28 nov

Overweging 1e Advent
ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Lucas 1: 5-25


Inleiding op de schriftlezing
In deze adventstijd lezen we volgens het alternatieve rooster de eerste hoofdstukken van het evangelie van Lucas. Lucas is de enige evangelist die een uitgebreide voorgeschiedenis van Jezus vertelt. Daarbij komt allereerst de aankondiging van de geboorte van Johannes aan bod. Johannes die de weg van de Heer zal voorbereiden, dat horen we vandaag.
Het is een verhaal dat op veel manieren verwijst naar ons Oude Testament, de geschiedenis van God met het volk Israël. Zo stammen de hoofdpersonen Zacharias en Elisabeth af van oude geslachten. Beiden zijn dienstbaar aan God, maar ze hebben geen kinderen. Dat doet denken aan eerdere verhalen, zoals van Abraham en Sara. (Gen 18)
Letterlijk staat er ‘Elisabeth was onvruchtbaar’. Dat woord kan ons confronteren met verdriet van dichtbij, een persoonlijke ervaring. Dat is het in de Bijbelse verhalen ook zeker. Maar het is meer dan dat. Willem Barnard verwoordde het zo: ‘deze onvruchtbaarheid gaat niet om het niet in staat zijn van de vrouw om het gewenste kind voort te brengen, het gaat om het niet in staat zijn van de mens, om de door God gewenste toekomst voort te brengen’.
Om die toekomst gaat het, aan het begin van het Lucasevangelie en ook in deze tijd van Advent.
De verhalen over de aartsvaders en aartsmoeders en over de profeten zijn in de tijd van Lucas al eeuwen geleden gebeurd. Nog steeds wijden mensen zich aan die woorden, kijk maar naar Zacharias en Elisabeth. Zijn doe trouw wat zij moeten doen in hun dagelijks leven en in de tempel. Maar voor zichzelf zien ze geen toekomst. Ze hebben immers geen kind en ze zijn al oud.  
Met dit gegeven begint Lucas zijn evangelie. Een begin dat door alle verwijzingen naar eerdere verhalen bij ons als lezer verwachtingen schept. Menselijk gezien is er geen toekomst, kun je dan toch nog iets verwachten?

Overweging ‘Verandering verwachten’

1. Gemeente van Jezus Christus,
De priester Zacharias leeft net als zijn vrouw Elisabeth in verbondenheid met God. Hij bidt dagelijks de gebeden en houdt zich aan de wet. En als hij binnen zijn priesterorde uitverkoren wordt om in Jeruzalem de tempeldienst te vervullen, gaat hij het heiligdom binnen en brengt bij het altaar, dus voor het aangezicht van God, het reukoffer.  
Zacharias komt dus God heel nabij. Maar wat hij niet verwacht, gebeurt en dat is dat God hem nabij komt. Hij schrikt van de engel Gabriel.

Heel persoonlijk is het wat Gabriel hem zegt: ‘jouw gebed is verhoord, je vrouw Elisabeth zal je een zoon baren’. En heel grote woorden voegt Gabriel daaraan toe: ‘je moet hem Johannes noemen, God is genadig. Niet alleen jij persoonlijk maar velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. Hij zal vervuld worden van de Geest, hij zal met de kracht van Elia ouders met hun kinderen verzoenen, hij zal velen doen omkeren naar God.’

En Zacharias die al die woorden hoort en ze vast zal herkennen als woorden die eerder gesproken zijn door profeten, Zacharias kan alleen maar menselijk kijken en ziet het niet voor zich. Hij en Elisabeth zijn immers al op leeftijd. Zacharias vraagt: ‘Hoe kan ik weten of dit waar is?’ en hij krijgt dit teken: hij is met stomheid geslagen. Hij doet er vanaf dat moment het zwijgen toe.

In de vertelling van Lucas komen nu eerst anderen aan de beurt om te spreken. Anderen met niet zo’n voorname positie, vrouwen die tot dan toe niet in tel waren. Elisabeth horen we als eerste, zij die veracht wordt door anderen. Zij zegt bij zichzelf: ‘De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten.’
En na haar is Maria aan de beurt, een meisje uit Galilea. Ook zij krijgt een wonderlijke, niet natuurlijke geboorte aangezegd, maar in tegenstelling tot Zacharias vraagt zij niet om een teken. Net als Elisabeth zal zij het teken al snel bij zich dragen.
En net als Elisabeth eert Maria God. Zij zingt haar lofzang.
2. Al die maanden van Elisabeths zwangerschap zal Zacharias zwijgen.
Hij heeft geen tekst, geen verhaal, is geen dienaar van het woord.
Maar het verhaal van God krijgt wel vorm. Wordt zichtbaar en zet deze twee vrouwen tot geloven en God loven aan. Een volgende generatie komt eraan. Een generatie die mensen verder zal brengen op de weg van God. Een generatie waarin de Geest van God werkzaam is.

De engel Gabriel haalt in zijn grote woorden over de zoon die Elisabeth zal baren, woorden van de profeet Maleachi aan (Maleachi 3:24). Maleachi is het laatste boek in ons Oude Testament. Maleachi eindigt zijn profetie met de aankondiging ‘er zal iemand komen die ervoor zal zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders’.
Gabriel neemt deze profetische woorden maar half over. Hij zegt over Johannes wél dat van hem kracht zal uitgaan om ouders met hun kinderen te verzoenen, maar niet dat kinderen zich verzoenen met hun ouders.
En dat valt op, voor wie het bestudeert. Blijkbaar komt hier aan het begin van het Lucasevangelie alle aandacht te liggen op een oude generatie die zich verzoent met een volgende generatie.
Is dat misschien ook waarom Zacharias niet het hoogste woord voert hier, maar anderen eerst aan het woord komen? En als Zacharias dan eindelijk weer kan spreken wanneer Johannes geboren is, dan komt hij niet terug op wat er gebeurd is, hij gaat niet in gesprek met anderen, hij doet maar één ding: hij stemt in met de lofzang van Maria en zingt zijn eigen lied.

