31 mei

Overweging Pinksterviering 31 mei 2020 van Oranjekerk, Thomaskerk en Willem de Zwijgerkerk door ds. Jantine Heuvelink.

Schriftlezingen: Exodus 24 en Johannes 14: 23 - 29

 

Inleiding met gezongen gebed lied 333 ‘Kom Geest van God’

Vijftig dagen na Pasen is het vandaag. Pentacosta, Pinksteren. Voor mij, en misschien ook voor u, voelt Pasen als heel lang geleden. Toen had corona nog maar net het leven plat gelegd. Ik herinner me het zoeken naar hoe nu verder en de vraag wat staat ons nog meer te wachten en hoe lang gaat dit nog duren? Vragen die ook aansloten op de lezingen.

Op Paasmorgen lazen we hoe Maria bij het lege graf staat en huilt, maar dan ineens bij haar naam geroepen wordt en later kan zeggen ‘Ik heb de Heer gezien!’.

Vergelijkbaar en ook heel anders lazen we hoe het bevrijde volk Israël doodsbenauwd bij de Schelfzee staat en dan ziet dat de zee in tweeën splijt en zij door de dood heen kan gaan.

Dat was Pasen, doorgang door de dood. Hoe ging het verder?

 

We volgden de afgelopen weken het volk Israël op de voet. En hoorden over die tocht door de woestijn, over leren vertrouwen op God die bevrijdt, en telkens weer die twijfel en angst die opkomt.

Vandaag horen we Exodus 24 waarin God met zijn volk een verbond sluit. Je zou kunnen zeggen: hier waren de Israëlieten al die tijd naar op weg en ook hier was God al die tijd op uit. Om te komen tot dit verbond waarin Gods woorden die bevrijden, ontvangen worden door het volk dat zegt: ‘al de woorden die de Ene heeft gesproken zullen we doen!’.

De berg Sinaï waar God die tien woorden geeft, is een heilige plaats, daar blijft het volk op gepaste afstand, zoals God gezegd heeft, want wie te dichtbij komt, zal sterven. (Ex 19)

Mozes bouwt onderaan de berg een altaar en bezegelt het verbond tussen God en mensen met bloed als teken van leven. 12 stenen richt hij daarbij op, als teken van verbondenheid tussen God en de 12 stammen van Israel, die daarmee ook onderling verbonden zijn in die Ene. Daarna gaan de 70 oudsten van het volk met Mozes en de zijnen de berg van God op en aanschouwen God en houden een maaltijd en zij besterven het niet.

Hoogtepunten zijn er te over in dit verhaal van die berg die Mozes steeds verder beklimt, waar de Eeuwige verschijnt zo geheel en al dat maar een stukje daarvan te overzien is en waar de woorden van God over en weer gegeven en ontvangen worden.

Met die woorden zal het verdergaan. In een ark, een verbondskist, komen de platen met die Tien Woorden te liggen, en zo zal God met het volk meegaan. 

 

We lezen vandaag ook uit het evangelie van Johannes en horen hoe Jezus vlak voor zijn dood tegen zijn leerlingen zegt: ‘als iemand mij liefheeft zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem maken’.

God Die woont op de berg in een wolk, verblijft evenzo in de heilige woorden en in mensen.

Laten we daarom voor het horen van deze woorden, biddend zingen: ‘Kom, Geest van God’.

 

Overweging

1. ‘Maar wat is dat dan ‘Pinksteren’?’, vraagt Maaike.

En haar moeder zucht, want ze heeft het al een paar keer uitgelegd.

Maaike zegt: ‘Met Kerst is er een stal met een baby Jezus, met Pasen is er een palmpaasstok, met een kruis en met paaseitjes. Maar wat is er nu met Pinksteren? Vroeger waren er wel eens ballonnen in de kerk, of gingen we bellen blazen, maar vandaag is dat er niet. Ik zie helemaal niet aan vandaag, dat het Pinksteren is!’.

Dan heeft de mama van Maaike een idee. ‘Dat is het precies’, zegt ze. ‘Pinksteren is er niet als je het niet zelf mee-maakt! Wil je het mee-maken?’

Maaike knikt ‘ja’. Jullie ook? Oké, daar gaan we:

Wapper met een blaadje – Ah, een lekker koel windje!

Wrijf in je handen - Ah, daar krijg ik het warm van!

Knip met je vingers – dat lijkt wel een knisperend vuurtje!

En wees nu eens heel stil…, wat hoor je? Alleen je eigen adem?

Dat is nou Pinksteren!

2. Maak Pinksteren mee.

Wat de zeventig daar meemaken boven op de berg, dat zij God zien, dat gaat ons voorstellingsvermogen te boven. En niet alleen dat van ons, want ook zij die het meemaken komen in hun beschrijving niet verder dan de glimp die ze opvingen van het plaveisel van onder de voeten van God.

Pinksteren is het feest van de Geest, van God die voor mensen verstaanbaar is en over Wie je tegelijk slechts bij benadering, in beelden en symbolen, kunt spreken. Gods verschijning op de Sinaï gaat gepaard met donder en bliksem, een wolk en vuur. En ook met een stem, een woord en eten. God is heilig en op afstand, maar ook dichtbij en benaderbaar.

 

Met het Pinksterverhaal uit Handelingen 2 in ons achterhoofd valt het vuur op de top van de berg op – u weet wellicht dat ook op de hoofden van de leerlingen van Jezus vuur verschijnt als zij 50 dagen na Pasen bij elkaar zitten in Jeruzalem om het Pinksterfeest te vieren, het feest van de ontvangst van de Torah, het woord van God. Dan gaat het waaien in huis en verschijnen er vlammen op ieder van hen.

