, je broer?’.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordt Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’
Een brutaal antwoord eigenlijk, als je weet wat Kain net heeft gedaan. Een verdraaiing ook van de vraag van God. God vraagt of Kain naar zijn broer wil omzien, Kain vraagt zich af of hij soms zijn leven in dienst moet stellen van zijn broer. Nee, of hij wil omzien naar zijn broer, dat is de vraag.
2. En dat was teveel gevraagd. Daar voelde Kain zich niet toe geroepen.
Die vraag ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ (NBV Moet ik soms waken over mijn broer?) past bij de wijsheid van de slang. In die wijsheid komt geen broeder voor. Die gaat uit van het idee dat je je broer niet nodig hebt, dat leven gaat om de strijd om het bestaan en hoe je daar zélf goed uitkomt, op jezelf.
Het is een andere wijsheid dan de leefregels van God waarbij mens zijn gaat om medemens zijn. Waarbij je broeder iemand is, een ‘jij die mij ik maakt’, zoals we zo zullen zingen.
 
De aandacht van God voor de nietige medemens, de kwetsbare broeder, het dampje, dat doet de mens met naam, Kain, tekort. Kain heeft zijn jaloezie en woede niet kunnen beteugelen.
De mens die in de weg staat van zijn eer, zijn leven, moet uit de weg geruimd. Dan staat hij tenminste volop in de aandacht. Of niet?
Nee, niet. Zonder broederschap, medemens, heb ook jij geen leven.
 
Wat volgt is dat Kain het veld moet ruimen. De aarde die hij bewerkte, die nu doordrenkt is met het bloed van zijn broer, moet hij verlaten.
Opnieuw heeft de mens verkeerd gekozen. Gekozen voor het ik, tegen God, tegen het wij. De mens die alles geboden krijgt om te leven, geeft macht aan het kwade. Aan de haat.
En daar heeft hij juist zelf het meeste van te vrezen. Kain vreest voor zijn leven, nu hij het land moet verlaten en gaat dwalen over de aarde. Maar God is zoals altijd op het leven gericht. Nu beschermt God hém. Kain krijgt een teken, opdat niemand hem zal doden. God laat hem dus niet zomaar gaan.
 
3. Terug naar het begin. God schiep de hemel en de aarde en zag dat het goed was, zeer goed. Hij schept de mens en een helper voor de mens. Alles is er om tot een samenleving te komen.
En dan gaat het mis. Verleiding, schaamte, jaloezie, woede, haat en doodslag.
Dit verhaal is het verhaal van de mens, toen en nu. Het is een verhaal dat ons wat wil leren over mens zijn.
En de kern is ‘Waar is Abel, je broer? Bij alles wat je doet in je leven én zeker wanneer je je richt op God gaat het erom oog te hebben voor de minste van de mensen, voor de ander ook als die niets voorstelt.
 
Als de blik van Kain donker wordt, spreekt God met Kain en schetst zijn keuzes. Hij kan zijn woede keren, door het goede te kiezen. Of hij volhardt in het kwade en laat zich daardoor leiden. ‘Jij moet sterker zijn dan die kwade neiging’, zegt God. Dat kán dus.
Maar waar Kain voor kiest, is dit: ‘Kain zegt tegen zijn broer Abel’... …  Kain zegt niets.
Als u de tekst erbij pakt kunt u zien dat in vs. 8 een stukje tekst tussen haken staat ‘Laten we het veld in gaan’. Deze tekst was er niet in de oorspronkelijke tekst, maar is later toegevoegd, omdat het logisch lijkt in het verhaal dat Kain dat zou hebben gezegd. Anders is er zo’n gek gat in de tekst.
 
Maar wat als dit nu precies is, waar het misgaat! Had Kain maar iets tegen zijn broer gezegd, hem aangekeken. Dan had hij de kans gehad hem te zien als zijn naaste, net als hij, hetzelfde gebeente, hetzelfde vlees. Geen lucht voor hem, maar herkenbaar aan zijn stem of zijn ogen als zijn eigen broer.
Niet door het offer of zijn jaloezie begaat Kain zijn moord, maar doordat hij de ander weigert te zien als broer, niet wil accepteren als medemens, die een beroep doet op zijn aandacht en zorg en bescherming.
Kain is niet sterker dan zijn woede en jaloezie.  
 