3. Zwijgen dus en afwachten en zien dat de woorden van God vorm krijgen buiten jouw macht om. Dat gebeurt Zacharias.
Zwijgen en afwachten… verwachten. Misschien is dat wat vandaag de dag ook het meest nodig is? Want wat valt er te zeggen in deze tijd waarin mensen elkaar eerder overstemmen dan horen, eerder 100 meningen geventileerd worden, dan dat één iemand zich gehoord voelt.

Mijn ervaring met een dag zwijgen in gezelschap is dat er dan ineens zoveel te horen valt. Als je eigen stem niet klinkt, spitst dat je aandacht.
Ik herinner mij een kloosterweekend waarbij het ontbijt in stilte plaatsvond. Ik hoorde ineens zo goed het smakken van de vrouw naast me, het mes op het bord aan de andere kant van de tafel. En ik vroeg me af hoe ik de pindakaas verderop zou kunnen bemachtigen.
Ik ontdekte: als ik geen stem heb, heb ik ook geen macht, kan ik de dingen niet naar mijn hand zetten. Dan heb ik heb anderen nodig, die me aandacht willen geven. Die me genegen zijn.

Mildheid is een woord dat in me opkwam. Als je ineens geen stem hebt in een gezelschap, zie je anderen anders, je luistert anders. Opeens vallen andere dingen op.
Graag wil ik daarom de woorden van Gabriel tot Zacharias nogmaals lezen: Omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’
Dit stom zijn van Zacharias dat is volgens mij allerminst als straf bedoeld. Ik zou het juist als genade willen zien. Zacharias die de woorden van God niet horen kon, niet geloven kon, krijgt de kans, de ruimte om vanuit de zwijgzaamheid alsnog attent te worden op die woorden van God. Ze in anderen, in een nieuwe generatie, te beluisteren.
Hoe de toekomst zo open gaat komt niet alleen voor Zacharias en Elisabeth onverwacht. Het zal ook anderen overkomen die met die nieuwe generatie, met Johannes en via hem met Jezus, te maken krijgen.  

4. Nu wij per vandaag in dit land met een soort van stomheid geslagen worden, zo duidelijk ons niet bij machte weten om een keer te brengen in de tijd, ben ik blij met deze lezing over Zacharias.
De onmacht die bij zwijgen hoort, kan ook de kans geven om attent te worden op wat ook gaande is, op wie verwachtingen schept, op een nieuwe generatie wellicht.
In de stilte kan verwachting groeien.
Ik gun het ons allemaal dat we ons in deze Adventstijd niet te buiten gaan aan commentaar leveren, vragen en klagen, maar dat we ons inhouden totdat een nieuwe tijd aanbreekt en we hoopvol spreken kunnen, of liever nog: lof zingen. Amen       

21 nov

ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing: psalm 121 en Lucas 2: 25-32


Inleiding op de schriftlezingen
Het fijne van een leesrooster zoals we dat in de Oranjekerk volgen, is dat je als predikant voor een dienst niet hoeft na te denken over welk gedeelte je uit de Bijbel zult lezen, Je hoeft alleen maar te studeren op de tekst die aangereikt is en te bedenken hoe die voor ons van betekenis kan zijn. Soms is er ook een alternatief leesrooster, met teksten die minder vaak voorkomen, waar je ook voor kunt kiezen.
Deze week stelden beide roosters mij voor een dilemma. Want kunt u nagaan: de lezing uit het evangelie van Marcus (13: 14- 32) gaat over Jezus die waarschuwt voor verschrikkingen die zullen plaatsvinden zoals nog nooit is voorgekomen sinds het begin van de schepping, voor valse profeten en voor de zon die zal verduisteren. En de alternatieve lezing uit het evangelie van Johannes (10: 31-42) gaat over Judeeërs die Jezus willen stenigen en hem beschuldigen van godslastering. Beide bijbelgedeeltes waar ik met flink studeren beslist een goede boodschap uit zou kunnen halen, maar die als lezingen op deze Eeuwigheidszondag meer in de weg staan denk ik, dan ons bemoedigen. Bij navraag blijk ik niet de enige predikant die op zoek ging naar een alternatief. Tientallen suggesties kreeg ik van collega’s over wat dan wel te lezen op deze zondag. En ik koos, nog weer iets anders. Ik wil u uitleggen wat ik koos en waarom.

Niet alleen Marcus en Johannes vertellen over verschrikkingen die komen en over mensen die anderen beschuldigen en kwaad willen doen. Dat zijn ook de verhalen die volop klinken in deze weken met klimaatprotest, overbelaste zorg, polarisatie, coronadebat, en zo nog meer.
Ik werd er de afgelopen weken regelmatig door lamgeslagen.
En toen zag ik begin deze week een herhaling van het programma de Verwondering met een interview met Margot van Schayk. Zij overleed afgelopen zondag aan kanker. In dat interview vertelde ze over twee soorten vertrouwen. Het dagelijkse vertrouwen, dat je weet hoe dingen werken en wat je kunt. Dat vertrouwen, zei ze, faalt als je ongeneeslijk ziek bent. Maar een ander vertrouwen, een dragende kracht, dat, ontdekte zij, faalde niet, dat gaf haar geborgenheid.

Daarom koos ik als lezingen voor vandaag psalm 121, een pelgrimslied, een lied voor wie onderweg is. En voor het gedeelte uit het evangelie van Lucas waarin de oude Simeon in de tempel van Jeruzalem de pasgeboren Jezus ziet en herkent als de lang beloofde Redder en zegt ‘nu heb ik vrede gevonden, nu kan ik sterven’. Afwisselend zingen we een nieuw lied (‘Hier in de schaduw van de stilte’ Zangen van Zoeken en Zien 217, C. Fictoor) dat beide lezingen met elkaar verbindt en dat ook gaat over wat wij hier vandaag komen doen, namelijk zoeken naar wat van eeuwigheid is.

Overweging ‘Bemoediging’

1. Gemeente van Jezus Christus,

Bemoediging, dat is waar ik deze week naar zocht. Voor mezelf en voor deze viering. De moed om op te staan, om aan te gaan, om door te gaan.
Als het gaat om elkaar bemoedigen, dan is er in de kerk een tekst die letterlijk ‘de bemoediging’ heet en die in oude woorden zo klinkt:
Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft
die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet loslaat het werk van zijn handen.
Het zijn letterlijk woorden uit de psalmen (124:8, 146: 6, 138: 8). Duizenden jaren oud dus.
De naam van deze zondag, de eeuwigheidszondag, staat erin verwoord.
God valt niet binnen onze tijd, maar God omvat deze tijd en heel ons leven.

2. Psalm 121 is een pelgrimslied. Een lied voor wie onderweg is op de weg van geloof. Een lied ook voor samen op weg zijn. Want dat valt op, er zijn meerdere stemmen die spreken, twee, drie, misschien wel vier.
Iemand slaat zijn ogen op naar de bergen en verzucht: ‘wie komt mij te hulp?’.
Waarop een stem van een ander of misschien een stem van binnen zegt: ‘Mijn hulp komt van de Eeuwige, die hemel en aarde gemaakt heeft.’ Waarop weer een ander dat weet te duiden, met bemoedigende woorden over dat God je voet niet laat wankelen, dat God als een schaduw met je meegaat en waakt over je levensweg.

Misschien herkennen we ons wel in alle stemmen: de stem van degene die de vraag stelt en die  antwoord geeft, van binnen of hardop. Antwoord aan jezelf of aan een ander.
Als we deze psalm lezen of zingen hoeven we niet te kiezen voor een stem, alle stemmen, heel ons leven is erin vervat.
En als we deze woorden samen horen, dan kunnen we samen verder komen, elkaar ermee bemoedigen. Ik moet denken aan die dichtregel van Henriette Roland Holst ‘er is een woord, dat eeuwig’lijk zal duren en die ’t verstaat die is niet meer alleen’. Misschien ook is diegene die ’t een ander toezegt niet meer alleen.

3. De oude Simeon zal de psalmen vaak gezongen hebben, want hij was een vroom mens. Hij leefde met vertrouwen in God die redding beloofd heeft voor de hele mensheid. En toch, pas als hij met eigen ogen die redder ziet, kan hij in vrede sterven. Simeon, neemt het kind met de naam Jezus ‘God redt’ in zijn armen en looft God met wat de ‘lofzang van Simeon’ is gaan heten.

Wij zongen net: Langzaam verschijnen gouden lagen van Gods onzichtbaar stil Gelaat,
als een icoon gezien, gedragen, als teken van de eeuwigheid.

Mij ontroert dat grote vertrouwen waarmee Simeon zijn leven kan loslaten, omdat hij ziet dat God zijn volk zal vasthouden. Dat kleine beginnetje dat Simeon van de toekomst meemaakt, draagt de hoop in zich waarmee hij heeft geleefd. Die hoop zal blijven, ook als hij sterft.  

4. In de psalm en in deze tekst uit Lucas zie ik nabijheid over en weer tussen God en mens.
De psalmist slaat zijn ogen op naar de bergen – de plek waar hemel en aarde elkaar raken - en vindt God, die hemel en aarde schiep, en Die over hem waakt.
Simeon draagt in zijn armen het kind waarvan redding zal komen, het teken van God die mensen draagt, teken van eeuwigheid.

Net als de psalmist en als Simeon kunnen wij onszelf en wie ons dierbaar zijn, ook zien in het licht van de eeuwigheid. In het licht van God dat niet samenvalt met ons levenslicht, maar dat dat omvat.

5. Beide lezingen van vandaag zijn ook liederen. Het is een gelukkig toeval. Met een lied stem je gemakkelijker in, is mijn ervaring, dan met een lezing.
Hoe mooi is het als dat je overkomt. Dat woorden je toevallen die bemoedigen. Dat je ineens kan ervaren dat je gedragen wordt. Moge dat zo zijn. Amen.

7 nov

Ds. Wielie Elhorst
Schriftlezing Johannes 8:12-20


Gemeente van Jezus Christus,

Staat in het verhaal dat aan dat van deze zondag voorafgaat, een vrouw op overspel betrapt in het midden van de Farizeeën, nu is het Jezus zelf. Het juridisch steekspel dat de Farizeeën spelen, houdt niet op en neemt toe in heftigheid. Jezus zelf wordt in het middelpunt van de belangstelling geplaatst. De urgentie van wat we horen, neemt toe. Je zou kunnen zeggen: Jezus maakt het er ook wel naar. We hoorden: Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ – einde citaat. Dat zijn behoorlijk zelfverzekerde woorden, die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaten. Misschien gingen de gedachten van de Farizeeën bij het horen van Jezus’ woorden direct uit naar de woorden van de profeet Jesaja die onder andere zegt:

Het volk dat in duisternis ronddoolt
ziet een schitterend licht.
Zij die in het donker wonen
worden door een helder licht beschenen.


Hier had de Farizeeën een licht op kunnen gaan: wie is deze mens dat Hij dit bij ons oproept, deze woorden die over onszelf gaan en die ons leven letterlijk in een nieuw licht zetten. Misschien had in de schatkamer van de tempel waar Jezus zijn woorden spreekt, het spreekwoordelijke kwartje ook wel kunnen landen bij de betekenis die Jezus met zijn woorden geeft aan de lichtsymboliek van het Loofhuttenfeest dat op dat moment plaatsvond. Het was gebruik tijdens dat feest honderden lichtjes aan te steken in de voorhof van de vrouwen in de tempel. De tempel scheen daardoor als een baken van licht over de stad. In dat licht spreekt Jezus zijn woorden uit en wil Hij laten zien dat Hij dat baken is, dat het licht dat Hij is verwijst naar de Torah, het hart van het joodse leven, het hart dat zou moeten kloppen in de tempel en in de harten van de Farizeeën. Maar het is niet aan hen besteed. Het gaat aan hen voorbij. De woorden van Jezus zijn voor hen aanmatigend en ze vragen zich af op grond waarvan, waar Hij het recht vandaan haalt deze woorden uit te spreken. Het is begrijpelijk, vind ik, als je je even verplaatst in hun positie, maar het is evenzo goed triest dat ze terwijl ze in de tempel staan, op die plek die verschil zou moeten maken in hun leven, dat zij daar niet zien hoe Jezus naar de ook door hen geliefde Torah verwijst, dat zij juist daar niet zien hoe Jezus naar God zelf verwijst, hoe in het gebruik van de woorden ‘Ik ben’ zijn identiteit samenvalt met God en dat daarom zijn woorden betrouwbaar zijn, zijn getuigenis betrouwbaar is. De Farizeeën zeggen tegen Jezus in hun midden, over zijn woorden: jij bent niet waar, jouw woorden spreken geen waarheid.

Opvallend in het hele Johannesevangelie is het diepe onbegrip van de mensen om Jezus heen, of liever: het diepe niet kennen. Ook in het verhaal dat we vandaag hoorden, is dat weer het geval. Dat niet begrijpen, het niet weten, het niet kennen wordt zo consequent doorgezet dat de mensen met wie Jezus in gesprek is, vaak ook niet anders lijken te kunnen. Ze worden er muurvast in gezet. De diepe kloof die gaapt tussen Jezus en de mensen die met Hem in gesprek zijn, lijkt niet zomaar te kunnen worden overbrugd, in ieder geval zeker niet door de mensen om Jezus heen. En Jezus lijkt dat ook te bevestigen door hier te zeggen: U weet niet waar ik vandaan kom of waar ik naar toe ga. Op mij komt de houding van de gesprekspartners van Jezus, meestal de Farizeeën, vaak wat dommig over, gemaakt dommig zelfs: Nicodemus in Johannes 3, die niet begrijpt dat Jezus niet letterlijk over een tweede geboorte spreekt als Hij uitlegt dat mensen in God opnieuw van omhoog, door de Geest geboren moeten worden. De Joden, in Johannes 6, die niet snappen dat Jezus over zichzelf spreekt als brood dat uit de hemel is neergedaald. Hoezo, zeggen zij, hoe kan deze man van wie wij de vader en de moeder kennen, uit de hemel zijn neergedaald? En ook nu weer: hoe kan Jezus zijn eigen woorden betrouwbaar achten door een beroep te doen op God als zijn getuige? Zo’n getuige moet toch een ander mens zijn? Ik denk dat de diepte van het niet kennen de diepte van het niet vertrouwen moet tonen, moet laten zien hoe tragisch die diepte, die kloof is. En dat die tragiek, dat ook echt niet kúnnen begrijpen, niet anders kan dan uitlopen op de ondergang van Jezus, op zijn dood. Hoe zouden mensen, hoe zouden wij ook de betekenis van Jezus moeten begrijpen? Is die ook voor ons niet verborgen? Zeggen wij niet net zo goed: hoe kunnen die woorden die deze mens over zichzelf uitspreekt, betrouwbaar zijn, waar zijn? Hoe kan de identiteit van een mens ooit samenvallen met die van God? De woorden van het evangelie, van Jezus zijn ons misschien te vertrouwd geworden om de diepte van dat niet kennen, dat niet begrijpen van Jezus nog te herkennen, nog te kunnen peilen. Maar het geldt voor ons net zo goed en wij staan veel minder ver af van de Farizeeën dan we geneigd zijn te denken. Niet omdat wij ook on-mensen zijn, maar omdat wij ook mensen zijn, die de diepte en de reikwijdte van de betekenis van Jezus’ woorden niet zomaar kunnen vatten, kunnen begrijpen, kunnen kennen.

Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ Het oordeel van de Farizeeën is duidelijk: jouw woorden, Jezus, zijn onbetrouwbaar, ze zijn niet meer dan een slag in de lucht, omdat er niets en niemand is die de betrouwbaarheid van jouw woorden kan garanderen. De kloof wordt in het verhaal van vandaag niet overbrugt, sterker nog het eindigt met woorden over een doodswens. Jezus’ woorden zijn kennelijk zo onverdraaglijk dat de Farizeeën niet anders kunnen dan Hem dood wensen, Hem uit de weg ruimen. Hoe konden zij weten dat zij, door dat te doen uiteindelijk, de betekenis van Jezus voor de mensen, voor de hele wereld zouden bewerkstelligen, dat daarin de ultieme betrouwbaarheid van zijn getuigenis door zou breken: in leven ten koste van, in overwinning op de dood. Maar zover is het nu nog niet.

Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld’. En dat licht oordeelt niet. Het schijnt over de wereld en over de mensen, maar het oordeelt niet. Het hanteert niet de maatstaven van de mensen over wat betrouwbaar is, echt, waar, goed. Met die maatstaven kom je ook niet uit. Zoveel is wel duidelijk uit dit verhaal. De vraag is natuurlijk: waar kom je dan wel mee uit? Misschien moeten we daarvoor weer terug naar het verhaal dat aan de gebeurtenis in de lezing van deze zondag voorafgaat, dat intermezzo tussen al Jezus’ woorden over die vrouw die in het midden wordt gezet en die ook wordt belaagd met de maatstaven van mensen: beoordeeld en veroordeeld, fout, zondig. Het licht dat Jezus wil zijn voor de wereld, wordt werkelijkheid in deze vrouw. Deze vrouw begrijpt dat, omdat Jezus niet oordeelt. Jezus, zo geheel anders dan de autoriteiten waar zij normaal gesproken aan onderworpen zou zijn. De vrouw staat op en zij begrijpt dat het licht dat Jezus is, leven geeft. Het licht van Jezus is geen bliksemschicht die neerslaat, het is licht dat genadig en vol vergeving schijnt, over het leven van deze vrouw. Het is dus licht dat ruimte geeft, dat een mens in de ruimte zet, dat, zoals Jezus zegt, leven geeft. Jezus’ woorden zijn niet zomaar woorden. Ze zijn, geheel in de geest van de Torah, een oprecht handelen dat het alleen op toekomst heeft voorzien, op leven, op door kunnen gaan, op weer verbonden zijn, een nieuwe kans krijgen, niet zijn afgedaan.

Wij begrijpen Jezus’ woorden pas als ook wij Hem niet proberen te vangen in onze definities, in onze overtuigingen, als wij niet volharden in het niet begrijpen, het niet kennen, maar als wij dat loslaten en zijn licht toelaten als een licht dat genadig over ons schijnt; dat niet oordeelt over ons, dat niet ongenaakbaar is in zijn felheid, alles ongenadig aan het licht brengt, maar dat ons in het licht van zijn vergeving, zijn nieuwe kans voor ons, uitnodigt om op te staan, de ruimte te voelen waarin Hij ons bevrijdt, onszelf te zien in het licht van zijn acceptatie en zo mensen te worden die Hem volgen om zelf het licht te zijn dat leven geeft, getuige te zijn van de waarheid die Hij is in ons eigen leven.

Amen

31 okt

ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Marcus 12: 18-34


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we uit het evangelie van Marcus de lezing van vandaag én die van volgende week. De eerste lezing gaat over een gesprek tussen de Sadduceeën en Jezus. De Sadduceeën zijn schriftgeleerden uit de priesterlijke elite. Deze Sadduceeën stellen Jezus op de proef met een vraag over de opstanding. Daar geloven zij zelf niet in, want zij houden zich strikt aan de wet van Mozes en aan de Profeten en daarin lezen zij niets over de opstanding. Ze stellen Jezus een vraag aan de hand van een volkomen bespottelijk voorbeeld. Jezus reageert scherp en direct en haalt Mozes aan om deze Sadduceeën erop te wijzen hoe weinig ze van de Bijbel en van God hebben begrepen.

Meteen na dit gesprek, in de 2e lezing, krijgt Jezus van een andere schriftgeleerde een vraag. Maar dit gesprek verloopt heel anders. Het is een verademing hoe deze vragensteller en Jezus elkaar weten te vinden in wat ze delen aan geloof en hoe ze elkaar waarderen.

De vorm van de beide gesprekken laat ons zien waar het bij geloven wel of niet om gaat.  
De Sadduceeën houden vast aan een geschreven letter, wat een dode letter kan zijn, terwijl Jezus getuigt van een levend geloof. Zij vinden elkaar niet.
Maar Jezus en de andere schriftgeleerde vinden elkaar wel, omdat voor hun de kern van geloven niet buiten hen ligt in het volgen van een wet, maar zit in heel hun doen en laten, in hun hart, ziel, kracht en verstand. En mét dat deze beiden elkaar weten te vinden, komen ze ook God op het spoor.

We zingen als gebed bij de opening van de Schrift lied 314, omdat ook wij niet voor een dode letter, maar om een levend Woord gekomen zijn.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Wat moet je met een gesprekspartner die iets van jouw geloof wil weten, maar die het gesprek insteekt met een absurd voorbeeld? ‘Zo is het niet’, of ‘daar gaat het helemaal niet om!’, denk ik vaak als ik opmerkingen hoor of lees over wat mijn geloof zou zijn. Zoiets overkomt ook Jezus, maar dan met mensen die juist medegelovigen zijn. ‘Jullie dwalen vreselijk’, zegt Jezus.
Het is ergerlijk dat de Sadduceeën bij Hem met een vraag aankomen over de opstanding, waar ze zelf helemaal niets mee hebben. Maar nog kwalijker is het dat ze met een wet van Mozes aankomen (Deut 25: 5-6) om die uit te spelen tegen het geloof in de opstanding. (zie 2 Makkabeeën 7:1-9). Precies dat, zegt Jezus, laat zien dat jullie de Bijbel en God niet kennen.

De Sadduceeën geloven er niet in, maar ze gaan er wel vanuit dat de opstanding gaat over een leven ná dit leven, als een soort voortzetting van dít leven. Jezus reageert als volgt: allereerst, zegt Hij, zal het leven ná dit leven anders zijn met relaties niet van mens tot mens, maar van mens tot God. Ten tweede overstijgt God de grens tussen leven en dood. Want kijk hoe God zich bekend maakte aan Mozes als de God van Abraham, Izaäk en Jakob (Exodus 3). Dat is niet omdat die voorvaderen overleden zijn, maar omdat God aan hen trouw is geweest en die trouw van God duurt tot op vandaag. En daar gaat het om bij het geloof in de opstanding. Dat gaat om vertrouwen dat de dood de mens niet kan scheiden van God. God is een God van levenden en niet van doden, want leven met God kent geen einde.
   
De Sadduceeën en Jezus halen allebei Mozes aan, maar hun intentie verschilt totaal. Misschien is het grootste verwijt van Jezus nog wel de manier waarop de Sadduceeën de woorden van God gebruiken, namelijk niet om mensen te bevrijden uit wat hen benauwt, maar om ze klem te zetten.
Ze ontnemen mensen de hoop die Jezus geeft van een trouwe God en spelen het goede nieuws dat Jezus vertelt uit tegen wat Gods woord zou zijn.

3. Jezus maakt duidelijk dat in de woorden van God hoop te vinden is. Voor wie het horen wil! En dat wil de schriftgeleerde die Jezus de vraag stelt naar het belangrijkste gebod. 613 geboden en verboden telt de Joodse wet. De vraag naar wat het belangrijkste gebod is, lijkt opnieuw een strikvraag, maar van deze schriftgeleerde weten we dat hij met instemming heeft geluisterd naar wat Jezus net heeft gezegd, wat doet vermoeden dat hij oprecht wil weten waar Jezus staat.
En zo krijgt Jezus met deze vraag de kans om te getuigen van zijn geloof. En dat doet Jezus met de woorden van de Joodse geloofsbelijdenis, het Sjemagebed, dat Joden elke morgen en avond bidden: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” (Deut 6: 4-5)
En daarna haalt Hij de heiligheidswet aan “Heb uw naaste lief als uzelf.” (Lev 19:18)
Dit is waar het volgens Jezus op aankomt bij alle wetten van God. Het zijn woorden uit de boeken van Mozes. En de schriftgeleerde beaamt het volmondig en hij zegt het Jezus na. En hij voegt nog toe dat het niet de wetten, zoals rond offeren, zijn waar het om gaat, maar dat het gaat om die ene God en om Die te dienen met heel je wezen. En dus ook om niet het één zeggen en het ander doen.  

4. En precies daarin ligt de verbondenheid tussen Jezus en deze Schriftgeleerde. Zij polariseren niet, maar houden bij elkaar wat bij elkaar hoort. Zoals God één is, toen en nu, zo vraagt ook het dienen van God om leven uit één stuk. Het liefhebben van God toont zich in het liefhebben van de naaste en andersom. En dat liefhebben gaat ons hart en ziel aan, vraagt om ons verstand en inzet van onze kracht. Het vraagt dus ook om het oprecht antwoorden op vragen, om openstaan voor een ander, geen bijbedoelingen hebben. Tot zo’n geloofsgesprek kom je niet als je vasthoudt aan je eigen status en wat die status bevestigt, als je uitgaat van je eigen gelijk en geen ander geluid wilt horen of als je geloven enkel als onderwerp van gesprek beschouwt, in plaats van als onderdeel van je bestaan.

Jezus komt telkens met de Sadduceeën en Farizeeën in conflict omdat Hij steeds weer de aandacht weet te verschuiven van de wet naar God. En daarmee doorkruist Jezus de manier waarop ze de wet gebruiken, nl. als middel om de bestaande verhoudingen in stand te houden.
Jezus laat met het uitspreken van de Joodse geloofsbelijdenis zien dat Hij trouw is aan de boeken van Mozes en dat juist daarin de hoop ligt die Hij mensen geeft, dat er een uitweg mogelijk is uit leven dat vast dreigt te lopen, en dat voor ieder mens een plaats is bij God.  
Want God liefhebben en je naaste als jezelf, dat sluit uit dat de één zich boven een ander wil stellen. Als God ons heilig is, dan wordt dat zichtbaar in hoe we omgaan met de ander.  

5. Het gesprek tussen Jezus en de schriftgeleerde laat dat zien. Ze zijn gelijkwaardig, in hun woorden, in hoe ze elkaar verstaan en elkaar waarderen. Dat beiden God liefhebben, blijkt in hoe ze oog en oor hebben voor elkaar. Dat maakt ook dat er op het einde twee vrij unieke dingen gebeuren. Namelijk dat Jezus zegt ‘jij bent niet ver van het koninkrijk’ en dat niemand meer een vraag durft te stellen. Blijkbaar kan het niet beter dan dit. Als mensen zo elkaar nabij komen in het spreken over God, dan brengt dat het Koninkrijk van God een stukje dichterbij. En dan vallen alle andere vragen weg.
Toch?


10 okt

Een goed verhaal
ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Marcus 10: 13-31


Inleiding op de Schriftlezing
Jezus is met zijn leerlingen onderweg naar Jeruzalem en leert hen gaandeweg over God. Het ene na het andere voorbeeld komt aan bod om de leerlingen, ons, anders te laten kijken naar wat van belang is in het Koninkrijk van God. In de Bijbel in Gewone Taal heet dat ‘Gods nieuwe wereld’.
We horen vandaag het verhaal van de rijke jongeling, ik denk voor velen een bekend verhaal. Wij lezen het verhaal uit Marcus, maar de evangelisten Matteus en Lucas vertellen dit verhaal ook. In onze Bijbel staat het onder het kopje ‘Binnengaan in het Koninkrijk van God’. Voordat de rijke jongeling bij Jezus komt zijn, er eerst nog kinderen bij Hem gekomen. Voor de uitleg van onze lezing vandaag is het belangrijk die tekst erbij te hebben, daarom zal Febe die eerst voor ons lezen.
Een tip: let bij het luisteren op de emoties in de vertelling, die zijn namelijk nogal heftig. Blijkbaar staat er voor Jezus, voor de man en voor de leerlingen heel wat op het spel.
Vandaag vertel ik een goed verhaal op de plaats van de overweging, ik vertel vanuit het perspectief van één van de leerlingen van Jezus.
We zingen met elkaar om Gods Geest, dat wat we horen ons ook wat te zeggen heeft.

Een goed verhaal

Dat was schrikken zeg. Ik ben er nog beduusd van.
Zo’n prachtig mens, zo’n sympathieke kerel, echt.
Het was een Farizeeër, maar niet zo’n typische uitdager, maar iemand die echt oprecht een vraag had aan Jezus. Hij kwam met heel veel respect. Knielde, sprak Jezus aan met Goede meester.
Maar Jezus was meteen… kritisch.
Waarom noem je mij goed, alleen God is goed.
Ja oké, maar die man bedoelde het wel goed.
En die man is ook gewoon goed, want hij onderhoudt alle geboden, tenminste, die geboden die gaan over hoe je met elkaar om moet gaan. Niet stelen, niet liegen, eerbied tonen.
Jezus verwees meteen naar God.
Maar natuurlijk staat God bovenaan, dat weet die man toch ook wel. ‘Heb je naaste lief als jezelf en God bovenal’. Dat zal die man toch zeker wel geloven, niet? Toch?

Hij vroeg ‘wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
In 2e instantie reageerde Jezus heel lief, echt om hem te helpen: ‘Er is nog één ding dat je moet doen. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan ligt er in de hemel een grote beloning voor je klaar. Kom dan terug en volg mij.’

Ik dacht: hij gaat het doen. Zo’n roeping hebben mijn vrienden en ik ook gehad. De vraag van Jezus om  alles achter te laten en met hem mee te gaan, hem te volgen. Ik heb mijn ouders achtergelaten, m’n broers en zussen, m’n inkomen, m’n huis.
Het leek me een goeie gast om erbij te hebben, maar zijn gezicht betrok helemaal toen hij dat hoorde en hij ging weg. En Jezus liet hem ook gaan.
Het was echt ‘een mislukte roeping’.

En toen zei Jezus iets waar ik van schrok en wij allemaal, Hij zei ‘‘Het is erg moeilijk voor rijke mensen om het Koninkrijk van God binnen te komen.’ Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’
Nou ja, ja dan denk ik ‘Wie komt dan wel binnen? Als deze man die zo goed is en het zo goed doet in het leven, als die niet dicht bij God staat, wie dan wel? Iemand die zo gezegend is in dit leven en er alles aan doet om goed te zijn, als hij niet als eerste in aanmerking komt, wie dan wel?.