En wat ook opvalt zijn die 70 oudsten die met Mozes mee de berg op mogen trekken. Zeventig is in de Bijbel het getal van de volken. Met deze zeventig die God ontmoeten is gezegd dat de woorden van God en het verbond dat de Eeuwige met het volk Israël sluit, alle volken op het oog heeft. Als de leerlingen van Jezus het Pinksterfeest vieren in Jeruzalem en vervuld worden van de Heilige Geest en spreken in vreemde talen dan staat er dat Joden uit ieder volk op aarde hun kunnen verstaan. De hele wereld gaat dit Godsgebeuren aan. Dat zegt Jezus ook tegen zijn leerlingen als Hij hen uitzendt: 

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb’. (Matt 28: 19-20)

 

3. Iedereen kan dus Pinksteren meemaken, iedereen kan iets bevatten van God. Maar hoe?

‘Wie mij liefheeft zal mijn woord bewaren, en dat woord is niet van mij maar van mijn Vader’, zegt Jezus. Dat woord dat zijn de verbondswoorden van God, de tien woorden, die God gegeven heeft op de Sinaï. Wat dat woord ‘bewaren’ inhoudt, dat is mooi af te lezen aan wat het volk antwoordt als Mozes hen de woorden voorleest. Zij antwoorden: ‘al wat de Ene heeft gesproken, zullen we doen en willen we horen!’ Dat is natuurlijk een aparte volgorde, eerst doen en dan horen, en u begrijpt, dat staat er niet zomaar. Uit die volgorde van doen en horen blijkt dat die beide elkaar moeten afwisselen. De woorden van God heb je te doen, maar in je daden blijft het van belang af te blijven stemmen op dat Woord. Pinksteren meemaken, de Geest laten waaien, dat betekent niet vastzitten aan het woord, of volledig opgaan in het doen en ervaren, maar het betekent heen en weer willen gaan tussen beide. Het is bij alles wat je doet telkens weer voor ogen houden wat God gezegd heeft hoe het zal zijn, en daarnaar willen leven.

 

4. Want om leven gaat het. Leven in vrede. Daar wijst Jezus op, daar is het God om te doen.

Daarom sterven diegenen die met Mozes de heilige berg van God opgaan en God zien níét, in tegenstelling tot wat God eerder heeft aangekondigd.

God is overweldigend en voor het volk Israël enkel te zien als een verterend vuur op de top van de berg. Maar de Eeuwige is niet uit op vernietiging. De Eeuwige is uit op leven.

 

Mozes klimt dan ook verder omhoog.

En wij, wat doen wij?

Misschien gaan we Pinksteren wel meemaken en iets verstaan van God.

In onze ontmoetingen met een ander vandaag, op afstand of nabij.

In wat ons te doen staat.

In woorden of beelden.

Of in zomaar een windvlaag.

 

Amen

 

 


17 mei

Opmaatverhaal en overweging zondag 17 mei 2020 Oranjekerk Amsterdam ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Exodus 20: 1-21

 

Verhaal ‘Geheim’ verteld ter opmaat van de online kerkdienst 17 mei 2020

Wat is dat? Voorin de klas op de tafel staat een doos. Of eigenlijk is het een kist, of meer een kistje. Het ziet eruit als van hout, of is het van steen? Hij is heel donker bruin, bijna zwart en met allemaal patroontjes erin. En het kistje heeft een gouden slot, en gouden scharnieren. Wow.

Alle kinderen staan op een afstandje te kijken naar het kistje. Op een afstandje ja, want naast het kistje staat een bordje ‘niet aankomen!’.

‘Dat betekent dat je op anderhalve meter afstand moet blijven staan’, zegt Milou beslist.

Nou ja, dat nemen de andere kinderen dan maar even van haar aan.

Mmf, het kistje ruikt apart, een beetje oud of zo.

Eindelijk, daar is meester Bart.

‘Meester Bart!’, zeggen de kinderen, ‘wat is dat voor kistje?’

Meester Bart loopt naar de tafel toe en zegt ‘Dit kistje bewaart een geheim’.

Echt? Alle kinderen kijken van meester Bart naar het kistje. Oh…

‘Willen jullie weten wat er in zit?’, vraagt meester Bart.

Ja, natuurlijk willen ze dat! Iedereen is supernieuwsgierig.

Wat niemand verwacht is dat meester Bart het kistje zo open kan maken, zonder sleutel. Het zit niet eens op slot! En wat al helemaal niemand verwacht, is wat ze vervolgens zien: namelijk een leeg kistje…

Wat? Is het kistje leeg?

‘Nee’, zegt meester Bart, ‘het kistje is niet leeg, kijk eens goed’.

Ah, nu zien ze het: op de bodem van het kistje ligt een kaart. Meester Bart laat de kaart zien, het is een ansichtkaart.

Op de voorkant van de kaart staat een berg – en op de achterkant van de kaart staat een tekst.

Het zijn zoveel woorden, die kunnen de kinderen niet 1-2-3 lezen.

‘Is dit het geheim?’, vraagt Anouk.

‘Ja’, zegt meester Bart, ‘of, nou eigenlijk, dit, - en hij wijst op de berg op de voorkant van de kaart -, dit is de plek waar ik een keer iets van het geheim heb ontdekt. En dit, - hij wijst op de tekst op de andere kant van de kaart-, dit zijn woorden die mij iets over dat geheim vertellen’.

Huh, de kinderen kijken naar de berg en de woorden en ze denken allemaal wat alleen Freek hardop durft te zeggen: ‘welk geheim?’.

Meester Bart kijkt alle kinderen aan en zegt dan, een beetje plechtig zelfs: ‘Het geheim van waar het allemaal om gaat in dit leven, het geheim van God, van de liefde, van ons bestaan. In die woorden en op die berg heb ik daar iets van ontdekt. Snappen jullie dat?’

Nee daar snappen de kinderen helemaal niets van.

Zit dat waar het om gaat in het leven als geheim in een kistje? Kun je daarvan iets vinden op een berg en in woorden?

Dat is toch niet begrijpen, wat meester Bart zegt? Of snap jij het wel?

 

 

Overweging

1. Lieve gemeente,

 

Als de dood zijn de Israëlieten, voor die overmacht waarmee God tot hen spreekt.

‘Wees niet bang’, zegt Mozes, want angst voor deze God is niet nodig, maar ontzag des te meer.

 

Als je de tien geboden leest, als Bijbeltekst, maar zeker ook in bewerkingen zoals de interviewserie in dagblad Trouw, dan ontgaat je, of in ieder geval ontgaat mij, deze situatie waarin die woorden voor het eerst klinken.

De tien geboden komen zo vaak in hun toepassing of discussie daarover voor, dat het lijkt alsof dat de belangrijkste houding is die je ten opzichte van deze tekst, de geboden moet aannemen: de houding van een kritisch blik, of van gehoorzame onderwerping, of ergens daar tussenin. Allemaal vanuit de vraag: wat kan of moet ik hiermee in mijn leven?