Kun je de ander blijven zien als mens, ook al ben je woedend, tot op het bot gekwetst?  
Kun je de woede stoppen zodat die niet overslaat en alles overheersend wordt?
Want als dat gebeurt, dat is te zien aan Kain, dan is er geen rust meer, geen veilige plek, dan ben je zelf opgejaagd wild, altijd op de vlucht. Dit kwaad straft zichzelf.
 
4. ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’, vraagt Kain. ‘Ja, je moet omzien naar je broer’, is het antwoord uit dit verhaal. Want als je niet omziet naar je broer, dan loopt het leven van de mens gevaar, dat van de ander en ook van jou. Alleen waar mensen naar elkaar omzien, goed doen aan elkaar, is er geen sprake van jij in strijd met mij, dan is in vrede samenleven mogelijk.
 
Is dit nu de moraal van het verhaal ‘doe goed aan de ander?’. Het ligt natuurlijk veel ingewikkelder dan dat, dat is wel duidelijk. Het verhaal stelt ons deze vraag: Wil jij, ook in je woede en jaloezie, ervoor kiezen het goede te doen en de ander aanzien als mens?

Amen

15 april

ds. Jantine Heuvelink

Lezing Genesis (2:25) 3: 1-14

 
Inleiding op de Schriftlezing
In deze tijd van Pasen tot Pinksteren stelt het leesrooster een alternatieve route voor met lezingen uit het Bijbelhoek Genesis. We zijn begonnen bij het scheppingsverhaal. In de Paasnacht lazen we Genesis 1 over de schepping in zes dagen en de zevende dag als rustdag en over God die zag dat het goed was. Op Paasmorgen hoorden we uit Genesis 2 dat God zag dat het niet goed was, niet goed dat de mens alleen is. God schept voor de mens een tegenover, een helper. En zo ontstaat samenleving, de medemenselijkheid.
God plaatst de mens in de tuin en zegt dan: (2: 16b-17) ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
 
Vandaag pakken we het verhaal op bij de laatste zin van Genesis 2 en lezen door in Genesis 3 en horen over hoe het verder gaat met de mens en zijn vrouw in de tuin.
 
Overweging
Van Nico ter Linden hoorde ik deze chassidische, Joodse, legende:
Er zat in Krakau een rabbijn gevangen omdat men hem staatsgevaarlijk achtte. De cipier die de rabbijn bewaakte was rationalist en vroeg aan de rabbijn: ‘Als jullie God alwetend is, waarom vroeg hij dan ‘Adam, waar ben je?’.
De rabbijn antwoordde: ‘God bedoelde dat anders dan jij denkt. Adam was toen 42 jaar. God vroeg dus eigenlijk: ‘jij bent nu 42 jaar, maar waar ben je in je leven?’.’
De cipier schrok. Hij was 42 jaar.
 
1. Mens waar ben je? Waar ben je mee bezig? Waar bevind je je op je levensweg?
 
De verhalen uit Genesis gaan over de mens die wij zijn.
Over wat misgaat in ons mens-zijn. Hoe dat komt.
 
Een conclusie die we uit het verhaal van de mens en zijn vrouw over God kunnen trekken, is deze: God geeft een kader aan het leven van mensen, dat bestaat uit een ruimhartig aanbod om in ál het goede wat er bestaat te mogen delen, één uitzondering is er, één grens: de boom van goed en kwaad, daarvan mogen ze niet eten, de wijsheid, de wet van God, die moeten ze niet aantasten, dat is de dood in de pot’.
 
Een conclusie die we kunnen trekken over de slang in het verhaal, is dat deze niet staat voor het kwaad in deze wereld, maar voor een andere wijsheid dan die van God. De sluwe, listige slang gaat niet uit van het goede, van wederzijdse hulp en vertrouwen op God. De wijsheid van de slang gaat uit van de strijd om het bestaan, van het ik en de ander als bedreiging, van eigen wijsheid.
 
