19 sept

ds. Jantine Heuvelink

Schriftlezing: Marcus 9: 30-37


Inleiding op de Schriftlezing
Vandaag lezen we volgens het leesrooster verder in het evangelie van Marcus. Jezus is met zijn leerlingen onderweg en leert hen gaandeweg met woorden en daden over God.
Jezus vertelt de leerlingen welke weg Hij zal gaan, dat Hij gedood zal worden en op zal staan. De leerlingen begrijpen er niets van, maar durven dat niet te zeggen. Dat ze Jezus niet kunnen volgen, blijkt te meer uit waar zij het onderling over hebben gehad, namelijk over de vraag wie van hen het belangrijkste is. Die vraag beantwoordt Jezus met een woord en een daad. Hij zet een kind in hun midden en omarmt het, en Hij zegt: in de toewending tot een kwetsbaar mensenkind, kom je God nabij.

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus,

Wie van ons wil de minste wezen?
Ik niet. Liever wil ik grootser, meeslepender en met meer impact voorganger zijn, dan kleiner, gedienstiger en zonder publieke waardering.
De woorden van Jezus zijn ook vandaag de dag confronterend. Op een positie waar geen eer aan te behalen valt of in de omarming van een kwetsbare, komen we God het meest na, dat is wat Jezus zegt.

De minste willen wezen. Dat is wat anders dan de minste zijn.
Het gaat niet om een positie die je hebt.
Maar om een houding die je aanneemt.
Het gaat erom niet de eigen eer en reputatie voorop te stellen en de waardering van anderen, maar dienstbaar te zijn aan wie kwetsbaar is, zonder dat dat aanzien heeft.
 
2. Jezus snijdt een kwetsbaar punt aan. Want zo zit onze maatschappij niet in elkaar. En eerlijk gezegd onze kerk en wijzelf ook niet. Toch?
We kijken op tegen mensen die zichtbaar goed bezig zijn, een goed verhaal hebben, staan voor wat ze vinden ook in geloofsopzicht. Terwijl in tijden van grote kwetsbaarheid het de vraag is wie en wat je nu werkelijk nodig hebt.
In de coronatijd ontdekten we hoe belangrijk de werkers in de zorg, in de scholen en op straat zijn. Zo zal ieder van ons wel een eigen ervaring hebben van wie voor u, voor jou in tijden van nood zo belangrijk is geweest, waar anderen niets van weten.   

Toch hebben we de neiging liever tegen mensen op te willen kijken, dan naar beneden te kijken als we zoeken naar een weg van leven. Ook kijken we liever bij onszelf naar waar we sterk in zijn, dan naar wat ons kwetsbaarheid is. Jezus stelt de blik van de leerlingen en van ons bij.
Zoals constant in de Bijbel mensen hun blik moeten bijstellen, om God te ontdekken.
Telkens is het de kwetsbare ander, met wie Gods verhaal verder gaat.
Denk aan Kain en Abel, Isaak en Jakob, de kleine Jozef en zijn broers, de kleine David. Niet de sterke maar de kwetsbare gaat voorop.
De leerlingen van Jezus stellen hun vertrouwen op de kracht en de macht die van Jezus uitgaat en ze durven niet stil te staan bij wat Jezus zegt over zijn naderende uitlevering, zijn kwetsbaarheid.
Maar daar kunnen ze nu, met dit kind in hun midden, niet langer omheen.
Het kind confronteert hen met de vraag die ze zelf niet durven stellen: hoe zit dat met dood en opstanding? Hoe zit dat met kwetsbaarheid als weg naar God?
 
3. Durven wij die weg wel te bevragen?
Ons te richten op wie kwetsbaar is in ons midden en wat kwetsbaar is in ons, geloven we daarvan inderdaad dat die weg bij God uitkomt?
En zo ja, durven we elkaar te bevragen of we ons eigenlijk wel willen begeven op die weg.
Want dat kost nogal wat.
Openheid geven over kwetsbaarheid, dat vraagt om moed.
Ingaan op de zorg die een ander nodig heeft, dat vraagt om geduld.
Het risico is dat je jezelf kwijt raakt.
En als het niet om jou gaat, kun je dan wel invloed uit oefenen en van betekenis zijn?
Dat lijken me reële vragen.

Het zijn vragen die zo wezenlijk zijn, dat ze in onze lezing vandaag aan bod komen.  
Want dat is feitelijk wat gebeurt in deze Schriftlezing uit Marcus. De angst om vragen te stellen, de ambitie om van betekenis te zijn, de confrontatie met afhankelijkheid, ze krijgen allemaal een plaats.
En Jezus wijst niemand af, zet niemand op z’n nummer, maar doet iets.
Hij omarmt met dit kind zijn eigen kwetsbaarheid en laat zien dat God daarmee van doen heeft.

4. Hoe kunnen we dat nou begrijpen, bevatten?

Nou zo: omarmen is wat Jezus doet. Omarmen van een mensenkind, omarmen van wat onbeduidend lijkt, maar van grote betekenis is.

Als God daar te vinden is waar wij ons niet krachtig voelen, bij zorg die ons uitput,
Als God te vinden is in de momenten dat we gedwongen worden te vertragen, wanneer we niet kunnen doen wat we uit onszelf zouden willen doen.
Als God daar te vinden is, waar bevinden we ons dan op die weg die Jezus wijst?

Kunnen wij een God die zichtbaar wordt in kwetsbaarheid aan?
Willen wij die God omarmen?

5. In een prachtig filmpje verwoordt Jessa van der Vaart, predikant van de Oude Kerk het zo:  Er vindt in de Bijbel een waanzinnige omkering plaats die mij tot op de dag van vandaag verrast. Die verhalen kunnen je op een heel ander spoor zetten dan je denkt. Omdat de wereld de andere kant opgaat. In de wereld willen we omhoog, terwijl in de Bijbel God naar beneden gaat. Dat is een tegengestelde beweging. God zoekt de menselijke kwetsbaarheid op. En dat leert ons denk ik iets over de weg van de mens. Niet dat we succes moeten gaan afwijzen maar het leert ons wel iets over het vinden van balans. https://www.youtube.com/watch?v=jRll1ap1Es0

We zijn de eersten niet en ook de laatsten niet die ons aan die Bijbelse woorden wagen.
En de vragen die ze bij ons en bij de leerlingen van Jezus oproepen, die horen daarbij.
Die horen bij de weg van de mens, waarop Jezus voorgaat.
Amen.

5 sept

Startzondag, ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing 1 Korintiërs 12: 4-31


Inleiding op de Schriftlezing

Vanwege startzondag lezen we vandaag niet een lezing van het leesrooster, maar een gedeelte uit de 1e brief die Paulus stuurt aan de gemeente van Korinthe. Korinthe is een havenstad in wat nu Griekenland is. Paulus heeft de christelijke gemeente in Korinthin het jaar 49 na Christus gesticht en stuurt een paar jaar later een brief naar aanleiding van vragen die in die jonge gemeente leven. Dat zijn onder andere vragen over hoe de leden van de gemeente om moeten gaan met de omliggende cultuur waarin de aanbidding van Griekse goden centraal staat envragen over hoe in de gemeente de taken verdeeld zijn.