 

Als je doorleest in Exodus dan ontdek je dat de Israëlieten bij het horen van de woorden, niet reageren op die woorden maar op de aanwezigheid van God zelf als Hij die woorden spreekt.

Zoals God hun overkomt daar bij die berg, dat is ontzagwekkend. Ze deinzen ervoor terug en hebben liever met Mozes van doen. Dit is namelijk too much, God is ze te machtig.

 

Die ervaring, van overweldigd worden door God, die ervaring heb ik nou nooit gehad bij het horen van de tien geboden. En dat, ontdek ik nu, is een gemis.

Want die ervaring van ontzag voor God, die hoort bij het horen van deze tien woorden.

De woorden die God spreekt, zeggen allereerst iets over wie God is, in plaats van over wat wij mensen zouden moeten doen.

Dat de woorden om God gaan, dat idee gaat vaak in de discussie verloren. We zeggen ‘wat moet ik hiermee?’, terwijl het beter is te vragen: ‘Wie zégt dit eigenlijk?’.

 

2. God begint zijn woorden met: 2‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit ​Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd’.

De relatie gaat voorop. God en zijn volk, die hebben wat met elkaar – een geschiedenis, een verhouding. En, heel belangrijk, een toekomst.

En hoe die toekomst eruit zal zien, licht op in deze woorden.

 

Stel je voor: er zullen geen andere goden zijn, er is respect voor ieders afkomst, mensen gunnen elkaar een dag om te rusten, je hoeft niet te vrezen voor je leven, je kunt een ander vertrouwen.

 

Van de theoloog Rochus Zuurmond (Boek: ‘God en de Moraal’) leerde ik dat de Statenvertaling met de formulering ‘Gij zult’ dichterbij de oorspronkelijke tekst komt dan de vertaling die wij lezen. Want, zegt Zuurmond, er staat geen gebiedende, bevelende wijs, maar er staat een toekomende vorm bij alle geboden.

Dus in plaats van ‘vereer geen andere goden’, dat mag niet, staat er ‘gij zult geen andere goden vereren’, als in ‘dat zul je niet doen als je bedenkt wie jij en ik voor elkaar zijn, ik ben jouw bevrijdende God’.

 

Alle geboden zijn gericht op het mogelijk maken van een toekomst waar we naar op weg zijn waarin we leven met God.

Het zijn toézeggingen dat het zo zal gaan als we gaan leven met deze God.    

Welke God?

De God die zijn volk bevrijdt uit verdrukking en leidt naar vrede.

 

Volgens een oud rabbijns commentaar zou je deze woorden boven elk gebod moeten herhalen. Dus bijvoorbeeld ‘Ik ben de Eeuwige, je God, die je uit Egypte, uit de slavernij hebt bevrijd, dus stelen zul je niet doen als je mij in ere houdt’.

 

3. Het natuurgeweld op de berg dat los kwam bij het spreken van God was ontzagwekkend, evenals de woorden waarin God zich laat kennen. Maar de kern van wat hier gebeurt, het geheim van deze ontmoeting van het volk Israël met God, lijkt me toch te zitten in een hele nieuwe wereld die hiermee opengaat. Een perspectief op wat kan, wat mogelijk is, in dit leven met God. Met deze woorden van God, of eigenlijk binnen de praktijk die de woorden schetsen, ontstaat ruimte om vrij te zijn, om te leven, om lief te hebben.     

De heiligheid van God, die maakt dat de Israëlieten afstand tot de berg van God moeten bewaren, die heiligheid bevat een geheim dat iedereen mag weten. Nee, we kunnen God niet benaderen, maar ja, God laat zich vinden in deze woorden en in wat die woorden mogelijk maken in dit leven.

Een ongekende toekomst lonkt, de weg ernaar toe is beschreven als een exodus, een uitweg uit de wereld van macht en bot geweld, om zo het goede leven te bewaren.

 

Dat is wat de tien woorden ons bieden – een ongekende bemoediging: zo kan het ook! De woorden zijn een opdracht en een belofte: eens zul je, geloof het maar, komen in een land waar de leugen niet heerst, de dood niet regeert, waar ouders en kinderen, vrijen en slaven, mensen en dieren in vrede samenwonen. Eens zul je dat beleven en onderweg zul je er al naar handelen. Echt!


God allemachtig – het zal je maar gezegd worden.

Amen.




10 mei

Ds. Piet Kooiman

Cantate (Zing!)

Schriftlezing: Exodus 19 : 1 – 13


Lieve mensen in de Oranjekerk, maar vandaag niet minder u / jij die thuis of waar dan ook met ons bent.

Onderweg zijn. Dan ergens iets meemaken dat een onuitwisbare indruk maakt. Een ontmoeting die je nooit meer zult vergeten. Op een plek die in je geheugen gegrift blijft. Dat kan een persoonlijke ervaring zijn die je je leven lang meeneemt. In het verhaal van deze morgen gebeurt dat een heel volk. Deze morgen is de voorbode van het klinken van de Tien Woorden. Woorden die nu nog klinken. Fundament van echt leven als mens en medemens. Van samen-leven.

Het meest krachtige beeld van dit bijbelgedeelte is dat van de Adelaar die zijn jong leert vliegen. Het beeld dat zojuist welluidend is bezongen. Het jong mag op zijn rug. Stel je dat jong voor op de rug van vader of moeder (misschien juist van moeder omdat het vandaag Moederdag is). Hoog zweeft het boven de aarde en ziet vergezichten waarvan een mens alleen maar kan dromen. Maar dan ineens duikt de ouder weg en moet het jong het zelf doen: vliegen. Nog nooit gedaan en nu ineens. Kan ik het wel? Vleugels weid maar het lukt nog niet. Een tomeloze val. Maar dan ineens zijn daar de vleugels van moeder die je opvangt. Je bent veilig. Even. Maar dan opnieuw opgeworpen, vleugels wijd en vliegen. Het lukt!

In de afgelopen week heb ik via WhatsApp een paar filmpjes gezien van mijn kleinzoon Felix, 16 maanden oud, die sinds een paar weken kan lopen. Wat geweldig om zijn plezier te zien als het lukt om te stappen, te lopen. En het groeiende zelfvertrouwen.