Op twee manieren zorgt de slang dat de mens en zijn vrouw van God vervreemden en van elkaar.
 
Allereerst draait de slang de woorden van God om. Hij vertaalt het positieve in iets negatiefs.
God zei dat de mensen van alle bomen mochten eten behalve één.
Maar de slang zegt: ‘Is het echt waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’…
De vrouw hapt toe als de slang dit zegt. Ze begint uit te leggen hoe het zit, maar zegt allerlei dingen anders dan hoe God het heeft gezegd. Ze volgt de manier van spreken van de slang en dat doet ze ook in hoe ze God noemt.
U kunt een blik werpen op de tekst, telkens als God met de mensen in gesprek is, staat er ‘God de HEER’, en HEER staat er met hoofdletters omdat het gaat om een eigennaam. Het gaat niet om een meneer God, maar om die Ene God. Dat is de God met wie de mens en zijn vrouw een band hebben, die ze kennen, die op hen betrokken is.
De slang heeft het niet over God de HEER, maar enkel over God. En de vrouw zegt het na.
Opeens is het dus één of andere god die iets verboden heeft, en ook nog, zegt de slang, om het voor zichzelf te houden, de kennis van goed en kwaad.
 
Daarmee draait alles om in het verhaal.
De vrouw kijkt met andere ogen naar de boom, die opeens heerlijk is, een lust voor het oog, aanlokkelijk. Zoals de slang het zegt, geeft kennis van goed en kwaad hebben een status als god. Wow!
 
Pas als ze de vruchten eten, de vrouw en de mens, ‘die bij haar was’ (waarom greep hij niet in?) pas dan gaan de ogen echt open en ontdekken ze om welke kennis van goed en kwaad het gaat.
Het gaat niet om kennis die je je toe-eigent waardoor je alwetend of machtig wordt.
Het gaat om kennis die te machtig is voor een mens, die alles onthult, de naakte waarheid. Door deze kennis ziet de mens z’n eigen kwetsbaarheid, en hoe een ander daar misbruik van kan maken. Naakt als die is overvallen angst en schaamte de mens.
Alle onschuld is verloren, alle onbevangenheid is weg.
 
2. Waar ging het nou mis? Of waar gaat het nou mis? Daarover zijn de meningen verdeeld…
Is het de wens van de mens om als God te zijn?
Is het omdat de mens niet vertrouwt dat God het goede voorheeft met ons, dat een grens juist bescherming biedt?
 
De mens denkt te weten waar het misging, niet bij hemzelf, nee, bij de vrouw die hem die vrucht te eten gaf. En dus ging het eigenlijk mis bij God, die heeft immers de vrouw aan de mens gegeven.
Kun je nagaan, nu heeft God het nog gedaan ook, God die de mens een helper gaf.
Volgens de vrouw ging het mis door de verleiding van de slang.
God straft de slang. Daar komt een einde aan dit verhaal.
En ook een einde aan het afschuiven van de schuld.
 
Was en is het teveel gevraagd om verantwoordelijkheid te nemen voor de fouten die we maken, als mens?
 
Herkennen we de verleiding om in ruil voor meer kennis, meer macht, meer status, mee te gaan met een redenering die te kwader trouw is, die uitgaat van wantrouwen in God of de ander?
 
Begint ook voor ons niet het kwaad als we denken zelf wel te zullen bepalen wat wel of niet mag, meer vertrouwen hebben in ons eigen inschattingsvermogen, dan dat we inzien dat leven zonder grenzen pas echt levensgevaarlijk is?
 
Dat laatste herken ik vanuit het perspectief van het opvoeden van kinderen.
Bergen speelgoed hebben we thuis maar afgelopen woensdag wilde één helpen met koken en roeren in een hete pan. Boos was het kind, toen ik het van het aanrecht haalde. Ik vertelde dat ik het levensgevaarlijk vond, dat het veel pijn zou doen als de pan zou vallen, maar nee, waarom mocht ik dan wel aan de pan zitten! Hoe krijg je een kind zover dat het vertrouwt dat deze grens overgaan veel meer beperking zal brengen, dan de grens zelf?
 
