11 juli

ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Johannes 5: (18)19-30


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we verder in hoofdstuk 5 van het Johannesevangelie. Vorige week lazen we hier in de Oranjekerk en ik zag ook in de Thomas het 1e gedeelte van dit hoofdstuk. Voor ons allemaal vat ik dat nog even samen.

Jezus gaat naar Jeruzalem voor een feest. En bij de Schaapspoort van de stad bij een badhuis, vijver, met 5 zuilengangen liggen zieke mensen, verlamden, kreupelen. Het genezende water is dichtbij, maar ze komen er niet. Jezus ontmoet een man die 38 jaar verlamd is. En Hij vraagt die man: ‘Wil je gezond worden?’. De man zegt hoe kan dat als niemand mij helpt?’. Maar Jezus doet dat en zegt ‘Sta op, neem je draagbed en loop’.

En dan pas blijkt welk feest er aan de gang is. Het is sabbat. De zevende dag van de week. De dag waarop God rustte van zijn schepping, een dag die heilig is en gewijd aan God, zoals onze zondagEen dag waarop iedereen vieren mag dat je vrij bent. Je kan zeggen, dat het sabbat is, dat blijkt aan deze man, die opstaat en eindelijk kan gaan leven.

Maar nee, zo gaat het verhaal niet. Dat het sabbat is, dat wordt duidelijk door een scherpe reactie op de genezing van deze man: het eerste wat de Joodse leiders doen is wijzen op de regels die gelden voor de sabbat. Want dat is een dag waarop allerlei handelingen verboden zijn, omdat je niet mag werken op deze dag. En de Joodse leiders van de tempel in Jeruzalem zeggen eerst tegen de man dat hij de regels overtreedt door zijn draagbed te dragen. En vervolgens zeggen ze tegen Jezus dat Hij de regels van de sabbat overtreedt door iemand te genezen.

En dan antwoordt Jezus: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’ 

En de lezing van vorige week eindigde als volgt: ‘Vanaf dat moment probeerden de Joden hem te doden, omdat hij niet alleen de sabbat ondermijnde, maar bovendien God zijn eigen Vader noemde, en zichzelf zo aan God gelijkstelde.’

Vandaag horen we hoe Jezus ingaat op die beschuldiging

Laten wij zingend bidden om de Geest, dat wij wat wij horen ook zullen verstaan.  

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus, 

Vorige week was het feest hier in de dienst. Want voor het eerst in een half jaar waren de kinderen en tieners weer in de kerk en op mijn vraag of ze iets wilden doen in de dienst zeiden velen ja. Er waren kinderen die wat lazen, die kaarsen aanstaken, er was pianospel en er was dans. Iedereen deed mee.

Het was feest zoals op die dag dat die verlamde man na 38 jaar voor het eerst sabbat kon vieren. Maar deze mens is nog amper opgestaan uit dat doodse bestaan, of hij krijgt te horen van de Joodse leiders, dat dit de bedoeling niet is, dat hij werkt op sabbat, dat hij zijn draagbed draagt.

Dan denk je als lezer, nee!dit is absurd, die man kan eindelijk sabbat vieren, waar gaat het nou om?

En wat ik dan jammer vind, is dat Jezus in zijn reactie dat niet gewoon kort maar krachtig zegt, maar een moeilijk theologisch betoog begint.

Jezus gaat in op het verwijt dat Hij zichzelf aan God gelijkstelt door God zijn eigen Vader te noemen. In eerste instantie klinkt dat verwijt vreemd, want wij mogen toch allemaal God onze Vader noemen, dus waarom Jezus niet?

En ook is het toch juist de bedoeling dat wij lijken op God? God heeft de mens toch gemaakt als zijn evenbeeld? (Genesis 1:27) Alles in de Bijbel is er toch op gericht dat de mens gelijk aan God wil zijn in al die kenmerken van God die een mens tot zijn recht doen komen. God is goed, barmhartig, rechtvaardig, liefdevol, doe evenzo dat is toch onze opdracht?

Maar het verwijt dat de Joodse leiders Jezus maken, is dat Jezus zichzelf God maakt. En dat verwijt spreekt Jezus tegen. Want de Zoon is wel als de Vader, maar Jezus neemt niet de plaats van God in. 

In de lezing van vandaag staat het aan het begin en het eind: de Zoon kan niets uit zichzelf doen, Hij kan alleen doen wat Hij de Vader ziet doen, daarvan is Hij geheel van afhankelijk.

Wat volgens mij de kern is van het betoog van Jezus is dat de Joodse leiders en ieder ander de Zoon niet te hoog moeten verheffen, niet moeten ophemelen maar tegelijk niet te min moeten denken over Hem, zoals in hun voornemen Hem uit de weg te willen ruimen.

Want in beide gevallen doe je God en mensen tekort.

Jezus laat zien wie God is, want kijk wat er gebeurt, mensen staan op en komen tot leven. 

Jezus laat zien wie de mens is, want Hij staat niet boven de kwetsbare mens, maar reikt die de hand.Jezus is zelf die kwetsbare mens aan wie we, zo zal blijken, wel of niet recht doen. Wat je aan de minste hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan (Matt 25)En daarmee zal God geëerd worden of niet.

Naar Jezus kijken, Hem niet ophemelen, maar ook niet te weinig van Hem verwachten, dat heeft gevolgen voor hoe mensen kijken naar God en naar een medemens.

Als mensen met plezier kijken naar een verlamde man die weer kan lopen, zien dat het goed is en van God, dan maakt dat uit voor hoe je leeft en wat je doet.

‘Oordeel’ is een belangrijk woord in deze tekst. Dat gaat over een beoordeling over de weg die mensen gaan, of dat een weg is ten leven of een doodlopende weg. Aan hoe mensen met de Zoon, met elk kwetsbaar mensenkind omgaan, is een oordeel te geven of dit leven geeft of niet. Wie niet de weg gaan die tot leven leidt, wie veroordeeld worden, zoals in de lezing staat, die worden niet verdoemd, maar moeten als zij opstaan en een nieuwe weg inslaan. Want om dit leven gaat het, mens zijn hier en nu.

2. Wat kan deze lezing ons vandaag leren? Je kunt zeggen dat de Joodse leiders zich zo blind staren op de regels van de sabbat dat het feest dat zich voor hun ogen afspeelt hen geheel ontgaat. Zij ervaren geen vreugde om de genezing die plaatsvindt en zij herkennen ook niet Gods schepping daarin. 

Zou ons dat in de kerk nou ook kunnen overkomen, dat ons ontgaat welk feest, welke genezing plaatsvindt onder onze ogen?

Liever stel ik de vraag andersom: kunnen we ons een moment herinneren dat onze traditie werd doorbroken en we onverwachts oog kregen voor Gods schepping of dat ineens de vreugde om opstandingons duidelijk werd

Ik deel al deze woorden van de preek met u, dat doeik graag, maar nog liever deel ik een foto met u. U ziet hem op de liturgie. ‘Kijk, elfjes!’ zei mijn dochter Suzanne van vijf laatst. Ik maakte deze foto van wat zij zag. Ik was zo verrast en blij dat ik de foto deelde via Facebook. En ongelooflijk veel mensen zagen het en waren met mij blij en verrast

Spontaan, lichtvoetig, kleurrijk, vreugde om de schepping – was het.