Gedragen als op adelaarsvleugels. Zo typeert de Eeuwige de zorgzame kracht waarmee hij Israël heeft bevrijd uit de slavernij. Ook onze samenleving heeft behoefte aan zorgzame kracht, juist in deze corona periode. En ik denk dat we die ook ervaren in de inzet van zoveel mensen in de zorg voor zieken, maar ook gewoon in de buurt of in de wijk waar mensen elkaar helpen en tot steun zijn.

Israël is bevrijd uit de slavernij. Mozes was hun leider, maar in alle beslissende gebeurtenissen had de Eeuwige de regie. Zo liepen ze door de Schelfzee alsof er geen water was. Maar toen ze er doorheen waren werd de zee weer zee waarin de vijand ten onder ging. Ze hoefden er zelf niets voor te doen. Ze werden a.h.w. gedragen.

Maar nu zijn ze in de woestijn. Niets om je aan vast te houden. Op weg naar een nieuwe en per definitie onzekere toekomst. God laat hen niet in de steek maar laat wel weten dat ze nu zelf de regie in handen moeten nemen. Zelf vliegen. En de Eeuwige vertrouwt hen dat toe. Daartoe deze Tien Woorden.

Hoe dat dan moet? De Eeuwige zelf zal hun zijn woorden geven die alles zeggen over de kunst van het vliegen: De Tien Woorden. Ze moeten die zelf in praktijk brengen. En als ze dat doen dan wordt het vergezicht wáár dat hun land een land van belofte is. Met melk en honing om van te leven. Met recht en vrede, liefde en trouw die dat leven kenmerken als goed.

In Exodus staat het nog weer anders. De Ene zegt hun toe: als je je deze woorden eigen maakt en er uit leeft, dan zul je een koninkrijk van priesters zijn, een heilig volk.
Een koninkrijk van priesters. Dat betekent dat in Israël iedereen priester is. Luther zal daaraan gedacht hebben toen hij sprak over het priesterschap van alle gelovigen. Maar priesters zijn toch een bijzondere groep die zich onderscheidt van het gewone volk? Dat kan niet als iedereen priester is. Hoe dan nu?

De priester bidt voor het volk. Hij komt op voor de ander. Het ideaal van een koninkrijk van priesters is dat iedereen dat doet. En zo is dat lijkt mij ook bij het priesterschap van alle gelovigen. Een mooie uiting daarvan is het gebed van de gemeente. Daarin bidden we samen voor anderen. Voor jezelf mag natuurlijk ook. Maar de ander ontbreekt haast nooit in een gebed. En omdat de kerkdienst ook een oefening is, een godsdienst-oefening, werkt dit opkomen voor de ander door in de praktijk van alle dag. Iedereen priester, ook door de week.

Het volk wordt dan ook ‘een heilige natie’ genoemd.
Daarin is heiligheid niet voorbehouden aan enkelingen die zich van de rest onderscheiden. Het geldt iedereen. Heiligheid is geen prestatie maar typeert een houding die ruimte laat voor de Ander / de ander, de bereidheid om te luisteren, openheid die een echte ontmoeting mogelijk maakt.

Paulus kende dit concept vast ook. Hij noemt de gelovigen ‘heiligen’. Allemaal. Niet de enkelingen die iets bijzonders presteren. Maar ieder die alleen al door te geloven boven zichzelf uitwijst.

Lieve mensen, ik ben vanmorgen ingegaan op wat ik als het meest kernachtige in deze schriftlezing zie: Dat God ons draagt en tegelijkertijd de opdracht geeft om elkaar te dragen, te steunen, te helpen waar het nodig is. Daarin, zou Jezus zeggen, dien je God.

Alles kan vanmorgen niet aan de orde komen. De lastige tekst over de doodstraf voor ieder die zich op de berg van God zou wagen heb ik niet besproken. Het is een struikeltekst waar ik niet zo goed weg mee weet.
Een enkele opmerking toch daarover. Blijkbaar wil de schrijver ons op het hart drukken dat er in de ontmoeting met de Eeuwige veel op het spel staat, zo niet alles. Daar kun je eigenlijk niet slordig mee omgaan. God liefhebben en je naaste als jezelf is geen hobby maar het vereist eerbied en toewijding.

Toen Mozes bij de brandende braamstruik die niet verbrandde ging kijken wat daar aan de hand was hoorde hij zeggen: Doe je schoenen van je voeten want je staat op heilig grond.

Daar is ruimte nodig voor de Ander en eerbied, zoals ook in óns leven ruimte voor de ander en eerbied, essentieel zijn. De Eeuwige maakt ons verantwoordelijk voor de ander. Daarom moeten we onze vleugels uitslaan. Het mag beginnen met fladderen en eerste stapjes. Dan kunnen we er plezier in krijgen en zelfvertrouwen. Zelfvertrouwen dat tegelijkertijd weet van het vertrouwen dat de Ander ons schenkt.

Moge dat zo zijn. In de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

3 mei

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Exodus 17: 8-16

 

Inleiding op de Schriftlezing

We lezen door in het boek Exodus. Het volk Israël is bevrijd van de slavernij in Egypte, ontkomen door de Schelfzee en verblijft nu in de woestijn. Daar leert het met pijn en moeite en met vallen en opstaan, om volgens de regels van God te leven, in vrijheid en in vertrouwen op God. Telkens opnieuw wordt het volk op de proef gesteld. Twee weken geleden hoorden we hoe de Israëlieten toen ze honger kregen, zich gingen afvragen of ze niet beter af waren toen ze slaaf waren in Egypte. Vorige week hoorden we dat ze dorst kregen en Mozes het verwijt maakten: ‘Heb je ons vanuit Egypte hier gebracht om ons en onze kinderen van dorst te laten sterven?’.

Bevrijd als ze zijn, herkennen en vertrouwen ze hun Bevrijder nog niet.

Maar God geeft manna om te eten en God laat Mozes op de rots slaan, waar water uitstroomt. Zo voorziet God telkens in wat het volk nodig heeft.

En dan gaat het verhaal verder, op diezelfde plek Refidim, waar geen water was, volgt nu een nog grotere beproeving. Amalek komt, de vijand. Deze tegenstander van Israël slaat toe op die plek Refidim, wat letterlijk betekent ‘slappe handen’ en wat daarmee staat voor zoiets als ‘de moed verliezen’.

Wat is er nodig voor Israel om niet verslagen te worden door Amalek?

Wat kan slappe handen en verzwakt vertrouwen sterk maken?

Mozes maakt het zichtbaar, hij houdt in zijn hand de staf van God en houdt die omhoog.

God hooghouden, daar gaat het om, in de lezing van vandaag, in heel de Bijbel en ook in ons leven. 

 

Overweging

1. Lieve gemeente,

Dat het 6e couplet van het Wilhelmus zo aansluit op de Exoduslezing van vandaag, dat vind ik mooi. 

Omgekeerd vind ik het elk jaar ontroerend om bij de dodenherdenking op 4 mei juist dit 6e couplet van het Wilhelmus openbaar op straat te zingen. Uniek is het toch dat een gezongen geloofsbelijdenis dan zo een vanzelfsprekend onderdeel is van wat een hele samenleving bijeenbrengt en samen herdenkt en beleeft. 

Van de overwinning op Amalek staat dat die opgeschreven en herdacht moet worden. Dat doet denken aan ons herdenken en vieren van 4 en 5 mei. ‘Opdat we niet vergeten’. De strijd tegen Amalek laat zich ook op andere punten vergelijken met wat wij gedenken op 4/5 mei. Sterker nog, er zijn bijbeluitleggers die de strijd tegen het fascisme, een strijd tegen de Amalek in onze tijd noemen.

Want Amalek is in de Bijbel niet zomaar een vijand. Amalek is dé vijand van het volk Israel, van God. En dat komt omdat Amalek in de Bijbel niet zozeer een volk is, als wel de verbeelding van een ideologie. ‘Amalek’ staat voor het recht van de sterkste, voor goddeloosheid. Amalek belichaamt het onrecht in de wereld. Waar Amalek in de Bijbel ter sprake komt, is altijd lafheid in het spel. Amalek valt van achteren aan, daar waar je het zwakst bent. Amalek gebruikt laf geweld tegen wie zich niet kan verweren, de zieken, de ouderen en de moeders met kinderen die achteraan gaan. (Deuteronomium 25: 17-19)

De God van Israël staat voor omzien naar elkaar en opkomen voor wie kwetsbaar is. Amalek staat voor eigen belang. Zoals gezegd, het zijn twee verschillende ideologieën. En ook wel twee neigingen in ieder mens.

Het is ook niet zomaar dat op dit punt in Exodus na de honger en de dorst Amalek om de hoek komt kijken. Juist in dit moment van zwakte, van interne strijd en onvrede, heeft Amalek kans om het volk Israel te verslaan. Amalek vaart er wel bij als mensen vooral om zichzelf bezorgd zijn en niet samen sterk staan. Op die plek Refidim, waar de handen en harten van de Israelieten zwak zijn, daar valt Amalek aan.

Net als ook fascisme, het anderen minderwaardig noemen en uitsluiten en onrecht goed praten, het meest aanslaat wanneer mensen zich in het nauw gedreven voelen en onzeker zijn.

En zo komt het dat wanneer Amalek vandaag verslagen wordt er toch ook volgende generaties opnieuw strijd moeten leveren met Amalek. Amalek is de zwakte in elk mens, in elk volk. Amalek weerspreekt de kostbaarheid en het bestaansrecht van ieder mens. Amalek wil van het opkomen voor de weduwe, de wees en de vreemdeling niets weten en is daarin de tegenstander van God. Elke generatie opnieuw steekt hij de kop weer op.

2. Wat staat ons te doen als Amalek komt?

Mozes gaat aan kop, hij neemt de staf, de maatstaf van God in de hand. Dat is waar het volk Israel het van moet hebben. Mozes houdt de staf hoog, hij maakt zijn handen sterk. En zo heeft Israel in de strijd met Amalek de overhand.

Maar ook Mozes is maar een mens. Ook hij wordt overvallen door vermoeidheid en twijfel. Om alleen die staf hoog te houden gaat niet. Maar het hoeft ook niet. Aaron en Hur ondersteunen hem met een steen en met hun armen. En zo verslaat Jozua het leger van Amalek.

Met het zwaard én met vertrouwen op God.

Mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God, mijn Heer, op u zo wil ik bouwen.

Mozes bouwt een altaar en noemt het ‘De Heer is mijn banier’.

God hooghouden als het er op aan komt. Niet in een moment van zwakte je laten overwinnen door Amalek, door je af te sluiten voor een ander, enkel rekening te houden met jezelf, je verliezen is wantrouwen jegens een ander en vijanddenken.

Nee, Mozes houdt het de Israëlieten voor: vertrouw op God.

En zelf houdt hij het vol dat voor te houden doordat hij ondersteund wordt. Zijn armen behouden hun kracht, doordat anderen ze ondersteunen. Zijn hart houdt moed, want hij staat daar tegenover die strijd met Amalek niet alleen.

God staat aan zijn kant. Dat moet Mozes ook opschrijven voor Jozua en alle anderen: God strijdt tegen Amalek. De strijd die de Israëlieten strijden tégen Amalek is de strijd vóór God die elke generatie moet voeren. Amalek zal terug blijven komen, wees daarop bedacht en wees er tegelijkertijd van overtuigd: Amalek heeft géén recht van bestaan, geen toekomst.

Dus vertrouw op God, laat daar je kracht vandaan komen, je moed. 

‘De Heer is mijn banier’, zo zei Mozes het.

De vlag op onze kerk zegt het zo: ‘Houd moed, heb lief’.              

Amen.

 

 

19 april

ds. André Fox

Schriftlezing Exodus 15:22-16:21

 

Gemeente van Jezus Christus,

‘In deze vreugdevolle tijd en heel ons leven’

Met deze woorden, afkomstig uit het dienstboek van de PKN eindigde het gebed bij de opening van het woord. En in de kerken waar deze gebeden gebruikt worden klinken ze de hele paastijd. De paastijd als vreugdevolle tijd.

Maar zo vreugdevol gaat het er in die ‘paastijd’ van de bevrijde slaven uit Egypte niet aan toe. Als de lofzang van Mirjam over  de hoog verheven Heer, die het paard en zijn ruiter in zee stortte is verklonken is de vreugde voor de Israëlieten snel voorbij. Niks geen juichende tonen en klinkende stemmen die galmen door de ‘ganse woestijn’. Maar wel de stemmen van gemor, rebellie en geklaag die telkens weer de kop op zullen steken.