3. Hoe kan het dat de schepping goed is en zoveel in de wereld zo slecht is.
Vertrouwen we de levensregels die God geeft?
Kunnen we bevatten dat de wet, zoals Jezus die samenvatte ‘heb je naaste lief als jezelf en God bovenal’ geen slap gedoe is, maar veel meer naar leven leidt, dan waarheden als ‘het is eten of gegeten worden’, of ‘uiteindelijk heb je alleen jezelf om op te vertrouwen’ etc. 
 
Waar bevinden we ons in het leven?
Verbergen we ons voor God en voor elkaar, omdat we bang zijn en ons schamen?
Durven we de ruimte die er is in te stappen, en kunnen we leven met grenzen?
Gaan we uit van het tegoed dat God ons geeft, of vanuit het tekort waar de slang ons op wijst?
 
God zoekt de mens die zich verbergt tussen de bomen.
God was de mens even kwijt. Of, was de mens God even kwijt?
 
Ja, we zijn kwetsbaar, naakt. Terecht zijn we soms bang voor wat een ander ons kan aandoen, voor wat de ander van ons vindt. Hadden we nog maar de onbevangenheid van een kind, dat onbevreesd op een podium klimt, dat iedereen zomaar groet, dat God durft te danken voor de verjaardag van zijn knuffel.
De onschuld zijn wij kwijt.
Maar we zijn niet aan de wolven overgeleverd, niet aan de slangen!
De woorden van God scheppen een kader, geven grenzen aan, en daarmee levensruimte.
En zo gaat het verhaal van God en de mens verder. Niet zomaar God, maar God de HEER, God – Ik zal er zijn voor jou, God die, zo vertellen de verhalen van Genesis ons, de mens het leven geeft en alles om deze wereld bewoonbaar te maken. Het is aan ons om daarnaar te leven.
Om te leven vanuit het tegoed.
 
Amen.

1 april Pasen

Paasmorgenviering

ds. Jantine Heuvelink

Lezingen: Genesis 2:4b-8, 18-25 en Johannes 20: 1-18 (Bijbel in Gewone taal)

 
Inleiding op de Schriftlezingen
Zaaien en groeien, het thema van het kinderproject, is een passende opmaat voor de Schriftlezingen vandaag, want in beide lezingen gaat het over een tuin. De eerste tuin is de Hof van Eden, waar God de eerste mens die Hij maakt, naartoe brengt. We lezen hierover in het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Genesis. In het eerste hoofdstuk van Genesis schiep God de hemel en de aarde en zag God telkens dat het goed was wat Hij schiep. Maar in het verhaal dat we vandaag horen ziet God dat het niet goed is. Wat is niet goed? Dat de mens alleen is.
Een heel andere tuin is de tuin met het graf waarin Jezus na zijn dood is neergelegd. Maria gaat er naartoe als het nog donker is en zij vindt het graf leeg. Dat is niet goed, denkt Maria. Op haar zoektocht naar het lichaam spreekt de tuinman haar aan. Als zij Hem herkent als haar Heer heeft ze weer houvast. Zo is het goed!
Maar Jezus zegt: ‘Houdt mij niet vast’. ‘Het gaat niet om jou en mij alleen. Het gaat om jou met alle anderen samen’. 
 
Overweging
 
1. Gemeente van de opgestane Heer,
 
‘Opnieuw beginnen!?’ dat is de slogan van Pasen in Amsterdam dit jaar.
Met een uitroepteken en een vraagteken. Opnieuw beginnen! Opnieuw beginnen?
Hoe begin je met leven?
Daarover gaan de beide schriftlezingen.
Ze vertellen over hoe een mens niet, nog niet, of niet meer leeft.
Er is iets nodig om te beginnen te leven of om opnieuw te beginnen met leven.
 
De eerste mens in de paradijselijke tuin is alleen en dat is niet goed. Er mist iets.
Iets wat een mens mens maakt, menselijk.
Een weerwoord ontbreekt. Iemand die je aanspreekt, een tegenover.
 