In het 12e hoofdstuk van die 1e brief die Paulus schrijft, gaat hij in op de verschillende gaven van de Geest. Ook noemt Paulus de gemeente het lichaam van Christus waar iedereen deel van uitmaakt, de één niet meer of minder dan de ander. Zo is ook de functieinbreng of het talent van de één in de kerkelijke gemeente niet belangrijker dan divan een anderWant, zegt Paulus, alle inzet is afhankelijk van dezelfde Geest. En vóór alles is het belangrijk dat wat die Geest aan elk lid geeft de hele gemeente dient en dat dat dienen gedaan wordt met liefde.

We luisteren naar de woorden van Paulus. 

Overweging ‘Niet zonder jou’

1. Stel je bent een gemeente in een grote stad waarin van alles gebeurt, waar grote belangstelling is voor spiritualiteit, waar nieuwe initiatieven aan de lopende band ontstaan, waar mensen heel divers zijn en velen profiteren van de grote economische vooruitgang, maar velen ook niet, en waar mensen grote waarde hechten aan vrijheid en kennis. Stel je bent daar kerk – waar loop je dan tegenaan?

In Korinthe lopen ze onder andere aan tegen verdeeldheid in de gemeente en ongelijkheid tussen de leden. Sommige gemeenteleden hun inbreng in de gemeente belangrijker en getuigen van een groter geloof, dan de inbreng van anderen. Paulus reageert daar uitgebreid op, zoals we net hoorden.

En ik heb mij afgevraagd: welke vraag zouden wij aan Paulus stellen? Waar lopen wij in onze gemeente tegenaan?

Ik heb eerlijk gezegd het vermoeden dat het bij ons weleens precies het tegenovergestelde zou kunnen zijn. Dat we eerder ieder ons belang voor deze gemeente ónderschatten, dan óverschatten. Waarom ben jij onmisbaar voor deze gemeente?

2. ‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente’, zegt Paulus. En ook ‘U bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit’. 

Wat betekenen die woorden voor ons? Voor hoe we kijken naar onze verbondenheid met elkaaren met God en hoe we kijken naar ieders aandeel in het geheel en dat de Geest daarin werkt?Staan we genoeg stil bij onze afhankelijkheid van elkaar, onze unieke bijdrage aan het geheel en hoe we in dat geheel getuige zijn van de Geest, lichaam van Christus? 

Het beeld van het lichaam laat goed zien dat je als gemeente alleen kan functioneren als je met een verscheidenheid aan talenten en inbreng samen komt. De één kan iets goed, de ander wil een bepaalde taak op zich nemen, weer een ander handelt met grote trouw.

De inbreng van de één is niet belangrijker dan die van de ander. Enkel geldt dat het waardevoller is als de inbreng de gemeente dient, en niet de persoon zelf en als de inbreng met liefde voor de gemeente gepaard gaat. Er is geen ruimte voor het idee dat de één dichter bij God staat, of meer Geest in zich heeft werken dan de ander. Iets om te onthouden. 

3. Paulus schrijft vrij uitgebreid over al deze zaken, blijkbaar is het van belang dat de gemeente in Korinthe dit gaat begrijpen en spreekt dit niet voor zich.

Net als nu was ook toen zijn boodschap tegengesteld aan de cultuur waarin de mens het middelpunt is en menselijke wijsheid het uitgangspunt. Een samenleven waarin geen rekening gehouden wordt met God en geen plaats is voor Gods wijsheid die zichtbaar werd door leven en dood van Jezus Christus. 

Dat ‘omdenken’ om het maar even populair te noemen, anders redeneren vanuit het idee dat iedereen van waarde en onmisbaar is om lichaam van Christus te zijn, dat omdenken is ook ónze uitdaging. Al te gemakkelijk kun je de waarde van een ander of van jezelf overschatten of onderschatten. 

Het beeld van het lichaam en de manier waarop Paulus de lichaamsdelen tegen elkaar laat praten is even diepzinnig als ook humoristisch. Gelukkig maar. Het spreekt door dit beeld compleet voor zich dat het geen zin heeft de een tegen de ander uit te spelen of jaloers te zijn op elkaar. Niet wát je inbrengt, maar dát je bij het lichaam van Christus hoort is allesbepalend. Want van belang is dat het geheel functioneert.  

En zo is het ook in de gemeente. Niet je functie is van belang, maar dat je met elkaar één geheel vormt, verbonden door de ene Geestdie in ieder van ons is en die zichtbaar wordt in de opbouw van de gemeente en door het leven in liefde met en voor elkaar, waarover 1 Korinthe 13 gaat. 

4. In de bewerking van Karel Eykman klinken de woorden van Paulus zo:

(‘Met zijn allen gelijk, dat is pas sterk’ Karel Eykman naar I Korintiërs 12:12)

Zullen we voor je piano spelen dachten mijn vingers, is dat geen goed idee?

Jullie doen maar, zeiden mijn oren maar wij doen mooi niet mee.

Dat is dus niets geworden, daar kwam niets van terecht.

Vingers zonder oren, dat lukt niet echt.

Zullen we naar je toe komen dachten mijn voeten, is dat geen goed idee?

Jullie doen maar, zeiden mijn benen maar wij doen mooi niet mee.

Dat is dus niets geworden, ik kwam niet bij je terecht.

Voeten zonder benen, dat lukt niet echt. 

Zullen we je een aai geven dachten mijn handen, is dat geen goed idee?

Jullie doen maar, zeiden mijn armen maar wij doen mooi niet mee.

Dat is dus niets geworden, ik bracht er niets van terecht.

Handen zonder armen, dat lukt niet echt.

Je ziet er lief uit, dat moeten we zeggen dachten mijn ogen, is dat geen goed idee?

Jullie doen maar, zei mijn mond toen maar ik doe mooi niet mee.

Dat is dus niets geworden, ik heb je niets gezegd. Ogen zonder mond, dat lukt niet echt.

Dit wil ik niet meer, voor geen prijs. Zo komt mijn lijf nooit meer in orde.

Elk lichaamsdeel eigenwijs. Dat is om gek van te worden.

Alle lichaamsdelen samen één. Dat zou mooi zijn, dat zou ik wel willen.

Mijn grote mond geen baas over mijn kleine teen. Mijn hoofd niet hoger dan mijn billen.

Precies zo gaat het in de kerk: het werkt niet goed, één alleen boven.

Met zijn allen gelijk, dat is pas sterk. Daar moeten we allemaal aan geloven.

5. Moeten we aan geloven, of mogen we aan geloven? Ieder van ons heeft een plek, hoort erbij en is nodig. Met alleen ogen of billen redden we het niet, net zomin als met alleen praters of alleen koffieschenkers. En ook met alleen onze gaven en onze inzet redden we het niet – Gods Geest die daaruit spreekt, die is nodig en liefde voor elkaar

We zingen zo lied 973 dat eigenlijk bestaat uit één lange zin die ik alvast even samenvat

‘Om voor elkaar te zijn uw oog en oor, uw hand en voet, uw hart en mond, 

daarom roept U ons Christus, om uw gezicht te zijn, uw liefde, uw brood en wijn’.  

Moge het zo zijn. Amen.

22 aug

Ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Marcus 8: 1-21 


Inleiding op de Schriftlezing              

Wie van u deze zomer vaker naar de kerk ging, heeft grote kans om een lezing over brood of broodvermenigvuldiging gehoord te hebben. Ook vandaag staat een lezing over brood op het leesrooster. We lezen over de 2e broodvermenigvuldiging bij Marcus. Een verhaal dat tussen het verhaal van de genezing van een dove en de genezing van een blinde instaat.

In de Bijbel staan zes verhalen over een wonderbare broodvermenigvuldiging. Johannes en Lucas hebben beiden 1 verhaal. Bij Marcus en Matteus is sprake van een eerste en een tweede broodvermenigvuldiging, die op elkaar lijken maar ook van elkaar verschillen. Of beter nog: de tweede is een aanvulling op de eerste.

Bij het eerste ‘teken van het brood’ zijn er 5 broden en 2 vissen en daarmee worden 5000 mensen gevoed, waarbij er ook nog 12 manden met brood overblijven.

Bij het 2e ‘teken van het brood’, onze lezing vandaag, is er sprake van 7 broden en een paar visjes. Daarmee worden 4000 mensen gevoed en er blijven 7 manden over.

Ik noem al deze getallen, omdat het ook symbolen zijn. 5 broden en 2 vissen, staan voor de 5 boeken van Mozes en de verzamelingen van Profeten en Geschriften. 5000 mensen worden gevoed, dat is het volk Israël, want zie 12 manden, 12 stammen van Israël blijven over.

Zeven broden, een voller getal bestaat niet, voeden 4000 mensen. 4000 dat zijn Bijbels gezien meer mensen dan die 5000 van het volk Israël. Het zijn alle 4 windstreken bij elkaar, de hele wereld, de heidenen, alle volken worden gevoed. En dan blijven er 7 manden over.

Oftewel: er is meer dan genoeg van dit brood dat Jezus deelt. Er is meer dan genoeg van het levensbrood dat Jezus ís voor Israël en alle volken.

Is dat te bevatten?

De leerlingen begrijpen er niets van. Ook al staan ze er met hun neus boven op.

Hardleers, noemt Jezus hen. Ze hebben een verhard hart.

‘Maak onze harten open’, zingen we zoals altijd, maar vandaag helemaal, als gebed bij de opening van de Schrift.

Overweging                                        

1. Gemeente van Jezus Christus,

 

Het is gemakkelijk om versteld te staan van de domheid van de leerlingen, de onwetendheid, van het gênante gegeven dat ze zich hardop afvragen wie er - in Gods naam - in staat is om in de verlatenheid duizenden mensen te eten te geven. Dat zeg je toch niet als Jezus naast je staat?

Herinneren ze zich dan niet het manna in de woestijn?

Herinneren ze zich dan niet de broodvermenigvuldiging van zo pas geleden?

Ja, die herinneren ze zich wel, ze kunnen het zo opzeggen als Jezus erom vraagt.

Maar het zégt hen niets als opnieuw de nood aan de man is.

Herkenbaar. Toch?

De verhalen uit de Bijbel kennen, dat is één ding, maar erop vertrouwen, dat is iets heel anders.

De leerlingen slagen er niet in om het teken van het brood te verstaan, het teken dat Jezus zelf is, Woord van God in de praktijk.

Jezus vergelijkt hen met de Farizeeën, die op een andere manier hetzelfde doen.

De Farizeeën vragen Jezus om een teken uit de hemel. Maar Jezus weet dat het geen oprechte vraag is. Want alle tekenen die Jezus doet, waarmee mensen wat van God zien, erkennen ze niet.

De leerlingen en de Farizeeën, beiden noemt Jezus hardleers. Want ze zien en weten alles, maar ze snappen er niets van. In hun hart is geen aandacht voor God.

Zonde, letterlijk. Want als de leerlingen wel gericht zouden zijn op God, dan zouden ze ook in de boot niet door angst en zorg worden overvallen.

De vraag is natuurlijk: wat doen wij wanneer de nood aan de man is, wanneer angst en zorg ons overvallen? Richten wij ons dan wel op God?

Misschien ligt dat voor ons net als voor de leerlingen niet voor de hand.  

Daarom wil ik, voordat ik verder ga met deze overweging, dat gericht zijn op God even inoefenen met een lied uit het liedboek dat we kunnen zingen als een mantra. Ik leg het zo verder uit, maar eerst gaan we het doen. We zingen psalm lied 23g ‘Mijn herder is de Heer, nooit zal het mij aan iets ontbreken’. De organist speelt het één keer voor en dan zingen we het met elkaar.  (…)

2. ‘Zijn jullie dan zo hardleers?’, vraagt Jezus.

‘Ja’, zou mijn antwoord zijn. Ik kan mij er bijvoorbeeld iedere keer over verbazen dat als ik een ander wérkelijk ontmoet, diegene zo anders is dan ik dacht. Wanneer zal ik leren iemand niet vast te leggen in het beeld dat ik vooraf heb?

De Bijbel staat er vol van en Jezus zegt het telkens weer, dat we bevrijd worden van onze angst als we niet vasthouden aan onszelf maar juist open staan voor de A/ander en vertrouwen hebben.

En toch, wanneer lukt dat?

‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’, vraagt Jezus.

Nee. De leerlingen vertrouwen nog niet op dat ene brood, dat levensbrood dat Jezus is.

‘Ze hebben nog een heel evangelie om het te leren vertrouwen’, schrijft Nico ter Linden bemoedigend. En zo is dat ook voor ons. En daarom lezen we daar iedere zondag uit.

Want we herinneren het ons niet dat we kunnen vertrouwen, als niemand ons helpt herinneren.

We zien het niet, en horen het niet, we verharden gemakkelijk door wat zoveel luider klinkt:

Mariska van Beusichem verwoordt het zo:

‘Het zuurdesem van de angst

doordrenkt het brood

dat ons door machtigen wordt voorgezet.

‘Er is niet genoeg’, lispelt de angst.

‘Je staat er alleen voor, in deze verlatenheid is het ieder voor zich’.

Wie het brood eet van vertrouwen dat ons door Jezus’ hand wordt aangereikt,

voedt zich met zijn bewogenheid om mensen

en wordt zelf mededeelzaam zoals Hij dat is, onze Heer en Meester.

Zoals we elke dag moeten eten, zo moeten we ons ook dagelijks voeden met vertrouwen, met vertrouwen op de woorden van God die Jezus sprak, vertrouwen op de Ander die naast ons staat, vertrouwen op wat wij in beweging kunnen brengen, vertrouwen op een Koninkrijk dat komt.

We zingen opnieuw ons dat vertrouwen te binnen met psalm 23g. (…)

3. Begrijpen lijkt iets van het hoofd. Maar wat Jezus vraagt is om ons te herinneren, om ons te binnen te brengen alle tekens die er zijn geweest. Dat vraagt om een open en attent hart, want een verzuurd hart heeft een benauwde blik, dat blijkt wel bij de Farizeeën.

De Bijbelse verhalen zijn stuk voor stuk van die herinneringen aan wie God is en wat God doet. Met het horen van die verhalen kan het vertrouwen in God groeien. Evenals met het zingen van de oeroude psalmen of met gebeden.

Doet dit tot mijn herinnering, zegt Jezus als Hij met zijn leerlingen de maaltijd viert. Om te begrijpen, moet je doen. Brood breken en delen met elkaar, en de verhalen in herinnering roepen.

En al doende kan dat goede nieuws dat Jezus brengt en is voor je gaan leven en je vertrouwen geven. Zoals in dat lied, dat we nog éénmaal zingen: psalm 23g. (…)

Amen

11 juli

ds. Jantine Heuvelink
Schriftlezing Johannes 5: (18)19-30


Inleiding op de Schriftlezing

Vandaag lezen we verder in hoofdstuk 5 van het Johannesevangelie. Vorige week lazen we hier in de Oranjekerk en ik zag ook in de Thomas het 1e gedeelte van dit hoofdstuk. Voor ons allemaal vat ik dat nog even samen.

Jezus gaat naar Jeruzalem voor een feest. En bij de Schaapspoort van de stad bij een badhuis, vijver, met 5 zuilengangen liggen zieke mensen, verlamden, kreupelen. Het genezende water is dichtbij, maar ze komen er niet. Jezus ontmoet een man die 38 jaar verlamd is. En Hij vraagt die man: ‘Wil je gezond worden?’. De man zegt hoe kan dat als niemand mij helpt?’. Maar Jezus doet dat en zegt ‘Sta op, neem je draagbed en loop’.

En dan pas blijkt welk feest er aan de gang is. Het is sabbat. De zevende dag van de week. De dag waarop God rustte van zijn schepping, een dag die heilig is en gewijd aan God, zoals onze zondagEen dag waarop iedereen vieren mag dat je vrij bent. Je kan zeggen, dat het sabbat is, dat blijkt aan deze man, die opstaat en eindelijk kan gaan leven.

Maar nee, zo gaat het verhaal niet. Dat het sabbat is, dat wordt duidelijk door een scherpe reactie op de genezing van deze man: het eerste wat de Joodse leiders doen is wijzen op de regels die gelden voor de sabbat. Want dat is een dag waarop allerlei handelingen verboden zijn, omdat je niet mag werken op deze dag. En de Joodse leiders van de tempel in Jeruzalem zeggen eerst tegen de man dat hij de regels overtreedt door zijn draagbed te dragen. En vervolgens zeggen ze tegen Jezus dat Hij de regels van de sabbat overtreedt door iemand te genezen.

En dan antwoordt Jezus: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’ 

En de lezing van vorige week eindigde als volgt: ‘Vanaf dat moment probeerden de Joden hem te doden, omdat hij niet alleen de sabbat ondermijnde, maar bovendien God zijn eigen Vader noemde, en zichzelf zo aan God gelijkstelde.’

Vandaag horen we hoe Jezus ingaat op die beschuldiging

Laten wij zingend bidden om de Geest, dat wij wat wij horen ook zullen verstaan.  

Overweging

1. Gemeente van Jezus Christus, 

Vorige week was het feest hier in de dienst. Want voor het eerst in een half jaar waren de kinderen en tieners weer in de kerk en op mijn vraag of ze iets wilden doen in de dienst zeiden velen ja. Er waren kinderen die wat lazen, die kaarsen aanstaken, er was pianospel en er was dans. Iedereen deed mee.

Het was feest zoals op die dag dat die verlamde man na 38 jaar voor het eerst sabbat kon vieren. Maar deze mens is nog amper opgestaan uit dat doodse bestaan, of hij krijgt te horen van de Joodse leiders, dat dit de bedoeling niet is, dat hij werkt op sabbat, dat hij zijn draagbed draagt.

Dan denk je als lezer, nee!dit is absurd, die man kan eindelijk sabbat vieren, waar gaat het nou om?

En wat ik dan jammer vind, is dat Jezus in zijn reactie dat niet gewoon kort maar krachtig zegt, maar een moeilijk theologisch betoog begint.

Jezus gaat in op het verwijt dat Hij zichzelf aan God gelijkstelt door God zijn eigen Vader te noemen. In eerste instantie klinkt dat verwijt vreemd, want wij mogen toch allemaal God onze Vader noemen, dus waarom Jezus niet?

En ook is het toch juist de bedoeling dat wij lijken op God? God heeft de mens toch gemaakt als zijn evenbeeld? (Genesis 1:27) Alles in de Bijbel is er toch op gericht dat de mens gelijk aan God wil zijn in al die kenmerken van God die een mens tot zijn recht doen komen. God is goed, barmhartig, rechtvaardig, liefdevol, doe evenzo dat is toch onze opdracht?

Maar het verwijt dat de Joodse leiders Jezus maken, is dat Jezus zichzelf God maakt. En dat verwijt spreekt Jezus tegen. Want de Zoon is wel als de Vader, maar Jezus neemt niet de plaats van God in. 

In de lezing van vandaag staat het aan het begin en het eind: de Zoon kan niets uit zichzelf doen, Hij kan alleen doen wat Hij de Vader ziet doen, daarvan is Hij geheel van afhankelijk.

Wat volgens mij de kern is van het betoog van Jezus is dat de Joodse leiders en ieder ander de Zoon niet te hoog moeten verheffen, niet moeten ophemelen maar tegelijk niet te min moeten denken over Hem, zoals in hun voornemen Hem uit de weg te willen ruimen.

Want in beide gevallen doe je God en mensen tekort.

Jezus laat zien wie God is, want kijk wat er gebeurt, mensen staan op en komen tot leven. 

Jezus laat zien wie de mens is, want Hij staat niet boven de kwetsbare mens, maar reikt die de hand.Jezus is zelf die kwetsbare mens aan wie we, zo zal blijken, wel of niet recht doen. Wat je aan de minste hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan (Matt 25)En daarmee zal God geëerd worden of niet.

Naar Jezus kijken, Hem niet ophemelen, maar ook niet te weinig van Hem verwachten, dat heeft gevolgen voor hoe mensen kijken naar God en naar een medemens.

Als mensen met plezier kijken naar een verlamde man die weer kan lopen, zien dat het goed is en van God, dan maakt dat uit voor hoe je leeft en wat je doet.

‘Oordeel’ is een belangrijk woord in deze tekst. Dat gaat over een beoordeling over de weg die mensen gaan, of dat een weg is ten leven of een doodlopende weg. Aan hoe mensen met de Zoon, met elk kwetsbaar mensenkind omgaan, is een oordeel te geven of dit leven geeft of niet. Wie niet de weg gaan die tot leven leidt, wie veroordeeld worden, zoals in de lezing staat, die worden niet verdoemd, maar moeten als zij opstaan en een nieuwe weg inslaan. Want om dit leven gaat het, mens zijn hier en nu.

2. Wat kan deze lezing ons vandaag leren? Je kunt zeggen dat de Joodse leiders zich zo blind staren op de regels van de sabbat dat het feest dat zich voor hun ogen afspeelt hen geheel ontgaat. Zij ervaren geen vreugde om de genezing die plaatsvindt en zij herkennen ook niet Gods schepping daarin. 

Zou ons dat in de kerk nou ook kunnen overkomen, dat ons ontgaat welk feest, welke genezing plaatsvindt onder onze ogen?

Liever stel ik de vraag andersom: kunnen we ons een moment herinneren dat onze traditie werd doorbroken en we onverwachts oog kregen voor Gods schepping of dat ineens de vreugde om opstandingons duidelijk werd

Ik deel al deze woorden van de preek met u, dat doeik graag, maar nog liever deel ik een foto met u. U ziet hem op de liturgie. ‘Kijk, elfjes!’ zei mijn dochter Suzanne van vijf laatst. Ik maakte deze foto van wat zij zag. Ik was zo verrast en blij dat ik de foto deelde via Facebook. En ongelooflijk veel mensen zagen het en waren met mij blij en verrast

Spontaan, lichtvoetig, kleurrijk, vreugde om de schepping – was het.

 

Dat gevoel, die waarneming, is denk ik van groot belang om Johannes 5 te begrijpen. Die woorden van Jezus over God en sabbat, Vader en Zoon, oordeel en gezag kunnen zwaarte toevoegen aan de genezende daad van Jezus. En volgens mij is dat precies niet de bedoeling. Het is wat de Joodse leiders doen en wat verlammend werkt.

Jezus wil mensen van deze zwaarmoedigheid genezen, wil ze de ogen openen voor wat ze kunnen zien,dat er mensen opstaan en leven gaan, dat schepping en opstanding steeds doorgaanAan het begin zegt Jezus 20 De Vader heeft de Zoon immers lief en laat hem alles zien wat hij doet. Hij zal hem nog grotere dingen laten zien, u zult verbaasd staan!’ 

Horen en zienopenstaan voor wat er gebeurt en je daardoor willen laten raken, daar begint het meeJezus wijst de mensen erop: ‘kijk, God!’ en mensen zien het ook in Hem. 

Het hoeft niet vreugde om grootse dingen te zijn. Ook plezier in alledaagse dingen kan ons iets laten zien van God. Zeker is dat de feestvreugde van de zevende dag groter wordt als we door anderen kunnenontdekken hoe goed en groot God is en ons daar samen om verwonderen.  

Dus, zullen we elkaar daarin meenemen?

Amen

4 juli

ds. Jantine Heuvelink
Lezing: Johannes 5: 1-18


Inleiding op de Bijbellezing ‘Dat mag niet!’

Vandaag heeft iedereen een rood potlood gekregen. Dat is om de vragenlijst mee in te vullen. Maar een rood potlood, wat doet een juf of meester daarmee?

Aanstrepen wat fout is. En daarover gaat het vandaag in het Bijbelverhaal dat we lezen.

Dat gaat over wat fout is. Of beter wat de Joodse leiders in het Bijbelverhaal fout vinden.

Die vinden het fout dat Jezus op sabbat, dat is zeg maar op zondag, iemand heeft beter gemaakt. Want, zeggen ze, op zondag mag je niet werken. Want zondag is een dag voor God. En dan moet je je aan de regels houden die gelden voor zondag’. 

Nu ben ik benieuwd: hebben jullie ook dingen die je op zondag niet mag van je ouders? Of dingen die je niet mag op zondag maar misschien wel nooit omdat jullie naar de kerk gaan?

Wie kan iets noemen?

Wat mag je niet op zondag, of niet omdat je bij de kerk hoort?

Mensen van vroeger?

Nu is er zodadelijk in het verhaal een mens die beter gemaakt wordt door Jezus. 

En de Joodse leiders zijn boos op Jezus dat hij dat doet. Maar ze zijn ook boos op die man die beter is. Want hij doet iets, wat niet mag op sabbat.

Luister maar goed naar het verhaal, wat die man doet wat niet mag op sabbat.

Aukje gaat voor ons lezen en daarna gaan Febe en Annigje dansen en ik hoor graag daarna, wat het was wat die man niet mocht doen en wel deed.

Overweging

Wat mag de man niet doen op sabbat? Zijn draagbed dragen.

Want dat is werken. 

Nou moet je nagaan. Jezus komt voor een feest naar Jeruzalem. En bij de poort van de stad is een badhuis met vijf gangen eromheen, vol met zieke mensen. Voor die mensen is het helemaal geen feest. Nooit. Geen dag. Want ze zijn blind of verlamd. Ze hebben eigenlijk geen leven.

Er is een man die al 38 jaar ziek is. En dat water van het badhuis dat hem beter kan maken dat is vlakbij, maar niemand helpt hem ernaar toe. Als Jezus die man ziet liggen vraagt hij ‘Wil je beter worden?’. En de man zegt ‘Ik heb geen enkele kans, want er niemand die mij helpt’.

En wat doet Jezus? Die helpt wel.

Hij zegt ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop!’

En meteen is de man beter, hij pakt zijn draagbed op en loopt.

Nou eigenlijk is dat een mooi verhaal, toch?

Maar ja het staat in de Bijbel en dat betekent dat het verhaal ons iets wil leren over God.

Weten jullie nog, dat het begon met dat Jezus voor een feest naar Jeruzalem komt?

Welk feest, dat staat er niet, maar het is wel sabbat, de zevende dag van de week, dat is een bijzondere dagHij lijkt op onze zondag, de dag waarop we naar kerk komen en een viering hebben. Twee dingen vieren we altijd op zondag. We vieren Pasen, daarom brandt de Paaskaars. Teken van Jezus die na zijn dood is opgestaan en zo ons leerde dat het bij God nooit afgelopen is met mensen, maar dat je opnieuw kunt beginnen. Wat Jezus ook tegen die man zegt: ‘Sta op en ga leven!’

En zondag of sabbat is ook de 7e dag van de schepping. Weten jullie nog wat God op de zevende dag maakte? Eerst maakt hij licht en donker, en hemelgewelf, droog land met planten, sterren en de maan, vissen en vogels en alle andere dieren en de mensen en op de 7e dag?

Rustte God uit. En dat is een rustdag, een heilige dag om vrij te zijn en te vieren. 

En op die dag mag je dus niet werken – zeggen de Joodse leiders.

En mensen beter maken en een draagbed dragen, dat is werken! En daar zetten de Joodse leiders met hun rode potlood een streep doorheen.

Maar Jezus zegt: ‘Mijn Vader - en zijn vader is God - werkt altijd, en dat doe ik ook’.

Want wat Jezus doet, is wat God doet en dat is zorgen dat mensen kunnen leven en kunnen vieren dat ze bij God horen. Juist nu de man weer beter is gemaakt is de sabbat een feestdag. Een dag voor God.

Hm, nu is de vraag wat we nou precies kunnen leren van dit verhaal in de Bijbel.

Blijkbaar is het de bedoeling dat de zondag een feestdag is. Want het is de dag dat we Pasen vieren én de dag dat we vieren dat God de wereld heeft gemaakt en wij vrij mogen zijn en niet altijd hoeven te werken

Deze verlamde man ging niet aan het werk, hij ging leven en kon eindelijk mee doen aan deze feestdag. 

Als er nou dingen niet mogen op zondag, dan moeten we goed bedenken, helpt dat om deze dag feestelijk te maken of niet? Als de regels de dag stom maken, is dat echt niet de bedoeling.

Vrij zijn en mee mogen doen, dat hoort bij deze dag. Het is niet de bedoeling dat we op zondag niet doen wat deze dag juist tot een feest maakt.

En zo is het ook met de Bijbel. Als je die leest en je ziet alleen maar dat er heel veel dingen niet mogen, als er alleen maar gezegd wordt dat er heel veel regels zijn, heel veel rode potloden, dan kunnen mensen verlamd raken. Net als die man. Dan komen ze niet bij het water, niet bij het leven. En dat is pas zonde. 

Terwijl het erom gaat dat iedereen mee kan doen aan het feest van God die mensen vrijheid heeft gegeven.

Daarover heb ik nog een klein verhaal. Er was een meisje die wist dat ze op zondag nooit een ijsje gingen kopen. Want haar ouders zeiden ‘wij willen niet iets kopen op zondag’.

Op een zondag liep ze met haar opa door de stad. En het meisje zag een ijskraam en ze had wel zin in een ijsje, maar ze wist dat het zondag was en dat niet mocht.

Toen vroeg haar opa ‘wil je een ijsje?’. En het meisje zei ‘maar opa, het is zondag’!

Echt waar zei de opa, is het zondag? Nou dan krijg je er twee.

En zo werd de zondag een echte feestdag. Amen.

20 juni

ds. Jantine Heuvelink

Lezing: Johannes 4: 27-42


Inleiding op de Schriftlezing

Deze hele week heeft mij de uitslag van een enquête van het Nederlands Dagblad beziggehouden: 86% van de vrouwelijke predikanten in Nederland ervaart seksisme in haar werk. En de voorbeelden die collega’s deelden in een groep predikanten op Facebook waren schokkend.

Precies deze week staat het verhaal van Jezus’ ontmoeting met een vrouw bij de bron op het leesrooster. Ik heb me er afgelopen week uitgebreid in verdiept en ontdekte hoe theologische commentaren en ook ikzelf deze tekst bevooroordeeld lezen en de vrouw in het verhaal daarmee tekort doen. Een vrouwelijk theoloog schreef inmiddels 40 jaar geleden een commentaar waarin het idee dat de vrouw bij de bron onnozel is en een slechte levenswandel heeft, geheel verdwijnt. Daarmee werd zichtbaar hoe bevrijdend dit verhaal is voor iedereen. Het is een waar evangelie. Ik neem jullie er graag in mee.

Twee aanwijzingen vooraf:

Allereerst is het goed te weten dat het verhaal zich afspeelt in Samaria. Op het kaartje kun je zien dat Jezus op zijn weg van Judea naar Galilea door Samaria komt. De Samaritanen komen we vaker in de Bijbel tegen. Hun religie heeft overeenkomsten met die van de Joden en verschillen. Zo delen ze de vijf boeken van Mozes, zoals Genesis en Exodus, maar ze erkennen niet de Profetische geschriften. Ook hebben ze door invloeden vanuit andere religies andere rituelen én hebben ze niet de tempel in Jeruzalem maar de berg Gerizim als plek om God te aanbidden. Over en weer hebben Joden en Samaritanen heel wat op elkaar aan te merken en is er vaak sprake van een vijandige houding.

Ten tweede: het verhaal van de vrouw bij de bron staat alleen in het evangelie van Johannes. Het is de langste dialoog in het Nieuwe Testament. Ik wil u aanraden om te proberen het verhaal niet mee te lezen maar, misschien zelfs met de ogen dicht, gewoon te luisteren en u te laten meenemen in dit verhaal.

Overweging

Gemeente van Jezus Christus,

Een man, een Jood, en een vrouw, een Samaritaanse, ontmoeten elkaar bij een bron. De bron van Jakob, een bron (van geloof) die ze met elkaar delen.

Zij ontmoeten elkaar bij de bron in een gesprek over geven en ontvangen van water. En wat begint met water dat de dorst lest, water dat je drinkt en uit een bron haalt, gaat snel over in water, levend water als beeld van wat God de mensen schenkt aan bevrijdende woorden. Jezus schenkt dat water niet alleen, hij is dat woord van bevrijding ook zelf.

Want kijk wat er gebeurt.

Jezus en de Samaritaanse vrouw gaan op een gelijkwaardige manier met elkaar in gesprek.

Zij stellen elkaar vragen en geven antwoord. Ze kennen elkaars religie. En al pratend komen ze tot elkaar en geven de ander het belangrijkste dat ze te geven hebben:

De vrouw ontvangt in zichzelf die bron waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft (vs 14). Zij hoeft God niet langer te zoeken op die plekken of het nu Jeruzalem of de berg Gerizim is, waar God vereerd wordt in de tempeldienst waarin mannen de dienst uitmaken. Jezus zegt ‘aanbidt God in geest en waarheid’. Dus niet op een bepaalde plek, maar op een manier die dichtbij je dagelijks leven staat. ‘Want God is Geest’ (vs 24), voegt Jezus daar aan toe. Een open en niet vastbepaald beeld van God. En Jezus laat zien dat hij de vrouw kent in wie ze is. ‘Wat u zegt, is waar’. (vs 18/19)

En dan is het aan Jezus om te ontvangen. Want deze Samaritaanse vrouw getuigt in haar ontmoeting met Jezus dat hij de gezalfde, de Messias, de Christus is. In de hele Bijbel is er slechts één ander die dat ook doet, eveneens een vrouw en dat is Martha (Joh 11)

En net als Martha deelt ook deze Samaritaanse vrouw dat getuigenis met zeer velen. De Samaritanen uit haar stad geloven haar op haar woord en later ook nog omdat zij zelf Jezus horen spreken en zij getuigen ‘dat hij werkelijk de redder van de wereld is’.

Met het geloof van deze ene vrouw is de oogst groot geweest.

Wat is er nou precies gebeurd?

Twee mensen hebben elkaar werkelijk ontmoet en van hart tot hart gesproken.

Dat zij een Jood en een Samaritaan waren, een man en een vrouw, dat stond niet in de weg. Dat Jezus de Messias is, de Bevrijder en Redder van de wereld, blijkt juist in dat Jezus met deze vrouw spreekt op gelijke voet. Zij hoeft zich niet klein te maken. Hij is niet groter. Hij wijst haar op een bron die in haar opwelt, de woorden van God die haar rechtdoen in wie zij is. Zij spreekt waarheid als zij Jezus antwoordt dat zij geen man heeft, evenzo kan zij, zegt Jezus, God in Geest en waarheid aanbidden. (vs. 24) 

En dan nu even hét heikele punt uit deze tekst, namelijk allereerst de vraag van Jezus aan de vrouw ‘Ga uw man eens roepen’. Ik vind dat een rotvraag, intimiderend ook. Waarom mag zij niet op zichzelf staan en waarom dwingt Jezus haar dus zich bloot te geven in haar antwoord dat zij geen man heeft?

Maar nog heikeler wordt het met de reactie van Jezus ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, (…), ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet.’

Wat zégt Jezus daarmee over deze vrouw?

Nou volgens vrijwel alle theologische commentaren zegt Jezus hiermee dat deze vrouw een losbandig, zondig leven leidt. Maar wat opvalt is dat de vrouw niet terugdeinst door deze woorden, dat het in het vervolg van dit gesprek ook helemaal niet verder gaat op dit thema én dat alle mensen uit de stad deze vrouw op haar woord geloven. Dat klinkt niet logisch als zij een uitgestoten vrouw zou zijn. En dus, concludeert slechts één theoloog, Maria de Groot, is het veel logischer om deze reactie van Jezus niet te lezen als een moreel oordeel maar als een feit. Deze vrouw leeft met meerdere mannen samen. Dat kan heel goed een levensvorm zijn die in de Samaritaanse cultuur, die beïnvloed was door godinnenreligies, normaal was. Jezus heeft er geen oordeel over. Hij geeft aan dat Hij weet wie ze is. En de vrouw kan niet anders dan op die woorden reageren met de open vraag aan haar volksgenoten: zou dit niet de Gezalfde zijn?

Want Jezus spreekt met haar, kent haar en reikt haar levend water aan, woorden van eeuwig leven, en daarmee doet God een bron van levend water in haar ontspringen waarvan ze uitdeelt aan anderen.

De leerlingen van Jezus die zien dat Hij met een vrouw praat, gaan daar verder niet op in. Blijkbaar straalt de situatie een grote vanzelfsprekendheid uit.

Dit is wat Jezus Messias maakt. Alle grenzen zijn doorbroken. Het woord dat Hij mensen wil vertellen stroomt. En niemand, maar dan ook niemand brengt daar iets tegenin.

Er is geen afkeuring, er is geen begrenzing, iedereen doet mee.

Van alle volgelingen van Jezus in de Bijbel komt deze Samaritaanse vrouw Jezus het meest nabij in haar dubbele getuigenis dat Jezus de Messias is. Is dat misschien omdat Jezus en deze vrouw elkaar werkelijk ontmoeten en hun identiteit blootgeven aan elkaar?

Als dat zo is dan kan getuigen van geloof blijkbaar niet zonder ontmoeting.

En dan heeft zo’n ontmoeting dus gelijkwaardigheid nodig in geven en ontvangen.

Dit verhaal heeft mij deze week geraakt omdat de bevrijding van de vrouw die ik op het spoor kwam, dichtbij kwam. De vrouw is wie zij is en zij ontmoet in Jezus iemand die haar ziet en met haar delen wil wat van God komt aan bevrijding, niet alleen in de woorden die hij tot haar spreekt maar ook in de manier waarop hij met haar omgaat. En zij op haar beurt getuigt en doet dat met zo’n open vraag ‘zou dat niet de messias zijn?’ dat iedereen zelf kan gaan ondervinden of dat zo is.

Ja, zo zie ik het graag voor me: de kerk als een plek waar mensen elkaar ontmoeten rond een bron, waar we niet alleen woorden van God als levend water uit putten, maar die woorden ook waarmaken in hoe we ze met elkaar, met anderen, ook die we niet goed kennen, willen delen. Dan kunnen we ook, net als Jezus, de ander ontdekken als van God gegeven. Pas als een ander bevrijding ervaart door de woorden die we hier met elkaar delen, wordt zichtbaar hoe Jezus de Messias is.      

Het begint bij de bron.

‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de messias zijn?’

Amen.

30 mei

Trinitatis (Zondag van de Drie-eenheid)
Lezing: Johannes 2:23-3:21
ds. Wielie Elhorst


Gemeente van Jezus Christus,

Het gebeurt in mijn LHBTI-werk nog wel eens dat ik in gesprek met iemand of met een groep mensen vooral het gevoel heb dat de posities of de perspectieven over en weer onoverbrugbaar lijken. Tussen mij en mijn gesprekspartners gaapt een diepe kloof en het lukt niet om een brug te slaan, om tot overeenstemming te komen, of zelfs maar tot een zekere herkenning. In zulke situaties gaat het vrijwel altijd over gelovige gesprekspartners. Het is een ervaring die altijd weer bevreemdend is. Je zit al dan niet letterlijk aan tafel met mensen die in dezelfde traditie staan, van het christelijk geloof, die bekend zijn met dezelfde verhalen, en toch domineert de ervaring van twee werelden die nagenoeg niets met elkaar te maken lijken te hebben. Je spreekt in principe dezelfde taal en toch klinken de woorden heel verschillend, lijken ze een heel andere betekenis te hebben. Het is frustrerend en soms ontmoedigend de rijkdom van het gezamenlijke vocabulaire, van de Bijbel, van het Evangelie, niet aan te kunnen spreken als een gedeelde schat die voor verbinding kan zorgen, en dat is nog wat anders dan het precies met elkaar eens zijn. Het is nog extra frustrerend als de goede intentie van een gezamenlijke uitkomst er wel is. Misschien is het de tragiek van het verhaal of van de boodschap van elke traditie die langer mee gaat: dat die uiteenlopend kan neerslaan in verschillende tijden en in verschillende omstandigheden en in verschillende groepen mensen. Op zichzelf is dat nog niet eens zo erg, het is zelfs onvermijdelijk. Maar als die neerslag, en dan gehouwen in steen, het uitgangspunt wordt, en de dynamiek die essentieel is voor de boodschap, verdwijnt, is er reden voor zorg.

Het is een ervaring van alle tijden, en ik herken deze in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Het gesprek is zo bizar dat het bijna lachwekkend is. Er zijn twee mensen in gesprek, maar ze praten volledig langs elkaar heen. Jezus zegt: je kunt alleen het koninkrijk van God zien, als je opnieuw geboren wordt. Nicodemus antwoordt: hoezo, opnieuw geboren worden, dat kan toch maar één keer? Jezus geeft nadere uitleg, spreekt over water en geest, over ‘van omhoog geboren worden’, en spreekt Nicodemus aan op zijn kennis, maar het schiet niet op.  Nicodemus blijft vragen: hoe kan dit? Of het tussen de twee tot begrip, tot verstaan is gekomen, blijft in het ongewisse. Je kunt Nicodemus onvermogen verwijten, maar Jezus net zo goed. Het lijkt Hem niet te lukken zijn boodschap over te brengen. De twee komen niet nader tot elkaar.