 

Dat gevoel, die waarneming, is denk ik van groot belang om Johannes 5 te begrijpen. Die woorden van Jezus over God en sabbat, Vader en Zoon, oordeel en gezag kunnen zwaarte toevoegen aan de genezende daad van Jezus. En volgens mij is dat precies niet de bedoeling. Het is wat de Joodse leiders doen en wat verlammend werkt.

Jezus wil mensen van deze zwaarmoedigheid genezen, wil ze de ogen openen voor wat ze kunnen zien,dat er mensen opstaan en leven gaan, dat schepping en opstanding steeds doorgaanAan het begin zegt Jezus 20 De Vader heeft de Zoon immers lief en laat hem alles zien wat hij doet. Hij zal hem nog grotere dingen laten zien, u zult verbaasd staan!’ 

Horen en zienopenstaan voor wat er gebeurt en je daardoor willen laten raken, daar begint het meeJezus wijst de mensen erop: ‘kijk, God!’ en mensen zien het ook in Hem. 

Het hoeft niet vreugde om grootse dingen te zijn. Ook plezier in alledaagse dingen kan ons iets laten zien van God. Zeker is dat de feestvreugde van de zevende dag groter wordt als we door anderen kunnenontdekken hoe goed en groot God is en ons daar samen om verwonderen.  

Dus, zullen we elkaar daarin meenemen?

Amen

4 juli

ds. Jantine Heuvelink
Lezing: Johannes 5: 1-18


Inleiding op de Bijbellezing ‘Dat mag niet!’

Vandaag heeft iedereen een rood potlood gekregen. Dat is om de vragenlijst mee in te vullen. Maar een rood potlood, wat doet een juf of meester daarmee?

Aanstrepen wat fout is. En daarover gaat het vandaag in het Bijbelverhaal dat we lezen.

Dat gaat over wat fout is. Of beter wat de Joodse leiders in het Bijbelverhaal fout vinden.

Die vinden het fout dat Jezus op sabbat, dat is zeg maar op zondag, iemand heeft beter gemaakt. Want, zeggen ze, op zondag mag je niet werken. Want zondag is een dag voor God. En dan moet je je aan de regels houden die gelden voor zondag’. 

Nu ben ik benieuwd: hebben jullie ook dingen die je op zondag niet mag van je ouders? Of dingen die je niet mag op zondag maar misschien wel nooit omdat jullie naar de kerk gaan?

Wie kan iets noemen?

Wat mag je niet op zondag, of niet omdat je bij de kerk hoort?

Mensen van vroeger?

Nu is er zodadelijk in het verhaal een mens die beter gemaakt wordt door Jezus. 

En de Joodse leiders zijn boos op Jezus dat hij dat doet. Maar ze zijn ook boos op die man die beter is. Want hij doet iets, wat niet mag op sabbat.

Luister maar goed naar het verhaal, wat die man doet wat niet mag op sabbat.

Aukje gaat voor ons lezen en daarna gaan Febe en Annigje dansen en ik hoor graag daarna, wat het was wat die man niet mocht doen en wel deed.

Overweging

Wat mag de man niet doen op sabbat? Zijn draagbed dragen.

Want dat is werken. 

Nou moet je nagaan. Jezus komt voor een feest naar Jeruzalem. En bij de poort van de stad is een badhuis met vijf gangen eromheen, vol met zieke mensen. Voor die mensen is het helemaal geen feest. Nooit. Geen dag. Want ze zijn blind of verlamd. Ze hebben eigenlijk geen leven.

Er is een man die al 38 jaar ziek is. En dat water van het badhuis dat hem beter kan maken dat is vlakbij, maar niemand helpt hem ernaar toe. Als Jezus die man ziet liggen vraagt hij ‘Wil je beter worden?’. En de man zegt ‘Ik heb geen enkele kans, want er niemand die mij helpt’.

En wat doet Jezus? Die helpt wel.

Hij zegt ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop!’

En meteen is de man beter, hij pakt zijn draagbed op en loopt.

Nou eigenlijk is dat een mooi verhaal, toch?

Maar ja het staat in de Bijbel en dat betekent dat het verhaal ons iets wil leren over God.

Weten jullie nog, dat het begon met dat Jezus voor een feest naar Jeruzalem komt?

Welk feest, dat staat er niet, maar het is wel sabbat, de zevende dag van de week, dat is een bijzondere dagHij lijkt op onze zondag, de dag waarop we naar kerk komen en een viering hebben. Twee dingen vieren we altijd op zondag. We vieren Pasen, daarom brandt de Paaskaars. Teken van Jezus die na zijn dood is opgestaan en zo ons leerde dat het bij God nooit afgelopen is met mensen, maar dat je opnieuw kunt beginnen. Wat Jezus ook tegen die man zegt: ‘Sta op en ga leven!’

En zondag of sabbat is ook de 7e dag van de schepping. Weten jullie nog wat God op de zevende dag maakte? Eerst maakt hij licht en donker, en hemelgewelf, droog land met planten, sterren en de maan, vissen en vogels en alle andere dieren en de mensen en op de 7e dag?

Rustte God uit. En dat is een rustdag, een heilige dag om vrij te zijn en te vieren. 

En op die dag mag je dus niet werken – zeggen de Joodse leiders.

En mensen beter maken en een draagbed dragen, dat is werken! En daar zetten de Joodse leiders met hun rode potlood een streep doorheen.

Maar Jezus zegt: ‘Mijn Vader - en zijn vader is God - werkt altijd, en dat doe ik ook’.

Want wat Jezus doet, is wat God doet en dat is zorgen dat mensen kunnen leven en kunnen vieren dat ze bij God horen. Juist nu de man weer beter is gemaakt is de sabbat een feestdag. Een dag voor God.

Hm, nu is de vraag wat we nou precies kunnen leren van dit verhaal in de Bijbel.

Blijkbaar is het de bedoeling dat de zondag een feestdag is. Want het is de dag dat we Pasen vieren én de dag dat we vieren dat God de wereld heeft gemaakt en wij vrij mogen zijn en niet altijd hoeven te werken

Deze verlamde man ging niet aan het werk, hij ging leven en kon eindelijk mee doen aan deze feestdag. 

Als er nou dingen niet mogen op zondag, dan moeten we goed bedenken, helpt dat om deze dag feestelijk te maken of niet? Als de regels de dag stom maken, is dat echt niet de bedoeling.

Vrij zijn en mee mogen doen, dat hoort bij deze dag. Het is niet de bedoeling dat we op zondag niet doen wat deze dag juist tot een feest maakt.

En zo is het ook met de Bijbel. Als je die leest en je ziet alleen maar dat er heel veel dingen niet mogen, als er alleen maar gezegd wordt dat er heel veel regels zijn, heel veel rode potloden, dan kunnen mensen verlamd raken. Net als die man. Dan komen ze niet bij het water, niet bij het leven. En dat is pas zonde. 

Terwijl het erom gaat dat iedereen mee kan doen aan het feest van God die mensen vrijheid heeft gegeven.

Daarover heb ik nog een klein verhaal. Er was een meisje die wist dat ze op zondag nooit een ijsje gingen kopen. Want haar ouders zeiden ‘wij willen niet iets kopen op zondag’.

Op een zondag liep ze met haar opa door de stad. En het meisje zag een ijskraam en ze had wel zin in een ijsje, maar ze wist dat het zondag was en dat niet mocht.

Toen vroeg haar opa ‘wil je een ijsje?’. En het meisje zei ‘maar opa, het is zondag’!

Echt waar zei de opa, is het zondag? Nou dan krijg je er twee.

En zo werd de zondag een echte feestdag. Amen.

20 juni

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 4: 27-42


Inleiding op de Schriftlezing

Deze hele week heeft mij de uitslag van een enquête van het Nederlands Dagblad beziggehouden: 86% van de vrouwelijke predikanten in Nederland ervaart seksisme in haar werk. En de voorbeelden die collega’s deelden in een groep predikanten op Facebook waren schokkend.

Precies deze week staat het verhaal van Jezus’ ontmoeting met een vrouw bij de bron op het leesrooster. Ik heb me er afgelopen week uitgebreid in verdiept en ontdekte hoe theologische commentaren en ook ikzelf deze tekst bevooroordeeld lezen en de vrouw in het verhaal daarmee tekort doen. Een vrouwelijk theoloog schreef inmiddels 40 jaar geleden een commentaar waarin het idee dat de vrouw bij de bron onnozel is en een slechte levenswandel heeft, geheel verdwijnt. Daarmee werd zichtbaar hoe bevrijdend dit verhaal is voor iedereen. Het is een waar evangelie. Ik neem jullie er graag in mee.

Twee aanwijzingen vooraf:

Allereerst is het goed te weten dat het verhaal zich afspeelt in Samaria. Op het kaartje kun je zien dat Jezus op zijn weg van Judea naar Galilea door Samaria komt. De Samaritanen komen we vaker in de Bijbel tegen. Hun religie heeft overeenkomsten met die van de Joden en verschillen. Zo delen ze de vijf boeken van Mozes, zoals Genesis en Exodus, maar ze erkennen niet de Profetische geschriften. Ook hebben ze door invloeden vanuit andere religies andere rituelen én hebben ze niet de tempel in Jeruzalem maar de berg Gerizim als plek om God te aanbidden. Over en weer hebben Joden en Samaritanen heel wat op elkaar aan te merken en is er vaak sprake van een vijandige houding.

Ten tweede: het verhaal van de vrouw bij de bron staat alleen in het evangelie van Johannes. Het is de langste dialoog in het Nieuwe Testament. Ik wil u aanraden om te proberen het verhaal niet mee te lezen maar, misschien zelfs met de ogen dicht, gewoon te luisteren en u te laten meenemen in dit verhaal.

Overweging

Gemeente van Jezus Christus,

Een man, een Jood, en een vrouw, een Samaritaanse, ontmoeten elkaar bij een bron. De bron van Jakob, een bron (van geloof) die ze met elkaar delen.

Zij ontmoeten elkaar bij de bron in een gesprek over geven en ontvangen van water. En wat begint met water dat de dorst lest, water dat je drinkt en uit een bron haalt, gaat snel over in water, levend water als beeld van wat God de mensen schenkt aan bevrijdende woorden. Jezus schenkt dat water niet alleen, hij is dat woord van bevrijding ook zelf.

Want kijk wat er gebeurt.

Jezus en de Samaritaanse vrouw gaan op een gelijkwaardige manier met elkaar in gesprek.

Zij stellen elkaar vragen en geven antwoord. Ze kennen elkaars religie. En al pratend komen ze tot elkaar en geven de ander het belangrijkste dat ze te geven hebben:

De vrouw ontvangt in zichzelf die bron waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft (vs 14). Zij hoeft God niet langer te zoeken op die plekken of het nu Jeruzalem of de berg Gerizim is, waar God vereerd wordt in de tempeldienst waarin mannen de dienst uitmaken. Jezus zegt ‘aanbidt God in geest en waarheid’. Dus niet op een bepaalde plek, maar op een manier die dichtbij je dagelijks leven staat. ‘Want God is Geest’ (vs 24), voegt Jezus daar aan toe. Een open en niet vastbepaald beeld van God. En Jezus laat zien dat hij de vrouw kent in wie ze is. ‘Wat u zegt, is waar’. (vs 18/19)

En dan is het aan Jezus om te ontvangen. Want deze Samaritaanse vrouw getuigt in haar ontmoeting met Jezus dat hij de gezalfde, de Messias, de Christus is. In de hele Bijbel is er slechts één ander die dat ook doet, eveneens een vrouw en dat is Martha (Joh 11)

En net als Martha deelt ook deze Samaritaanse vrouw dat getuigenis met zeer velen. De Samaritanen uit haar stad geloven haar op haar woord en later ook nog omdat zij zelf Jezus horen spreken en zij getuigen ‘dat hij werkelijk de redder van de wereld is’.

Met het geloof van deze ene vrouw is de oogst groot geweest.

Wat is er nou precies gebeurd?

Twee mensen hebben elkaar werkelijk ontmoet en van hart tot hart gesproken.

Dat zij een Jood en een Samaritaan waren, een man en een vrouw, dat stond niet in de weg. Dat Jezus de Messias is, de Bevrijder en Redder van de wereld, blijkt juist in dat Jezus met deze vrouw spreekt op gelijke voet. Zij hoeft zich niet klein te maken. Hij is niet groter. Hij wijst haar op een bron die in haar opwelt, de woorden van God die haar rechtdoen in wie zij is. Zij spreekt waarheid als zij Jezus antwoordt dat zij geen man heeft, evenzo kan zij, zegt Jezus, God in Geest en waarheid aanbidden. (vs. 24) 

En dan nu even hét heikele punt uit deze tekst, namelijk allereerst de vraag van Jezus aan de vrouw ‘Ga uw man eens roepen’. Ik vind dat een rotvraag, intimiderend ook. Waarom mag zij niet op zichzelf staan en waarom dwingt Jezus haar dus zich bloot te geven in haar antwoord dat zij geen man heeft?

Maar nog heikeler wordt het met de reactie van Jezus ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, (…), ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet.’

Wat zégt Jezus daarmee over deze vrouw?

Nou volgens vrijwel alle theologische commentaren zegt Jezus hiermee dat deze vrouw een losbandig, zondig leven leidt. Maar wat opvalt is dat de vrouw niet terugdeinst door deze woorden, dat het in het vervolg van dit gesprek ook helemaal niet verder gaat op dit thema én dat alle mensen uit de stad deze vrouw op haar woord geloven. Dat klinkt niet logisch als zij een uitgestoten vrouw zou zijn. En dus, concludeert slechts één theoloog, Maria de Groot, is het veel logischer om deze reactie van Jezus niet te lezen als een moreel oordeel maar als een feit. Deze vrouw leeft met meerdere mannen samen. Dat kan heel goed een levensvorm zijn die in de Samaritaanse cultuur, die beïnvloed was door godinnenreligies, normaal was. Jezus heeft er geen oordeel over. Hij geeft aan dat Hij weet wie ze is. En de vrouw kan niet anders dan op die woorden reageren met de open vraag aan haar volksgenoten: zou dit niet de Gezalfde zijn?

Want Jezus spreekt met haar, kent haar en reikt haar levend water aan, woorden van eeuwig leven, en daarmee doet God een bron van levend water in haar ontspringen waarvan ze uitdeelt aan anderen.

De leerlingen van Jezus die zien dat Hij met een vrouw praat, gaan daar verder niet op in. Blijkbaar straalt de situatie een grote vanzelfsprekendheid uit.

Dit is wat Jezus Messias maakt. Alle grenzen zijn doorbroken. Het woord dat Hij mensen wil vertellen stroomt. En niemand, maar dan ook niemand brengt daar iets tegenin.

Er is geen afkeuring, er is geen begrenzing, iedereen doet mee.

Van alle volgelingen van Jezus in de Bijbel komt deze Samaritaanse vrouw Jezus het meest nabij in haar dubbele getuigenis dat Jezus de Messias is. Is dat misschien omdat Jezus en deze vrouw elkaar werkelijk ontmoeten en hun identiteit blootgeven aan elkaar?

Als dat zo is dan kan getuigen van geloof blijkbaar niet zonder ontmoeting.

En dan heeft zo’n ontmoeting dus gelijkwaardigheid nodig in geven en ontvangen.

Dit verhaal heeft mij deze week geraakt omdat de bevrijding van de vrouw die ik op het spoor kwam, dichtbij kwam. De vrouw is wie zij is en zij ontmoet in Jezus iemand die haar ziet en met haar delen wil wat van God komt aan bevrijding, niet alleen in de woorden die hij tot haar spreekt maar ook in de manier waarop hij met haar omgaat. En zij op haar beurt getuigt en doet dat met zo’n open vraag ‘zou dat niet de messias zijn?’ dat iedereen zelf kan gaan ondervinden of dat zo is.

Ja, zo zie ik het graag voor me: de kerk als een plek waar mensen elkaar ontmoeten rond een bron, waar we niet alleen woorden van God als levend water uit putten, maar die woorden ook waarmaken in hoe we ze met elkaar, met anderen, ook die we niet goed kennen, willen delen. Dan kunnen we ook, net als Jezus, de ander ontdekken als van God gegeven. Pas als een ander bevrijding ervaart door de woorden die we hier met elkaar delen, wordt zichtbaar hoe Jezus de Messias is.      

Het begint bij de bron.

‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de messias zijn?’

Amen.

30 mei

Trinitatis (Zondag van de Drie-eenheid)
Lezing: Johannes 2:23-3:21
ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Het gebeurt in mijn LHBTI-werk nog wel eens dat ik in gesprek met iemand of met een groep mensen vooral het gevoel heb dat de posities of de perspectieven over en weer onoverbrugbaar lijken. Tussen mij en mijn gesprekspartners gaapt een diepe kloof en het lukt niet om een brug te slaan, om tot overeenstemming te komen, of zelfs maar tot een zekere herkenning. In zulke situaties gaat het vrijwel altijd over gelovige gesprekspartners. Het is een ervaring die altijd weer bevreemdend is. Je zit al dan niet letterlijk aan tafel met mensen die in dezelfde traditie staan, van het christelijk geloof, die bekend zijn met dezelfde verhalen, en toch domineert de ervaring van twee werelden die nagenoeg niets met elkaar te maken lijken te hebben. Je spreekt in principe dezelfde taal en toch klinken de woorden heel verschillend, lijken ze een heel andere betekenis te hebben. Het is frustrerend en soms ontmoedigend de rijkdom van het gezamenlijke vocabulaire, van de Bijbel, van het Evangelie, niet aan te kunnen spreken als een gedeelde schat die voor verbinding kan zorgen, en dat is nog wat anders dan het precies met elkaar eens zijn. Het is nog extra frustrerend als de goede intentie van een gezamenlijke uitkomst er wel is. Misschien is het de tragiek van het verhaal of van de boodschap van elke traditie die langer mee gaat: dat die uiteenlopend kan neerslaan in verschillende tijden en in verschillende omstandigheden en in verschillende groepen mensen. Op zichzelf is dat nog niet eens zo erg, het is zelfs onvermijdelijk. Maar als die neerslag, en dan gehouwen in steen, het uitgangspunt wordt, en de dynamiek die essentieel is voor de boodschap, verdwijnt, is er reden voor zorg.

Het is een ervaring van alle tijden, en ik herken deze in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Het gesprek is zo bizar dat het bijna lachwekkend is. Er zijn twee mensen in gesprek, maar ze praten volledig langs elkaar heen. Jezus zegt: je kunt alleen het koninkrijk van God zien, als je opnieuw geboren wordt. Nicodemus antwoordt: hoezo, opnieuw geboren worden, dat kan toch maar één keer? Jezus geeft nadere uitleg, spreekt over water en geest, over ‘van omhoog geboren worden’, en spreekt Nicodemus aan op zijn kennis, maar het schiet niet op.  Nicodemus blijft vragen: hoe kan dit? Of het tussen de twee tot begrip, tot verstaan is gekomen, blijft in het ongewisse. Je kunt Nicodemus onvermogen verwijten, maar Jezus net zo goed. Het lijkt Hem niet te lukken zijn boodschap over te brengen. De twee komen niet nader tot elkaar.

Het diepe niet begrijpen, het diepe niet kennen, het bijna totale onvermogen de kloof te overbruggen, deze tweedeling, is typerend voor het Johannesevangelie. Het kennen en het niet kennen, het zien en het niet zien, het licht en het duister, het goede en het kwade, de wereld en het koninkrijk van God zijn voorbeelden van woordparen die Johannes opvoert om duidelijk te maken dat Jezus van een geheel andere orde is en dat Hijzelf de sleutel is tot wel kennen, wel zien, wel verstaan. Nog vorige week waren we, toen we Pinksteren vierden, getuige van een gesprek tussen Jezus en Filippus, een leerling van Jezus. De diepte van het onbegrip is hier zo mogelijk nog groter. Jezus zegt letterlijk: wie mij kent, kent de Vader, waarop Filippus het bestaat het te vragen: laat ons de Vader dan maar zien, Jezus; terwijl, hij, Filippus, anders dan Nicodemus, voortdurend bovenop de neus van Jezus zit. Een bijna logische vraag ergens, maar ook eentje die de tragiek van het onvermogen van Filippus, van ons mensen, pijnlijk aan het licht brengt. Het past ons niet hard te zijn in ons mogelijke oordeel over Nicodemus en Filippus. Hun vragen zijn uitdrukking van de tragiek die ons aller deel is. Niet kennen, niet zien, in het duister tasten, niet verstaan, is eerder ons deel, is eerder wie we zijn als mens, dan wel zien en wel kennen. En of we deel uit maken van de kerk, maakt daarbij niet zo veel verschil, integendeel zou ik zelfs willen zeggen. Wij zitten met onze neus op de verhalen, maar zien en kennen, een wel verstaan is daarmee niet automatisch gegeven.

Het tegenover in het Evangelie naar Johannes, scherper aangezet dan in de andere evangeliën, vinden we ook het doorgaande gesprek van Jezus met de Farizeëen. Vlak vóór de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus, althans in dit evangelie, treffen we Jezus in de tempel in Jeruzalem. Hij jaagt alle handelaren er uit, en zegt: breek deze tempel maar af. Ik bouw die in drie dagen weer op. Ook daar weer volledig onbegrip. Hoezo in drie dagen? Het heeft 46 jaar geduurd voor deze tempel er stond. De toon wordt direct aan het begin van het evangelie al goed gezet. En het gesprek met Nicodemus is er een voortzetting van. Er staan twee werelden tegenover elkaar. Mensen spreken dezelfde woorden, gebruiken dezelfde beelden en toch is zien en kennen, verstaan, onmogelijk geworden.