Dit is zo niet goéd en dus is er nieuw leven nodig.
En zoals God eerder wat aarde nam om een mens te máken, zo bouwt God nu uit de zijkant van de mens een ander mens.
Nu kan het leven beginnen, als samenleving.
Niet zozeer om samenleven als man en vrouw gaat het, maar om het samenleven als mens en medemens. Je hebt de ander nodig om mens te worden en zo tot een menswaardige samenleving te komen.
 
In de Hof van Eden geeft de mens ieder dier een naam die past op zichzelf, maar de mens kan niet op zichzelf staan. De mens wordt pas door een ander zoals hij is, niet éénzijdig, maar samen veelzijdig, aanvullend aan elkaar, over en weer elkaar bevragend en voor elkaar verantwoordelijk. Zo schept God de mensen.
 
De mens noemt die ander die uit zijn zij genomen is ‘vrouw’ en herkent in haar zichzelf: ‘Eindelijk een mens, net als ik! Ze is mijn eigen vlees en bloed, want ze is gemaakt uit een deel van mij’.
Niet het verschil maar de overeenkomst, de verwantschap, de herkenning, brengt de mens tot leven. Samen komt de mens tot zichzelf.
 
2. Maria weer niet waar ze het zoeken moet, maar zij wordt gevonden door haar meester. Als Hij haar naam roept ‘Maria’ is zij niet meer alleen.
‘Rabboeni, meester!’, zegt ze en ze houdt hem vast.
Maar zo kan het verhaal van God met mensen niet verdergaan. Jezus die gezegd heeft ‘Heb elkaar lief’ laat Maria op weg gaan, naar de anderen. Met hen en door hen gaat het leven verder, samen. Zoals Jezus telkens in zijn leven mensen geroepen heeft om op te staan en met hem mee te gaan, zo moeten ze nu met elkaar verdergaan. Want aan Jezus vasthouden, opnieuw beginnen met leven, daarvoor heb je anderen nodig. Om het waar te maken, de aarde als paradijselijke tuin waar het goed toeven is.
 
‘Ik heb de Heer gezien’ zegt Maria tegen de anderen. Zij zegt niet ‘de Heer is opgestaan’. Zij heeft de Heer gezien en ze is zelf opgestaan. Opnieuw begonnen te leven. Zij maakt de opstanding waar.
 
3. Beide mensen in de tuin, de eerste mens en Jezus, kunnen niet zonder de ander.
Kunnen niet zonder iemand die naar hen wil horen, tot wie ze kunnen spreken.
Wat opvalt is dat beide mensen in de tuin geschonden zijn in hun zij.
Ze zijn opengebroken, een rib uit het lijf, opgebroken door het lijden voor anderen.
En juist daar begint het nieuwe leven. Als naaste, van elkaar gediend zijn. 
Jezus gaat ons daarin voor en kan daarin niet zonder ons.
 
Voor wie zijn woorden niet verstaan – is hij dood, is zijn leven voorbij.
Voor hen voor wie Zijn woorden gaan leven, begint er ondanks de dood iets nieuws.
 
Pasen is opnieuw beginnen te leven als mensen zoals God heeft bedoeld: verbonden met elkaar, aangewezen op elkaar, elkaar tot hulp.
Kleine kinderen leren ons hoe vanzelfsprekend je een ander nodig hebt om te leven.
Als wij openstaan voor elkaar, instaan voor elkaar, staan wij voor opstanding.
Dan worden we heel, volop mens, namelijk mens én medemens.
Dan wordt de Heer zichtbaar onder ons.
 
4. Wie vind ik vandaag op mijn stoep?
Een dakloze die uitrust,
een roker van het naastgelegen kantoor,
een verdwaalde toerist,
een kind dat op weg is naar school?
 
De wereld begint op mijn stoep en daar begin ik elke dag opnieuw:
wie ben ik voor jou en wie ben jij voor mij?
Ik groet, ik lach, ik heb haast, ik kijk om.
En soms vang ik de zon.

 
Amen.
vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur