8 sept

‘Een goed verhaal’

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: 1 Samuel 16: 1-13

 
Inleiding op de Schriftlezing
Het oecumenisch leesrooster dat wij in deze kerk volgen, biedt vanaf vandaag zeven weken lang een alternatief rooster aan met lezingen uit de Bijbelboeken 1 en 2 Samuel waarin het gaat over David. David, de herdersjongen die koning werd van Israel en zetelde in Jeruzalem.
Eeuwen later spreekt David in Israel nog tot de verbeelding. Hij was de ware koning, hem worden zovele van de psalmen toegedicht. Van hem is Jezus een afstammeling, Jezus die in de stad van David wordt geboren, in Bethlehem.
Ook voor de meesten van ons zal David tot de verbeelding spreken. Misschien nog het meest als die kleine jongen die het opneemt tegen de reus Goliath. Maar dat komt volgende week. 
Vandaag horen we hoe het verhaal van God verder gaat met David, nadat God teleurgesteld is geraakt in het koningschap van Saul, de eerste koning van Israel.
Saul was groot van gestalte, hij stak met kop en schouders boven de andere mensen uit. Nogal logisch dat God hem aanwees als degene die de profeet Samuel tot koning moest zalven. Maar Saul vertrouwde niet genoeg op God. Toen hij het benauwd kreeg, nam hij het recht in eigen hand. En daarin gaf hij als koning zijn volk niet het goede voorbeeld.
God zoekt daarom een nieuwe koning, een koning naar zijn hart. Dat is een koning die vertrouwt op God en die het goede zoekt voor alle mensen. Samuel moet die koning zoeken en zalven.
 
Een goed verhaal – vanuit Samuel gesproken
 
1. Kijk, ik kan als excuus natuurlijk aanvoeren dat mijn ogen niet meer zo goed zijn, maar dat gaat niet op, ik zag het gewoon verkeerd, dat geef ik eerlijk toe.
God had mij gezegd dat Hij één van de zonen van Isai als koning had uitgekozen en toen ik Eliab zag, dacht ik meteen: dit is hem. Een man met een indrukwekkend gestalte stond voor me. Net als Saul, die stak ook met kop en schouders boven de mensen uit.
 
Maar ja, door Saul wist ik natuurlijk al, dat zo’n uiterlijk alleen niet zoveel zegt.
Saul, dat spijt me nog steeds, die maakte het niet waar om op God te vertrouwen.
Hij dacht dat hij beter op zichzelf kon vertrouwen en toen ging hij de mist in. Hij had wel spijt, maar voor God was het klaar. ‘Saul is niet meer de koning die ik verkies’, zei God. Maar tot mijn verbazing wilde God dus wel door met een nieuwe koning. En die moest ik zalven.
 
Het eerste wat ik deed toen Isai er aankwam, was zoeken naar een vervanger van Saul, iemand die op hem leek.
Ja, stom natuurlijk. Je vervalt blijkbaar al snel in je oude patroon. Terwijl ik kon weten dat God het dit keer op een andere manier zou willen doen.  
Maar wat zou u kiezen? Wat voor iemand voel je je veilig bij, als leider? Dat is toch iemand die overwicht heeft, die uitstraalt ‘hier ben ik’. Iemand om wie je niet heen kan?
 
2. ‘Ga niet af op zijn voorkomen.. de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ Dat fluisterde God mij in. Kijk, dat snap ik wel, ik loop al langer mee met God.
Maar als ik in mijn eigen hart kijk, dan wil ik graag een leider die me beschermt, die stevig staat. Misschien kijk ik daarom wel naar het uiterlijk.
 
Oh, schrik, zou het soms te maken hebben met dat ík te weinig vertrouw op God?
Hoe vaak heb ik mensen wel niet voorgehouden dat we moeten kijken met de ogen van God! God kijkt naar het hart van de mens, naar waar die op is gericht en naar de bron waaruit hij put.
Een goede leider kijkt met de ogen van God naar mensen en heeft oog voor iedereen.
Een goede leider heeft zijn oog op God gericht, stelt z’n vertrouwen op God.
 
3. Nou ja, ik heb nog veel te leren op mijn oude dag, dat blijkt, want ik schoot even in paniek, toen Isai al zijn zeven zonen had laten langskomen en er geen was die God verkoos.
Zie je wel, dit komt niet goed, dacht ik. Zeven zonen, dan heb je alles wel gehad, dacht ik.
Terwijl ik had kunnen weten dat God telt tot 7 + 1. Acht, dat is immers het getal van een nieuw begin. Op de 8e dag sloot God immers een verbond met Abraham, op de 8e dag worden de zonen van Israël besneden. Op de 8e dag begint het leven met God.
Dus, ja natuurlijk was er een 8e zoon. Maar waar dan?
 
Zonder hem konden we niet verder, zonder hem konden de oudsten niet verder met de maaltijd, zonder hem kon ik niet verder met de zalving, zonder hem kon God niet verder met het volk Israel.
Het wachten was op de kleinste. Pas als hij er zou zijn, zouden we verder kunnen.
 
4. Ja en toen moest ik wel even lachen, hoor.
‘De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart’.
Jaja, dat kan wel zijn, maar God is niet gek: wat een knapperd, die David! Echt een stuk. Met rood haar en van die sprekende ogen.
Ogen die alles zien, dat zag ik meteen.
Natuurlijk, als herder heeft hij getrainde ogen, om een kudde te leiden moet je oog hebben voor gevaar, zien wie kwetsbaar is en waar het gras groen is.
Deze David ziet wat hij moet zien, dat straalt hij uit. En hij zal doen wat hij moet doen.
 
Iedereen was erbij toen ik hem zalfde. Iedereen heeft gezien hoe God een nieuw begin met ons maakt in deze kleinste, de laatste, de herder die iedereen over het hoofd zag, maar zelf niemand over het hoofd ziet.
 
5. Er is maar één ding wat ik hoop: dat hij trouw blijft aan God.
Van zo iemand moeten wij het hebben. Iemand die zichzelf niet voorop stelt, maar God, omdat die weet dat hij het anders niet redt! Iemand die niemand afschrijft, net als God dat ook niet doet. Want het kan dan wel zijn dat God Saul niet langer verkiest en ook niet de zeven broers van David verkiest om koning te zijn, maar daarom horen ze er nog wel bij. Dat God voor David gaat, wil niet zeggen dat de anderen zijn afgeschreven. God schrijft niemand af, alleen hangt de toekomst van David af.
 
6. ‘Zucht’, ik kan wel zeggen dat ik hoop dat David trouw blijft aan God, maar misschien kan ik beter beginnen bij mezelf op te roepen trouw aan God te zijn.
Dat ik, zoals God zegt, vertrouwen stel in mensen met een goed hart, die niet gaan voor status, maar voor mensen. Mensen die imponeren door wat ze doen voor anderen en niet door hoe standvastig ze zijn in hun principes.
Leiders die durven twijfelen aan zichzelf en zich niet op de borst kloppen voor wat op hun pad komt. Die zich realiseren dat ze het niet alleen kunnen, maar andere mensen nodig hebben.
 
7. Ik hoop dat ik de volgende keer anders kijk: naar wat iemand doet, in plaats van hoe die eruit ziet. Dat ik God niet teveel hogerop zoek.
Toen ik naar beneden keek en David in beeld kreeg, zag ik wat God zag: een mooi mens en ik vraag me nu af: vond ik hem daarom zo mooi, omdat hij geliefd was door God?
Lieveling, betekent immers de naam David.
 
(…)
 
8. Hé, horen jullie dat ook, muziek? Iets van getokkel?
Het klinkt als David die zingt. Iets over een herder?

25 aug

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 13: 18-30


Inleiding op de Schriftlezing
Er is vandaag één lezing uit het evangelie van Lucas. Jezus is onderweg met zijn leerlingen naar de stad Jeruzalem. Onderweg spreekt Hij in synagogen, geneest Hij mensen en leert Hij zijn leerlingen en de mensen die naar hem toekomen over het Koninkrijk van God.
In de lezing van vandaag onderwijst Jezus door middel van twee gelijkenissen en door in te gaan op de vraag van iemand hoe dat zit met het Koninkrijk van God. En dan blijkt door de woorden van Jezus hoe anders mensen denken dan God. Er is meer mogelijk dan wij denken en tegelijkertijd zullen wij ons best moeten doen om deel uit te maken van dat Koninkrijk.

Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,

Niet later maar nu. En niet anderen maar jij.
Zo reageert Jezus op de vraag wie er ooit bij God mogen horen. Jezus wijst de vragensteller op waar het op aankomt: ‘Doe jij hier en nu maar gewoon je best’.
Geloof is niet iets voor later. En ook het Koninkrijk van God is dat niet. Dat Koninkrijk is er namelijk al waar het goed leven is voor alle mensen. En voor dat goede leven moet je je inzetten, onvoorwaardelijk.

Jezus vertelt over het Koninkrijk van God in twee minigelijkenissen dat het is als een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een boom waar hemelse vogels in nestelen en dat het is als zuurdesem dat als je het vermengt met drie zakken meel, alles zal doortrekken.
Oftewel: je houdt het niet voor mogelijk en je ziet het misschien niet, maar dat Koninkrijk van God, die wereld waarin het wel zo is dat er voor iedereen een plek is en dat iedereen tot zijn recht komt, die wereld waarin mensen met God leven, die wereld die is al gaande. Die wereld raakt de harten van mensen en uitlopers daarvan kun je tegenkomen waar je het niet verwacht.
De verrassende groei en de blijvende doorwerking van dat Koninkrijk van God maken ook duidelijk dat leven met God iets is wat handen en voeten krijgt hier en nu.

Die vraag: ‘Zijn er maar weinigen die worden gered?’ is een vraag, ingegeven door angst wellicht, maar hoe dan ook, gericht op later: komt het goed met mij? Waar kan ik op rekenen? Die overtuiging en de angst dat er maar weinigen behouden zullen worden in het leven na dit leven, is in veel orthodoxe kringen nog steeds gangbaar. Het hele leven hier en nu is zo van ondergeschikt belang aan die vraag naar de toekomst.

Maar Jezus gaat niet in op de vraag hoe het in de toekomst zit met wie wel of niet inbegrepen zijn in de genade van God. Jezus wijst op het hier en nu en maakt het persoonlijk door te zeggen: doe jij nu maar je best!
Vooruitgrijpen op een toekomstig oordeel, of dat nu is uit angst of uit zelfverzekerdheid, dat is niet heilzaam.
Wat wel heilzaam is, is het doen van gerechtigheid. Als je al weet dat dat van je gevraagd wordt, nl. dat je leeft als rechtvaardig mens: doe dat dan!
De deur is smal, oftewel: het zal niet vanzelf gaan om te leven zoals God het wil. Daar zul je je best voor moeten doen en dat zal moeite en doorzetting vragen. Maar dat kun je beter doen dan speculeren over je kansen en je bezighouden met de vraag wie God zal binnen- of buitensluiten.
Als je weet wat God van mensen wil, laat daar dan je leven hier en nú door bepalen en niet je toekomst.

Dat binnen- of buitensluiten, dat is sowieso meer iets van mensen dan van God.
Ook dat maken de woorden van Jezus duidelijk.
De deur die eenmaal gesloten wordt, daarbij gaat het niet om uitsluiting maar om insluiting, ook al lijkt dat misschien op het eerste gezicht niet het geval.
Kijk maar hoe het verhaal eindigt, overal vandaan, vanuit de hele wereld, oost en west, noord en zuid, horen mensen bij die wereld van God. Niemand is uitgesloten. Dat is voor de tijd van Jezus een revolutionaire boodschap: dat het niet alleen de Joden maar alle volken zijn tot wie God zich richt.
Wie er buitengesloten worden zijn degenen die buiten zijn blijven staan, toen van hen gevraagd werd te kiezen voor de rechtvaardige weg.

De keuze of je erbij hoort, bij hen die leven met God (‘gered worden’, staat in dit verhaal), die keuze maak je zelf, elke dag opnieuw, door hier en nu te gaan staan voor wat mensen bevrijdt en door op te komen voor de waardigheid van elk mens.
Het gaat niet om ons eigen lijfsbehoud, het gaat niet om zeker weten dat je binnen bent, het gaat erom zo met elkaar te leven dat niemand buitengesloten wordt.

2. Daarom is die boodschap zo belangrijk dat het Koninkrijk van God hier en nu al begonnen is. Stel niet uit wat je vandaag al kan doen om te leven naar Gods geboden en Gods belofte van een plaats voor iedereen.
En denk niet te klein van wat je zelf kan doen. Dat het niet gaat om grote woorden en daden, dat maken die gelijkenissen van het mosterdzaad en het zuurdesem wel duidelijk.

Weten we nog waar dat verhaal van God in onszelf ooit voet aan de grond kreeg?
Is dat zaadje geplant door onze ouders of grootouders in onze opvoeding, of was er ooit een ontmoeting of gebeurtenis waarmee dit verhaal in ons is gaan ontkiemen?

En hoe is het nu?
Hoe doortrekt dat Woord van God, dat Koninkrijk van vrede de manier waarop we in dit leven staan en hoe bepaalt het ons levensverhaal?
Gaat het zijn ongekende gang of hebben we daarin nog een keuze te maken? 

Als we nagaan welke sporen dit verhaal van God heeft nagelaten in ons leven en waar het ons leven nu verrijkt, dan zien we wellicht wat die man die de vraag stelde naar de weinigen die gered worden, nog moest ontdekken: namelijk dat het leven met God begint bij eraan meedoen hier en nu. Niet op afstand blijven staan, maar ontdekken dat wij zelf de mogelijkheid hebben om iets van Gods wereld zichtbaar te maken door dicht te blijven bij wat God van ons vraagt.

Dat mosterdzaadje en die zuurdesem, geen spectaculaire dingen, daar begint het Koninkrijk mee. Met veel verwachten van wat maar weinig lijkt, maar dat onstuitbaar de goede kant op gaat. Met ontdekken dat wat alleen bij God mogelijk is, al leeft in onszelf als verlangen en hoop die ons gaande houdt en die ons daarmee verder doen reiken dan we zelf voor mogelijk houden.

Ligt dat Koninkrijk van God binnen ons bereik? Jazeker, dat doet het, geloof dat nu maar. Met dat geloof kom je een heel eind.
Amen.

18 aug

Negende zondag van de zomer

bij Genesis 13 en 15 – ds. Wielie Elhorst


Zomerdiensten over het Bijbelboek Rechters, deze zondag over Simson.


Gemeente van Jezus Christus,

Helaas is het hele verhaal over rechter Simson te lang om het helemaal te lezen, maar met de gelezen hoofdstukken 13 en 15 krijgen we een aardig beeld van de man die de twaalf stammen van Israël of een deel daarvan twintig jaar lang leidde. Het is niet overdreven te stellen dat Simson wellicht de kleurrijkste van alle rechters was, een mooie dus om de zomerdienstenserie over Rechters mee te eindigen.

Het zal je kind maar wezen, dacht ik na lezing van de vier hoofdstukken in Rechters die over het leven van Simson gaan. Simson, naar het zich laat aanzien een knapperd, een man van formaat, maar evenzeer een vrouwenverslinder, een onverlaat met een nogal impulsief en enigszins onnadenkend karakter. In niets lijkt Simson op de leider die je zou verwachten in het Bijbelboek Rechters. Hij gaat, zo lijkt het, zijn eigen gang en stoort zich aan God noch gebod.

Het verhaal over het rechterschap van Simson is erg rijk, dat wil zeggen: het kent vele lagen. Het gaat over ouders en hun kinderen, over verwachtingen, over seks en liefde en verraad, over machismo, over het overschrijden van grenzen – letterlijk en figuurlijk, over leiding geven of het gebrek daaraan, over wraak en excessief geweld. De mens die ons in al deze lagen gepresenteerd wordt, is Simson, een mens die geroepen is, maar ook geslagen, tegelijkertijd. Simson is een man met een hoge roeping die hij evenwel absoluut niet waar kan maken of waar wil maken zelfs, zo lijkt het. Het zal je ook maar gebeuren, dat je al voor je geboorte een bestemming krijgt toegewezen: de leider van een heel volk te worden én ook nog lid van een soort religieuze orde: de nazireeërs. Dat laatste betekent: nooit drinken, rein blijven, nooit in de buurt van een dode komen en je haar laten doorgroeien. Welk kind kan normaal omgaan met zo’n hoge verwachting: een voorbestemde leidinggevende rol en dan ook nog de strenge codes van een soort religieuze orde? Tegen deze achtergrond leest het hele verhaal van Simson als één grote worsteling: een mens die weet van zijn bestemming en van de houding die van hem wordt verwacht, maar daar niet aan kan of wil tegemoetkomen. Met de beste wil van de wereld kun je Simson geen leider noemen en hoe nauwgezet hij als nazireeër leefde, is ook sterk de vraag. En toch is het deze man, deze jonge onverlaat, deze mens die door God geroepen wordt zijn volk voor te gaan, het te blijven bepalen bij wie Hij voor zijn mensen was en wil zijn: de God die bevrijdde uit Egypte, uit het land van de angst, en die zijn mensen bij die vrijheid wil bewaren.