Nicodemus spreekt Jezus aan als zijn gelijke. Zijn eerste woorden aan het adres van Jezus zijn bijna een belijdenis: Rabbi, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. En zo is het, toch? Maar Jezus antwoordt en nu even in mijn woorden: het gaat niet om de wonderen op zichzelf, om hoe je die beoordeelt, het gaat er om of je kunt zien welke dynamiek, welke verandering daarachter schuilgaat, en dat kan alleen als jezelf onderdeel wordt van die dynamiek, van die verandering. Het gaat hier niet om een verandering binnen de orde van wat we kennen, maar om een verandering buiten alle gebruikelijke orde, en dat kun je pas echt op waarde schatten, als je zelf geen onderdeel meer uitmaakt van die oude orde, waarin je, zoals in net leven van Nicodemus alleen nog maar kennis overhebt, kennis die het leven klemzet in steeds weer nieuwe regels die dat leven proberen te beheersen. Wij doen dat voortdurend, en des te erger als het in Gods Naam gebeurt. 

Het is vandaag zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid. Het is pijnlijk illustratief dat we juist vandaag het verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus horen. Immers, de Drie-eenheid is het voorwerp van hetzelfde onvermogen dat we in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus ontmoeten. Als er een uitdrukking is die de dynamiek van wie God is duidelijk probeert te maken, dan is het wel het artikel van de Drie-eenheid. In de loop van de geschiedenis is het echter een leerstuk geworden, dat vooral is gebruikt om God te verklaren, te bewijzen, terwijl het vooral een geloofsuitspraak is, die als een venster op God iets van hun geheim, van de dynamiek van deze God wil laten zien. Kennis hebben van dit artikel, dit leerstuk betekent helemaal niets, als je niet zelf onderdeel bent van de dynamiek van de Drie-eenheid, in de nieuwe driehoeksverhouding, de nieuwe relatie tussen God, mensen en wereld. Zo persoonlijk is het. Zo persoonlijk maakt het Evangelie naar Johannes het, keer op keer. Het gaat Jezus niet om Nicodemus de Farizeeër, het gaat hem om de mens die tegenover Hem zit.

Maar hoe kan dat dan? De vraag blijft recht overeind en mag, nee moet steeds weer gesteld worden. Jezus ontmoet Nicodemus in de nacht van Pasen, Pesach. De nacht is betekenisvol in de traditie van de Bijbel. Juist in de nacht komen dingen aan het licht, breekt het kennen door, worden de dingen geopenbaard. Dat het nu de nacht van Pasen is, is veelzeggend. Al staan Jezus en Nicodemus nagenoeg onoverbrugbaar tegenover elkaar, er is toch iets dat hen met elkaar verbindt, en dat is het verhaal van Pesach. Het is het verhaal van de bevrijding van het joodse volk uit slavenhuis Egypte; dit verhaal anders dan alle andere verhalen; dit verhaal van een geheel andere orde; dit verhaal van een gebeurtenis die nooit iemand had verwacht, klemgezet in een slavenbestaan; dit verhaal van vrijheid die de orde van de mensen, die de orde van ons samenleven, die de orde van georganiseerde religie te boven gaat; die ergens anders vandaan komt; die het mensenbestaan, ons leven in een heel nieuw licht zet. Wie had dat gedacht van dit slavenvolk, wie had dit gedacht van deze man uit Nazareth, deze zoon van een timmerman? Het gaat er niet om of we dit kunnen verklaren, het gaat er ook niet om of we het overal kunnen aanwijzen, het gaat er om of wij ons eigen leven en het samenleven steeds weer willen zien tegen de achtergrond van deze andere orde, die bevrijding uit het slavenhuis, die overwinning van de dood, die tweede geboorte ‘van omhoog’. Wie dat doet, loopt nooit vast, of: breekt steeds weer vrij, is onderdeel van de dynamiek die met de komst van Gods geest ons deel is geworden. Dat doen, zo willen kijken, zo willen zien, zo kunnen zien en kennen, is niet een eens en voor altijd. Wij zijn en blijven mensen, moeten de verhalen van Pesach en Pasen steeds weer delen, tegen elkaar uitspreken, voor God belijden dat we in de geest van deze verhalen willen leven en naar het leven willen kijken. Maar we hebben het verhaal, we weten van bevrijding, we hebben deze Jezus, we hebben deze verhalen, deze mens als een belofte die altijd blijft. En daarvan te bestaan is meer dan voldoende.

Ergens las ik een verhaaltje van een geestelijk verzorger in een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Een slechtziende hield niet op te zeggen, veertien jaar lang inmiddels: ‘Jezus heeft mij nieuwe ogen beloofd’. Het is in veertien jaar niet gebeurd, maar die beperking was geen belemmering voor geloof. Als je begrip afdwingt, of een wonder, gebeurt er niets. Als je leeft van vertrouwen, dan gaat de hemel open en wordt je opnieuw, van boven, geboren, steeds weer. 

Amen

 

LHBTI staat voor: lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse.


2 mei

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 15: 1-8


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we uit het evangelie van Johannes de laatste van de zogenaamde ‘Ik ben’- woorden van Jezus. Zeven keer komt het voor in het Johannesevangelie dat Jezus een uitspraak doet die begint met ‘Ik ben’ en ik heb ze op de liturgie allemaal even onder elkaar gezet.
  • Ik ben het Brood des Levens (Johannes 6:35)
  • Ik ben het Licht van de Wereld (Johannes 8:12)
  • Ik ben de Deur (Johannes 10:9)
  • Ik ben de Goede Herder (Johannes 10:11,14)
  • Ik ben de Opstanding en het Leven (Johannes 11:25)
  • Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14:6)
  • Ik ben de ware wijnstok (Johannes 15:1)
Wat opvalt aan deze uitspraken van Jezus is dat ze beginnen met de woorden ‘Ik ben’. Daarin klinkt de naam van God door, de naam ‘Ik ben die ik ben’. Jezus is dus met de naam van God verbonden. En wat ook opvalt is dat die woorden zoals de weg, het licht, de herder, de wijnstok allemaal voorkomen in verhalen in het Oude Testament die gaan over hoe God verbonden is met zijn volk. Denk aan de weg door de Schelfzee, het brood in de woestijn en herders zoals Mozes en David.
Kortom de ‘Ik-ben’ uitspraken van Jezus zeggen iets over hoe Jezus verbonden is met God én deel uitmaakt van de verbondenheid van God met mensen.

Vandaag lezen we ‘Ik ben de ware wijnstok’. Dat beeld van de wijnstok heeft een belangrijke plaats in de Bijbel. Ik wil het u schetsen aan de hand van een paar Bijbelteksten. Als u wilt kunt u dat nalezen, de overweging is terug te vinden op de website of na te vragen bij mij. Dat mag u overigens altijd doen, ik stuur het u dan toe. Over de wijnstok:

Het eerste wat Noach doet na de zondvloed is dat hij een wijngaard aanlegt (Gen 9:20),  teken van een nieuw begin en hoop.
Als de verspieders het beloofde land Kanaän in gaan, nemen ze bij terugkomst een druiventros mee die zo groot is dat ze hem met z’n tweeën moeten dragen (Numeri 13:23), teken van een toekomst in overvloed.
De profeet Micha (4:4 en ook in 1 Kon 5:5) spreekt over een toekomst waarin iedereen veilig onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom zit.
De wijnstok is in deze verhalen een teken van goede aarde en van nieuwe toekomst.

De wijngaard is ook een verbeelding van het volk Israël dat leeft in verbondenheid met God. De profeet Jesaja (5:1-7) heeft het Lied van de wijngaard, waarin God van heel Israël een goede wijngaard wil maken, maar de wijngaard verwildert vanwege alle onrecht dat plaatsvindt. De wijnstok kan beschadigen, daarover gaat Psalm 80.
 
Als Jezus zegt ‘Ik ben de ware wijnstok’, dan krijgt dat oude beeld van het volk Israël dat  verbondenheid is met God een nieuwe invulling. De wijngaard blijft het volk Israël zelf en de wijngaardenier is God. Maar Jezus is de wijnstok, onderdeel en beginsel van de wijngaard. Vandaag horen we Jezus zeggen: ‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken’. Dat belooft wat!

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

‘Blijf in mij, Ik blijf in jou’. Blijven, verblijven, verbonden blijven, daar gaat het om.
Als je een druiventros aan een tak voorstelt, of Bijbels gezegd: een rank aan een wijnstok, dan kun je je voorstellen hoe die beide verbonden zijn. Maar, en dat is belangrijk om toe te lichten bij de vertaling, Johannes schrijft dat zij niet verbonden zijn mét elkaar of áán elkaar, maar ín elkaar. In de Griekse tekst en ook in de Nederlandse vertaling zit er innigheid in. De rank is niet letterlijk afhankelijk van de wijnstok, maar er innig mee verbonden.

Jezus wil met dit beeld aangeven hoe de leerlingen verbonden zijn met Jezus en met God. Want daar komt het op aan als Jezus straks weg zal zijn. Daarom lezen we deze tekst tussen Pasen en Pinksteren. Want de vraag is: hoe kunnen we verder gaan?

2. ‘Blijf in mij, Ik blijf in jou’. Dat klinkt alsof wij een bepaald standpunt moeten kiezen. En de uitspraak ‘Ik ben de ware wijnstok’ kan overkomen als een definitie die Jezus van zichzelf geeft.

Maar dat is teveel Nederlands gedacht.
‘Ik ben’ is in de Bijbel letterlijk een werkwoord, een woord dat alles te maken heeft met beweging en met doen. De Godsnaam, die bestaat uit de 4 Hebreeuwse letters van het werkwoord ‘zijn’, laat zich vertalen als ‘Ik ben die ik zijn zal’, of ‘Ik ben er voor jou’.

Net zo is de uitspraak ‘Ik ben de ware wijnstok’ niet een naam of een titel voor Jezus, maar een aanduiding hoe Jezus, en wij in Hem, verbonden zijn met God.
Dat is een actief gebeuren. Daar stroomt, zoals bij de wijnstok, levenssap doorheen.
In het tweede deel van deze tekst, die volgende week op het rooster staat, licht Jezus toe wat er stromen moet. ‘Heb elkaar lief’ zegt Jezus - dat is de verbinding waarin we met elkaar staan. Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. (Joh 15: 9-10)

Elkaar liefhebben dat gaat dus om het doen van de geboden, recht doen aan elkaar, elkaar het goede leven niet onthouden.
De ‘Ik ben’ namen van Jezus zijn ook telkens verbonden met wat Jezus doet. Jezus is wat hij geeft. Hij geeft de mensen brood bij de wonderbare broodvermenigvuldiging en Jezus is het brood, Hij geeft de mensen wijn in Kana en Hij is de wijnstok, Hij wekt mensen tot leven en is het Leven.

3. ‘Blijf in mij, Ik blijf in jou’, is dus geen statisch gebeuren, niet een toestand of een mystieke ervaring, maar het is een oproep tot handelen. Blijf innig verbonden met die woorden van Jezus, met Jezus zelf, en zo met God, omwille van het vruchtbaar zijn. Want daar gaat het om: vrucht dragen.
Daar zijn de woorden van Jezus op gericht. Hij zegt zelfs tegen zijn leerlingen ‘jullie zijn al rein door wat ik jullie gezegd heb’, letterlijk staat er ‘jullie zijn al bijgesnoeid’ (Joh 15:3).

God is de wijnbouwer, Jezus is de wijnstok die zelf geen vruchten draagt, maar de wijnstok leeft in de ranken die vrucht geven.

Alle ‘ik-ben’ woorden zijn zo inclusief, onmiddellijk volgt erop ‘jullie…’.
Ik brood – jullie moeten uitdelen
Ik licht – jullie niet in duisternis wandelen
Ik wijnstok- jullie ranken, vrucht dragen
Ik weg – jullie geboden onderhouden
Ik herder – jullie luisteren naar mijn stem
Ik deur –  jullie in en uitgaan

De Messias kan niet zijn wie Hij is als ‘jullie’ niet doen als Hij.

Doen we dat? Tot welke vruchten leiden de woorden van Jezus en onze verbondenheid met Hem? Hoe snoeien de woorden van Jezus ons zo dat we komen tot daden? In hoeverre stroomt het levenssap van de wijnstok, die liefde, door ons heen tot vruchten, tot daden, die de wereld bereiken?

Deze vraag volgt uit de lezing vandaag. Maar ook vorige week kwam dit ter sprake op de Oranjekerk in de Praktijk avonden waarin we spraken over hoe wij als gemeenteleden van de Oranjekerk verbonden zijn met God en met elkaar, maar ook over hoe dat betekenis heeft in de wereld, in de buurt, in onze naaste omgeving. Wat merken anderen van de goede dingen die wij hier ervaren? Welke vruchten komen daaruit voort en delen we uit?

4. Nadenkend over het beeld van de wijnstok blijf ik haken bij de innige verbondenheid.
Naar mijn idee splitsen we die verbondenheid in de kerk en in onze gesprekken vaak op.
Óf we hebben het over wat we geloven. Óf we hebben het over wat we doen of zouden willen doen als activiteit in de kerk of elders.

In de beeldspraak van de wijnstok en de ranken die vrucht dragen, is er sprake van een doorgaande stroom van voeding en van leven dat je krijgt en doorgeeft.
Liefde en recht doen, daar gaat het om.

Maar als wij nu moeten zeggen wat het is dat we in onze innige verbondenheid met Jezus’ woorden en Jezus zelf ontvangen en tot welke daden ons dat aanzet, wat is dat dan?

Deze dagen denk ik aan bevrijding als iets om door te geven – dat je de ruimte die je van God krijgt ook aan anderen wil geven. Maar nogmaals, wat is ons doorgeefding?

5. Het een na laatste vers kan ons op het goede spoor zetten: ‘Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren’.

‘Vragen wat je wilt’ dat gaat niet om van alles kunnen vragen, het gaat om vragen vanuit die innige verbondenheid met Jezus en met zijn bevrijdende woorden. Als we in die verbondenheid staan, bijvoorbeeld op zondagmorgen in een moment van bezinning, welke vraag, welk gebed voor deze aarde, voor deze buurt komt dan in ons op?
En wat hebben wij dan door te geven?

Amen.

18 apr

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Johannes 21: 15-25


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag is de 3e zondag ván Pasen, want de paastijd duurt 50 dagen, tot Pinksteren.
Het paasfeest is geweest, maar de paasboodschap blijft: Jezus is gestorven en opgewekt, een nieuw begin is mogelijk.
In hoofdstuk 20 van het Johannesevangelie lezen we hoe Jezus na de opstanding zich laat zien aan Maria, aan zijn leerlingen en aan Tomas. En de één na de ander belijdt ‘Ik heb de Heer gezien’. En Jezus zendt hen uit. Pasen is in alle opzichten een nieuw begin.

Maar hoe moet het nu verder? Zoals wij, wij zijn nog steeds wie we waren, niet opeens andere mensen. Dus hoe gaat dat nieuwe begin van Pasen dan in z’n werk?
Terwijl de evangelist Johannes in hoofdstuk 20 zijn evangelie afrondt, komt er toch nog een hoofdstuk 21 dat dat uitlegt. Zeven leerlingen van Jezus zijn teruggegaan naar Galilea. Petrus neemt het initiatief om te gaan vissen en de anderen gaan met hem mee, maar de hele nacht vangen ze niets. Tegen de morgen roept iemand van de kant hen toe dat ze het net over de andere boeg moeten uitgooien. Als ze dat doen, raakt het net overvol. De leerling van wie Jezus hield, herkent de man aan de kant het eerst. ‘Het is de Heer!’ zegt hij tegen Petrus. En Petrus aarzelt geen moment, trekt zijn bovenkleed op en springt in het water. De andere leerlingen zeulen het net met de vissen mee. Als ze dan aan land komen, brandt daar een vuurtje met vis erop en brood en biedt Jezus de leerlingen die maaltijd aan.

Dan volgt er een gesprek tussen Jezus en Petrus. Dat is onze lezing vandaag. Simon Petrus, de leerling bij uitstek, wordt in het evangelie vaak bij naam genoemd. De naam Petrus kreeg hij van Jezus bij hun eerste ontmoeting, die naam betekent rots. (Joh 1:42)
In het gesprek krijgt Simon Petrus driemaal de vraag of hij Jezus liefheeft. En Petrus beaamt dat, waarop Jezus aan Petrus de opdracht geeft herder van zijn schapen te zijn.

Pardon? Dit is toch een bizarre wending in de relatie van Jezus met Petrus? Als je bedenkt wat hieraan voorafgaand is gebeurd. Petrus heeft Jezus driemaal verloochend, toen het erop aankwam liet hij Jezus compleet in de steek en zei hem niet te kennen! En nu gebeurt dit!

Vandaag zoomen we in op Petrus. Want wat hier gebeurt, dat Jezus Petrus aanwijst als herder, na alles wat hij gedaan en vooral nagelaten heeft, dat wil ons ongetwijfeld iets leren over wat Pasen nou eigenlijk betekent in de praktijk.

Hoe Petrus Jezus driemaal verloochent dat horen we op Goede Vrijdag. Sytze de Vries schreef het ‘Lied van Petrus na zijn verloochening’ daarbij. Dat lied vindt zijn antwoord in de Schriftlezing van vandaag. Daarom beginnen we met het lied om zo het goede nieuws van Pasen te kunnen horen zoals Petrus dat te verstaan krijgt. 

Overweging ‘Zoals Petrus’
1. Gemeente van Jezus Christus,

Nooit zou Petrus Jezus afvallen. Anderen zouden het misschien doen, maar hij niet, dat durfde hij te bezweren. (Matt 26:33) Hij deed het toch, driemaal zoals Jezus had gezegd.
In andere evangeliën lezen we hoe Petrus bij het kraaien van de haan in tranen uitbarst. (Mk 14:72, Matt 26:75, Lk 22: 62)
Bij Johannes lezen we hoe Petrus verdrietig wordt als Jezus driemaal vraagt of hij Hem liefheeft. Je kunt je het schuld- en schaamtegevoel van Simon Petrus voorstellen…

‘Heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’ vraagt Jezus.
‘Ja Heer, u weet dat ik van u houd’, antwoordt Petrus.
‘Meer dan de anderen’ hoor je Petrus niet meer zeggen. En ook gebruikt Petrus een ander woord ‘houden van’ om te antwoorden op de vraag van Jezus ‘heb je me lief’?
Petrus is in alle opzichten bescheidener geworden.
En hij weet wat hij aan Jezus heeft als die tegenover hem staat.
Jezus ziet hem zoals hij is, niets is voor Hem verborgen: ’Heer, u weet alles’, zegt Petrus.
 
Jezus weet alles en stelt alleen deze vraag ‘Heb je mij lief?’.
Drie keer stelt Jezus die vraag, de drievoudige verloochening wordt niet verdoezelt.
En Jezus spreekt hem bij die vraag aan als ‘Simon, zoon van Johannes’. Dat is de naam die Simon had voordat Jezus hem de naam Petrus, rots waar ik op kan bouwen, gaf. (Joh 1:42)

Jezus begint met Simon opnieuw. Hij geeft hem de opdracht ‘hoed mijn schapen’ en ook ‘volg mij’. Zoals Jezus een herder is voor wie hem volgen, zo zal ook Petrus dat zijn.
Hij krijgt die opdracht met als basis enkel het antwoord op de vraag ‘Heb je mij lief’.
Drie keer antwoordt Petrus ‘U weet dat ik van u houd’. Meteen bij de eerste keer krijgt hij al die opdracht ‘Weid mijn lammeren’. Drie keer bevestigt Jezus die opdracht.
Niet Petrus de alleskunner, maar Petrus die weet dat hem veel vergeven is, zal herder zijn.

2. Terug naar de vraag wat Pasen in de praktijk kan betekenen.
Petrus weet hoezeer hij tekort is geschoten, dat verleden is niet weg én Petrus heeft Jezus lief, meer dan hij weet dat hij waar kan maken. Jezus weet dat ook.
Niet vanwege bewezen competenties, of een onberispelijk cv krijgt Petrus deze opdracht, maar om zijn liefde voor Jezus, die zich laat kennen in zijn liefde voor mensen.

Dus om op de vraag uit het lied van Petrus in te gaan: Nee het is niet te laat, het is nooit te laat om te laten weten dat je van Hem houdt.
Dat is wat Pasen is in de praktijk, dat is waar je opnieuw kunt beginnen, met antwoord geven op die vraag ‘Heb je me lief’ en ingaan op die opdracht ‘volg mij’.

Jezus volgen zal bij Petrus eindigen met de marteldood. Dat zegt Jezus hier al. Meteen richt Petrus zich op die andere geliefde leerling van Jezus die er telkens bij is en hen nu ook volgt. Wat zal er met hem gebeuren, zal hij ook sterven?
Maar Jezus geeft aan dat hij een andere weg zal gaan.
Zoals er niet één manier van geloven is, zo is er ook niet één manier van Jezus volgen.
Petrus zal herder zijn en zal Jezus navolgen in liefhebbende daden. De geliefde leerling blijkt de evangelieschrijver Johannes te zijn, hij zal Jezus navolgen door zijn woorden en daden door te geven. Beiden getuigen van Jezus.

3. Dan nu Pasen in onze praktijk.
In het evangelie van Johannes staat Petrus model voor dé leerling van Jezus. Is hij voor ons ook een voorbeeld? Als Petrus met Pasen opnieuw mag beginnen, dan u en ik ook, toch?

‘Heb je mij lief’ is de enige vraag die Jezus stelt.
‘U weet dat ik van u houd’ is het antwoord en de belijdenis van Petrus.
Hij weet dat hij meer gekend wordt dan hij zichzelf kent.
Hij weet dat hij Jezus meer liefheeft, dan hij waar kon maken. Zijn liefde is wat telt. Die liefde voor anderen maakt hem tot herder, genoeg om Jezus te volgen.

De vraag die Jezus stelt, doet Petrus opstaan.
Liefde is sterker dan haat, waarheid is sterker dan leugens.
Hier begint nieuw leven. Neem dat maar aan. Amen. 

4 apr

Overweging Paasmorgen

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Marcus 16: 1-8


Inleiding op de Schriftlezing
Deze dagen lezen we uit het evangelie van Marcus. Op donderdag en vrijdag hoorden we over het lijden en sterven van Jezus, dat zette ons stil. In de Paasnacht hoorden we het Paasevangelie, dat zette ons in het licht. Vandaag horen we het Paasevangelie opnieuw met nu ook het laatste vers, waarin de vrouwen vol angst en schrik wegvluchten bij het lege graf en tegen niemand iets zeggen. Ze zijn ontzet. Het lied na de Schriftlezing sluit daarbij aan.

Stilgezet, in het licht gezet en ontzet. In de overweging stel ik de vraag welke betekenis de opstanding voor ons heeft. Zoals ik daar ook afgelopen weken met sommigen van u over sprak. In gesprek gaan over opstanding, dat vergt enige moed. Ik hoop dat we elkaar als gesprekspartners weten te vinden.

Overweging ‘het houdt gewoon niet op’
1. Gemeente van de Opgestane,

Dit kan het einde toch niet zijn? Het verhaal dat de evangelist Marcus vertelt, lijkt niet af. Na de mannen in Getsemane, vluchten nu ook de vrouwen weg en zeggen niets, want ze zijn bang. Waarom zijn die vrouwen zo geschrokken?
Wat er is gebeurd viel te verwachten, toch? Jezus heeft tijdens zijn leven meerdere keren zijn dood én opstanding aangekondigd. (Marcus 8,31; 9,31; 10,34 en vooral 14,28).
En zijn hele leven heeft Jezus laten zien hoe de grenzen tussen leven en dood niet absoluut zijn. Denk aan de genezingsverhalen en de opwekkingsverhalen, zoals van het dochtertje van Jairus. (Marcus 1,31; 2,9-12; 3,3; 5,15,41,29; 6,16; 9,27).

De vrouwen schrikken terwijl ze ook opgelucht zouden kunnen zijn, elkaar om de hals zouden kunnen vallen. Yes, Hij leeft!
Maar in plaats daarvan zijn ze ontzet.
En waar Jezus bij vele genezingen waarschuwt ‘zeg er tegen niemand iets over’ (Mk 1: 44), en mensen dat dan toch doen, moeten de vrouwen nu aan de leerlingen een boodschap overbrengen, maar doen ze het juist niet.
Het is maar een geluk dat de evangelist het ons vertelt, anders hadden we van niets geweten…

2. De vrouwen weten niet wat hun overkomt, wat ze moeten denken van de opstanding. Wat ze moeten zeggen, ze vinden er geen woorden voor. Het bericht maakt hen aan het wankelen en bang.
Dit is de dag die de Heer heeft gegeven zoals de Psalmist het zegt, dit is de 1e dag, de dag van de opstanding en ze weten niets te zeggen.
Dit is dus waar Pasen over gaat: over niet uit je woorden komen en niet precies weten wat je met deze boodschap over opstanding moet, behalve dan het te vrezen.
Als de mensen die erbij waren en de evangelist het al niet onder woorden weten te brengen, waarom zouden wij het dan wel moeten kunnen? Ook achteraf is het niet makkelijk praten…

Hoewel. Dat is niet waar. In de brief van Paulus aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus over de betekenis van de opstanding. Hij was er niet bij, maar weet het wel te duiden vanuit de Schriften. Paulus schrijft (1 Kor 15: 3) ‘Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat’.
Heldere taal voor wie thuis is in de woorden van Paulus. Maar dat zijn we lang niet allemaal.
Het is theologische taal, niet makkelijk te verstaan, gemakkelijker nog mis te verstaan.
3. En zo bestaan er meerdere reacties op die opstanding van Jezus van Nazareth, in de Bijbel en onder ons. De één kan Paulus beamen en zeggen dat Jezus is gestorven voor onze zonden en ons zo heeft gered. De ander staat net als de vrouwen bij het lege graf met de mond vol tanden. Ook dat is getuigen van de opstanding – niet weten wat je ervan denken moet, niet onder woorden kunnen brengen wat er nu eigenlijk is gebeurd.

De éne duiding is niet meer waar of meer Bijbels of meer gelovig dan de ander.

De boodschap die klinkt vanuit het lege graf is: ‘Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’
‘Ga naar Galilea’, dat betekent ga terug naar waar alles begon. Voor ons als lezers betekent het, blader terug naar het begin van het evangelie, lees opnieuw en zie hoe alles uit dit leven van Jezus, Zoon van God, samenhangt en betekenis krijgt.

Maar dat teruggaan naar het begin lukt ons vaak niet, want dat vraagstuk rond de opstanding ligt velen van ons zwaar op de maag, staat ons als de zware steen voor het graf in de weg. Hoe rollen we die steen weg en kunnen we met elkaar spreken over wat opstanding met je doet?

4. Wat het met de vrouwen doet is dit: ze zijn ontzet. Of ze worden ontzet, worden op een ander been gezet. Niets blijkt tot stilstand gekomen, alles ligt weer open. Opeens is dit werkelijkheid: dat verhaal van Jezus van Nazareth dat houdt gewoon niet op. Er is geen ‘eind goed al goed’ en geen klinkende overwinning. Er is enkel een vraag opnieuw te beginnen en Jezus te volgen.
 
Is die vraag teveel van het goede?
Hoe raakt deze opstanding ons?
Hoe ontzet Pasen ons van wat ons in de greep houdt?

5. Er zijn mensen in beweging gekomen. Precies wat de bedoeling was. En wat de bedoeling is: dat we in beweging komen. Dat we doorgaan of weer opnieuw beginnen met dat leven van Jezus voor ogen.
We zitten niet vast, we zitten niet in een houdgreep, dat is wat Jezus de mensen leerde.
Hij moedigde de mensen aan de ruimte te nemen en vrij te zijn van wat benauwd.
Hij wees mensen op een nieuw begin dat mogelijk is.
Ga op weg, ontmasker wie hun macht misbruiken, leg je niet neer bij uitsluiting, doemdenken.

Zou het kunnen dat we die vraag ‘Hoe raakt de opstanding jou?’ aan elkaar durven stellen, vrijmoedig, zonder angst dat het geen goed antwoord is wat je geven kunt. Zouden we dan samen dichterbij dat geheim van geloven kunnen komen?

De vrouwen blijven bevreesd achter. Als er mensen vrezen in het evangelie dan is dat vaak een moment waarop hen iets duidelijk wordt van wie Jezus als Messias is.
Ze zijn dus niet gewoon bang, nee, ze komen iets op het spoor en dat bevreest hen.
De boodschap van deze mens houdt gewoon niet op, maar blijft van kracht. Dienstbaar zijn aan mensen, niet heersen door overmacht, het bestaat, het is een begaanbare weg.  

6. Opgewekt zet Hij ons aan tot beweging. Dat Hij ons voorgaat, dat betekent dat wij uitgenodigd zijn om te volgen. Het is een beweging die we samen maken, als in een dans.
Doe maar mee.
Amen.