Ik kijk tegen zo iemand wel op. Het gaat hem voor de wind én het is een goed mens.  
Hij is van alles wat ik niet ben: heel zelfstandig, onafhankelijk, bovenal eigen baas.

O wacht eens even, ‘bovenal eigen baas’ oké, nou valt het kwartje.
Nu snap ik waarom die man het niet zag zitten, wat Jezus vraagt.
Het is zijn belang om eigen baas te blijven en niet God bovenaan te zetten.
Hij wil niet invoegen op de weg van Jezus, maar hij wil van Jezus horen hoe hij God kan invoegen op zijn eigen weg.

Hij is vast bang, dat er zonder zijn bezit niets van hem over blijft.
Dat niemand hem dan meer zal zien staan.
Dat snap ik ook wel.
Dan word je natuurlijk ook heel kwetsbaar en afhankelijk van anderen,
Dan word je haast weer als een kind en wie wil nou..

Ojé, er valt ineens nog weer een kwartje. Ik herinner me ineens een voorval met kinderen laatst. Jezus was zo fel toen we ze bij hem weg wilden houden.

Het is zo erg omdenken wat Jezus vraagt. Wacht even, ik zet het even op een rijtje:

Kinderen zijn kwetsbaar en geheel afhankelijk van anderen, voor hen is het Koninkrijk van God.
Zoals zij open staan voor wat God vraagt, zo moeten wij ook zijn.
Die man, die alles doet volgens de geboden en die heel succesvol is, die wil zijn zekerheden niet opgeven, niet afhankelijk zijn van anderen en hij wil ook niet zijn bezit loslaten ook al zegt Jezus dat dat hem dichter bij God brengt.  

Hij wil liever buiten dat Koninkrijk blijven staan, zoals een rijk man die met zijn kameel bij een stad aankomt. De kameel kan niet door het kleine poortje, dus alles moet van zijn rug en dan moet hij door zijn knieën en als die kameel dan binnen is dan blijft zijn baas buiten, want die wil zijn spullen niet achterlaten.

Tjonge. Ineens ben ik blij dat ik niet zo rijk ben. Nooit gedacht dat dat zo’n voordeel zou zijn. Ik vind het met alles wat ik achtergelaten heb al moeilijk genoeg om Jezus te volgen.
Ik vertrouw ook liever op wat binnen mijn vermogen ligt om te doen, dan op wat buiten mijn vermogen ligt: God.  
Ik voel me dan zo kwetsbaar en afhankelijk.
Dat ben je natuurlijk altijd, maar liever dek ik mij in, zoals die man. Tja.

Blijft de vraag wie het dan wel gaat redden in deze wereld.
Is niet eigenlijk iedereen verloren?

Wat zei Jezus nou? Het hangt niet van mensen af of iemand gered wordt, maar van God. En voor God is alles mogelijk.’

Dat is nou weer zo’n omdenkding. Je moet dus helemaal het idee loslaten dat je om deel te nemen aan dat Koninkrijk van God er iets voor moet doen.
Je moet er vooral iets voor laten. Loslaten. Bezit, dat ook. Maar meer nog het idee dat je over je eigen leven kunt beschikken of de wens onafhankelijk te zijn.

Ik ben daar nog niet echt aan toe.
En tegelijk: toen ik zag hoe Jezus die kinderen omarmde, toen dacht ik dat zou ik ook wel willen.
Me kunnen overgeven aan een omhelzing waarin ik niets hoef te bewijzen, of hoef te overzien, maar waarin ik kwetsbaar mag zijn. De ervaring dat Iemand me vasthoudt en ik dus kan loslaten. Ja, dat zou ik wel willen.


26 sept

OVERWEGING TIJDENS IONAVIERING

DS. JANTINE HEUVELINK

JOHANNES 8: 1-11


Twee mensen worden ingesloten en veroordeeld.
Een vrouw die overspel pleegde met een andere man, waar is die man?
En Jezus die voor de zoveelste keer op de proef wordt gesteld door de Schriftgeleerden en de Farizeeën. Opnieuw dagen ze Hem uit om te laten zien of Hij wel bijbelgetrouw is met zijn softe manier van doen.
De Farizeeën en de Schriftgeleerden gebruiken de wet om Jezus te testen op zijn rechtzinnigheid.
En zij gebruiken de vrouw om hun punt te maken.
Zijn die 10 woorden van God dan zo bedoeld?
Jezus schrijft op de grond, zoals Mozes die woorden schreef op steen.
En Jezus vraagt de mannen naar hun eigen verantwoordelijkheid. Plegen niet juist zij onrecht tegenover deze vrouw door haar in te zetten voor hun eigen belang?

Zij wijzen naar de vrouw. Maar als je naar iemand wijst, dan wijzen er altijd 3 vingers terug.
Jezus geeft hen een vingerwijzing: hoe gaan jullie om met de wet ‘pleeg geen overspel, wees niet ontrouw?’ ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’.
Niemand.
De vrouw kan opnieuw gaan leven.
 
En waar staan wij in de kring om deze twee heen?
Staan we te applaudisseren omdat Jezus zo goed zijn punt weet te maken?
Of is dat nou precies niet waar het Jezus om gaat, dat we verontwaardigd zijn om die anderen?
Het is altijd gemakkelijker terecht te wijzen, dan terecht te staan. Het is fijn om verontwaardigd te zijn, het rechtvaardigt onszelf. Maar anderen schuldig verklaren, dat is nu juist niet wat Jezus deed…

Het gaat Jezus niet om veroordeling, maar om bevrijding.
Dit verhaal is evangelie, goed nieuws voor ons.
Om te overwegen is er deze vraag: op welke manier is dit verhaal bevrijdend voor ons?


19 sept

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Marcus 9: 30-37


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus. Jezus is met zijn leerlingen onderweg en leert hen gaandeweg met woorden en daden over God.
Jezus vertelt de leerlingen welke weg Hij zal gaan, dat Hij gedood zal worden en op zal staan. De leerlingen begrijpen er niets van, maar durven dat niet te zeggen. Dat ze Jezus niet kunnen volgen, blijkt te meer uit waar zij het onderling over hebben gehad, namelijk over de vraag wie van hen het belangrijkste is. Die vraag beantwoordt Jezus met een woord en een daad. Hij zet een kind in hun midden en omarmt het, en Hij zegt: in de toewending tot een kwetsbaar mensenkind, kom je God nabij.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Wie van ons wil de minste wezen?
Ik niet. Liever wil ik grootser, meeslepender en met meer impact voorganger zijn, dan kleiner, gedienstiger en zonder publieke waardering.
De woorden van Jezus zijn ook vandaag de dag confronterend. Op een positie waar geen eer aan te behalen valt of in de omarming van een kwetsbare, komen we God het meest na, dat is wat Jezus zegt.

De minste willen wezen. Dat is wat anders dan de minste zijn.
Het gaat niet om een positie die je hebt.
Maar om een houding die je aanneemt.
Het gaat erom niet de eigen eer en reputatie voorop te stellen en de waardering van anderen, maar dienstbaar te zijn aan wie kwetsbaar is, zonder dat dat aanzien heeft.
 
2. Jezus snijdt een kwetsbaar punt aan. Want zo zit onze maatschappij niet in elkaar. En eerlijk gezegd onze kerk en wijzelf ook niet. Toch?
We kijken op tegen mensen die zichtbaar goed bezig zijn, een goed verhaal hebben, staan voor wat ze vinden ook in geloofsopzicht. Terwijl in tijden van grote kwetsbaarheid het de vraag is wie en wat je nu werkelijk nodig hebt.
In de coronatijd ontdekten we hoe belangrijk de werkers in de zorg, in de scholen en op straat zijn. Zo zal ieder van ons wel een eigen ervaring hebben van wie voor u, voor jou in tijden van nood zo belangrijk is geweest, waar anderen niets van weten.   

Toch hebben we de neiging liever tegen mensen op te willen kijken, dan naar beneden te kijken als we zoeken naar een weg van leven. Ook kijken we liever bij onszelf naar waar we sterk in zijn, dan naar wat ons kwetsbaarheid is. Jezus stelt de blik van de leerlingen en van ons bij.
Zoals constant in de Bijbel mensen hun blik moeten bijstellen, om God te ontdekken.
Telkens is het de kwetsbare ander, met wie Gods verhaal verder gaat.
Denk aan Kain en Abel, Isaak en Jakob, de kleine Jozef en zijn broers, de kleine David. Niet de sterke maar de kwetsbare gaat voorop.
De leerlingen van Jezus stellen hun vertrouwen op de kracht en de macht die van Jezus uitgaat en ze durven niet stil te staan bij wat Jezus zegt over zijn naderende uitlevering, zijn kwetsbaarheid.
Maar daar kunnen ze nu, met dit kind in hun midden, niet langer omheen.
Het kind confronteert hen met de vraag die ze zelf niet durven stellen: hoe zit dat met dood en opstanding? Hoe zit dat met kwetsbaarheid als weg naar God?
 
3. Durven wij die weg wel te bevragen?
Ons te richten op wie kwetsbaar is in ons midden en wat kwetsbaar is in ons, geloven we daarvan inderdaad dat die weg bij God uitkomt?
En zo ja, durven we elkaar te bevragen of we ons eigenlijk wel willen begeven op die weg.
Want dat kost nogal wat.
Openheid geven over kwetsbaarheid, dat vraagt om moed.
Ingaan op de zorg die een ander nodig heeft, dat vraagt om geduld.
Het risico is dat je jezelf kwijt raakt.
En als het niet om jou gaat, kun je dan wel invloed uit oefenen en van betekenis zijn?
Dat lijken me reële vragen.

Het zijn vragen die zo wezenlijk zijn, dat ze in onze lezing vandaag aan bod komen.  
Want dat is feitelijk wat gebeurt in deze Schriftlezing uit Marcus. De angst om vragen te stellen, de ambitie om van betekenis te zijn, de confrontatie met afhankelijkheid, ze krijgen allemaal een plaats.
En Jezus wijst niemand af, zet niemand op z’n nummer, maar doet iets.
Hij omarmt met dit kind zijn eigen kwetsbaarheid en laat zien dat God daarmee van doen heeft.

4. Hoe kunnen we dat nou begrijpen, bevatten?

Nou zo: omarmen is wat Jezus doet. Omarmen van een mensenkind, omarmen van wat onbeduidend lijkt, maar van grote betekenis is.

Als God daar te vinden is waar wij ons niet krachtig voelen, bij zorg die ons uitput,
Als God te vinden is in de momenten dat we gedwongen worden te vertragen, wanneer we niet kunnen doen wat we uit onszelf zouden willen doen.
Als God daar te vinden is, waar bevinden we ons dan op die weg die Jezus wijst?

Kunnen wij een God die zichtbaar wordt in kwetsbaarheid aan?
Willen wij die God omarmen?

5. In een prachtig filmpje verwoordt Jessa van der Vaart, predikant van de Oude Kerk het zo:  Er vindt in de Bijbel een waanzinnige omkering plaats die mij tot op de dag van vandaag verrast. Die verhalen kunnen je op een heel ander spoor zetten dan je denkt. Omdat de wereld de andere kant opgaat. In de wereld willen we omhoog, terwijl in de Bijbel God naar beneden gaat. Dat is een tegengestelde beweging. God zoekt de menselijke kwetsbaarheid op. En dat leert ons denk ik iets over de weg van de mens. Niet dat we succes moeten gaan afwijzen maar het leert ons wel iets over het vinden van balans. https://www.youtube.com/watch?v=jRll1ap1Es0

We zijn de eersten niet en ook de laatsten niet die ons aan die Bijbelse woorden wagen.
En de vragen die ze bij ons en bij de leerlingen van Jezus oproepen, die horen daarbij.
Die horen bij de weg van de mens, waarop Jezus voorgaat.
Amen.