Als Simson wordt geboren, is het lang beloofde land vergeven van de Filistijnen. We hoorden dat God de Israëlieten aan de Filistijnen overleverde, omdat het deed wat slecht was in zijn ogen. God leverde zijn volk veertig jaar lang aan de Filistijnen over, een mensenleven lang, weer een generatie in de woestijn als het ware. Het is een mededeling waar we vandaag de dag even op moeten kauwen. Fijn, zo’n God. Misschien zouden we het ook zo kunnen zien: wie niet luistert, zal vroeg of laat op de blaren zitten. Niet luisteren is hier dan niet meer willen weten van het begin, waarmee het allemaal begonnen was, waar je vandaan komt: een God die het gejammer van zijn volk onder het Egyptische slavenjuk hoorde en tegen farao de dictator zei: tot hiertoe en niet verder: ‘Let my people go’, de vrijheid tegemoet. Wie vergeet wat een leven in vrijheid is, laat ongemerkt de overheersing van de knechting weer binnen. Het één is de logische consequentie van het ander. Historisch hebben we waarschijnlijk te maken met en volk dat zijn plek aan het zoeken is, letterlijk en figuurlijk. Als je ergens nieuw bent, moet je je verhouden tot je omgeving, ook met de mensen in de nieuwe omgeving. Zo gemakkelijk is het dan niet jezelf te bewaren bij de oorsprong van dat nieuw gegeven leven, die nieuw gegeven kans. In die overgangsfase van ex-slavenvolk naar natie zijn er rechters die de opdracht hebben het volk, de twaalf stammen van Israël bij hun oorsprong te bepalen. Het woord ‘rechter’ wekt hier trouwens een enigszins beperkte betekenis. Het Hebreeuwse woord dat hiervoor wordt gebruikt, kan ook ‘bevrijder’ betekenen. Bij de opdracht van deze mannen en vrouwen lijkt dit een passender aanduiding: zij die hun mensen in Naam van God bepalen bij hun oorsprong: vrijheid, onderhouden door de Tien Woorden van leven.

Maar goed, lezend en herlezend bleef het mij een raadsel hoe Simson in dit plaatje past. ‘Zonnetje’ betekent zijn naam, en ook die lijkt niet echt te passen. Simson is eerder een schelm, een verwend nest, een onverlaat, een rokkenjager, een machoman die er gelijk op los slaat, als hij boos is of zijn zin niet krijgt. Simson is een mens met ‘unsolved issues’, met onopgeloste problemen, zouden wij vandaag zeggen. Is het een wonder dat hij na weer een hysterische vechtpartij zijn toevlucht neemt onder een afhangende rots, gedoemd tot een eenzaam bestaan? Een psychologische exegese zou bij het verhaal over deze rechter niet misstaan, dacht ik, de wederwaardigheden van zijn leven doornemend. Het is allemaal te veel en te erg, vooral het geweld, het brute geweld, hoe wat Simson wordt aangedaan steeds daar weer zijn uitweg in zoekt. Natuurlijk, je moet het verhaal in context zien, de tijden waren anders, maar dan nog… Ik denk dat we vandaag de dag niets anders kunnen dan het te veroordelen. Zo niet. Zo willen we het niet. Zo gaat het niet, ook al weten we dat vrijheid soms met hand en tand bevochten en verdedigd moet worden.

En toch gaat het in dit verhaal wel zo. Deze macho met zijn lange haren en zijn dikke spieren doet onder de schijn van het tegendeel wat moet gedaan. Simson houdt zijn mensen van het lijf wat anders uiteindelijk hun ondergang zal worden: een volk dat niet weet van God en gebod, dat niet weet wat het is een slavenjuk af te kunnen werpen, maar ze het liefst oplegt, en dat niet weet dat wat je tot leven strekt, dat je dat zelf in handen hebt, dat je de Tien Woorden van leven slechts hoeft te doen om blijvend te ervaren wat het is om een vrij mens te zijn, ook niet veroordeeld tot de nukken van een god, of een godje dat steeds maar weer offers eist en bloed wil zien. Doet God, de God van Israël, zelfs zijn werk onder de schijn van het tegendeel, van wie Hij voor mensen wil zijn? Misschien wil het onwaarschijnlijke verhaal van het leven van rechter Simson laten zien dat God zelfs met een kromme stok toch een rechte slag kan slaan? Zou dat het kunnen zijn? Als het zo is, dan is er hoop voor ons allemaal. Niet dat wij allemaal een kromme stok zijn, mensen met ‘unsolved issues’, maar mens zijn we en dat betekent dat wij niet altijd of eigenlijk nooit kunnen doorzien waarom de dingen gaan zoals ze gaan en dat gebeurtenissen die op het eerste gezicht zinloos of ongewenst waren, niet toch kunnen verkeren in wat wij nodig hebben. Ik vind het te gemakkelijk bij dit verhaal over Simson te zeggen dat het Gods wil is, maar ik wil wel geloven dat we niet altijd alles doorzien, niet weten wat uiteindelijk ten goede zal keren of waarom iets nodig bleek dat wij op het eerste gezicht het liefst hadden willen overslaan.

Simson de rechter, Simson de bevrijder. Uiteindelijk blijkt hij een mens te zijn die zijn roeping begrijpt, die van God weet, die weet wat overgave is. We hebben het niet gelezen, maar als hij een laatste kans krijgt zijn uitzonderlijke kracht te doen gelden, inmiddels gevangen en blind gestoken door de Filistijnen, doet hij dat niet om er zelf beter van te worden of uit blinde wraak, maar doet hij het om zijn God en zijn volk, om hun vrijheid. Nooit meer Egypte. Simson bezwijkt onder de pilaren van de tempel van de Filistijnen, als hij die in een laatste daad van vertrouwen en van geloof uit elkaar duwt en daarmee ook alle leiders van het Filistijnse volk ombrengt. Het is gedaan met de mensen die het joodse volk, die nieuwe natie, wilden inkapselen of zelfs vernietigen. Het is gedaan met wat het leven en de vrijheid van Gods mensen bedreigt. Nooit meer Egypte. Dat mag wat kosten, maar dan ook echt.

Amen

7 juli

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Lucas 10: 1-12, 17-20


Inleiding op de Schriftlezing

In hoofdstuk 9 van het Evangelie van Lucas zendt Jezus zijn 12 leerlingen uit om het Koninkrijk van God te verkondigen en zieken te genezen (Lk 9: 2). Jezus draagt zijn leerlingen op om niets mee te nemen voor onderweg: geen geld, geen eten, geen extra kleren. Zij moeten goede gasten zijn: nl. blijven daar waar ze welkom worden geheten. En waar ze niet welkom zijn, daar moeten ze het stof van hun voeten slaan en weggaan.

Vandaag lezen wij in het daaropvolgende hoofdstuk 10 over de uitzending van 72 andere leerlingen. Jezus stuurt hen met min of meer dezelfde opdracht op pad. ‘Vrede’ is daarbij een belangrijk woord is, dat is hun binnenkomer ‘Vrede voor dit huis!’.

Nu zijn de getallen in deze verhalen natuurlijk van betekenis. De twaalf leerlingen die Jezus uitzendt, staan voor de 12 stammen van Israël, de uitzending van die twaalf hebben Israël als doel. Tweeënzeventig was toen het getal van de volkeren. De tweeënzeventig leerlingen die Jezus uitzendt, vertegenwoordigen dan ook de hele volkerenwereld die Jezus voor ogen heeft met zijn verkondiging van het Koninkrijk van God.

Dus vandaag gaat het over wereldzending. Twee aan twee stuurt Jezus de 72 leerlingen op weg. En we horen ook hoe ze terugkomen. Dolenthousiast kun je wel zeggen. Want het is gelukt! ‘We hebben zelfs mensen genezen van hun demonen!’, zeggen ze. 

En Jezus reageert: ‘Besef dat jullie al gelukt waren, want jullie zijn kinderen van God’.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Kwetsbaar en krachtig, zo zendt Jezus de leerlingen uit. Kwetsbaar ‘als lammeren onder de wolven’, zonder de zekerheid van geld en goed, onzeker over welk eten en drinken en dak boven het hoofd hun zal worden aangeboden. Kwetsbaar ook omdat het mogelijk niet in goede aarde zal vallen: hun groet ‘Vrede aan dit huis’ en hun boodschap ‘Het Koninkrijk van God is nabij’.

De leerlingen zijn op hun weg zo kwetsbaar als Jezus zelf op zijn weg is en daarin ligt ook hun kracht. Want hun woorden zijn Jezus’ woorden en we weten wat die woorden van Jezus doen. Die woorden brengen mensen vrede, ze hebben gezag over ziekten zodat iemand weer mens wordt, ze maken dat het Koninkrijk van God tot leven komt. Demonen bezwijken onder Jezus’ naam, slangen en schorpioenen, oud-Joodse symbolen voor demonen, raken erdoor vertrapt.   

Er staat dat de leerlingen ‘vol vreugde terugkeerden’ en dat doet vermoeden dat ze zelf nog al onder de indruk zijn van wat ze hebben kunnen bereiken en van hoever die naam van Jezus reikt. Ze zeggen ‘Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam.’ Je hoort ze als het ware zeggen: ‘Wie had dat gedacht?’. En Jezus reageert op hen door drie dingen te zeggen:  Allereerst kan Jezus het hun nog sterker vertellen: ‘Ík heb ​Satan​ als een lichtflits uit de hemel zien vallen!’. Vervolgens wijst Jezus hun erop dat het Zijn macht is die de leerlingen hebben gekregen en die hen krachtig maakt. Ten derde noemt Jezus wat hun ware reden tot vreugde zou moeten zijn: namelijk niet dat ze demonen kunnen overwinnen, maar dat ze weten dat ze van God zijn, bij God horen. 

2. Probeert Jezus hiermee nu het enthousiasme van de tweeënzeventig leerlingen de grond in te boren? Ik denk het niet. Maar Jezus plaatst hun ervaringen wel in een groter perspectief, namelijk een hemels perspectief. ‘Verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is’. Dat was al zo, voordat ze op pad gingen. Dat is geen verdienste. Dat is juist wat ze te verkondigen hebben in de wereld: in de hemel, bij God is plaats voor jou en mij. Ruimte om vrij te zijn van angst, ruimte om bevrijd van overheersing te leven, om vrede te vinden.

Daarom geldt ook bij de steden waar de tweeënzeventig niet welkom zijn, dat ‘het Koninkrijk van God nabij is’. Want wat Jezus de mensen leert over hoe ze zich kunnen verbinden met God en met elkaar en zo leven kunnen vinden, dat is voor iedereen bestemd, die weg van menswording is voor iedereen weggelegd.

Ik kan niet nalaten op dit punt nogmaals mijn tante te citeren: ‘de hemel geeft, wie vangt die heeft’. Het koninkrijk van God is nabij, bereikbaar voor wie er oren naar heeft, voor wie ervan wil leven. En op weg gaan, uitgezonden worden, is daarvanuit gaan. Daar wijst Jezus de tweeënzeventig leerlingen op. 

3. Ik vind het een mooi uitgangspunt en ook de basis van kerk zijn. Wat wij doen, of zouden moeten doen in de wereld, is uitdragen dat er onder de hemel, onder de regenboog, dus bij God een plek is voor jou en mij. En dat kunnen we uitdragen door letterlijk ruimte te maken aan de tafel, in ons gebouw, in de tuin en ook meer abstract door woorden te geven aan die ruimte, inclusief te spreken of door mensen uit te nodigen die ruimte hier te vinden. Het is de missie van onze gemeente.

Daarom is het nog wel interessant om te kijken wat wij kunnen leren van hoe Jezus de tweeënzeventig leerlingen op weg stuurt. Twee dingen vallen mij op nl. hun kwetsbaarheid en hun snelheid.

Allereerst de kwetsbaarheid: ‘Ik stuur jullie als lammeren onder de wolven’. Dat klinkt gevaarlijk, maar hoeft niet verkeerd af te lopen, dat blijkt. Jezus lijkt de leerlingen te waarschuwen om voorbereid te zijn op vijandigheid en gevaar, maar tegelijkertijd moeten zij zich niet voorbereiden door zich te wapenen.

Wat gebeurt er eigenlijk als je zonder geld, zonder reistas en zonder ​sandalen op weg gaat? Dan ben je kwetsbaar. Dan bestaat je voorbereiding uit weten dat je afhankelijk zult zijn van anderen en weten dat je met vertrouwen op weg moet gaan. Niet omdat je geen vijandigheid hoeft te vrezen, maar vooral omdat je bereid moet zijn een ander tegemoet te treden en toe te laten. Bij die kwetsbaarheid van een ander nodig hebben, daar begint het uitdragen van het Koninkrijk van God, daar begint het wijzen op een heilzame weg van leven.

De snelheid was het tweede wat mij opviel. Twee aan twee stuurt Jezus de leerlingen op weg. Elkaar tot steun, elkaar tot getuige, is de Bijbelse uitleg van twee aan twee. Het doet mij ook denken aan die oosterse wijsheid ‘Als je snel wilt gaan, moet je alleen gaan, als je ver wilt komen, moet je samengaan’. Je hebt elkaar nodig.

Maar snelheid is daarbij ook nog nodig! Jezus zegt ‘groet onderweg niemand’. ‘Hoi’ is makkelijk gezegd, maar groeten in de zin van uitgebreid vragen hoe het gaat met je ouders, met je familie en met jou, zoals toen gebruikelijk en nog steeds in niet-westerse culturen, dat kost kostbare tijd en die is er niet. Het Woord van God moet worden verspreid. Daarom ook krijgen de tweeënzeventig de opdracht mee binnen te komen met de woorden “Vrede​ voor dit huis!” en dan aan te nemen, te eten en te drinken wat men hen aanbiedt en niet te kijken of je het elders beter treft. Want ook dat kost tijd, uitgebreid onthaald worden. En mochten ze ontdekken dat het geen koosjer huishouden is, maar heidens, dan moeten ze geen tijd besteden aan op zoek gaan naar waar ze wel wettelijk verantwoord voedsel kunnen vinden. Dat kan niet uit.

Ze moeten doen wat Jezus deed, ook Hij was bij iedereen, zoals tollenaars, te gast, genas de zieken en sprak Goede Woorden.

4. Net als de kwetsbaarheid van elkaar nodig hebben, zou ik ook die snelheid willen meenemen in onze missie als gemeente. Dat we geen tijd verkwisten aan wat afleidt van het brengen van het Woord dat vrede brengt en bevrijding. En daarom ook dat we van ons afschudden waar dat Woord niet in goede aarde valt, loslaten waar we niet welkom zijn en dat we vasthouden aan de vrede.

De hemel is ons perspectief. De hemel waaruit, plop, de satan naar beneden dondert, en de hemel waar onze namen opgeschreven staan.

De hemel als vertrekpunt en referentiepunt voor ons op aarde – daar kun je mee op weg, daar kun je mee aankomen.

Amen.

 

23 juni

Overweging ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Lucas 8: 26-39

 
Inleiding op de Schriftlezing
Pinksteren, het feest van de Geest, ligt nog maar net achter ons. Met Pinksteren vieren we hoe na het vertrek van Jezus van de aarde, de Heilige Geest komt en de aanwezigheid van God tussen mensen en in mensen belichaamt. Die Heilige Geest van God en Jezus hebben dus alles met elkaar te maken.
 
In het evangelie van Lucas staan in het 8e hoofdstuk vier verhalen waarbij telkens de vraag klinkt ‘wie is toch deze?’ en dan gaat het over Jezus.
Het begint met een verhaal over hoe Jezus in een boot vanaf Galilea vertrekt naar de overkant van het meer. Als het begint te stormen zijn de leerlingen van Jezus bang dat ze zullen vergaan. Maar Jezus spreekt de wind en de golven toe zodat die weer kalm worden. En dan stellen zijn leerlingen de vraag: ‘Wie is toch deze dat zelfs de wind en de golven hem gehoorzamen?’.  
 
Meteen aansluitend klinkt het verhaal dat we vandaag lezen. Jezus komt aan land aan de overkant van het meer, in heidens gebied. Daar treft hij een man aan die bezeten is, letterlijk ‘in bezit genomen’ door demonen. Hij vertoeft tussen de graven, is ontbloot en op de vraag wat zijn naam is, antwoordt hij ‘Legioen’, verwijzend naar legio demonen die in hem wonen. Met overmacht bezetten die demonen hem zoals een legioen Romeinse soldaten (3000- 6000 man).
Het verhaal vertelt hoe Jezus bij de ontmoeting met deze man handelt in de Geest van God en net als eerder bij de verzoeking in de woestijn de confrontatie aangaat met andere, kwade geesten. De kwade geesten, de demonen in het verhaal, vrezen dat de Geest van God waaruit Jezus handelt hun ondergang wordt en dat is ook zo. De demonen vergaan en de bezeten man wordt na zijn bevrijding van de demonen ‘mens’ genoemd.
Wie is toch deze, die de macht heeft over storm en over kwade geesten?
 
We horen zo het verhaal uit Lucas. Aansluitend zingen we een lied dat Sytze de Vries bij deze lezing schreef (‘Hoe zag ik in zijn ogen’ uit: Jij, mijn adem, t. Sytze de Vries, m. Willem Vogel). Opvallend is dat het lied geschreven is vanuit het perspectief van de bezeten man. Ik wil aanraden om het Bijbelverhaal ook zo op ons in te laten werken. Als wij zijn als die man, bezet gebied, bezeten door legio kwade geesten, stemmen die ons tekort doen, wat heeft Jezus ons dan te zeggen, wat kan de Geest van God dan voor ons betekenen?
 
Overweging
1. Gemeente van Jezus Christus,
 
Misschien kent u dat: woest te zijn, ontredderd, geminacht?
Kent u dat gevoel geen deel uit te maken van het normale leven, bezet te zijn door duizend stemmen, geleefd te worden in plaats van te leven?
Dat je niet goed meer weet wie je bent en bij de vraag hoe het gaat, begint met het opsommen van de diagnose. Dat het meer donker is dan licht, je leven meer op zichzelf dan verbonden en dat de waan van de dag bepaalt hoe jij je voelt en wie je bent.
Zo heb ik mij wel gevoeld de afgelopen maanden.
 
Vanuit zo’n ervaring wil ik dit verhaal van de genezing van de bezetene beluisteren. Vanuit het perspectief van de persoon die het aangaat, de persoon die het strijdtoneel is van de beide machten, de geest van God en de kwade geesten.
En ik ga er vanuit dat ieder van ons dat overkomen kan, overkomen is.
Of dat in ieder geval geloven ook gaat over die tegengestelde stemmen die in ons of om ons heen klinken. Stemmen die willen verbinden, die vragen om de menselijke maat, en stemmen die uitsluiten, die je vastzetten, die uitgaan van angst. 
Wat kunnen we vanuit de ervaring van bezet te worden door duizend stemmen van God op het spoor komen door dit verhaal?
2. Het verhaal van de storm op het meer eindigt met Jezus die de wind en de golven tot stilte maant. Er komt rust. Net als de rust die God schiep op de zevende scheppingsdag. Rust als in orde, als bevrijding van wat drukt en belast en angst aanjaagt.
 
In het verhaal van de bezeten man komt ook rust. Op het eind zit hij gekleed en bij zijn volle verstand aan de voeten van Jezus. Niks mis mee. Hoewel… er is wel wat mis mee, de mensen vinden het eng, angstaanjagend. Dat deze man opeens van zijn demonen bevrijd is en een mens is geworden, dat brengt hun onrust, ontzetting, angst.
 
Maar de meest opvallende angst in dit verhaal is toch wel die van de demonen. Als Jezus de onreine geest uit de man wil wegjagen, roept hij (de man of de geest dat is de vraag):  ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek je, doe me geen pijn!’ En even later smeken de demonen hem hun niet te bevelen naar de onderwereld te gaan, maar of ze in mogen trekken in de varkens. Dat mag en de onreinheid van de geesten in combinatie met de onreinheid van de varkens, maakt dat ze hun ondergang tegemoet snellen en ten onder gaan.
 
3. Wat is de kracht van de Geest van God? Waarvoor zijn de onreine geesten beducht? 
 
De man geeft zichzelf de naam ‘Legioen’, een eigentijds beeld. De Romeinse bezettingsmacht bestond uit legioenen die bestonden uit 3000-6000 soldaten.
Alles wat de bezeten man overkomt, is te verstaan als militaire beeldspraak: in hun macht hebben, boeien, bevelen. De man mag geen naam hebben, het is een object dat overmeesterd wordt.
 
De orde van deze bezettingsmacht is niet in orde, is niet koosjer, is zo onrein als de varkens zijn. Want een mens komt in het nauw. Ontmenselijking is aan de hand en niet menswording, waar het bij God om gaat. Hoe herkenbaar is dat: als mensen een nummer worden, of alleen bij hun ziekte of huidskleur of leeftijd worden genoemd, als mensen buiten de maatschappij worden geplaatst, gedemoniseerd, dan zijn ze geen ‘mens’ meer. Het is niet zomaar dat zodra mensen een gezicht krijgen, of een naam, dat ze dan anders bejegend worden. Voor Mauro, Lili en Howick, moest er plaats zijn in Nederland, ook voor mijn Marokkaanse buurman, voor de verdrukte kinderen die ik ken enzovoort. Onbekend maakt onbemind, en omgekeerd is het ook zo.
Wanneer we de ander als mens zien, brokkelt de macht van het systeem af. Dan valt er niet meer zo hard te oordelen. Dan ben je ineens zoveel meer mens.
 
Dat iemand opgediept wordt als mens, dat is de kracht van wat Jezus doet. En dat begint met Jezus’ vraag naar de naam van de man. De zwakte in het systeem van de kwade geesten, de bezettingsmacht, is dat zij niet bestand zijn tegen menselijkheid. Dan loopt het spaak. Dat Jezus, Zoon van de allerhoogste God, met iedereen wat te maken wil hebben, dat verpest het spel van de onreine geesten. Dat verzwakt hun positie. Het tast hun macht aan.
 
De aanwezigheid van Jezus zorgt voor conflict. Jezus sluit met zijn doen en laten de onreine geesten buiten. Een mensonwaardig bestaan laat zich niet verenigen met de Geest van God.
De demonen zien het aankomen. Als Jezus de naam van de bezetene wil weten, vrezen zij de macht van Jezus. Dat is het begin van het einde. Voor de onreine geesten. Maar ook voor Jezus. Hij wordt verzocht te vertrekken. De omstanders vrezen Jezus die voor conflict zorgt, voor omgekeerde rollen, voor vernietiging van demonen. Zou het? Of vrezen ze vooral voor hun eigen bestaan, hun eigen mens-zijn? Die bezeten man zit aan Jezus’ voeten, gekleed en bij zijn volle verstand, het blijkt een mens net als zij. En zij hebben dat niet eerder gezien.
 
4. Dat komen we op het spoor door dit verhaal. Dat hoe Jezus handelt, en handelen in de Geest van God in het algemeen, gaat om menswording. Daarom is de Geest van God ‘heilig’, anders dan de andere geesten. Haar doel is niet een ander te bezetten en macht te vergaren, maar haar kracht is te bevrijden en mensen te doen opstaan. De ander opdiepen als mens en zelf mens worden, daartoe zijn wij geroepen door God, dat doet Jezus ons voor, daarbij helpt ons Gods Geest.
Daarom dopen we kinderen in de naam van de Vader, van de Zoon én van de Heilige Geest. Amen

26 mei

Overweging ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 14: 21-29   

 
Inleiding op de Schriftlezing
Op deze 5e zondag na Pasen horen we in de Schriftlezing de opmaat naar Hemelvaart en Pinksteren. We lezen uit Johannes 14 een gedeelte waarin Jezus zijn leerlingen voorbereidt op het moment dat Hij van hen weg zal gaan. Jezus heeft het dan over zijn lijden en sterven. Judas Iskariot, de leerling die hem verraden zal, is net van de maaltijd vertrokken. De tekst die we lezen speelt dus nog voor de dood van Jezus en voor zijn opstanding die wij vierden met Pasen.
Wij lezen deze tekst nu ná Pasen en daarmee komt voor ons de nadruk te liggen op het weggaan van Jezus van deze wereld ná zijn opstanding. Dit opgaan van Jezus naar God vieren wij met Hemelvaart. We zullen zo horen hoe Jezus aankondigt dat, als Hij weg gaat, God de Vader de Heilige Geest zal zenden, die in plaats van Jezus, de Woorden van God zal duidelijk maken. En de komst van die Heilige Geest dat vieren wij over twee weken met Pinksteren.
Ook al verschilt onze situatie, toch is de boodschap van Jezus hetzelfde voor de leerlingen ín de tekst, en voor de lezers ván de tekst, namelijk: Als Jezus zelf niet bij ons is, zullen zijn woorden, en dat zijn de woorden van God, ons duidelijk worden gemaakt en ons in herinnering worden gebracht door de Heilige Geest. 
Jezus was zelf het woord van God onder mensen, Hij was sprekend zijn Vader. Maar daarmee is het niet Jezus zelf, maar God in Hem, waar de mensen aan moeten vasthouden. Het is Jezus altijd om God te doen geweest. God die, zoals Jezus zegt, ‘meer is dan Ik’. Alles wat Jezus heeft gezegd en gedaan blijft van betekenis, ook als Hij er niet meer is. De liefde die Hij mensen leerde, liefde voor het Woord van God en liefde voor elkaar, die blijft in mensen bewaard. Letterlijk zegt Jezus ‘als jullie mij liefhebben dan blijven jullie vasthouden aan het Woord van God, dan zal God je liefhebben en dan vinden God en ik een woning bij jou’.
En zo komt het ook dat het gezongen gebed bij de opening van de Schrift dat we ook vandaag zingen als tekst heeft: ‘Kom, Geest van God, maak onze harten open, dat Christus bij ons woning vindt’. Daar is het ons om te doen, om in ons ruimte te maken voor het Woord van God en zo voor God zelf. Laten wij daarom zingend bidden: ‘Kom Geest van God’.
 
Overweging
 
1. Gemeente van Jezus Christus,
‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren’, zegt Jezus. In onze vertaling: ‘Wie mij liefheeft zal zich houden aan wat ik zeg’.
Het woord van God bewaren betekent niet het zorgvuldig opslaan in een boekenkast, of het uit je hoofd leren, en het betekent ook niet het veilig stellen en zorgen dat niemand eraan komt. Het woord van God bewaren betekent niet dat je de woorden uit de Bijbel koestert als iets van vroeger, maar het betekent dat die woorden je invallen bij wat speelt vandaag, dat ze je blik bepalen op wat er is en dat ze perspectief geven op morgen.
Het woord van God bewaren, heeft alles te maken met God liefhebben, met erbij willen blijven. ‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren’.
Zoals de liefde tussen mensen niet bestaat uit het op schrift stellen van een belofte, maar door het waar te maken elke dag opnieuw door die liefde in praktijk te brengen, zo is het ook met het Woord van God bewaren. Dat is actief in je dagelijkse doen zoeken naar een wijze van leven waarin mensen tot hun recht komen, dat is je oor te luister leggen bij de verhalen van God en eruit leven.
 
En wat Jezus zegt is: dat kunnen jullie ook zonder mij!
Aan de ene kant is dat een bemoediging voor wie achterblijven: ‘Maak je niet ongerust en verlies de moed niet’. Maar het is óók opnieuw een les van Jezus aan zijn leerlingen, en aan ons, over hoe het nu precies in elkaar steekt met Jezus en God. Ja, door Jezus ontdekken mensen wie en hoe God is. Jezus en God zijn één, niet één en dezelfde, dat zal Jezus als vrome Jood nooit beweren, maar wel één in woord en daad. Maar God is ook meer dan Jezus en het is Jezus niet om zichzelf, maar om God te doen. Daar wijst Jezus de leerlingen op als hij zegt: jullie kunnen ook zonder mij. Want na Jezus zal de Heilige Geest hen op God wijzen.
Zo komt Jezus meer op afstand te staan, maar tegelijkertijd komt Jezus ook juist dichterbij, want van wonen ónder hen komt het tot wonen ín hen.
En daarom is het ook dat Jezus zich niet aan iedereen, aan de wereld, bekendmaakt. Ze zouden het niet begrijpen. De woorden en de liefde van Jezus vereisen dat iemand ze wil horen vanuit verbondenheid met wie Jezus is. De woorden van God, zijn niet los van verbondenheid met God te verstaan.
2. En over die verbinding met God en met dat Woord van God gaat het ook bij de doop.
 
Jullie zijn de eersten niet, lieve ouders van Elin, die zeggen: we willen ons kind dit meegeven zodat ze daar later haar eigen keuzes in kan maken. Het is jullie hoop dat Elin in de kerk een plek zal vinden zoals jullie die gevonden hebben bij de catechesegroep, een plek waar je samen met anderen actief bezig bent met dat woord, met geloof, met God. Want alleen zo, door ermee bezig te zijn, kan het woord betekenis krijgen, wordt het relevant voor vandaag.
 
Onderdak vinden, het thema wat in de lezing van Johannes naar voren komt, is een prachtige metafoor voor hoe dat werkt met geloof.
Als je zelf onderdak vindt, je eigen plek in geloof, dan kun je ook onderdak verlenen aan God. Dan kun je in je doen en laten, in het vertellen van verhalen, iets van God laten zien.
Zoals Jezus zegt: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.
 
3. Het is niet weinig wat Jezus zijn leerlingen toezegt en toevertrouwt.
Hij zegt: ‘wat ik jullie leerde: een wijze van leven, van liefhebben, van recht doen aan een ander, dat neemt niemand jullie af, dat blijft jullie bij’. En ‘de vrede die ik jullie nalaat, is een vrede zoals de wereld die niet geven kan’. Zij zullen dit diepe weten van een andere wereld, een andere waarheid, met zich mee blijven dragen.
 
Met het weggaan van Jezus komt er ruimte om zelf de verbinding met God te zoeken. Zij en wij moeten het zelf doen, maar we kúnnen het ook zelf doen. Met hulp van de Geest van God, die ons herinnert aan wat ze eigenlijk wel weten, die inzicht geeft aan wat relevant is van dat Woord van God in de wereld van alledag. Zo zorgt de Geest in ons voor een zetje in de goede richting, blaast het ons nieuw leven in, vonkt het soms van binnen.
 
Als wij ons inlaten met het woord van God, zal Hij blijvend aanwezig zijn onder ons.
Moge het zo zijn. Amen.

vieringen

vieringen

elke zondag om 10.00 uur