De weg uit het slavenhuis van het angstland Egypte zal een lange weg zijn.

Wie uit dat slavenhuis komt belandt niet onmiddellijk in de grazige weiden van psalm 23

met zijn dis met overvloeiende bekers, laat staan met een feestmaal met vette spijzen en belegen wijnen.

De woestijn is hier niet een lieflijke metafoor voor een plek van zingeving en rust zoeken in een hectisch bestaan. Eerder een plek waar het aan van alles ontbreekt.

Denk niet dat dit dat gemor alleen wat gezeur van een ondankbaar volk is, het gaat hier om angstige mensen die nog maar drie dagen geleden de dood in de ogen gezien hebben

toen zij voor het water van de Rietzee stonden en er een onberekenbare, zich god wanende farao met zijn paarden en ruiters achter hen aan kwam.

Ze zijn gered omdat JHWH als ware een stukje schepping overdeed door opnieuw scheiding te maken ‘tussen wateren en wateren’. En dan nu opnieuw de dreigende dood door gebrek aan water. Het water dat ze na drie dagen vonden was niet te drinken: MARA, bitter.

Het is Pasen geweest, de lofzang is gezongen, maar de angst zit er nog goed in.

Toen het volk voor de Rietzee stond schreeuwde het volk tot JHWH.

Nu is het Mozes die het uitschreeuwt voor JHWH (roepen zoals in de NBV is veel te zwak)

Een leider die niet tegenover het angstige volk staat maar een die de angsten van het volk kent en voor hen pleit.

Het is duidelijk dat het vertrouwen van dit bevrijde slavenvolk, deze pasgeboren kinderen niet erg groot is. Maar zonder vertrouwen valt niet te leven.

Maar wat is dat: op God vertrouwen/geloven?

Deze week waren in ‘Trouw’  twee deelnemers van het filosofisch elftal aan het woord.

Het ging over de vraag of de coronacrisis een kans is om de wereld te verbeteren.

Eén van de twee deelnemers verwees naar Machiavelli die zei dat voor verandering nodig zijn: deugd, inzicht en daadkracht, en niet een macht buiten ons, zoals vertrouwen op een  God in wiens hand we alles kunnen leggen en vervolgens te wachten op een wonder van zijn kant.

Want dat doet geen appèl op onze verantwoordelijkheid.

Ik ben er van overtuigd dat Machiavelli de nodige ervaring had met lieden voor wie iets in de hand van God leggen betekende: alles op God afschuiven.

Maar zo gaat het niet in dit verhaal.

De noodkreet van Mozes wordt niet beantwoord door een spectaculair wonder waar geen mens aan te pas komt.

God gaat anders te werk en doet niet meer dan een aanwijzing geven: ‘JHWH wees hem op een stuk hout’ staat er en toen hij dat in het water gooide werd het zoet.’

Merkwaardig recept om het water drinkbaar te maken.

Zoals het hier vertaald is lijkt het er op dat de Eeuwige een beroep doet op de lange woestijnervaring van Mozes als schaapherder: Kijk nou eens goed om je heen Mozes wat zie je daar? O ja, dat is zo’n tak/stuk hout waarmee je bitter water drinkbaar kunt maken.

Een goddelijk hint goed uit je doppen te kijken.

En dat is het zeker.

God wil ogen openen voor waar wij aan voorbij kijken.

Maar uit het vervolg van wat de JHWH zegt blijkt dat er meer aan de hand is met deze verwijzing.

Want je kunt ook zo vertalen: JHWH onderwees hem een hout (boom, boomtak).

En onderwijzen is Thora, onderwijzing.

Er is een joodse spreuk die zegt dat de Thora de boom des levens is voor hen die zich daaraan vastklampen.

Ets chayim’, boom des levens is ook de naam van het leerhuis.

En ook van de beroemde bibliotheek in de Portugese Synagoge.

Leren als weg van bevrijding uit de slavernij.

Zeker, dat het bittere water zoet wordt is een wonder maar het echte wonder is de gave van de thora die God aan zijn mensen in handen geeft om in vrijheid hun weg te vinden door de woestijn van het leven en zo bij hun bevrijder te blijven.

Dat is een lange en moeilijke leerweg.

Maar God daagt mensen uit die weg te gaan.

Beproeving wordt dat genoemd. Een zwaar woord maar het is bedoeld als uitdaging

De woestijn als oefenplaats voor een menselijke samenleving.

God daagt uit, test ons niet om te pesten maar omdat HIJ in zijn mensen gelooft want wij zijn schepsel.

Je zou kunnen zeggen dat de woestijn niet alleen voor het volk maar ook voor God zelf een oefenplaats is want hij houdt vol met grote volharding.

Het volk is kop koppig, maar onderschat ook God niet: Ook Hij is koppig.

De woestijn is ook een plaats van de crisis/het oordeel waar de versteende zekerheden’ stuk voor stuk wegvallen.

Dat valt niet mee, zelfs niet, zo leert het verhaal van de kinderen Israëls ons, als dat verleden alles behalve aantrekkelijk was zoals in Angstland Egypte, waar je in ieder geval je natje en droogje had.

‘Brood tot verzadiging’ en ‘vleespotten’.

Het slavenvoedsel geïdealiseerd en uitvergroot tot een feestmaal.

Het land van de angst geïdealiseerd.

 

Vergelijkingen gaan nooit helemaal op (en kunnen zelfs riskant zijn).

Maar is het niet zo dat ook wij vandaag  in een soort crisis zitten waarin we beproefd, uitgedaagd worden om na te denken over hoe het nu allemaal verder moet?

Wie de actualiteitenprogramma’s volgt weet dat dat ideeën - en soms speculaties - niet van de lucht zijn.

Reëel of een utopie waar niets van terecht komt.

Wat kan er allemaal beter na de crisis?

Kijk eens wat we nu zien temidden van alle ellende: slecht betaalde beroepen blijken van opeens levensbelang

Filosofisch elftal: Kwaliteiten als solidair zijn werden in onze samenleving minder gewaardeerd dan eigenzinnig en solitair zijn. Nu zien we dat er opeens meer waardering is

voor mensen die zich in dienst van anderen stellen dan voor al die grote ego’s.

In de woestijn van vandaag die corona heet doemen hier en daar contouren van de menselijke maat weer op, begint het in een maatschappij van grootgebruikers te dagen

dat eeuwige groei niet eeuwig door kan gaan en we wel eens beter af zouden kunnen zijn met ‘een economie van het genoeg’

Want waarom groeien als je al meer hebt dan nodig is?

Is de maat van één dag niet genoeg?

Want als je het manna, die een gave Gods, voor één dag oppot, stinkt het de volgende dag en is niets meer waard.

En hebben wij niet geleerd te bidden om het dagelijkse brood?

Het is met de gave van het manna als bij het bittere water: een kwestie van zien wat er al is, wat gegeven is maar dan in een ander licht.

Volgens mensen die het weten kunnen is het manna iets dat geproduceerd wordt door schildluizen op een tamariskboom.

Maar hier in de woestijn, die plaats van beproeving en oefening komt ook dat in een ander licht te staan: geen ‘product’, maar gave van God, brood als dauw uit de hemel, niet af en toe maar dagelijks.

Niet bestemd om op te potten in de hoop dat het in waarde zal stijgen, zeker niet in een tijd van schaarste.

Brood waarvoor het bestemd is: om te eten en in leven te blijven en niet om te hamsteren.

Het is als in het Onze Vader: Geef ons heden, het brood voor vandaag.

Zeker, het dagelijkse manna uit de hemel is een wonder maar het grootste wonder is dat het gedeeld wordt. en ieder elke dag ‘wat zijn mond at’ (Naardense Bijbel) genoeg voor ieders behoefte in gewoon Nederlands.

Daar in de woestijn wordt JHWH de gastheer die het brood uit de hemel uitdeelt om zijn mensen te voeden met wat nodig is en het vol te houden. Ook in de kwade dagen waarvan de Prediker zegt: ‘Ik vind daarin geen behagen’

Zoals ook die twee Emmaüsgangers voor wie alles met de kruisiging van Jezus over en uit was die niet herkenden toen hij met hen meeliep ook niet toen hij uitlegde dat de Messias moest lijden. Pas in het breken van het brood herkenden ze hem en keerden vol vreugde terug naar Jeruzalem.

En zelfs als wij, nu in deze onzekere tijden, als gemeente van Christus brood en wijn niet met elkaar kunnen delen kan het een vreugdevolle tijd worden. Want dan zijn er toch de verhalen van Mozes en de opgestane die vermoeide, hongerende en dorstende mensen doen opleven en opstaan om in het licht van de Eeuwige  het licht te zien, woorden die wat bitter is zoet maken, woorden als levend brood, het licht van Christus, de opgestane

als ‘een zon diep in de nacht’ (Lied 512:5)

Moge dat zo zijn

12 april

ds. Jantine Heuvelink

Pasen


Inleiding op de Schriftlezingen en lezing Exodus 14: 15-31
We lezen vandaag verder in Exodus. Inmiddels zijn de Israëlieten vertrokken uit Egypte. Maar de farao krijgt spijt dat hij zijn goedkope slaven heeft laten gaan en achtervolgt hen. Dan komt het moment dat de Israëlieten niet meer voor- of achteruit kunnen. De farao met zijn legermacht zit hen op de hielen en voor hen is de zee. In hun angst keren de Israëlieten zich tegen Mozes en zeggen: ‘Waren er soms in Egypte geen graven, dat u ons hebt meegenomen om in de woestijn te sterven? Hoe kon u ons dit aandoen! Waarom hebt u ons uit Egypte weggehaald? (Ex. 14:11)

Evangelielezing: Johannes 20: 1-18
 

Overweging ‘Er doorheen’


Lieve gemeente,
 
Afgelopen week las ik naar aanleiding van het overlijden van de econoom Arnold Heertje wat hij eens in een interview zei over het onverwachte overlijden van zijn jongste zoon, hij zei: ‘Mijn vrouw en ik zijn er niet overheen, maar wel doorheen gekomen.’
Dat, dacht ik, dat is waar het met Pasen over gaat en waar het over moet gaan vandaag.
Er doorheen komen, er doorheen gaan.
 
Als het volk Israël het besterft van angst omdat ze gevangen zit tussen de legermacht van de farao en het doodswater van de zee, dan zegt God tegen Mozes: ‘zeg tegen de Israëlieten dat ze verder trekken’. Door moeten ze. Door de zee, door hun angst heen. Hun redding ligt in vertrouwen op God.
Als Maria van Magdala ontdekt dat haar Heer niet in het graf is, ziet ze Hem door haar tranen niet staan. Dan zegt Jezus tegen haar ‘Maria!’. Door moet ze. Door haar verdriet heen roept haar meester haar, zó dat zij later kan zeggen ‘Ik heb de Heer gezien’.    
 
Al te gemakkelijk is het om nu te zeggen dat we er simpelweg doorheen moeten, door onze angst, door ons verdriet, door deze tijd van zoveel ellende door corona. Alsof het een kwestie is van doorzetten en volhouden. Bij de Israëlieten en bij Maria was dát niet de boodschap. Hun angst en hun tranen worden gezien. Maar daar houdt niet alles mee op. God zorgt voor een doorgang door de zee en een doorgang door de dood. 
 
Ook voor deze tijd wil ik dat geloven. We komen er doorheen, door deze tijd waarin zoveel nood is en verdriet en angst. Het zal niet meer zijn als ooit tevoren, zichtbaar, voelbaar zal zijn wat we hebben verloren, erdoorheen gaan laat sporen achter van verwonding.
Dat is wat ik ook hoor in de woorden van Arnold Heertje, ‘we zijn er niet overheen gekomen, maar er wel doorheen’, ik hoor daar littekens in, verwonding. 
Predikant Saskia van Meggelen zei over een moeilijke periode in haar leven: ‘Ik zal niet meer de oude worden, maar dat wil ik ook niet, ik wil een hele nieuwe Saskia worden’. En ook zei ze over het verhaal van de opstanding dat het voor haar van zo grote betekenis is dat: ‘de mens die is opgestaan, gewond is en blijft en juist aan die wonden herkend wordt’. De littekens zijn zichtbaar en horen erbij, ze zijn deel van de mens zoals die echt is.
 
Geloof in het goede nieuws van Pasen maakt ons niet onaantastbaar voor pijn en verdriet, houdt ons niet buiten schot, tilt ons niet over onze diepste angst heen. Wel kan het ons vertrouwen geven dat waar wij geen pad voor ons zien, er toch een pad zal blijken te zijn. En dat waar wij alleen maar dood en ellende zien, er toch een levensweg open zal gaan.
Daarom, laten we verder trekken, er doorheen.
Amen.

5 april

ds. Jantine Heuvelink

Palm- en Passiezondag


Verhaal ‘De ezel’ (bij Matteüs 21: 1-11)

‘Weet je, ik had gewoon niet verwacht dat dit mij zou kunnen overkomen. Ik voel me helemaal niet bijzonder of speciaal. Ik voel me gewoon heel gewoon. Ik val meestal niet op. Ze noemen me juist vaak een grijze muis. Een muis dat ben ik natuurlijk niet, maar wel grijs. Dus nee, nooit gedacht dat ze mij voor zoiets zouden vragen.

Natuurlijk, toen ze bij me kwamen, die twee mannen die Jezus had gestuurd, toen ging ik met ze mee. Weet je, dit soort sjouwklusjes, daar verdient mijn baas zijn geld mee.

Ik doe dat vaker. Alhoewel ik het een tijdje niet had gedaan, omdat ik net moeder was geworden. Mijn kleintje heeft me nog nodig om te drinken, dus ik kan niet te lang weg. Maar gelukkig, mijn kleintje mocht gewoon met me mee. Mee naar die Jezus, die ik moest dragen.

Dat was echt een bijzondere klus. Meteen al vanaf het begin. Die Jezus aaide mijn kleintje! Hij zei: ‘Wat fijn dat je er bent!’. Dat vond ik zo bijzonder. Want meestal vinden mensen dat maar lastig, van die jonkies erbij. En hij maakte mijn kleintje helemaal blij, toen hij zijn buidel om haar nek hing. Er zat maar heel weinig in, het was helemaal niet zwaar, maar mijn kleintje voelde dat ze mee mocht doen en ook belangrijk was. En zo liepen we samen Jeruzalem in, ik met Jezus op mijn rug en mijn kleintje met Jezus’ buidel om haar nek.

Daar stonden ontzettend veel mensen langs de kant van de weg. Ze juichten en zongen en ze legden hun mantels op de weg en ook takken. Ze waren zo enthousiast. Het leek wel of er een koning op mijn rug de stad binnenreed! Dat kon natuurlijk niet waar zijn, want een koning rijdt nooit op een ezel, die rijdt op een paard.  

Ik weet nog steeds niet waarom ze mij vroegen. En ik deed natuurlijk gewoon mijn werk. Maar bijzonder was het wel.’  

Inleiding op Palm- en Passiezondag en inleiding op de Schriftlezing Exodus 11:1-10

Deze zondag heeft twee namen, Palmzondag en Passiezondag. De feestelijkheid van Palmzondag, die we vandaag wat missen doordat er geen intocht is van de kinderen, die feestelijkheid is de opmaat van deze week van Pasen die ook wel Stille Week of Goede Week wordt genoemd.

De naam Passiezondag, de andere naam van deze zondag, verwijst dan ook naar wat er in de rest van deze week zal komen: de passie, het lijdensverhaal. Op Witte Donderdag horen we over het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen en over het verraad van één van hen. Op Goede Vrijdag horen we hoe Jezus gevangen wordt genomen en alle leerlingen hem afvallen, horen we over zijn vernedering, zijn kruisiging, dood en graflegging. In de Paasnacht horen we tot slot over het graf dat niet gesloten blijft.

Het lied 556 ‘Alles wat over ons geschreven is’ is het lied dat de dubbelheid van deze Palm- en Passiezondag verwoordt. Vandaag zingen we het lied na de Schriftlezing.  (Gezang 173 in het oude rode liedboek).

Nu in het tweede deel van deze dienst lezen we verder in het boek Exodus, waaruit we al weken lezen. We zijn aangekomen bij de aankondiging van de 10e plaag. Bij alle eerdere plagen die bedoeld waren om de macht van de God van Israel te tonen en de farao te vermurwen, bij al die plagen had farao hardnekkig geweigerd het volk Israël uit Egypte te laten gaan. De hagel, de kikkers, het duister – ongekend is de schade aan het land en aan de mensen, maar pas de laatste slag zal de farao in het hart treffen zó dat hij de Israëlieten niet alleen zal laten gaan, maar ook zal smeken te vertrekken.

Nu gaat er bloed vloeien. In het hele land zullen onder de Egyptenaren de eerstgeborenen gedood worden, van de oudste zoon van de farao tot de oudste zoon van de slavin​ die de ​handmolen​ bedient.

Moet dit nou zo? Zo hard, zo meedogenloos voor die slavin?

Zoveel dood, kon dit nou niet anders?

Net als het lijdensverhaal van Jezus, tot bloedens toe geslagen, vernederd, gedood. Was dat nou nodig?

Of kun je beter vragen: wat gaat daarachter schuil, wat blijft ermee bewaard?

Als je zo kijkt, zie je dat God zijn eerstgeborene, het volk Israël, beschermt tegen de wreedheid van de farao. De 10e beslissende slag brengt bevrijding voor het volk.

Evenzo zal God het leven bewaren van zijn Zoon, Jezus Christus, door de dood heen.

Is dat het antwoord? Is daarmee alle leed goed gepraat, of alle leed geleden? Nee. Want om te lezen van al dat lijden van onschuldigen dat blijft onverteerbaar en het lijden gaat door.

Door het coronavirus krijgt het lijden van mensen meer aandacht dan ooit.

Om juist nu te lezen over die 10e plaag in Egypte, die aangezegde dood van alle eerstgeborenen en te zingen ‘Heden hosanna, morgen kruisigt hem’, stelt de vraag voor ons op scherp: ‘wat betekent deze week van Pasen nu voor ons?’ Waar blijven wij in deze tijd?

Gaan wij tenonder aan al dat lijden en weten van lijden? Of kunnen wij iets van God in ons bewaren, al is het maar het besef of de ontdekking, dat God ons bewaart en nooit zal opgeven?