Het diepe niet begrijpen, het diepe niet kennen, het bijna totale onvermogen de kloof te overbruggen, deze tweedeling, is typerend voor het Johannesevangelie. Het kennen en het niet kennen, het zien en het niet zien, het licht en het duister, het goede en het kwade, de wereld en het koninkrijk van God zijn voorbeelden van woordparen die Johannes opvoert om duidelijk te maken dat Jezus van een geheel andere orde is en dat Hijzelf de sleutel is tot wel kennen, wel zien, wel verstaan. Nog vorige week waren we, toen we Pinksteren vierden, getuige van een gesprek tussen Jezus en Filippus, een leerling van Jezus. De diepte van het onbegrip is hier zo mogelijk nog groter. Jezus zegt letterlijk: wie mij kent, kent de Vader, waarop Filippus het bestaat het te vragen: laat ons de Vader dan maar zien, Jezus; terwijl, hij, Filippus, anders dan Nicodemus, voortdurend bovenop de neus van Jezus zit. Een bijna logische vraag ergens, maar ook eentje die de tragiek van het onvermogen van Filippus, van ons mensen, pijnlijk aan het licht brengt. Het past ons niet hard te zijn in ons mogelijke oordeel over Nicodemus en Filippus. Hun vragen zijn uitdrukking van de tragiek die ons aller deel is. Niet kennen, niet zien, in het duister tasten, niet verstaan, is eerder ons deel, is eerder wie we zijn als mens, dan wel zien en wel kennen. En of we deel uit maken van de kerk, maakt daarbij niet zo veel verschil, integendeel zou ik zelfs willen zeggen. Wij zitten met onze neus op de verhalen, maar zien en kennen, een wel verstaan is daarmee niet automatisch gegeven.

Het tegenover in het Evangelie naar Johannes, scherper aangezet dan in de andere evangeliën, vinden we ook het doorgaande gesprek van Jezus met de Farizeëen. Vlak vóór de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus, althans in dit evangelie, treffen we Jezus in de tempel in Jeruzalem. Hij jaagt alle handelaren er uit, en zegt: breek deze tempel maar af. Ik bouw die in drie dagen weer op. Ook daar weer volledig onbegrip. Hoezo in drie dagen? Het heeft 46 jaar geduurd voor deze tempel er stond. De toon wordt direct aan het begin van het evangelie al goed gezet. En het gesprek met Nicodemus is er een voortzetting van. Er staan twee werelden tegenover elkaar. Mensen spreken dezelfde woorden, gebruiken dezelfde beelden en toch is zien en kennen, verstaan, onmogelijk geworden.

Nicodemus spreekt Jezus aan als zijn gelijke. Zijn eerste woorden aan het adres van Jezus zijn bijna een belijdenis: Rabbi, wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht. En zo is het, toch? Maar Jezus antwoordt en nu even in mijn woorden: het gaat niet om de wonderen op zichzelf, om hoe je die beoordeelt, het gaat er om of je kunt zien welke dynamiek, welke verandering daarachter schuilgaat, en dat kan alleen als jezelf onderdeel wordt van die dynamiek, van die verandering. Het gaat hier niet om een verandering binnen de orde van wat we kennen, maar om een verandering buiten alle gebruikelijke orde, en dat kun je pas echt op waarde schatten, als je zelf geen onderdeel meer uitmaakt van die oude orde, waarin je, zoals in net leven van Nicodemus alleen nog maar kennis overhebt, kennis die het leven klemzet in steeds weer nieuwe regels die dat leven proberen te beheersen. Wij doen dat voortdurend, en des te erger als het in Gods Naam gebeurt. 

Het is vandaag zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid. Het is pijnlijk illustratief dat we juist vandaag het verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en Nicodemus horen. Immers, de Drie-eenheid is het voorwerp van hetzelfde onvermogen dat we in het gesprek tussen Jezus en Nicodemus ontmoeten. Als er een uitdrukking is die de dynamiek van wie God is duidelijk probeert te maken, dan is het wel het artikel van de Drie-eenheid. In de loop van de geschiedenis is het echter een leerstuk geworden, dat vooral is gebruikt om God te verklaren, te bewijzen, terwijl het vooral een geloofsuitspraak is, die als een venster op God iets van hun geheim, van de dynamiek van deze God wil laten zien. Kennis hebben van dit artikel, dit leerstuk betekent helemaal niets, als je niet zelf onderdeel bent van de dynamiek van de Drie-eenheid, in de nieuwe driehoeksverhouding, de nieuwe relatie tussen God, mensen en wereld. Zo persoonlijk is het. Zo persoonlijk maakt het Evangelie naar Johannes het, keer op keer. Het gaat Jezus niet om Nicodemus de Farizeeër, het gaat hem om de mens die tegenover Hem zit.

Maar hoe kan dat dan? De vraag blijft recht overeind en mag, nee moet steeds weer gesteld worden. Jezus ontmoet Nicodemus in de nacht van Pasen, Pesach. De nacht is betekenisvol in de traditie van de Bijbel. Juist in de nacht komen dingen aan het licht, breekt het kennen door, worden de dingen geopenbaard. Dat het nu de nacht van Pasen is, is veelzeggend. Al staan Jezus en Nicodemus nagenoeg onoverbrugbaar tegenover elkaar, er is toch iets dat hen met elkaar verbindt, en dat is het verhaal van Pesach. Het is het verhaal van de bevrijding van het joodse volk uit slavenhuis Egypte; dit verhaal anders dan alle andere verhalen; dit verhaal van een geheel andere orde; dit verhaal van een gebeurtenis die nooit iemand had verwacht, klemgezet in een slavenbestaan; dit verhaal van vrijheid die de orde van de mensen, die de orde van ons samenleven, die de orde van georganiseerde religie te boven gaat; die ergens anders vandaan komt; die het mensenbestaan, ons leven in een heel nieuw licht zet. Wie had dat gedacht van dit slavenvolk, wie had dit gedacht van deze man uit Nazareth, deze zoon van een timmerman? Het gaat er niet om of we dit kunnen verklaren, het gaat er ook niet om of we het overal kunnen aanwijzen, het gaat er om of wij ons eigen leven en het samenleven steeds weer willen zien tegen de achtergrond van deze andere orde, die bevrijding uit het slavenhuis, die overwinning van de dood, die tweede geboorte ‘van omhoog’. Wie dat doet, loopt nooit vast, of: breekt steeds weer vrij, is onderdeel van de dynamiek die met de komst van Gods geest ons deel is geworden. Dat doen, zo willen kijken, zo willen zien, zo kunnen zien en kennen, is niet een eens en voor altijd. Wij zijn en blijven mensen, moeten de verhalen van Pesach en Pasen steeds weer delen, tegen elkaar uitspreken, voor God belijden dat we in de geest van deze verhalen willen leven en naar het leven willen kijken. Maar we hebben het verhaal, we weten van bevrijding, we hebben deze Jezus, we hebben deze verhalen, deze mens als een belofte die altijd blijft. En daarvan te bestaan is meer dan voldoende.

Ergens las ik een verhaaltje van een geestelijk verzorger in een instelling voor verstandelijk gehandicapten. Een slechtziende hield niet op te zeggen, veertien jaar lang inmiddels: ‘Jezus heeft mij nieuwe ogen beloofd’. Het is in veertien jaar niet gebeurd, maar die beperking was geen belemmering voor geloof. Als je begrip afdwingt, of een wonder, gebeurt er niets. Als je leeft van vertrouwen, dan gaat de hemel open en wordt je opnieuw, van boven, geboren, steeds weer. 

Amen

 

LHBTI staat voor: lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse.